Op 1 maart beschreef ik
VOA van Sammy Hagar, een album dat indruk maakte. Hiermee was de populariteit van de Amerikaanse veteraan verder gegroeid, met op zijn cv inmiddels twee platen met Montrose en acht onder eigen naam.
Verrassend was dan ook in 1985 het nieuws dat uitgerekend hij zich verbond aan het grote Van Halen, de groep die iets korter bezig was maar meteen met hun eerste album tot de absolute top was doorgestoten. En toen was het wachten op het resultaat.
Ik weet nog precies waar ik was: een stripboekenwinkel in de Grote Stad. Maart 1986 moet dat zijn geweest. De radio klonk op bescheiden volume. Eerst synthesizerklanken, dan een scheurende gitaar met het herkenbare geluid van Eddie Van Halen, gevolgd door het herkenbare drumgeluid van broer Alex. En dan valt de stem in: verrast pauzeerde ik van het doorzoeken van stripboekcovers en luisterde aandachtig: dat was zeker weten Sammy Hagar! Dan was dit dus het nieuwe Van Halen, waarvan ik had gehoopt dat het beste van de twee zou worden verenigd!
5150 bleek een topper, al leende ik die uit de fonotheek en kocht ik 'm pas jaren later. Pas tien maanden later ontwaakte Nederland: Veronica's Alarmschijf in januari 1987, in februari piekend op #16 in de Top 40 en op #15 in de Nationale Hitparade.
Geproduceerd door Donn Landee, de voormalige rechterhand van producer Ted Templeman van de vorige VH's en Hagar. Dit samen met Mick Jones van Foreigner. Een iets ander geluid (de gitaar nu door beide kanalen) en serieuzere teksten, de jolige maar puberachtige teksten van voorheen achterlatend.
Gebleven was het enthousiasme, zoals de gitaarloopjes tijdens de coupletten van
Good Enough. Verborgen details als de 6/4-maat in de brug van deze opener.
Dreams vond en vind ik het beste wat zowel VH als Hagar ooit hebben gedaan met een fenomenale melodie, tekst, opbouw en drive.
Op de B-kant doet
Love Walks in iets soortgelijks en titellied
5150 is een rockend Van Halen op z'n best, waarbij de prachtige stem van Sammy Hagar zich alweer van zijn beste kunnen laat horen.
Fijn ook dat de groep nu twee gitaristen telde, waarmee Eddie zich live makkelijker op de delen met toetsen kon concentreren, zo bedacht ik op mijn tienerkamer.
Niet alle composities zijn even briljant, maar het spel heeft nog altijd de spontaniteit en pretoogjes uit de jaren daarvoor, al loopt dat op afsluiter
Inside een beetje uit de hand. Van
Wikipedia leer ik dat Hagar de derde is die als opvolger van David Lee Roth werd gevraagd. Dat het een automonteur was die de twee aan elkaar koppelde, doet me grijnzen en ik weet nu ook wie de
man op de hoes is.
Met de productie zowel stevig als transparant, een vet drumgeluid, prachtige koortjes van bassist Michael Anthony en gitaar en toetsen in sterke balans, word ik niet bij alle nummers omvergeblazen, maar een 9 als schoolcijfer is alleszins redelijk.