Mijn eerste kennismaking met
Slide it In was met de
videoclip van
Love Ain't No Stranger. IJzersterk liedje, tot op de dag van vandaag één van de allerbeste nummers in hun oeuvre door de opbouw en omdat zanger David Coverdale zó mooi zingt...
Het oorspronkelijke album lag toen al een jaar in de winkels, maar ik kende het niet, omdat de dorpsbieb 'm niet had. Bovendien was de middelbare schooltijd voorbij, waardoor ik mijn maatje, groot fan van de groep, minder frequent zag. De single haalde in februari '85 #44 in de British Charts.
Als Nederlandse puber had ik voordien maar liefst vier Britse singles gemist, soms met videoclip:
Guilty of Love (augustus ’83 #31 in de British charts),
Give Me More Time (januari ’84 #29),
Standing in the Shadow (april '84 #62) en
Slow an' Easy, dat de hitlijst miste. Had ik de clips gezien, dan had ik opgemerkt dat de bezetting veranderde.
Zoals
vielip in 2010 schreef is dit album
"de perfecte overgangsplaat tussen oude en nieuwe Whitesnake", al wisten we dat in januari '84 natuurlijk nog niet, zoals uit
deze recensie in Oor blijkt (even scrollen).
Drie nieuwe bandleden telde de groep en allen speelden ze op het album
Octopuss van drummer Cozy Powell van het jaar ervoor. Allereerst Powell zelf: deze powerbeuker verving de iets subtieler meppende Ian Paice. Met hem mee kwamen gitarist Mel Galley en bassist Colin Hodgkinson. Gebleven waren toetsenist Jon Lord en gitarist Micky Moody, ontslagen waren gitarist Bernie Marsden en bassist Neil Murray. Coverdale wilde uit de financiële impasse komen en zocht zijn heil in een nieuwe bezetting, gecharmeerd door Powells uitstraling, reputatie en spel.
Het album lag nog maar net in de winkels, toen er verwarrende berichten opdoken: Geffen had de groep voor Noord-Amerika getekend en eiste daarom dat de (prima!) productie van Martin Birch een mix van Keith Olsen zou krijgen.
En dat niet alleen: ik las dat John Sykes, die ik zo had bewonderd om zijn flitsend-snelle solo's bij Tygers of Pan Tang en Thin Lizzy, voor die nieuwe albumversie was toegetreden ten koste van Micky Moody, terwijl bassist Neil Murray weer terug was op het nest.
En toen kwam in april '84 het bericht dat Deep Purple weer bij elkaar kwam! Oftewel, ook Jon Lord verliet Whitesnake. Dat met een opvallende mededeling, waar ik om moest grinniken:
"Het was al moeilijk om me staande te houden tussen twee gitaristen, maar met de stijl van John Sykes was er geen gaatje meer over om te kunnen vullen," zegt hij in een interview, waarvan deze zin terugkeerde in Oor's Muziekencyclopedie. Inmiddels blijkt ook Galley te zijn ontslagen, nadat hij al enige tijd geblesseerd was: Coverdale maakte zijn Whitesnake klaar voor een compleet nieuw hoofdstuk.
Hierna zou Whitesnake
als kwartet touren door de Verenigde Staten, waarbij de populariteit snel groeide. Dit met toetsenist Richard Bailey (ex-Magnum) in de coulissen.
Pas begin '85 belandde de elpee op mijn draaitafel. De Britse versie welteverstaan. Bij twee nummers luisterde ik verbaasd: de riff van
Give Me More Time leek geleend van AC/DC's
Rock 'n' Roll Damnation en het was alsof
Guilty of Love met zijn dubbele gitaarlijnen op Thin Lizzy was geënt. Tegelijkertijd: in het land van de gitaarriffs heb je natuurlijk al snel dat het wat op elkaar gaat lijken. Toch had ik dit soort associaties nooit eerder met Whitesnake gehad, de groep die voorheen vooral op zichzelf leek.
De sound was weer iets voller dan op voorganger
Saints & Sinners, waarop al het nodige was veranderd: meer gitaar in de mix en andere toetsengeluiden. In mijn oren was op
Slide it In bovendien de invloed van blues(rock) minder en klonk in plaats daarvan vooral robuuste hardrock. Nuanceverschillen, maar toch.
Favoriete nummers:
Gambler is midtempo, waarbij Powell vierkanter speelt dan Paice voorheen deed, maar het nummer gedijt bij een heerlijke melodie. Verder het pompende
Standing in the Shadow; dankzij oudgediende gitarist Moody blues in
Slow an' Easy, met in de coupletten een staccato riff als een voorloper van
Still of the Night van
1987; en tenslotte het al genoemde
Guilty of Love.
Dankzij streaming ken ik de US-versie. Die biedt een prominentere gitaar, iets hardere bas en wat meer echo voor zang en drums. Hiermee werd het geluid iets zwaarder, niet beter of slechter. Wat ik niet wist, was dat de single van
Love Ain't No Stranger de Amerikaanse mix betrof.
En wat ik helemaal nooit heb beseft was dat de dame op de hoes doodsbang is geweest bij de foto-opnamen met een python om haar nek, een verhaal dat
in 2009 verscheen. Kan ik me iets bij voorstellen...
De laatste show die Whitesnake met Jon Lord speelde was op 16 april 1984 in Zweden en laat die nu deels
op YouTube staan en nog in goede beeld- en audiokwaliteit ook! Bovendien gaat Sykes hier lós, veel meer dan op de US-mix van
Slide it In. Het publiek aan tafeltjes zag een band in topvorm. Aanrader!