Je hebt het echte debuutalbum van een artiest/groep en "je persoonlijke debuut”. Met dat laatste bedoel ik de plaat die je voor het eerst in z’n geheel hoorde en waarmee je instapte in de catalogus van de desbetreffende naam.
Vanaf 1980 begon ik serieus elpees te beluisteren en dat leverde bijvoorbeeld de volgende “persoonlijke debuutplaten” op, waarbij het toeval wilde dat dit een topjaar voor heavy rock was: bij Black Sabbath hun achtste,
Heaven and Hell; bij AC/DC Back hun zesde,
Back in Black; en bij Van Halen hun derde,
Women and Children First. Deze platen waren de startpunten en vormden het vergelijkingsmateriaal voor hun eerdere platen die ik later zou tegenkomen.
Op dinsdagmiddagen was Alfred Lagarde in zijn Betonuur een
hartstochtelijk pleitbezorger van Van Halen, zodat ik inmiddels ruim twee jaar bekend was met o.a.
You Really Got Me en
Runnin’ with the Devil, geflopte singles die desondanks wekelijks in Arbeidsvitaminen klonken. Dat hielp mede, vermoed ik, om
Runnin’… in mei 1980 alsnog een hit in Nederland te laten worden, kort voor hun Pinkpopoptreden. Alhoewel afkomstig van hun échte debuut, stuwde dat vermoedelijk
Women… diezelfde maand naar de top 10 van de Elpee Top 50, piekend op #3 achter verzamelaars van BZN en Boney M.
Toen ik de plaat thuis uit de hoes haalde, werden mijn ogen groot: een vastgeketende en halfblote David Lee Roth in overstrakke broek op poster? Brrrrr, snel het papier terug in de hoes en de plaat op de draaitafel!
And the Cradle Will Rock kende ik van Lagarde, midtempo en zwaar, eerder in het Betonuur opgenomen en vele malen gedraaid. Daardoor hoor ik tot op de dag van vandaag, als David Lee Roth vraagt:
‘Have you seen junior’s grades?’ in mijn hoofd het afgemeten
‘No!’ van Lagarde als antwoord. Dan
Everybody Wants Some!! dat sneller was, heerlijk!
Fools begint klein en bluesy, gaat daarna over in een razendsnelle gitaarsolo (
Eruption kende ik niet, voor het eerst hoorde ik zoiets) waarna een heavy en uptempo nummer losbarst. Machtig mooi, zeker toen het weer iets snellere
Romeo Delight volgde.
Kant B opent met het dreigende
Tora! Tora! dat al voorbij was voor ik het doorhad.
Loss of Control volgt de volgende nanoseconde als vierde snelle track, helemaal fijn!
Daarna kakte de plaat in, vond deze puber.
Take Your Whiskey Home begint akoestisch en bluesy, wordt daarna log en stevig. Op
Could this me Magic? klinkt regen op de achtergrond, wat de akoestische bluessong een knus zomers sfeertje gaf; de tekst verwijst naar de albumtitel en de groepszang is voor eenmaal aanstekelijk bewust-vals; maar ik wilde snél en hárd.
In a Simple Rhyme sluit de plaat af met rustig getokkel, waarna het steviger maar niet sneller wordt. Na het einde van dat nummer begint een heavy riff, niet op de hoes vermeld; kennelijk het échte slot van de slotsong, dacht ik toen. Jammer genoeg duurde dit deel maar kort.
De onbevangen tiener werd ouder. Hoe klinkt dit album nu? Ik constateer dat ie alleen maar beter is geworden. Het spelplezier en de inspiratie spátten van de plaat af. Af en toe heb ik het idee naar een avontuurlijke jam te luisteren en dat niet alleen door het gitaarspel van Eddie, de drumcapriolen van Alex en de opmerkingen en teksten van David.
Wanneer je een plaat opneemt zoals standaard was geworden (laagje voor laagje, te beginnen met de drums, dan bas, etc.) kan die steriel worden. Hier hoor je opnames in takes, passend bij de spontaniteit van de band. Daarom vind ik ook de laatste drie tracks lekker.
Eveneens hoorbaar is hoe groot Eddie’s passie voor het maken van muziek was, hoe hij geïnspireerd zowel elektrische als akoestische gitaar speelt, hoe de band hier sterke songs van maakt met grote variatie, vaak ook in één lied… wat een creativiteit! Als je dan na veertig jaar ontdekt dat de eerste tonen van de plaat van een vervormde elektrische piano komen, is extra duidelijk hoezeer de man immer experimenteerde met nieuwe geluiden.
Roth is geen topzanger, maar dat type zou volstrekt ongeschikt zijn voor de stijl van deze band. Wat hij hier doet is steevast krachtig en raak, net als het degelijke bassen van Michael Anthony en diens altijd lekkere achtergrondzang.
Ik vroeg me af of er nog outtakes van deze en andere albums in de archieven liggen, maar dat valt tegen. Ze gooiden die meestal weg. Het YouTubekanaal van studio Sunset Sound, waar de eerste VH-albums werden opgenomen, biedt sinds 2020 interessante vlogs
zoals deze, waar ene Brian Kehew het nodige uit de doeken doet. Zo vertelt hij vanaf 5’40” hoe de ongebruikte takes letterlijk op de vloer belandden, op 13’28”volgt beter nieuws.
Conclusie: alhoewel de opnamen bijna als een jam klinken, waren ze dat bepaald níet. Een album dat bol staat van goede ideeën, sterk uitgevoerd door vier zeer getalenteerde muzikanten. Dat producer Ted Templeman en technicus Dann Landee dit moddervet hebben vastgelegd, maakt dat het plaatje áf is.
Hoeveel fans zouden eigenlijk die poster aan de muur van hun tienerkamer hebben gehangen?