Dat het hele Bristol triphop gebeuren in elkaar verweven zit, is een algemeen bekend gegeven. Vanuit die The Wild Bunch ideologie werkt Massive Attack in 1990 in de Coach House studio aan hun eersteling Blue Lines. Geoff Barrow assisteert Massive Attack tijdens het opnameproces van hun debuutplaat en krijgt vervolgens alle ruimte om in de overige tijd met zijn eigen ideeën te stoeien en te experimenteren. Toch ontbreekt er iets aan zijn samplesound. Daar komt verandering in als Geoff Barrow tijdens een door de conservatieve regering opgezette cursus die jongelingen helpt een om een eigen bedrijf op te zetten, singer-songwriter Beth Gibbons ontmoet. Deze samenwerking maakt de muziek levendiger en als vervolgens ook nog jazz gitarist Adrian Utley zich met dit proces bemoeit, is het retro soundtrack geluid van Portishead een feit.
Portishead noemt zich naar de aan de haven gelegen sombere grijze voorstad van Bristol. Dummy straalt in alle opzichten een triestheid uit die zich met de gelijktijdige actieve grunge scene uit Seattle kan meten. Dit werkt absoluut in het voordeel van Portishead. Voeg daarbij het beginnende succes van Massive Attack die ondertussen aan hun Protection opvolger werkt en protegee Tricky die de eerste stappen in zijn solocarrière zet. Je kan gerust concluderen dat Portishead de juiste band op het juiste moment is. Met enkel alleen dit gegeven kom je er niet. Bij de chemie tussen dit drietal komt hun talent het beste tot bloei. De dramatische doorrookte stem van Beth Gibbons maakt dus niet alleen het grote verschil, al is deze tengere persoonlijkheid zeker wel de blikvanger van Portishead.
De eerste Numb single wordt door het publiek nog totaal genegeerd, al pakt de serieuze muziekpers deze track wel op. De spookachtige kinderlijke vocalen van Beth Gibbons laten zich nog niet goed plaatsen en voelen wat gekunsteld ongemakkelijk aan. Het is een cineastische theatervoorstelling zonder helder beeld, slechts testbeeld, en vergt veel inbeeldingsvermogen. De track komt dan ook veel beter in het totaalplaatje van Dummy tot zijn recht. Numb is een illustratieve track over eenzaamheid. Beth Gibbons creëert haar eigen afgesloten wereldje waarin ze verdwaald en afzwakt. De afstompende beats en holle percussie symboliseren de muren die op haar afkomen, en haar pogingen om uit haar beangstigende fantasieën te ontsnappen.
Dan komt het gemeende Sour Times veel harder binnen. Haar getergde voordracht snijdt door de ziel heen en treft je midden in het hart. Toch heeft Portishead het aansluitende succes van Glory Box nodig om in de herkansing van de Sour Times release de rest van deze planeet te veroveren. De spannende zomerse warmte van Sour Times is formeel van het melodramatische Danube Incident van het Lalo Schifrin orkest afgeleid. Een filmische track die op het Mission: Impossible thema voortborduurt. Portishead hergebruikt deze spanning om die ziekelijke bijna maniakale hang naar liefde van Beth Gibbons een plek te geven. Het is dan wel een aarde duistere plek. De overstuurde Airbus Reconstruction remix van Sour Times ademt nog meer dat nerveuse beklemmende stalker gevoel uit. Beth Gibbons zoekt als een femme fatale haar prooi op, om deze vocaal te betoveren en vervolgens als een zwarte weduwe leeg te zuigen.
De echte doorbraak komt er dus met het avondzwoele jazzy Glory Box. Daarin zit exact dezelfde Ike’s Rap II sampler van Isaac Hayes verwerkt die later ook in Hell’s Around The Corner van Tricky passeert. Beth Gibbons roept verschillende schizofrene typetjes stemmetjes op die diep binnen in haar een bestaan hebben. Dan weer meisjesachtig, dan weer emotioneel, moederlijk, gebroken en verloren. Toch ligt een groot gedeelte van de kracht bij die huilende, bijna krijsende bluesrock uithalen van Adrian Utley. Je vergeet bijna dat het vervolgens wonderkind Geoff Barrow is, die deze filmische spanning in de juiste banen leidt.
Beth Gibbons speelt in Glory Box met haar vrouwelijkheid. Ze zet zichzelf als een psychisch gestoorde verleidster, een veroveraar neer. Gedurende de song ontdek je dat die wereld juist een surrealistisch beeld schept. Ze hunkert naar liefde, maar haar schuchtere persoonlijkheid cijfert haar juist weg. Het chillende Glory Box heeft een griezelig afterparty verloop. Na de controleerde woorden in de eerste passage, raakt ze volledig de grip kwijt, en komt het kwaadachtige onderliggende karakter steeds verder op de voorgrond. Glory Box is een liefdesliedje, geen fijn liefdesliedje, maar wel een goed liefdesliedje.
We leren dus in deze drie nummers de prille onzekere jazzdiva Beth Gibbons best goed kennen, waardoor de overige Dummy tracks direct al zo vertrouwd aanvoelen. Albumopener Mysterons is zo vies en plakkerig als uitgespuugd kauwgom en heeft een eng nostalgisch sciencefiction detective sfeertje. Mysterons is dan ook letterlijk van de vintage Thunderbirds en Captain Scarlet and the Mysterons poppenseries afgeleid. Het is de verdienste van componist Barry Gray die met zijn orkest een soort van naargeestig fictief hoorspel sfeertje oproept, waar Geoff Barrow gretig gebruik van maakt. Die soberheid schept uiteraard ook het beeld van een verlaten nachtelijke havenstad. Niet alleen introduceert Portishead hiermee zichzelf, het creëert tevens een donker aanzien op de geboortegrond van hun roots en de uitzichtloze positie van deze woonplek.
Het Zuid Amerikaans zomer jazzy Strangers plaatst Weather Reports saxofonist Wayne Shorter in het spotlicht. Portishead misbruikt samplers niet, het is een respectvolle wijze van persoonlijke helden eren. Perfectie valt niet te overtreffen, maar stelt zich hier nu in bruikleen op. Strangers is net zo slordig geïmproviseerd als de door drugs beïnvloeden jamsessies van befaamde jazzartiesten. Genialiteit bezit je en is niet een aan te leren kunstje. Net als bij dit soort freeflow spontaniteit, moet je het dus enkel laten gebeuren. Strangers is tevens nietig. Beth Gibbons maakt zich klein in een onderdanige minnaarspositie, al groeit ze absoluut in haar attitude en voordracht.
Het kan bijna niet anders dat de It Could Be Sweet beginselen in de Coach House studio onder supervisie van Massive Attack ontstaat. It Could Be Sweet blijkt dus ook de eerste voltooide Dummy albumtrack te zijn. Hoe fijn moet het voor Beth Gibbons aanvoelen, dat er al een vleesloos geraamte staat, welke de zangeres met haar soulvolle benadering volledig mag aankleden, kneden tot iets vertrouwds eigens. Hoe prettig moet dat voor haar aanvoelen dat de eerder geschreven songtekst hier die geschikte omlijsting toegediend krijgt.
In Wandering Star krijgen de scratch technieken van Geoff Barrow een prominente rol. Het stoort voor geen moment hoe hij de mondharmonica door de mangel neemt. Niet dat hij hier nou zo meesterlijk in is, het geeft dit broeierige Wandering Star wel de tijd om te ademen. Het donkere aspect overheerst en dat Beth Gibbons zichzelf als enige lichtpuntje in de duisternis neerzet, werkt daar in het voordeel. Uiteindelijk slokt die duisternis haar wel op.
Vervolgens trakteert Beth Gibbons de luisteraar op de bevalling van het semi opbeurende It's A Fire. Een warme sleutelsong die niet op elke oorspronkelijke Dummy vinyluitgave te horen is. De Hammond orgel partijen van Gary Baldwin zijn van een onmiskenbare waarde, helaas wordt zijn aandeel slechts tot It's A Fire beperkt. Geoff Barrow maakt hoe dan ook spaarzaam van gastmuzikanten gebruik.
Roads is een kruispunt met doodlopende straten, nieuwe aangelegde wegen, achteraf steegjes en schemerige zijpaden. Daar worden noodgedwongen keuzes voorgelegd, die zeker vaak niet de meest juiste, maar op dat moment absoluut de meest schappelijke zijn. Er woedt een oorlog diep van binnen, die voor de buitenwereld verborgen blijft. Beth Gibbons verzuipt hier in deze onmacht en komt niet meer boven. Het wrange daarvan is het misschien wel dat het haar leefomgeving amper opvalt. Het Beth Gibbons boek dreigt zich ongeopend te sluiten. Geoff Barrow wringt deze met de nodige hulpattributen open. Dat Beth Gibbons tijdens interviews over Roads zwijgzaam opstelt, zegt meer dan genoeg.
In de dromerige kale puurheid van Pedestal domineert trompettist Andy Hague. Het brengt Geoff Barrow naar de barre omstandigheden terug, dat hij als straatmuzikant in de straten van Bristol met moeite kan overleven, en met een misvormde basgitaar wat geld bij elkaar schraapt. Dat dit geïmproviseerde fretloze instrument een aantal jaren later nog zo’n prominente rol op Pedestral vervult, maakt de cirkel niet alleen rond maar ook zo passend rond.
Biscuit ontleed het prettige zomerse Johnnie Ray I'll Never Fall In Love Again bubblegum nummer tot een vertraagde lugubere spookstad gangster tripgoth sound. Het wereldse verval staat hierbij gelijk aan die fragiele gemoedstoestand van de zangeres die moedig besluit om definitief de liefde af te zweren.
Nee, Dummy is geen vrolijke plaat; het is de zoete smaak van bloed in de mond als je per ongeluk de binnenkant van je wang kapot bijt. Of voor de ouderen onder ons, de nabloeding van een scheurend sigarettenvloeitje als deze aan je lip blijft plakken. Ik denk zelfs dat deze laatste vergelijking het meest treffende is, want daar komt het doorrookte van Beth Gibbons ook het beste tot zijn recht. Het Dummy film noir resultaat is een ouderwetse sepia nicotinegeur album, die je juist het beste op een onzuivere krakende platenspeler kan afspelen.