Hier kun je zien welke berichten theelauw als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Het is altijd jammer als een band die je zo diep in je brein en hart hebt zitten, hoort afglijden. Natuurlijk, een tweede Funeral gaat er nooit meer in zitten. Wat dat betreft draagt Arcade Fire dezelfde torn met zich mee als Pearl Jam. Een debuut zo magistraal dat je er nooit meer overheen komt. Ook de albums daarna - en dan reken ik Reflektor mee - waren van zeer hoog niveau. Waar ik nog even de ijdele hoop had dat de stijgende lijn weer is ingezet na het redelijke WE, blijkt die hoop vervlogen.
Pink Elephant benoemt nergens de roze olifant. Het voelt zelfs wat ongemakkelijk bij vlagen. Moeizaam en letargisch ploegt Arcade Fire zich door de nummers heen. Deels veroorzaakt door productionele keuzes: het album klinkt in mijn ogen wollig.
Tegelijkertijd vind ik dat de band ook aan muzikaliteit heeft ingeleverd. Dit is het eerste album dat zonder Will Butler is opgenomen. Dat laat zich voelen. Arrangementen drijven nu op de productionele toevoegingen van Daniel Lanois zonder dat er veel gebeurt.
Het is niet allemaal kommer en kwel. En ik vermoed dat veel van de nummers live beter tot hun recht komen. Zo zit er ergens in de titeltrack een goed liedje verstopt. Het komt er hier alleen niet uit. Zonde, ik hoop dat ze ooit weer op niveau komen.
Jaren geleden kondigde Conor Oberst al eens aan met Bright Eyes een album te willen maken met een wall of sound als bij Phil Spector. Hier is het dan, Down in the weeds. Ik heb altijd hoop gehouden op een nieuw Bright Eyes album. Wat is het fijn dat ze terug zijn.
Pageturners Rags opent het album in de “beste’” Bright Eyes traditie met een spoken word sample die je het album in trekt. Dit keer in het Spaans en er ontvouwt zich een jazzy pianostuk. Het is de opmaat voor een album dat voor Bright Eyes fan direct vertrouwd voelt. Als een winterjas die je tegenkomt op zolder en die je weer als gegoten zit.
Bright Eyes kleurt ieder album net weer wat anders in. Waar I am wide awake een 70’s folk album gevoel heeft, past dit album in toon ergens tussen Digital Ash en Cassadaga, maar dan vertaald naar 2020. Laat je niet afschrikken door dat eerste mocht Digital Ash niet je cup of tea zijn. Het album bevat veel momenten van grote schoonheid en muzikaal vakmanschap. Dat laat zich al direct aftekenen bij Dance and Sing, de eerste song na het intro. Bright Eyes is een drie eenheid met Conor Oberst, Mike Mogis en Nate Walcott en dat zet dit album direct apart van het solowerk van Conor van de afgelopen jaren.
Nieuwe wegen worden er niet direct verkend, met uitzondering wellicht van Pan and Broom waarin Conor over een drumbeat zingt. Ook al snijden de songs misschien niet zo diep als zijn hoogtepunten uit de vorige decennia, dit album voelt als geheel als een album dat gemaakt moest worden. Een scheiding en de dood van zijn broer vormen de ingrediënten van een album waarin Conor je met de bekende Bright Eyes dramatiek zijn wereld laat betreden. Sommige dingen veranderen nooit. En dat is in dit geval een zegen.
Ik beschouw Conor O’Brien als een van de meest getalenteerde songwriters van zijn generatie. Al sinds ‘Becoming a Jackal’ voel je dat Villagers in staat is om een meesterwerk af te leveren. Al werd die hoop steeds meer ijdel na het verstrijken van de tijd. Iedere plaat die volgde had zijn momenten van genialiteit, maar net zo vaak verloor Conor zich in experiment zonder dat er een sterke Song aan ten grondslag lag. Exemplarisch is wat mij betreft {Awayland}. ‘Nothing Arrived’ vind ik een van de beste popliedjes van de laatste jaren. Het staat verstopt tussen songs die aan ambitie ten onder gaan. Des te opvallender dat Conor zich juist met zijn meest ambitieuze, experimentele plaat tot nu toe weet te revancheren. ‘The art of Pretending to Swim’ staat boordevol liedjes van grote schoonheid waarbij de ambitieuze en experimentele arrangementen ze naar een hoger plan brengen. Het absolute meesterwerk is het wellicht niet, maar dit album komt daar verdomd dicht bij in de buurt. Hier vermaak ik mij nog wel een tijdje mee. 4,5*