Tot mijn verbazing zie ik dat hier nog niets over geschreven heb. Merkwaardig, want Gene Clark heeft mij toch een groot deel van mijn leven begeleid (op mijn "wandeling des levens", niet als backup musician bedoel ik natuurlijk, hoewel ik tegen dat laatste ook geen bezwaar zou hebben gehad).
Vooraf moet ik zeggen dat ik deze plaat heb leren kennen toen het nog gewoon "een plaat van Gene Clark" was en er nog geen reputatie van cocaine-fueled cult masterpiece aan kleefde. Natuurlijk vielen me wel een aantal verschillen met White light op: de arrangementen waren uitgebreider, de koortjes aanweziger en de nummers vooral aanzienlijk lánger (bijna 5½ minuut in plaats van bijna 4, met dank aan de 8'10 van Some misunderstanding). Maar al die verschillen wogen voor mij niet op tegen de overeenkomsten: Clarks warme stem, zijn introspectieve teksten, de uitgebalanceerde arrangementen en de sterke nummers. (Okee, hoe Clark er op beide hoezen uitzag verschilde ook wel.)
Pas toen ik ouder werd begon ik te horen dat er een aantal dingen niet "klopte", en dat je op een plaat van iemand die je ergens tussen de country en de folk zou kunnen rangschikken niet per se elektrische piano's, cello's en psychedelica zou verwachten. Maar ja, dat zijn de voordelen van de jeugd, ik accepteerde toen platen zoals ze waren, niet zoals ik dacht dat ze zouden moeten zijn, dus afwijkingen van de norm nam ik voor zoete koek aan. Jammer, dat verlies van die onschuld, ook bij muzikanten (zouden de latere Eagles ooit nog zo'n bizar en eclectisch maar vooral ontzettend leuk nummer als Earlybird hebben kunnen opnemen?).
Ik zou over deze plaat gemakkelijk pagina's vol kunnen schrijven, maar wat mij nú vooral aanspreekt is het feit dat er sommige "unieke geluiden" op staan die ik eigenlijk nog nooit eerder ben tegengekomen. Voorbeeld: toen ik Grandma's hands van Bill Withers voor het eerst draaide hoorde ik daar een bepaald gitaargeluid in dat me héél bekend voorkwam, maar ik kon het niet plaatsen. Ik heb er toen een paar dagen mee rondgelopen, en plotseling wist ik het: dat gitaargeluid deed me ontzettend denken aan de gedempte "bluesy" loopjes van Stephen Stills op de tweede helft van het titelnummer van Déjà vu. Eureka! Toen pakte ik het boekje van de CD van Bill Withers er eens bij, en wie speelde daar mee. . .
Kortom, dat gitaargeluid was zeer apart en echt helemaal iets eigens "van" Stills (voor míj althans, andere luisteraars kennen het misschien wel van vele andere platen van ook andere gitaristen dan Stills). Ontzettend knap eigenlijk als je zo'n geluidje kunt produceren dat met jou persoonlijk verbonden raakt en dat helemaal bij jóú hoort (andere voorbeelden zijn voor mij het gitaargeluid van Mark Knopfler, of dat van The Edge, en natuurlijk de fretloze bas uit de jaren 80 van Mick Karn en Pino Palladino).
Ook op No other staan een paar van die geluiden, bepaalde atmosferische eigenaardigheden die me opvallen omdat ik besef dat ik die eigenlijk nog nooit op welke plaat dan ook heb gehoord. (Nogmaals, dit geldt alleen voor mij, andere luisteraars trekken mischien meteen een heleboel platen met vergelijkbare geluiden uit de kast. . .) Dat zijn bijvoorbeeld het "rare" gitaargeluid van de gitaarsolo's op Silver raven (Martin, is dat de onvolprezen Jesse Ed Davis?) die klinken alsof ze eigenlijk achterstevoren zijn opgenomen, of alsof er phasing overheen is gegaan, of welke al dan niet obscure techniek dan ook - ík vind het in ieder geval sprookjesachtig mooi, en als ik ooit op een andere plaat een vergelijkbare solo zou horen weet ik zeker dat ik meteen zou denken: hee, díé jongen heeft goed naar No other geluisterd!
En de vergelijkbare solo op ongeveer 4'30 van Some misunderstanding is natuurlijk even prachtig, met dat bed van piano, bas en orgel (en misschien heel subtiel nog wel meer instrumenten). Dan begint Clark weer te zingen: "Now I see that in my vision. . ." en dan valt er een prachtige viool in, met een geluid dat veel "scherper" is dan ik ooit ergens heb gehoord - ook weer uniek. En dan die eindsolo (ditmaal niet van Jesse Ed Davis volgens het boekje). . . Hoe subtiel kan een slide klinken?
Andere gevallen van "uniciteit" zijn de combinatie van elektrische piano (of is dat een synthesizer?) en gitaar op het titelnummer, en evenzo dat bizarre koortje bij de laatste passage: "that you don't want no othaaaaaaah", en natuurlijk de manier waarop het koortje boven de begeleiding zweeft bij de "When I'm feeling high. . ."-passage op Strength of strings. Ik zou ook de wah-wah-solo op het einde van From a silver phial willen noemen, maar misschien is die niet zozeer uniek alswel "alleen maar" briljant en perfect passend.
Maar het beste voorbeeld van die unieke geluidsplaatjes is voor mij Lady of the North. Zoals Johnny Rogan in zijn liefdevolle CD-boekje schrijft: "Piano, violin, wah wah guitar and cello interfuse until you start hearing instruments that aren't even there." In feite dus vier gewone herkenbare instrumenten, maar wat ze samen en door elkaar heen spelend laten horen (eerst na 2'05, dan na 4'10, dan na het valse einde) is een geluidsbeeld dat zó uniek is dat ik het nooit ergens anders heb gehoord.
Als ik er tenslotte één favoriet nummer uit zou mogen lichten, dan is dat Some misunderstanding. Bij White light prees ik Where my love lies asleep "vanwege de durf om na de slotakkoorden van elk couplet de muziek te laten 'ademen', niet op te vullen met een solo of blazers maar enkel de eenzame nootjes van een akoestische gitaar te laten klinken." In zekere zin geldt datzelfde voor Some misunderstanding, waar Clark elke regel tot z'n maximale elasticiteit durft op te rekken (met dank aan zijn stem die hij hier op de hoogste "wegsterf-en-terugkom-en-wegsterf"-stand zet, ik weet ook niet hoe ik die techniek anders moet noemen of omschrijven, technische bagage ontbreekt mij hier). Het gevolg is dat een nummer met slechts drie coupletjes opgerekt wordt tot meer dan acht minuten zonder dat ik echter het idee krijg dat het nou een ontzettend làng nummer is. Dank ook aan Bill Cuomo en zijn magische "Rheem organ", een waarlijk zalvend geluid dat ik met niets anders dan het "Lowry organ" van Garth Hudson op Northern lights - southern cross van The Band durf te vergelijken.
Lul ik teveel? Dat krijg je ervan wanneer je je waagt aan een plaat met meer persoonlijke associaties dan je kunt opschrijven. Nou vooruit, één persoonlijk detail dan nog. Een jaar lang had ik een relatie met iemand, maar toen begonnen we ons toch af te vragen of we wel met elkaar wilden doorgaan. Onafhankelijk van elkaar dachten we daarover na, en na een paar dagen piekeren draaide ik bij toeval dit album en hoorde ik opeens Gene Clark zingen: "The longer you're in one place, the harder it is to leave." De volgende dag had ik het uitgemaakt. Natuurlijk had The true one mij er niet toe aangezet om het uit te maken, ik denk zelf dat ik onbewust al tot die beslissing neigde, en op dat moment maakte dat éne zinnetje duidelijk welke kant ik eigenlijk op wilde - als ik op dat moment een nummer met de strekking van Let's stick together had gedraaid had me dat er ongetwijfeld niet toe aangezet om toch maar door te gaan, die éne zin was gewoon de catalyst. Maar popmuziek heeft zelden directer in mijn leven ingegrepen.
Voor wie tot hier is gekomen, dank voor de aandacht.