Morgen, vrijdag 16 juni start de nieuwe tour van Sigur Rós in Londen en zaterdag, 17 juni, staat de band in het Concertgebouw van Amsterdam. Niet helemaal zonder reden in die zaal, want het gaat om een optreden met het London Contempary Orchestra, geschikter dan dat kan het dus niet.
Ik heb de band vaker live gezien en altijd is het magisch, dat zal het nu ongetwijfeld ook weer worden, maar nu er een orkest aan is toegevoegd ben ik net even wat extra gespannen (in positieve zin) hoe dat uit zal pakken.
Stel je toch eens voor dat ik Viðrar Vel Til Loftárása te horen krijg met orkest. Dan beland ik echt in de zevende hemel.
En dan het feit dat er een nieuw album uit is. Een album met een hoes waar de regenboog in brand staat. Is dit een verwijzing naar hoe het er voor staat met de lgbtq gemeenschap (Jonsí is nooit activistisch geweest op dat vlak, maar is dit dan toch een statement?!). Momenteel zijn er steeds meer landen die strenge(re) wetten invoeren en ook in eigen land hoor je steeds openlijker geluiden waar de afkeuring meer en meer naar voren komt. Het lijkt er onderhand op dat we terug de tijd in gaan en dat de verworven rechten ineens toch wat wankeler blijken dan misschien ooit gedacht.
Ik weet niet of dat achter deze hoes zit. Sigur Rós laat immers de muziek altijd voor zich spreken.....
..... en die muziek is weer hemels op ÁTTA.
Het begint al met opener
Glóð. Een sferisch nummer dat me een beetje aan Varúð doet denken maar dan achterstevoren afgespeeld. Zou er een verborgen boodschap in zitten? Komen we vast nog achter.
Blóðberg zou zo op Valtari kunnen staan. Meer sfeer, iets minder effect gemikt op de emotie. Dat is het mooie aan de band: de één heeft daar meer mee en de ander minder. Ik sta er voor wat betreft dit soort nummers een beetje tussenin. Maar mooi vind ik het zeker.
Skel zou zeker zo gespeeld kunnen worden met orkest, want de begeleiding is duidelijk op dat vlak. Het gaat een beetje terug naar de eerste albums. Niet het steviger werk, maar wel de hemelse klanken. Geen drums dus of andere agressievere geluiden. Hier valt vooral de gelaagdheid in de zang op. De uitspatting zit hier vooral in het aanzwellen van het orkest.
Jonsí heeft al aangegeven dat ze spaarzaam zijn met drums. Ze zijn ouder en cynischer geworden. Het moest vloeiend klinken allemaal. In nummers als
Skel zijn ze daar zeker in geslaagd.
Ook op
Klettur geen drums die de boventoon voeren, maar wat een geweldig nummer is dit. Ik heb dit op hoog volume gedraaid en het kwam binnen. Ook zonder harde gitaren of drums kunnen ze een agressieve sound neerzetten. Ouder? Cynischer? Ongetwijfeld. Dit is de Sigur Rós waar ik enorm van ben gaan houden en laat ze dit komende zaterdag alstublieft spelen!!!!
Mór is weer wat zachter, wat lieflijker maar wel met een dreigende, sombere ondertoon. Uiteraard geen idee waar het over gaat gezien de taal. De uithalen van Jonsí zijn als vanouds, maar lijken minder scherp te klinken, echt onderdeel van de muziek. Het is bijna hedendaags klassiek, iets wat we bijvoorbeeld ook konden horen op het vrij recente Odin's Raven Magic met Steindór Andersen.
Andrá is eigenlijk wat de vorige nummers al lieten horen. Langgerekte crescendo's die naar een uitspatting lijken te gaan die er dan net niet komt. Even het pure genot een beetje uitstellen waardoor je je op kunt maken voor de volgende. Hier in de vorm van
Gold.
Gold is een nummer met een hoop echo op de zang van Jonsí, wederom dik aangezet door het orkest. Een nummer dat ze volgens mij live al hebben opgevoerd, dus de grote fans zullen het vast herkennen. Voor mij was het nieuw. Wat valt er nog over te zeggen buiten dat het onaards van pracht is?!
Ylur draait vooral om sfeer zoals je dat ook kan ervaren op Valtari. Haast sacraal, maar ik mis dan toch net weer een beetje de peper die ze op hun oudere albums wel toevoegden.
Ik kan het niet helpen, maar bij de eerste tonen van
Fall moest ik even denken aan I Won't Blame You van REVERE (je kan maar een fanboy zijn). Uiteraard heeft het er verder helemaal niks van weg. Het is het kortste nummer op dit album en luistert weg als een soort tussendoortje, een interlude, ook al is het dat zeer zeker niet.
En dan hebben we
8 als afsluiter. We kennen allemaal wel de afsluiter op ( ), het achtste nummer van dat album. Hier is
8 het tiende nummer, tevens het langste met nog net geen tien minuten op de klok. Misschien wel het nummer dat het meest terugkeert naar die op de oudere albums. Bijna tien minuten lang pure Sigur Rós perfectie wat mij betreft.
ÁTTA is een schitterend album geworden, maar of het ooit de volle 5* gaat halen bij mij denk ik niet. Ik mis toch een beetje de sprookjessfeer van Ágætis Byrjun of het wat ruigere van ( ) of Kveikur. De wat meer popgetinte sound van Með Suð Í Eyrum Við Spilum Endalaust kom je hier al helemaal niet tegen. Nee, dit is voer voor liefhebbers van Valtari, maar dan toch wel wat orkestraler, meer bombast dankzij het orkest. Om die reden sla ik het dan wel weer ietsje hoger aan dan Valtari.
Het blijft één van de meest bijzondere bands op aarde en ik ben blij dat ik ze komende zaterdag weer even mag zien en horen, en met dit nieuwe album ben ik zeker in mijn nopjes. Nu nog de grote wens om de band ooit in IJsland te zien optreden, een slaapplek bij Bony Man is dan wel alvast geregeld
