Hier kun je zien welke berichten VictorJan als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Absynthe Minded - Absynthe Minded (2009)

3,5
0
geplaatst: 20 januari 2010, 18:48 uur
Twee jaar na hun album There Is Nothing komt het Gentse vijftal Absynthe Minded (dat net nog 4 Music Industry Awards in de wacht wist te slepen) met een nieuwe, self-titled plaat. Hoewel ze met dit album een ruimer publiek gevonden hebben - meer bepaald met de hitsingle Envoi - hebben ze toch hun authentieke sound niet helemaal achter zich gelaten.
Het album begint een handvol heerlijke, jazzy nummers. Met de sterke opener If You Don't Go, I Don't Go geven de heren meteen aan welke richting ze uit willen: originele percussie-instrumenten en catchy viooldeuntjes die overal kriskras doorheen schijnen te lopen ondersteunen Bert Ostyns immer relaxte zang. Hier en daar zijn zelfs wat synths te horen, maar deze zijn zo goed in de songs verweven dat ze je pas gaan opvallen na een aantal luisterbeurten. Zoals we dat gewoon zijn van Absynthe Minded - New Day daargelaten - zijn de meeste nummers stevig uptempo. Paramount is een prachtig, iets meer ingetogen nummer - Bert Ostyns prachtige stem levert wederom een zeer noemenswaardige ballad af van het kaliber van My Heroics, Part One. Multiple Choice is dan weer veel opzwepender en zelfs experimenteler, met duidelijk hoorbare dEUS-invloeden. Hierna zijn we bij de twee zeer geslaagde singles: Moodswing Baby, en Envoi, wier lyrics een vertaling is van het gelijknamige gedicht door Hugo Claus. Merkbaar is wel dat deze nummers ietwat gemakkelijker zijn dan de rest, maar vervelen doen deze pareltjes desondanks niet snel, en Envoi is misschien wel het beste nummer op deze plaat. Het kabbelt de hele tijd lekker door, en in de 4 minuten en 5 seconden zit absoluut geen noot teveel. Op Fortress €urope tonen de Gentenaren hun virtuositeit nogmaals, wat resulteert in een gehaaste intro, en wanneer het nummer lijkt stil te vallen volgt een vreemd maar geniaal middendeel, een downtempo conversatie tussen Bert Ostyn en nogal roestig klinkende backing vocals. Hierna keert de gekte weer terug en wordt het tempo weer opgepikt door de instrumenten. Bij wijze van contrast volgt daarna Papillon, een heerlijk rustig, relaxt nummer waarop Renaud Ghilbert op de viool (alweer) het voortouw neemt. Het enige mindere nummer is het daarop volgende Weekend In Bombay, maar het past zo goed in het plaatje dat het niet echt een minpunt is. Het album eindigt rustig met Oh! The Longing, een nummer dat de kwaliteit van het hele album nog eens reflecteert alvorens uit te doven met de laatste pianonoot.
Met hun vierde album hebben Absynthe Minded een plaat afgeleverd die niet alleen kan concurreren met het niveau van hun vorige werk, maar daar soms zelfs bovenuit steekt. Voor mij is dit dan ook tot dusver de best Absynthe Minded CD, van muzikale en - nodeloos om het nog te zeggen, na de Claus-referentie - ook lyrische topkwaliteit.
Het album begint een handvol heerlijke, jazzy nummers. Met de sterke opener If You Don't Go, I Don't Go geven de heren meteen aan welke richting ze uit willen: originele percussie-instrumenten en catchy viooldeuntjes die overal kriskras doorheen schijnen te lopen ondersteunen Bert Ostyns immer relaxte zang. Hier en daar zijn zelfs wat synths te horen, maar deze zijn zo goed in de songs verweven dat ze je pas gaan opvallen na een aantal luisterbeurten. Zoals we dat gewoon zijn van Absynthe Minded - New Day daargelaten - zijn de meeste nummers stevig uptempo. Paramount is een prachtig, iets meer ingetogen nummer - Bert Ostyns prachtige stem levert wederom een zeer noemenswaardige ballad af van het kaliber van My Heroics, Part One. Multiple Choice is dan weer veel opzwepender en zelfs experimenteler, met duidelijk hoorbare dEUS-invloeden. Hierna zijn we bij de twee zeer geslaagde singles: Moodswing Baby, en Envoi, wier lyrics een vertaling is van het gelijknamige gedicht door Hugo Claus. Merkbaar is wel dat deze nummers ietwat gemakkelijker zijn dan de rest, maar vervelen doen deze pareltjes desondanks niet snel, en Envoi is misschien wel het beste nummer op deze plaat. Het kabbelt de hele tijd lekker door, en in de 4 minuten en 5 seconden zit absoluut geen noot teveel. Op Fortress €urope tonen de Gentenaren hun virtuositeit nogmaals, wat resulteert in een gehaaste intro, en wanneer het nummer lijkt stil te vallen volgt een vreemd maar geniaal middendeel, een downtempo conversatie tussen Bert Ostyn en nogal roestig klinkende backing vocals. Hierna keert de gekte weer terug en wordt het tempo weer opgepikt door de instrumenten. Bij wijze van contrast volgt daarna Papillon, een heerlijk rustig, relaxt nummer waarop Renaud Ghilbert op de viool (alweer) het voortouw neemt. Het enige mindere nummer is het daarop volgende Weekend In Bombay, maar het past zo goed in het plaatje dat het niet echt een minpunt is. Het album eindigt rustig met Oh! The Longing, een nummer dat de kwaliteit van het hele album nog eens reflecteert alvorens uit te doven met de laatste pianonoot.
Met hun vierde album hebben Absynthe Minded een plaat afgeleverd die niet alleen kan concurreren met het niveau van hun vorige werk, maar daar soms zelfs bovenuit steekt. Voor mij is dit dan ook tot dusver de best Absynthe Minded CD, van muzikale en - nodeloos om het nog te zeggen, na de Claus-referentie - ook lyrische topkwaliteit.
Dans Dans - I / II (2013)

4,0
0
geplaatst: 24 april 2013, 19:07 uur
I/II is een film noir. Niet pikdonker of aardeduister; wel grofkorrelig, weerbarstig en mysterieus. Muziek die je in eerste instantie rustig in je zetel doet vlijen en genoegen neemt met een plaats op de achtergrond, maar je evenzeer plots de adem kan afsnijden met een brutale tempowisseling, kortstondige noise-eruptie of onweerstaanbare drumfill. Lees meer
Deerhunter - Monomania (2013)

3,5
0
geplaatst: 10 mei 2013, 21:18 uur
Deerhunter is misschien wel dé meest interessante indieband van het afgelopen lustrum. De reden daarachter heet nog steeds Bradford Cox, die zowat vierentwintig uur per dag met muziek bezig is, als Atlas Sound (het output-kanaal voor al zijn bedroom-productiewerk), maar vooral dus ook met Deerhunter. De titel van de plaat ontsproot toen de man bij zichzelf ‘Monomania’ diagnosticeerde: uitsluitende focus op één aspect van zijn leven, namelijk het muzikant-zijn. Geen slechte zaak voor de rest van de wereld, als je de laatste twee Deerhunter-platen er even bij neemt. Na ‘Halcyon Digest’ ligt de lat echter hoog – bijzonder hoog.
Laten we net zoals dit album zelf maar meteen met de deur in huis vallen: ‘Monomania’ is een statement. Al bij de opener ‘Neon Junkyard’ worden Cox’ vocals voortdurend overstelpt met distortion, echo en reverb terwijl wild feedbackende, losgeslagen gitaarlijntjes overal overheen stuiteren; of neem de haast irritante gitaarriff, het holle geschreeuwzang en vooral de titel van ‘Leather Jacket II’. ‘Sleepwalking’ wordt gortdroog in het midden van een gitaarrif afgebroken. In het drammerige ‘Dream Captain’ horen we een verwarrende Queen-parafrase (“I’m a poor boy from a poor family/I got no-one left to take care of me”), en ’Pensacola’ klinkt dan weer als een fatale frontale botsing tussen The Velvet Underground en de Ramones. Bijzonder moeilijk om dit alles niet te interpreteren als een opgestoken middelvinger naar de luisteraar en alle verwachtingen die het album nog voor zijn release meetergde. Lees meer
Laten we net zoals dit album zelf maar meteen met de deur in huis vallen: ‘Monomania’ is een statement. Al bij de opener ‘Neon Junkyard’ worden Cox’ vocals voortdurend overstelpt met distortion, echo en reverb terwijl wild feedbackende, losgeslagen gitaarlijntjes overal overheen stuiteren; of neem de haast irritante gitaarriff, het holle geschreeuwzang en vooral de titel van ‘Leather Jacket II’. ‘Sleepwalking’ wordt gortdroog in het midden van een gitaarrif afgebroken. In het drammerige ‘Dream Captain’ horen we een verwarrende Queen-parafrase (“I’m a poor boy from a poor family/I got no-one left to take care of me”), en ’Pensacola’ klinkt dan weer als een fatale frontale botsing tussen The Velvet Underground en de Ramones. Bijzonder moeilijk om dit alles niet te interpreteren als een opgestoken middelvinger naar de luisteraar en alle verwachtingen die het album nog voor zijn release meetergde. Lees meer
Dinosaur Jr. - I Bet on Sky (2012)

3,0
0
geplaatst: 26 september 2012, 21:28 uur
Dinosaur Jr. legde een beetje een omgekeerd parcours af: na een aantal geweldige albums eind jaren ’80 die de band rond J Mascis een onbetwiste cult-status opleverde (Dinosaur Jr. werd destijds in een adem genoemd met Sonic Youth), zakte het niveau zienderogen met meer voorspelbaar en radiovriendelijk werk mid-jaren ’90. De band viel al snel uit mekaar. Echter, in 2005 werd een reünie aangekondigd, en anders dan dat gewoonlijk gaat, sloegen Mascis en Barlow terug met ‘Beyond’, dat onmiddellijk weer de interesse wekte. Op ‘Farm’ werd de succesformule van Dinosaur Jr. op punt gesteld: dense gitaarmuren waar de laidback zang Mascis tegenaan leunt, met hier en daar een snedige solo. Hoe lang die succesformule standhoudt, is de volgende vraag die we stellen naar aanleiding van ‘I Bet on Sky’. Lees meer
Eels - Wonderful, Glorious (2013)
Ólafur Arnalds - For Now I Am Winter (2013)

4,0
0
geplaatst: 10 maart 2013, 10:37 uur
Mijn recensie, zoals hier neergepend.
Qua timing had het beter gekund: de officieuze eerste lenteweek verwelkomt het toepasselijk getitelde ‘For Now I Am Winter’, de derde langspeler van ambientwonder Ólafur Arnalds, en het eerste van de Erased Tapes-alumnus bij een major. Een ietwat onverwachte overstap die een duidelijke weerslag heeft op de muziek – of loopt het verband in de andere richting?
Op ‘…and They Escaped The Weight of Darkness’, zijn tweede telg, slaagde Arnalds erin een succesformule uit te puren voor wat we voor de eenvoud modernklassiek zullen noemen: piano en strijkers om het belangrijkste instrument, de stilte, aan te vullen. Het resultaat was, indien geen meesterwerk, op zijn minst een prachtplaat. Toch zou hierop eindeloos voortborduren ongetwijfeld gaan vervelen, en dat heeft Arnalds duidelijk begrepen. In het STUK (waar we hem ook konden interviewen) het voorbije najaar hoorden we ‘s mans vleugelpiano al flirten met onderkoelde electronica, die hij ook op ‘For Now I Am Winter’ omarmt.
De meest opvallende verandering zijn echter zonder twijfel de vocals van Arnór Dan, wiens falset het midden houdt tussen Jónsi en Antony Hegarty, die op een viertal nummers te horen zijn. Een mooie toevoeging, al zijn we nog het meest fan van de instrumentale nummers: de filmische opener ‘Sudden Throw’ (het moment waarop de strijkers zachtjes inglijden is even minimalistisch als majesteus), de complexloze pianosuite ‘Words of Amber’ (of: wat als The Velvet Underground klassieke muziek maakte) en natuurlijk het prachtig dreigende ‘This Place Was a Shelter’, waarin een kille, industriële beat de hoofdrol speelt.
Aan variatie geen gebrek dus, waardoor vermoedelijk ook mensen die niet veel hebben met ambient dit wel zullen kunnen appreciëren, en het is bovendien een van die zeldzame albums die zowel op de voor- als achtergrond perfect te genieten zijn. Luisteren dus, voor het al te zomers wordt.
Op ‘…and They Escaped The Weight of Darkness’, zijn tweede telg, slaagde Arnalds erin een succesformule uit te puren voor wat we voor de eenvoud modernklassiek zullen noemen: piano en strijkers om het belangrijkste instrument, de stilte, aan te vullen. Het resultaat was, indien geen meesterwerk, op zijn minst een prachtplaat. Toch zou hierop eindeloos voortborduren ongetwijfeld gaan vervelen, en dat heeft Arnalds duidelijk begrepen. In het STUK (waar we hem ook konden interviewen) het voorbije najaar hoorden we ‘s mans vleugelpiano al flirten met onderkoelde electronica, die hij ook op ‘For Now I Am Winter’ omarmt.
De meest opvallende verandering zijn echter zonder twijfel de vocals van Arnór Dan, wiens falset het midden houdt tussen Jónsi en Antony Hegarty, die op een viertal nummers te horen zijn. Een mooie toevoeging, al zijn we nog het meest fan van de instrumentale nummers: de filmische opener ‘Sudden Throw’ (het moment waarop de strijkers zachtjes inglijden is even minimalistisch als majesteus), de complexloze pianosuite ‘Words of Amber’ (of: wat als The Velvet Underground klassieke muziek maakte) en natuurlijk het prachtig dreigende ‘This Place Was a Shelter’, waarin een kille, industriële beat de hoofdrol speelt.
Aan variatie geen gebrek dus, waardoor vermoedelijk ook mensen die niet veel hebben met ambient dit wel zullen kunnen appreciëren, en het is bovendien een van die zeldzame albums die zowel op de voor- als achtergrond perfect te genieten zijn. Luisteren dus, voor het al te zomers wordt.
Phoenix - Bankrupt! (2013)

2,0
0
geplaatst: 1 mei 2013, 19:50 uur
Ongedwongen, zomerse indiepop is officieel het handelsmerk van Phoenix sinds het intussen vier jaar oude ‘Wolfgang Amadeus Phoenix’, dat na drie albums en liefst tien jaar aan de weg timmeren de doorbraak betekende voor de Fransmannen. Een fel overtrokken hype, al leverde de band met ’1901′ en ‘Listomania’ wel twee terechte hitjes af. En nog voor die langverwachte opvolger er was, werd Phoenix meteen gebombardeerd tot headliner in festivalland. Drie jaar terug nog gewoon in de AB, even later op Werchter rond de middag (een vrij slappe passage, overigens) en nu plots afsluiter op Coachella – jawel, ná Sigur Rós en The XX. U merkt het – aan deze release kunnen we gewoon niet voorbij. Lees meer
Sigur Rós - Kveikur (2013)

4,0
0
geplaatst: 23 juni 2013, 22:57 uur
Mijn recensie, zoals hier neergepend.
Bijna vijftien jaar geleden is het intussen, dat Sigur Rós zich vestigde als een van de belangrijkste bands van het muzikale tijdperk dat aanving rond de eeuwwisseling, en ‘Ágætis Byrjun’ en ‘( )’ de IJslanders een iconische status bezorgden. De verzonnen taal waarin gezongen werd, de onaardse soundscapes, het hemelse falset van Jónsi, de schaarste van interviews en catharsische live-evaringen maakten dat de mythe al snel dreigde boven zichzelf uit te stijgen. Wat Jónsi dan weer aanzette tot de terloopse beschrijving van Sigur Rós als “just four guys in a band”. Zoals u wellicht weet, moeten we daar bij het verschijnen van ‘Kveikur’ (zeg: “quake”) van maken: “three guys in a band”. De afwezigheid van multi-instrumentalist Kjartan Sveinsson op de Valtari-tour was wellicht al een teken aan de wand, maar pas in januari werd het officieel: Sigur Rós is voortaan een trio. Live bleek dat alvast geen onoverbrugbaar gemis, maar wat doet dat met het studiowerk van een band die twintig jaar lang met zijn vieren aan het roer stond?
[mod-knip ivm copyright, de rest van de recensie is te lezen in de link van VictorJan[/mod-knip]
[mod-knip ivm copyright, de rest van de recensie is te lezen in de link van VictorJan[/mod-knip]
The Antlers - Undersea (2012)

3,5
0
geplaatst: 26 juli 2012, 20:35 uur
Ze speelden in het voorjaar nog in de AB, en staan binnen enkele weken alweer op Pukkelpop. De fans die begin dit jaar dachten dat de nieuwe langspeler van The Antlers klaar was, werden echter teleurgesteld – de opkomende release zou slechts een ep’tje worden, en geen volwaardig album. Op de opvolger van ‘Burst Apart’ is het dus nog even wachten, maar in tussentijd is er dit zoethoudertje. Lees meer
The Cure - Pornography (1982)

4,5
0
geplaatst: 3 juni 2012, 22:04 uur
It doesn’t matter if we all die, zo begint ‘Pornography’ van The Cure. Ondergedompeld worden in een akelige sfeer, de duistere krochten van Robert Smiths psyche. Het lijkt de weerspiegeling van wat een emotioneel dieptepunt moet geweest zijn. Ijzige nummers, onheilspellende instrumentatie en teksten die, zonder ooit helemaal gevat te worden, koude rillingen over de ruggegraat doen lopen. Het is een album dat depressie en doodsangst uitstraalt, met een zelden geëvenaarde intensiteit.
The Cure had er in 1982 al drie goed ontvangen albums opzitten. Dat waren geen vrolijke trips – pakweg ‘Faith’ ademt ook een ijskoude sfeer uit; maar nergens is waanzin zoals die op dit album te horen is, eerder te vinden. En later ook niet: op ‘Pornography’ volgenden twee lichtervoetiger platen, waarna The Cures veruit meest succesvolle plaat, ‘Disintegration’, het levenslicht zag. Later zou Robert Smith trouwens laten optekenen dat hij ‘Pornography’ beschouwt als de eerste episode van een trilogie die The Cure als band het best kenmerkt, samen met ‘Disintegration’ en ‘Bloodflowers’.
Het was tevens rond deze periode dat The Cure zich als gothic begon te profileren – nuja, het genre begon uit te vinden: ontplofte kapsels, zwarte kleren en make-up. Wanneer ze zweetten op het podium, liepen de zwarte eyeliner-tranen over hun wangen. Misfits aller landen voelden zich onmiddelijk aangesproken, en gothic – met Siouxie and the Banshees, waar Robert Smith overigens ook even lid van was, tenslotte nog een marginaal fenomeen – was geboren.
Bij het beluisteren van ‘Pornography’ is het bijna absurd te bedenken dat dit van dezelfde hand is als van de man die ‘Boys Don’t Cry’, ‘Friday I’m in Love’ of ‘Just Like Heaven’ schreef. De waanzin die Robert Smith in zijn stem legt, is bijna fysiek voelbaar. De lyrics zijn tegelijk luguber, surrealistisch en op een cynische manier clichématig en alledaags (Please love me / Meet my mother). Ieder instrument is in de ruimte aanwezig: de drums zo strak als een machinegeweer, dissonante in reverb gedrenkte gitaren, zware bas-drones en onaardse keys.
De achterwaards afgespeelde, onverstaanbare stemmen aan het begin van het titelnummer (tevens het laatste op de plaat), begeleid door de dreigende, steeds luidere keys, doen het nekhaar overeind staan. Militair roffelende drums en bevreemdende gitaargeluiden doen het nummer uitmonden in een culminatie van verstikkende emoties, als badend in het zweet wakker worden ten midden van een nachtmerrie. I must fight this sickness, find a cure, roept Smith op het einde uit. Het is zo’n zin die nog lang in je hoofd kan spoken.
(zoals ook hier te lezen)
The Cure had er in 1982 al drie goed ontvangen albums opzitten. Dat waren geen vrolijke trips – pakweg ‘Faith’ ademt ook een ijskoude sfeer uit; maar nergens is waanzin zoals die op dit album te horen is, eerder te vinden. En later ook niet: op ‘Pornography’ volgenden twee lichtervoetiger platen, waarna The Cures veruit meest succesvolle plaat, ‘Disintegration’, het levenslicht zag. Later zou Robert Smith trouwens laten optekenen dat hij ‘Pornography’ beschouwt als de eerste episode van een trilogie die The Cure als band het best kenmerkt, samen met ‘Disintegration’ en ‘Bloodflowers’.
Het was tevens rond deze periode dat The Cure zich als gothic begon te profileren – nuja, het genre begon uit te vinden: ontplofte kapsels, zwarte kleren en make-up. Wanneer ze zweetten op het podium, liepen de zwarte eyeliner-tranen over hun wangen. Misfits aller landen voelden zich onmiddelijk aangesproken, en gothic – met Siouxie and the Banshees, waar Robert Smith overigens ook even lid van was, tenslotte nog een marginaal fenomeen – was geboren.
Bij het beluisteren van ‘Pornography’ is het bijna absurd te bedenken dat dit van dezelfde hand is als van de man die ‘Boys Don’t Cry’, ‘Friday I’m in Love’ of ‘Just Like Heaven’ schreef. De waanzin die Robert Smith in zijn stem legt, is bijna fysiek voelbaar. De lyrics zijn tegelijk luguber, surrealistisch en op een cynische manier clichématig en alledaags (Please love me / Meet my mother). Ieder instrument is in de ruimte aanwezig: de drums zo strak als een machinegeweer, dissonante in reverb gedrenkte gitaren, zware bas-drones en onaardse keys.
De achterwaards afgespeelde, onverstaanbare stemmen aan het begin van het titelnummer (tevens het laatste op de plaat), begeleid door de dreigende, steeds luidere keys, doen het nekhaar overeind staan. Militair roffelende drums en bevreemdende gitaargeluiden doen het nummer uitmonden in een culminatie van verstikkende emoties, als badend in het zweet wakker worden ten midden van een nachtmerrie. I must fight this sickness, find a cure, roept Smith op het einde uit. Het is zo’n zin die nog lang in je hoofd kan spoken.
(zoals ook hier te lezen)

