'Njósnavélin' vind ik het nummer met de leukste titel. Het bekt gewoon goed. 'Njósnavélin'. Het is echter niet het beste nummer. Op deze plaat staat muziek zoals ze alleen uit IJsland kan komen, neem ik aan. Of uit een ander bar land, waar men zich optrekt aan elkaars warmte. Dat wordt perfect weerspiegeld in de muziek, naar mijn mening. De verhouding warm-koud. De strijkers en het sfeertje dat opgezet wordt, leiden je naar dromenwereld. Maar de piano zorgt ervoor dat het besef blijft; "hé, je bent in IJsland, man! Stop met dromen."
Die wisselwerking heeft haast een louterend effect, een mañana-effect als het ware. Morgen is er altijd nog een dag. 'Samskeyti' loopt over de ruggengraat, als een net niet volmaakte rilling. Niets is volmaakt, we moeten de relativiteit van het leven onder ogen zien. Deze muziek lijkt te spreken, net niet te preken. Jónsi loopt met z'n makkers van Sigur Rós over de kille, mistroostige ijsvlakte in z'n thuisland, maar er is iets vrolijks aan hun tred. Alsof ze zweven. De droomvlucht vind je niet in de Efteling, dit is de droomvlucht.
'Álafoss' zet in. Dezelfde ijsvlakte als die van in de vorige alinea strekt zich uit, maar er gloort licht aan de einder. Een grote, houten kerk, gebouwd in een ver verleden. 500 jaar geleden platgebrand, maar inmiddels gerestaureerd. Of wat er in het verleden ook mee gebeurd is, als het maar schimmig is. Jónsi zingt met z'n zalvende stem, gele bloemetjes ontluiken aan zijn voeten (zei ik al dat ze blootvoets op pad zijn?). Iemand luidt de klokken. Dan openen de massieve houten deuren zich, als in een opwelling. De rust wordt echter snel hervonden. Men neemt plaats achterin de kerk, op een gammel bankje. De priester heeft het in een tirade over demons en heiligschennis. Op de achtergrond schellen de klokken steeds harder. De sfeer wordt om te snijden, een uitbarsting staat op til. Uiteindelijk komt er een eind aan de tirade van de priester. Het wordt stil.
'E-Bow' luidt een nieuw begin in. Hypnotiserende, repetitieve drums. Een spanningsboog werpt zich op, Jónsi vormt het engelenkoor. In zijn eentje, nota bene. Bedrukte gezichten vullen het beeld, al is er altijd wel minstens één hoopvolle ziel te vinden. Het einde van het nummer is magisch. Zo ongelooflijk mooi, zeg. Er bestaat vast een woord voor, maar niemand kent dat woord. Jónsi wel.
En het mooiste moet nog komen. 'Dauðalagið' sleept zich traag op gang, om via een paar heftige passages te ontluiken in een grandioze finale. Een beetje zoals een goeie thriller. Inclusief berustende epiloog. 'Popplagið' zet in met een gitaarlijntje, gestoeld op onder de huid kruipende achtergrondgeluiden. De drums rollen in het geheel, blazers weerklinken in de verte, misschien zelfs een misthoorn. Jónsi en co nemen ons mee naar een klif. De nevel verbergt het grootste deel van het indrukwekkende vergezicht. Geen probleem, we laten ons leiden door de muziek. Een panorama op zich. Een ruwe samenvatting van wat IJsland te bieden heeft. 4 kerels met talent te koop, en tijd te veel. Deze afsluiter had best wat indrukwekkender gemogen, is mijn enige puntje van kritiek op deze plaat. Al is de hele opbouw naar het einde van het nummer toe best wel sterk, daar hebben de IJslanders een handje van weg.
Met 'Popplagið' klinkt het slotsalvo van deze plaat weer wat venijniger dan het middenstuk. Dat klonk vrediger, daarin kon ik praten over gele bloemetjes. Die zijn inmiddels bloedrood geworden. Het gecamoufleerde gif dat in het begin van de plaat werd toegediend, in 'Vaka' en 'Fyrsta', onder het mom van goedigheid, begint zijn uitwerking te hebben. De luisteraar wordt stilletjesaan versmacht en verstikt, en gaat uiteindelijk ten onder, op de laatste tonen van dit album.
Het Untitled-album van Sigur Rós heeft z'n tijd nodig gehad bij mij. Maar ik denk dat ik er nu toch uit ben. Ik vind 'm gewoon nog ietsje beter dan opvolger 'Takk...', tot voor kort mijn favoriet van de IJslanders. De klik is er nu gekomen, en daar hoorde een mening bij. Die heb ik nu uitgeschreven, en mijn cijfer zal ik ook maar bekend maken.
4,5 sterren