Het eerste wat ik ooit hoorde van Black Sabbath was
Paranoid, waarschijnlijk bij Arbeidsvitaminen waar ie eind jaren '70 bijna wekelijks voorbij kwam. Toen
Heaven and Hell in 1980 mijn leven binnendenderde, werd ik uiterst nieuwsgierig naar de solo's van gitarist Tony Iommi. Ik ging op zoek naar meer van dat briljant-eigenzinnig-snelle gitaarhalsgerace.
De eerste drie platen van Sabbath waren in dat opzicht teleurstellend, al vond ik vooral het debuut en
Master of Reality briljante platen. De man stond echter qua soleren nog aan het begin van zijn ontwikkeling. Ik vroeg mij dus af wanneer hij dit onder de knie kreeg.
Het antwoord hoorde ik in de opener van
Vol. 4, een plaat die ik in de Grote Stad kocht van mijn kostbare zakgeld. In het tweede deel van
Wheels of Confusion beklimt hij tergend traag de hals, hoger en hoger. Eenmaal bovenaan gaat hij voor het eerst voor rapheid. Sterk opgebouwd, virtuoos gespeeld.
De hoes vond ik ook fraai. Een vriend ontdekte dat Geezer Butler te zien is met een doorzichtige plexiglas basgitaar, dat was mij ontgaan. Van de binnenzijde van de klaphoes begreep ik dat de jongens veel cola dronken, kennelijk was dat goed voor de inspiratie. De songs bevatten namelijk naast sterke riffs véél tempowisselingen, zoals in
Snowblind. Liedjes in liedjes, afwisseling troef. Nee, de hints naar cocaïne had ik op mijn zolderkamer niet door, terwijl mijn moeder zich regelmatig ergerde aan de geluidsmuren die daarvandaan afdaalden… Eindeloos draaide ik deze plaat, waarop veel valt te ontdekken.
Van de biografie Iron Man (2012) van Tony Iommi leerde ik dat drummer Bill Ward de opnamen bijna niet had overleefd. Zijn maatjes hadden hem ondergespoten met goudverf, zoals in de Bondfilm
Goldfinger, waarna ze beschaamd aan een inderhaast opgeroepen arts moesten uitleggen wat er was gebeurd en wat de exacte aard van de verf was.
Diezelfde Ward drukte in hun gehuurde villa op een knop, die als noodalarm bleek te dienen. Korte tijd later stond de politie voor de deur en moest alle dure cocaïne inderhaast worden doorgespoeld. Het zwarte imago van de band krijgt in Iommi’s biografie met alle practical jokes, missers en anekdotes véél meer kleur.
Tomorrow’s Dream heet op mijn hoes (editie 1976)
Tomorrow Dream; op het label staat de titel wel correct. Met zijn 3’06” is het een overzichtelijk lied, in Duitsland en Frankrijk op
single verschenen, geen hit.
Muzikale zijstapjes volgen met met ballade
Changes (piano en mellotron, gespeeld door Iommi en Butler) en soundscape
FX; over beide nummers deelt Iommi in zijn biografie interessante achtergronden.
Supernaut dendert dan extra zwaar de speakers uit met zijn heerlijke riffs en jawel, weer een snelle gitaarsolo. Twee tegelijk zelfs, de band had hoorbaar meer studiotijd gekregen voor dit soort experimenten.
De B-kant. Na het al genoemde
Snowblind volgt het intro van
Cornucopia, één van hun zwaarste riffs ooit, waarna uptempo delen volgen.
Laguna Sunrise schreef Iommi met een roadie, zittend aan
Laguna Beach. Zwaar en afwisselend is het wederom op
St. Vitus Dance, dat desondanks nog geen tweeëneenhalve minuut duurt.
Slotstuk
Under the Sun, tegenwoordig krijgt het laatste deel daarvan een extra titel, is mijn absolute toplied van deze plaat. Het begint zwaar, versnelt al snel om daarna wederom te versnellen en kent een zwaar en vertragend slot, met opnieuw zo'n heerlijke gitaarsolo.
Sterk album met talloze sterke en zware riffs, veel variatie en bovendien hun eerste waarop Iommi snelle solo’s produceert. Op mijn vinylversie keert na afloop van
Wheels of Confusion (het deel dat tegenwoordig in de digitale versie
The Straightener heet) na enkele seconden stilte het gitaarthema terug, ditmaal zonder distortion. Op streaming is dat weggelaten. Jammer. Dan ga ik toch lekker voor mijn gouwe ouwe elpeetje.