Het was de stereo van de kantine in de "onderwijsfabriek" waar onze school in was opgegaan, die onze aandacht trok : een hagelnieuwe Dual-installatie met vier enorme boxen (ook Dual) waarop ze James Last draaiden ! De volgende week hadden we de net uitgekomen Third - Soft Machine bij ons. Met het verzoek aan de argeloze kantinejuffrouw om dit ten gehore te brengen ('tuurlijk jongens!') kwamen er over de hoofden van honderden schaftenden, haast terloops ('beetje harder, alsjeblieft!') de welluidende dissonante klanken van 'Out-Bloody-Rageous' binnen geslopen, allengs aanzwellend tot een machtig PiepKnarsKnor. Ja, God van de Progrock, ge zijt groot ! Halleluja !
Het verhaal van The Soft Machine is er een van legendes, overdrijvingen maar ook van ongelooflijke feiten en ik ben niet te beroerd er hier een paar van het een of ander toe te voegen.
Als we aan 'Volume One' een duidelijke invloed van Kevin Ayers en aan 'Volume Two' die van Robert Wyatt toeschrijven, 'Third' is een Mike Ratledge-plaat. Hier klinkt de Soft Machine op zijn meest karakteristieke wijze, een mijlpaal, een
alltime classic, met het klassiek geworden klankbeeld, voornamelijk ontwikkeld door Mike Ratledge.
Hoe is dit geluid onstaan.
Toen M.R., na piano-invalbeurten bij het Daevid Allen Trio (met Robert Wyatt en Hugh Hopper) en na zijn Oxfordstudie besloot zich aan popmuziek te wijden, was het eigenwijsheid dat hem een 'Lowrey Holiday DeLuxe' orgel deed aanschaffen. Kan niks wezen met zo'n naam, denk je, en zo was het ook : er kwam geluid uit, maar het ding was niet ècht geschikt voor de heftige avantgardemuziek die M.R. in zijn hoofd had. Daar moest iets op bedacht worden, een koud kunstje voor M.R. , lid van die typisch britse mensensoort : excentriek uitvinder.
Progrock heeft ook iets uitvinderigs, (en zeker iets excentrieks) met al dat gesleutel aan maten, knarsende accoorden en krakende tijdsgewrichten. Zelfgeknutselde puzzelstukjes, die, wanneer ze op hun plaats vallen, plotseling opwindend kunnen gaan rocken.
Een fuzzbox van het allergemeenste soort tussen orgel en versterker geplaatst, maakte van de achterstand een voorsprong : een overstuurd geluid dat kon wedijveren met een elektrische gitaar. Jammer dat het kastje de versterkersignalen terugkoppelde (feedback) en de ruis zo groot werd dat bij tussenpauzes de soli van anderen geheel overstemd raakte. Mike's oplossing: geen pauzes maar nonstop dóórspelen, continu tonen blijven voortbrengen of anders het vermaledijde instrument gewoon uitzetten. Zo ontstond de typische Soft Machinesound.
En kon M.R. beginnen met het ontwikkelen van Terry Riley-achtige
minimal music, van eindeloze soli, van langgerekte samengesmolten dissonanten, van '
loops', eerst vlijtig zelfgespeeld, daarna met stukken geluidstape met het begin aan het eind vastgekit en ander knip-en-plakwerk (vooruitlopend op de sample) en het verfijnen van zijn composities en het fuzz-geluid, een odysee naar wat hem voor ogen (lees oren) stond. Je kunt het mooi volgen als je hun platen chronologisch beluistert en hoort dat hij op 'Six' zijn heilige graal vindt. Daarna dooft het vuur langzamerhand. Maar de standaard was gezet voor een stroming nieuwe bands, waarvan de organisten zich naar de Canterbury Musicshop repten om er (tot aangename verbijstering van de eigenaar) een echte Lowrey Holyday DeLuxe aan te schaffen.
'Third' is een Ratledge-plaat, maar het prijsnummer is natuurlijk 'Moon in June' een
medley van diverse songs en losse eindjes van Robert Wyatt, de enige popster in de band nadat Kevin Ayers de Canterburyscene voor Spaanse zon en wijn verruilde. Waar de harkerige Ratledge zich zowat dubbel achter zijn Lowrey moest klappen, trok Wyatt met ontbloot bovenlijf, breeduit zwaaiend met zijn blonde manen achter zijn drumkit alle aandacht. Hij wàs zo'n beetje The Soft Machine, iets wat M.R. frustreerde. Praten deden ze al niet met elkaar en toen M.R. rietblazer Elton Dean aantrok, waren Wyatts vokalen vrijwel overbodig geworden en ontslag (per telefoon!) volgde. Maar wraak is zoet: Wyatt's lyrische 'Moon' triomfeert hier op 'Third'. Er moet gezegd dat de twee voorbeeldig samenwerkten op de demo van dat nummer, men hore de cd 'Backwards' (nog niet op MuMe). Aanrader !
Rest mij nog Hugh Hopper credits te geven. Zijn oplossing om met het Ratledge-geluid te kunnen wedijveren door ook een fuzzbox te gebruiken en zijn basgitaar tot aan de rand van het betamelijke te oversturen was geniaal èn desastreus : tot aan het eind van zijn leven had hij last van een constante hoofdruis. Het is mooi om te horen hoe Wyatt op al dat geweld anticipeert met fijnzinnig spel op snaredrum, hi-hat en bekkens. Wat hem onderscheidt van zijn opvolgers.
Dan blijft nog de prangende vraag waarom Elton John zijn artiestennaam aan Deans voornaam ontleende. In Long John(!) Baldry,s band Bluesology, waar ze samenspeelden, stond hij met zijn keyboard schuinachter op het toneel en had zo zicht op Elton Dean, die dagen gekleed in strakke fluwelen heupbroeken. En kwam zo op wilde ideeën !
Maar ik draaf door....
Mike Ratledge, de slungelige progrockprofessor heeft buiten de muziek nog een mooi ander leven, zo trouwde hij in '67 met het toen mooiste fotomodel op aarde : Marsha Hunt. Die vertelt openharig over haar huwelijk: "We never kissed and we never helt hands !" Lijkt me sterk voor een toetsenist...
Ik vond er inspiratie voor een
gedicht.
Ze zijn nog immer getrouwd en vieren ieder jaar hun huwelijksdag ! Het kan nog sterker: M.R. deed niet zo lang geleden uitputtend studie naar de vormgeving van snorren en baarden door de eeuwen heen ! En zo weet ik er nog wel 'n paar, maar dat gelóóf je allemaal niet...