Het heeft een hele tijd geduurd, maar hier is ze dan toch, mijn nummer-per-nummer review van de 2de plaat uit mijn top 10, Tool's meesterwerkje uit 2001: Lateralus. Opnieuw een heuse sprong van de voorganger AEnima, weet Lateralus me over heel de lijn te boeien, zonder intermissions waarvan ik achteraf gezien toch dacht: "Moest dit er op staan?" Ook nummers als Third Eye en Pushit kunnen me niet altijd bekoren; soms kan ik erin meegaan, maar op andere momenten vind ik ze gewoon te lang. Lateralus lijdt hier allerminst onder: nummers als The Grudge, Lateralus en Reflection voelen geen seconde te lang en alles vloeit praktisch naadloos in elkaar over. En daar waar de naad niet te verbergen is, lassen ze gewoon een 2-tal minuten stilte in.

Het zijn zowat allemaal hoogtepunten en alles hangt zo mooi samen dat nummers die ik initieel minder vond, er mooier door werden.
Gedurende de eerste paar seconden van albumsopener
The Grudge verscheen er al een glimlach op mijn gezicht: dat onheilspellende mechanische lift(?)-geluid, en daar komt die kreunende, donkere openingsriff. De vreemde klanken op de achtergrond versterken vanaf het begin al het onderliggende mysterieuze en buitenwereldse gevoel dat ik hier telkens opnieuw door krijg. De betekenis van dit nummer (en feitelijk van de meeste nummers op Lateralus) is open voor interpretatie en ik heb verschillende theorieën waarover ik nu niet zal uitweiden, want dan wordt mijn post veel te lang.

Liever heb ik het over het constant balanceren tussen hard/zacht, de verwevenheid van zware gitaar-riffs en psychedelische melodielijnen en Maynard die qua stemgeluid hierin meegaat, van zijn angstige smeekbeden voornamelijk aan het begin van het nummer tot aan de epische schreeuw rond de 7 minuten, een sterk staaltje vakmanschap dat niet veel zangers hem kunnen nadoen. En dan het opbouwende eindstuk met het herhaaldelijke:
"Let go, let go, let go, let go!" en die spectaculaire agressieve finale als 'kroon' op het werk. En ja, subtiele maar flauwe
inside-jokes zijn inbegrepen.
Direct volgt
Eon Blue Apocalypse, een rustige, bedwelmende intermission die nà de storm komt in plaats van ervoor, zoals men zou verwachten. Maar tegen de stroming ingaan is dan ook altijd al één van Tool's karakteristieke elementen geweest. Kalmerende klanken komen voorbij en weergalmen in de verte. Eon Blue was de naam van Adam Jones' hond die overleden is aan kanker en inderdaad, het nummer roept ook een soort gevoel van geluidloze leegte op -- maar dan in de goede zin -- het soort leegte dat men ongetwijfeld voelt bij het verdwijnen van iets of iemand echt dierbaars uit je leven. Ongetwijfeld zal dit nummer me nog meer raken in de toekomst, wanneer ik hier ook zelf mee geconfronteerd word.
Het derde lied,
The Patient, wist me aanvankelijk niet al te veel aan te spreken, maar het is gegroeid. Echter denk ik ook dat het nummer een bedoeld isolerend effect heeft; volgens mij gaat het hier in de eerste plaats over een terminale ziekenhuispatiënt die zich vastklampt aan het geloof, maar geen antwoord krijgt, en zich door de neutrale, steriele hallen van de ziekenboeg meer geïsoleerd voelt dan ooit tevoren. Hij is gedwongen geduldig (
"patient") te zijn terwijl zijn doodsvonnis nabij kruipt, hoewel dokters hem valse voorspellingen maken, en zit gevangen tussen waarlijk leven en een miserabele dood. Pijnstillers en andere medicatie onderdrukken de zenuwwerking waardoor gevoelens naar de achtergrond verschoven worden, maar langzaam beginnen ze hun uitwerking beginnen te verliezen (vanaf rond 02:20, bij het invallen van de zwaardere gitaren). Hoogtepunt voor mij: 05:31 tot het einde, waar de patiënt zichzelf wanhopig probeert te overtuigen dat het hem mits geduld beter zal afgaan, maar de hopeloosheid dringt zich onverbiddelijk op, tot de patiënt opnieuw kalemerende medicatie wordt toegediend, rond 06:34, waarbij de hele cyclus weer opnieuw begint.
"Gonna wait it out, ....."
Mantra doet mij steeds denken aan een soort van zang van kloosterorde in het Himalaya, en het mediteren tussen de eeuwige bergtoppen. Onlangs ontdekte ik dat het geluid eigenlijk het gespin van Maynard's kat is, maar dan heel sterk vertraagd. Tool: 1 - ik: 0.
Chancellor's legendarische baslijn van
Schism klinkt zelfs de grootste Tool-leken uiterst bekend in de oren, zodanig zelfs dat het jammer is dat mensen Tool enkel kennen om dit nummer, want de groep heeft naast dit nummer natuurlijk nog veel meer te bieden. Desondanks blijft het machtig en boeiend klinken; het relationeel aspect, de vervreemding van de voorgenomen liefdespartner wordt weergegeven door constante ritmewisselingen en complexe, steeds variërende melodielijnen (vooral Carey's drums blinken hier nog maar eens uit) geweven rond die ene vaste basriff, die steeds maar blijft voortkabbelen. Dan volgt die prachtige melancholische interlude, terwijl Maynard traag en opbouwend reminisceert over de gulden periode uit de relatie, maar het onbegrip en woede tegenover de evolutie naar de huidige situatie komen naar de voorgrond, tot de emotie niet meer in woorden uitgedrukt kan worden en de beukende gitaren het overnemen.
Opnieuw ter contrast volgt het kalme
Parabol, een kalm, sussend stuk. Leuk detail is hier het zogenaamde Boeddhistische gezang, dat eigenlijk Danny is die door een buis ademt, blijkbaar. Tool tracht met dit lied en zijn grote broer naar mijn mening het menselijke wezen te herleiden tot zijn kern, zonder vooroordelen, pijn, nostalgie bij de herinnering aan een onschuldig kinderlijk verleden, en vage, steeds afstandelijke toekomstplannen. Enkel
"This body holding me/This form I hold now" is belangrijk, en niet de wetenschappen waarmee we alles objectief tot op de bodem willen uitzoeken, noch de wijsbegeerte waarin het doorgronden van de menselijke psyche voor sommigen blijkbaar de sleutel vormt tot voldoening aan het einde van het leven. Nee, laat alles heel even los, wat afgehandeld is en wat nog op de levensweg ligt, maak je geest leeg, kijk naar jezelf en besef hoe open de wereld voor je ligt en wat je allemaal niet kunt verrichten op dit eigenste moment.
Het vloeit over in het energieke
Parabola, dat je uit de roes van zijn voorganger schudt en de oproep hier dringender herhaalt, door middel van het herhalen van de lyrics en snellere tempo dat opgepikt worden. Heerlijk is die kreet
"Alive!" rond 01:25, wat feitelijk het hart is van de zaak: Neem het leven niet als vanzelfsprekend aan, ontsnap uit de machine waarin je uiteindelijk gedwongen wordt mee te draaien en besef wat voor een uitgestrekt universum daarbuiten ligt! Ieder moment kan je einde zijn, leef daar dan ook naar, aanvaard alle nieuwe problemen en ervaringen (zie de lyrics rond 02:48) en neem hen zoals zij komen, want zij vervallen in het niet bij de grotere levensdoelstelling: de ziel stimuleren, hetzij door liefde, ambities navolgen buiten de uitgestippelde levenslijn, en kunnen zeggen wanneer je tijd om te gaan nadert, dat je je geest genoeg lading hebt gegeven om wat misschien nog volgt in harmonie aan te kunnen gaan. Ik zou nog in detail kunnen ingaan op hoe ze instrumentaal het nummer ondersteunen, maar het zelf beluisteren gaat sneller en, éénmaal je begrijpt waarop ik met bovenstaand tekstje doel, geeft het je een duidelijker beeld van de vitale levensles die hier naar voor wordt geschoven.
Ticks & Leeches is mijn favoriet drum-nummer van het album, vrij rechttoe rechtaan voor Tool-normen, opzwepend en een prachtig vertoon van hoe rauw hun muziek nog steeds kan worden. Het schreeuwen in dit nummer plaatst een verschrikkelijke last op Maynard's stem, omdat het nodig was bij het vergezellen van de gestoorde sfeer die dit lied afgeeft en het effect is er één van een rechtstreekse adrenalinestoot naar het hoofd. Je voelt het onder je huid kruipen en je meesleuren, als de bloedzuigende parasieten in de lyrics. Doorheen de muur van "lawaai", zoals sommige minder verdraagzamen hier bij mij thuis het zouden noemen, duik je recht in een traag middenstuk, met enkel de roep van de aangeslagen snaren en diepe drums, en het gemompel, meegevoerd door de wind die voortdurend voortblaast, heeft na die furieuze storm een extra opvallende emotionele impact en realisme: de stilte drukt je als het ware harder op de oren.
Hierna schieten de mannen weer in actie -- als je het volume verhoogd had voor de interlude, zal dit je de eerste keer mogelijk doen opschrikken -- en Maynard schreeuwt zijn stembanden eruit. Danny gooit het in de volgende versnelling en de snerpende gitaar raast er doorheen, met Maynard die zijn gal spuwt en de onversneden, pure beestelijkheid loopt ervan af tot de laatste seconde. Tot ik dit hoorde, dacht ik dat Tool echt nog zo'n nummer nodig had waarbij écht alle stoppen lossloegen, en ik was dan ook zeer tevreden toen ik dit voor de eerste keer hoorde. Nu nog steeds, overigens.
Als we het hebben over het gevoel en de sfeer van een oneindig universum binnen de muziek van Tool, denk ik onmiddellijk aan
Lateralus, niet zonder reden de titeltrack. Misschien is dit mede door
het YouTube-filmpje met de studie van de getallen van Fibonacci en beelden van de Hubble-telescoop, maar ik verlaat even de wereld als ik deze opleg en mijn ogen erbij sluit. Misschien zit mijn gevoel er ook niet helemaal naast: het nummer handelt over het verruimen van de geest, maar tegelijk ook een blijvende gevoelsmatige appreciatie behouden zoals kinderen die ook hebben. Dat is de
"spiral of our divinity": de delicate balans tussen het constant evolueren in gedachtengang over alles rondom ons, en het laten lopen van de emoties, die de zorgeloze jeugd markeerden, maar een simpele, blijvende, met rede onverklaarbare vervulling afgeven.
Het hele nummer doet zo episch, zelfs allesomvattend, aan, met zijn 9 minuten, gevuld met steeds opkomende en aflopende getijden. Bovendien schijnt het ook steeds uit te deinen: naarmate de heftige segmenten intenser worden, schijnen er steeds rustgevendere op te volgen. Totale tegenpolen dus, met de positieve piek van ongeveer 04:07 tot 04:48, met direct daarop volgend het lange, aanslepende stuk dat steeds aan energie schijnt te winnen, met alle instrumenten die opbouwen en opbouwen, tot dit zich finaal ontlaadt, dit is naar mijn mening rond 07:06, wanneer Danny zich als een gek laat gaan. Daar eindigt het echt niet mee; nee, een spiraal kent geen einde, dus waarom zouden we deze vroegtijdig afsnijden?
"Spiral out, keep going, spiral out, keep going, spiral out, keep going,...." Mijn hoogtepunt van de plaat? Wellicht wel.
Maar het is nog niet gedaan, integendeel:
Disposition luidt een interessant drieluik in, waarin het in alleszins twee van de drie luiken puur gaat over auditieve gevoelsbeleving: veel vreemde effecten worden er gebruikt, niet enkel op gitaar, maar ook geïmproviseerd; zij geven er een soort grauwe Midden-Oosterse sfeer aan, wat perfect aansluit bij het artwork. Aangezien Disposition maar twee verschillende strofes heeft (
"Watch the weather change/Mention this to me") dienen deze om de atmosfeer te versterken. Ik zie iemand voor me die uit zijn raam kijkt na een hete, drukkende zomerdag en een verandering ziet opkomen van aan de horizon, een storm die het weer bruusk doet omslaan, maar al zichtbaar is voor de effecten ervan beginnen in te werken.
Ook leuk is hoe de drums aan het einde viermaal een kaatsend en vallend object lijken te simuleren, wat dan mooi overloopt in
Reflection, een 11-minuten-lang epos waarvan de intro in ieder geval geen gevoelens van euforie oproept, om het zo te zeggen. Getuige de openingszin:
"I have come curiously close to the end now..." Zoals ook letterlijk gezegd wordt, handelt dit nummer over narcissisme en de fatale gevolgen die het met zich kan meedragen als jezelf toelaat door je eigen ego de wereld te minachten of buiten te sluiten. De duistere muziek vormt het decor voor de innerlijke strijd voor de persoon in kwestie, en als je dit lied afspeelt zonder storende factoren (met andere woorden in het donker, met de ogen toe, zonder achtergrondlawaai en andere) kan het een verrassend overweldigend, haast schrikwekkend resultaat zorgen. Het gebruikt een soort omgekeerde psychologie: door de toon aan te geven voor een nakende ondergang, proberen ze de luisteraar uit dergelijke gedachten af te schrikken en te ontnuchteren. Een zeer effectief nummer om te beluisteren als je ergens diep in de put zit of met een schijnbaar onoverkomelijk probleem kampt.
Heel dit drieluik is als een rivier, eigenlijk: het eerste nummer vormde een amper stromend beekje of kanaaltje, dat dan overging in een uitgestrekte, stevig stromende river en nu, in de afsluiter
Triad, een stroomversnelling nadert en in een draaikolk of imposante waterval wordt omgezet die je genadeloos onder duwt: getuige opnieuw de snerpende gitaarsolo's, strakke ritmische drumpatronen en bizarre, sfeer-aandikkende accenten die naar het einde toe in decibels toenemen vooraleer het zeer onverwacht eindigt. De 2 minuten stilte die erop volgen, zijn aangename ademruimte voor je oren en hersenen; zo kan het even nog allemaal inzinken voor je terechtkomt bij het ware einde van het album.
En dat is
Faaip de Oiad, een typisch Tool-experimentje dat in de eerste plaats wel doet wat het moet doen -- ik schrok toch wel serieus de eerste keer -- maar uiteindelijk niet echt bijdraagt tot de samenhang van de plaat. Daarom ook maar goed dat ze besloten hebben deze aan het einde te plaatsen, in plaats van ze er tussen te kletsen zoals bij de 5 intermissions op Ænima het geval was. Het gebruikt een sample van een geluidsfragment, dat blijkbaar echt op de radio is gekomen, van iemand die serieus in paniek is en beweert een voormalige werknemer van Area 51 te zijn. Volgens hem zou de regering iets afweten van aliens die onze dimensie bereikt hebben en er zouden rampen op komst zijn waar onze leiders van op de hoogte zijn, maar in plaats van de mensen in veiligheid te brengen, willen ze de metropolen van de wereld vernietigd zien om de overgeblevenen beter onder controle te houden. Klinkt nu allemaal misschien wel een beetje belachelijk, maar beluister het voor jezelf en je zal zien dat het is om de stuipen van te krijgen, met wat voor bizars Tool er nog aan heeft toegevoegd.
Zo, ik heb het eindelijk afgewerkt! Dit was uiterst lastig; Tool is lastig om uitgebreid te bespreken, omdat ze zowel muzikaal als lyricaal heel sterk zijn en het moeilijk is om het essentiële te omvatten zonder daarbij te ver te gaan. Ik hoop dat iedereen die dit leest, het kan appreciëren.
