Jón Þór Birgisson zal nooit meer iets kunnen maken zonder dat het met Sigur Rós vergeleken wordt. De band waar Jónsi de man met de gitaar en de strijkstok is, maar vooral de man met de engelenzang, geldt als de grootste post-rockband van de wereld. Ágætis byrjun, ( ), Takk… en Með suð í eyrum við spilum endalaust waren stuk voor stuk zware, melancholische albums met een enorme grootsheid. Op het laatste album (Með suð í eyrum við spilum endalaust uit 2008) was een opvallend nummer te horen met het drukke, vrolijke Gobbledigook. Het maakte de conservatieve Sigur Rós-fan niet gelukkig, maar het liet zien dat de IJslander ook een vrolijke kant heeft. Want dat Gobbledigook een Jónsi-verzinsel was, blijkt wel op zijn solo-debuut Go.
Als je niet zou weten dat het een album van alleen Jónsi is, zou je denken dat het simpelweg Sigur Rós is dat een andere route heeft gekozen. Het klinkt overwegend fris en luchtig, maar je weet meteen dat het de zanger van Sigur Rós is die hier zingt. Jónsi’s hoge engelenzang is een van de unieke stemmen in de muziek.
Go opent vrolijk, bijna sprookjesachtig, met onder meer een aantal Engelstalige songs. Die pakken niet heel slecht uit, al is het jammer dat we nu kunnen horen wat Jónsi zingt. Een stukje tekst uit het nummer Animal Arithmetic, dat vanwege de trommels doet denken aan het eerder genoemd Gobbledigook: Wake me up, comb my hair / Making food dissapear / Riding bikes, making out / Elephants running down. Jónsi als te blije, naïeve homo. Ik ben allesbehalve conservatief als het om muziek gaat, maar na de eerste vijf nummers op Go komen de betere nummers, en laten die nou een stuk minder vrolijk klinken. In Kolniður zit een oude vertrouwde post-rock opbouw, met het langzaam toewerken naar een hoogtepunt. Is het toeval dat juist daar weer in het IJslands wordt gezongen?
De langzamere, minder poppy nummers, komen het beste uit de bus op Go, zoals de Avalon-achtige afsluiter Hengilás. Maar toch kan Jónsi het beste gewoon nummers maken met Goggi, Orri en Kjarri, de mannen waar hij groot mee werd. Laten we hopen dat hij hier gehoor aan geeft, want Jónsi kennende leest hij deze recensie.
Pindahaai