Nadat Bob Dylan ‘Down in the Groove’ had opgenomen, was hij helemaal op. Het laatste greintje inspiratie had hij eruit geknepen, al was het lang niet veel meer geweest; het grootste deel van de tweede helft van de jaren ’80 in Dylan’s leven als songschrijver werd gekenmerkt door een alsmaar ernstiger wordende writers block. Na zijn tournee met Tom Petty and the Heartbreakers volgde nog één met The Grateful Dead, maar die was niet bepaald een succes. Dylan zat mentaal bij de grond, en had een prikkel nodig om er weer bovenop te komen. Een sterke stimulus.
Die stimulus kwam in de gedaante van een kleine tragedie. Om sterker te worden, moet een mens eerst echt afzien, zegt men wel ‘ns. In december 1987 raakte Dylan ernstig gewond toen hij wat aan het rommelen was in de tuin. Zijn hand was opengereten tot op het bot, en specialisten vreesden er zelfs voor dat hij nooit meer gitaar zou kunnen spelen. Dit onheilspellende nieuws zette Dylan aan het denken, hij ging zelfs even een compleet ander leven overwegen. Maar net deze nare gebeurtenis zorgde ervoor dat Dylan weer begeesterd raakte en ging doen wat hij het best kon; liedjes schrijven.
Hij zette zich enige tijd na het ongeluk aan de schrijftafel, en schudde meteen een hele hoop strofes uit zijn mouw; het venijnige ‘Political World’, dat later de plaat ook zou mogen aftrappen, was geboren, uit de jarenlange frustratie van Dylan met zichzelf. De tekst is opmerkelijk scherp, en haalt uit naar de heersende politieke sfeer die alles kapot analyseerde, en de agressieve, te zelf-defensieve houding van veel mensen. Al die kille, pragmatische mensen hebben nood aan een wake up call, moet Dylan gedacht hebben. Of misschien wel helemaal niet, want tja, het blijft natuurlijk Dylan.
Maar goed, de goesting en de drive waren weer terug, en Dylan zag het weer helemaal zitten. Zijn hervonden inspiratie zorgde voor genoeg zelfvertrouwen om zijn platendeal te verlengen, waardoor ‘Down in the Groove’, dat lang op de helling stond, alsnog werd uitgebracht, en Dylan nog een aantal platen zou kunnen maken.
Uit zijn vorige, zwakke albums had Dylan enkele lessen getrokken, en deze is misschien wel de belangrijkste: dat je iemand nodig hebt om enigszins voor sturing en edge te zorgen, iemand die de touwtjes in handen durft te nemen als dit noodzakelijk blijkt te zijn. Dylan ging dus weer op zoek naar een echte producer. Hij deed hier en daar navraag, zonder al te veel succes, tot hij Bono van U2 ontmoette. Onder het genot van menig glas Guinness vertelde Bono dat hij bijzonder te spreken was over Daniel Lanois, een Franstalige Canadees, die zelf multi-instrumentalist was en ‘The Joshua Tree’ had geproduceerd, een enorm succes voor de Ierse band. Dylan ging uiteindelijk in zee met Lanois.
In Lanois vond Dylan voor het eerst sinds lang een sterke figuur, die voldoende tegengewicht kon bieden aan Dylan’s nukken. Want die streken was de oude vos nog steeds niet verleerd; hij negeerde zijn nochtans uitstekende sessiemuzikanten, werkte geluidstechnici Malcolm Burn en Mark Howard regelmatig op de heupen en kreeg Lanois zover dat die uit pure razernij z’n dobro aan diggelen sloeg. En jawel, dit alles heeft bijgedragen tot de kracht en sfeer van de plaat.
‘Oh Mercy’ klinkt immers warm en koud tegelijk. Tegenover de vinnigheid van ‘Political World’ staat het uiterst charmante ‘Most of the Time’; het sinistere ‘Man in the Long Black Coat’ (dat zowel qua tekst als muziek gebaseerd is op New Orleans, alwaar de plaat is opgenomen) geeft me het sterke vermoeden dat Joe Henry hier heel goed naar geluisterd heeft, terwijl ‘Shooting Star’ een intieme, sobere afsluiter, die Dylan aanvankelijk als duet had willen zingen met Irma Thomas. Het zijn dit soort kleine tegenstellingen die de plaat erg boeiend maken.
Veel loftuitingen kunnen rechtstreeks aan het adres van Lanois geleverd worden. Hij bracht, samen met zijn rechterhand Malcolm Burn, voldoende leven in de brouwerij (de dobro speelt een tamelijk belangrijke rol op de plaat) en zorgde voor eenheid en eensgezindheid, al kon dat de gebruikelijke toeren van de koppige Dylan niet tegenhouden. Hij bracht The Neville Brothers aan als begeleidende band, bestaande uit drie rasmuzikanten: Brian Stoltz op gitaar, Tony Hall op bas en Willie Green op drums. Rockabilly-gitarist Mason Ruffner speelt mee op ‘Political World’, ‘Disease of Conceit’ en ‘What Was It You Wanted?’. En ook de input van de blinde saxofonist John Hart (die een fantastisch slot breit aan ‘Where Teardrops Fall’) is een groot succes.
Een grappige quote, die goed de situatie weergaf, is de volgende van technicus Mark Howard (bron: Bob Dylan in de studio van Patrick Roefflaer):
“De tweede of derde nacht kwam de drummer, Willie Green, naar me toe. Ik zat aan het mengpaneel en Bob zat naast me. Willie zei: “Man, ik ben hier nu al een paar dagen. Wanneer komt die verdomde Bob Dylan nu eigenlijk?” Even later – het is echt zo gebeurd – komt de bassist, Tony, binnen en zegt: “Man, die Bob Dylan, dat is me een rare.” Bob keek even op, trok een wenkbrauw op en werkte voort aan zijn teksten.”
Typisch Dylan dus, maar aan dat soort dingen kan je ook merken dat hij gedreven was. Dat is Dylan’s manier van gefocust bezig zijn, want voor hem vormt de tekst het hart van de song. Hij bleef tijdens de opnames constant schrijven en schrappen, weer teruggrijpen op geschrapte strofes en die uiteindelijk toch weer aanpassen. Zijn schrijfproces is oneindig, en hij is ook niet snel tevreden. Één van de voornaamste twistpunten tijdens de selectie van de songs voor de elpee, was ‘Series of Dreams’. Dylan weigerde hardnekkig om de song op de plaat te zetten, de anderen vonden ‘m fantastisch, en vroegen waarom hij deze in godsnaam wilde weerhouden. Het antwoord was simpel: de tekst was niet klaar, gaf hem geen goed gevoel. En toen de song alsnog op ‘The Bootleg Series Vol. 1-3’ verscheen, was er inderdaad een strofe weggeknipt.
Maar dat wil niet zeggen dat we moeten klagen. Sterker nog: we mogen zelfs niet klagen. Na enkele platen die meer in de tijdsgeest van de jaren ’80 pasten, greep Dylan met de steun van Lanois terug naar zijn roots (een zompig, bluesy, onversneden geluid), met nieuwe elementen, die ook op latere platen zouden terugkeren. Zo klinkt het mondharmonicaspel van Dylan naargeestiger dan anders, is zijn stemgeluid wat lager en karakteristieker en het verslijten van zijn stembanden is hier soms al vrij goed te horen.
Waarom er absoluut 10 songs op moesten staan, en niet meer of niet minder, is me een raadsel. ‘Series of Dreams’ en ‘Dignity’ hadden zeker en vast een plaatsje verdiend. ‘God Knows’ werd opgespaard voor de volgende plaat, ‘Under the Red Sky’. Maar van de 10 songs die het wel gehaald hebben, is er geen enkele zwak of zelfs maar matig. ‘Oh Mercy’ is een coherent geheel, waarin de deskundige hand van Daniel Lanois duidelijk zichtbaar is, en de meester helemaal terug is, zowel tekstueel als mentaal. Een straffe plaat, noemen ze dat.
4,5 sterren