Het lastige aan F# A# (infinity) is dat het album bestaat uit drie tracks, ieder onderverdeeld in gemiddeld zo'n vier segmenten. Het mooi aan F# A# (Infinity) is dat het album bestaat uit drie tracks, ieder onderverdeeld in gemiddeld zo'n vier segmenten.
Dat voorkomt skippen (vooruitspoelen op een cd-speler is in mijn ogen absoluut not done), dus Godspeed dwingt mij om ieder segment te beluisteren. Dat is een leuk concept, dat is gedurfd. Want hoe je het ook went of keert, je gaat een favoriet muziekstuk uitzoeken, die je - als je pech hebt - pas bereikt als je eerst de voorgaande, minder interessante stukken doorploegt.
Dit is muziek, maar van een geheel andere soort. Het is sfeerscheppen, en dat doen ze door middel van korte, gesproken teksten en uitgebreide, eentonige muziekstukken. Dat laatste aspect kan zowel voordelig als nadelig werken. Ik vind het namelijk moeilijk om een consistent gevoel bij het album te krijgen. Ik heb bij het luisteren altijd in het achterhoofd gehouden dat hier iets van een post-apocalyptische sfeer wordt geschept, en dat valt positief uit in mijn oordeel over het eentonige en inconsistente gevoel dat ik hierbij krijg.
In The Dead Flag Blues wordt, de donkere stem en begeleidende schrijnende violen, eerst gesuggereerd dat er iets niet in de haak zit, iets dat de hele wereld aangaat. Die vertrekkende trein brengt mij vervolgens naar Mexico, want daar doen die gitaren me aan denken na een minuut of tien. Mooi, zwaar en donker, maar toch iets opbeurend. Ik ga een mooi leven daar tegemoet, en de afsluitende Outro geeft wat dat betreft een nogal ziekelijk vrolijk geluksgevoel, met z'n xylofoon en gezellige gitaren.
In East Hastings ben ik dan weer in Schotland waar een man met een apart accent begeleid wordt door de helse klanken van een vervloekte doedelzak. Dat ik hier, in dat korte stukje doedelzakmuziek, een soort van hopeloosheid in terug hoor, mag geen verrassing heten bij dat instrument, maar dat die hopeloosheid door middel van dat ding mij bevalt, dat is helemaal mooi. Een mooie, stemmige, spookachtige drone met een enkele-koorden-gitaat schept tot nu toe het beste een sfeer van een grillige toekomst. Dit loopt uit op een anti-climax, waarin die sfeer weliswaar wordt behouden door de instrument keuze, maar waar ik ook het idee krijg dat dit een beetje nergens op uit loopt en te gemakkelijk afloopt. Het up-tempo gedeelte, dat steeds sneller en sneller gaat, is dan weer wel interessant, maar dat doen ze op Providence toch wat opwindender.
Want, Providence begint niet zo heel interessant, maar gelukkig doen ze daar maar twee minuten en drie-en-veertig seconden over voordat ik bij het interessantste deel van dit stemmige plaatje komt. Want na een korte stilte begint men op twee minuut zes-en-veertig op te bouwen naar een climax (leuk, die xylofoon weer, die tevens ook weer de juiste toonhoogten aanslaat) dat opzwepend en volvaart is. Een bijzonder muziekmoment op zeven minuut en twee seconden rijker zit ik in een sneltreinvaart door iets van een leeg landschap dat gek genoeg zichtbaar aan mij voorbij snelt. Dat had, na tien en een halve minuut, van mij nog wel even door mogen gaan. Maar dat gaat dan weer over in een vreemd in elkaar gemonteerde zang, dat weer net niet speciaal is om mijn interesse vast te houden. Dat een-na-laatste gedeelte doet me aan een muziekstijl denken dat ik niet kan omschrijven, en de laatste soundscape is weer heel interessant. Na een paar minuten stilte nog een toegift dat weer erg experimenteel aanvoelt, maar niet echt nodig was. Wellicht was het beter geweest dat men na de stroomversnelling er een punt achter had gezet.
Ik bedoel, niet achter de band, maar achter het nummer. Godspeed heeft me maar half overtuigd, hoewel ik geinteresseerd blijf in hun ander werk. Drie en een halve ster voor de sfeer en die enkele mooie momenten.