Hier kun je zien welke berichten Chimpz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Dream Theater - A Dramatic Turn of Events (2011)

1,0
2
geplaatst: 3 september 2011, 22:43 uur
Een eerste tip aan Dream Theater: wanneer je met een album getiteld 'A Dramatic Turn of Events' komt aandraven, wees dan zeker dat het op zijn minst een degelijke brok muziek is. Met een zwak album als dit geef je critici de pap in de mond om met behulp van een flauwe woordspeling duidelijk te maken wat voor een drama dit eigenlijk is. Tweede tip aan Dream Theater: ruim alles op, doe de deur op slot en laat deze band eens een flinke tijd met rust.
Iemand moet Dream Theater - en dan vooral gitarist John Petrucci en toetsenist Jordan Ruddess - eens flink aan de oren trekken en naar albums als 'Images & Words' en 'Awake' laten luisteren. Waar deze jongens vroeger nog vooraan het front van de progressieve metal meevochten doen ze nu zowat alles fout en is het moeilijk om ook maar één factor te vinden die het album enigszins luisterbaar maakt. Van 'Black Clouds & Silver Linings' werd ik al niet warm, maar dat was simpelweg een teleurstelling. Heel erg jammer allemaal, maar meer ook niet. Met 'A Dramatic Turn of Events' heeft Dream Theater het voor elkaar gekregen om een album te creëren dat zo slecht is, zo frustrerend om naar te luisteren, een album dat getuigt van zo weinig muzikaal inzicht, dat je je moet afvragen deze groep zich ooit nog wel zal kunnen herpakken.
Het grote probleem is dat Dream Theater niet meer weet wat progressieve rock, of zelfs intelligente muziek in het algemeen, conceptueel betekent. En dat is een hele grote olifant in een wel héél klein kamertje. We hebben altijd geweten dat deze muzikanten over een karrenvracht talent beschikken: vroeger werd dat gehanteerd om slimme muziek te schrijven. Het voelde vaak wel eens klinisch aan, maar wat maakt het uit wanneer de muziek interessant genoeg is?
Vrienden, die tijd is voorbij. Op dit album is niet één interessante structurering of inventieve passage terug te vinden. De couplet-refrein structuur wordt zelden onderbroken (tenzij die onderbreking aan het couplet wordt geplakt) en komt vaak tot drie keer terug binnen één nummer. En daar mag je dan ook nog eens elke keer opnieuw een extensieve intro en outro aan toevoegen. Wat hieruit voortkomt is een handvol saaie nummers die eender welke beginnende muzikant had kunnen schrijven. Ofja, een beginnende muzikant zou misschien het verstand hebben om ons hier geen acht minuten mee te vervelen.
Nuja, eigenlijk is dat niet helemaal juist. Maarliefst vier van de nummers op dit album breken de kaap van tien minuten en worden gekenmerkt door dezelfde hersenloze structuur die al sinds het begin der tijden gehanteerd wordt. De overige tijd wordt opgevuld met de meest afschuwelijke, ondenkbaar irritante solo’s die ik ooit gehoord heb. Het is in feite een constant duel tussen John Petrucci en Jordan Ruddess: de twee strijden steeds weer tegen elkaar om te zien wie er het snelste het meest pseudo-willekeurige noten kan aanslaan. Er zit geen enkele vorm van melodie of richting in deze passages; het heeft geen nut, er schuilt geen idee achter en het klinkt helemaal nergens naar. Ze hadden in feite even goed allebei hun mannelijkheid boven kunnen halen en ermee op hun respectievelijke instrumenten beginnen hameren om te zien wie de grootste heeft. Of misschien is dat precies wat ze gedaan hebben, want zo klinkt het wel. Dit is muzikale masturbatie in zijn puurste vorm, en wanneer twee mannen dat gelijktijdig doen wordt het allemaal nogal een beetje vies.
Maar ze zijn nog progressief hoor! Op Build me Up, Break me Down horen we een electronische beat in de intro! En op Bridges in the Sky krijgen we zowaar een Gregoriaans koor. Nog niet overtuigd? Wel, datzelfde Bridges in the Sky start met een sjamaan die heel erg zijn best doet om mooi te keelzingen. OEWOAAAAAAAAAAA. Dit is zooooooo progressief. OEWOAAAAAAAAAA. Dat nummer stroomt verder in tien minuten gevuld met de eerdergenoemde saaie structuren en peniswedstrijd-solo’s, om vervolgens op tien seconden tijd de behoorlijke harde sound af te breken en af te ronden met een luide OEWOAAAAAAAA. Want dat is wat progbands doen, toch? Zaken laten terugkeren enzo? Het probleem is voornamelijk dat dit geen patroon is of enigszins terugkeert binnen de muziek, het is het teken dat het nummer start, dan wel eindigt. Tien minuten na de start ben je al vergeten dat dit hetzelfde nummer is, dus moet je aan het einde eerder lachen dan dat het een interessant concept is.
OEWOAAAAAAAAA.
Het is vooral pijnlijk om te horen hoe onnatuurlijk dit alles overkomt. Neem nu het keyboard/gitaar gepingel in Outcry, bijvoorbeeld. Twee minuten lang moet je de chaos weer eens ondergaan en er wordt zelfs voor een keer eens een bassolo tussen geplaatst, waarna plots alles wegglijdt. Er manifesteert een zekere rust (en die is al zo zeldzaam) en John Petrucci grijpt zowaar eens een melodielijn uit de lucht. Het is niets spectaculairs, maar de verademing die dit biedt is nauwelijks in woorden te beschrijven. En net wanneer de rust teruggekeerd is lachen ze je muziekhart eens goed uit door terug te keren naar de apocalyptische rotzooi-sound, en zo de luisteraar nog maar eens te overladen met de wervelwind van kitsch en smakeloosheid. En dan is het tijd om het nummer af te ronden, dus wordt het solo-lawaai vrij lomp afgekapt en krijgen we een piano-segment dat volkomen uit het niets komt. Want Dream Theater lijkt niet meer aan overgangen te doen; wanneer er van sequens A naar sequens B gesprongen wordt hoeft dat maar een halve seconde te duren, hoe stevig ze stilistisch gezien ook mogen botsen. Het lijkt zowaar knip- en plakwerk, onvoorstelbaar hoe een band van dit kaliber plots afkomt met zulke amateurismen.
Er is dan wel het collectief falen, maar ook individueel zouden veel bandleden zich moeten schamen voor deze poging tot aanhoorbare muziek. John Petrucci werd ooit nog aanzien als een waar genie, een weergaloze virtuoos. Wanneer kindjes in de kleuterklas gevraagd werden om Jezus te tekenen grepen ze naar kleurpotloden en wasco’s om een zo authentiek mogelijk portret van John Petrucci te produceren. Maar dat genie lijkt uitgedoofd. Iemand moet hem - en iedereen die meegeschreven heeft aan dit album - eens aanleren dat intelligente muziek niet hetzelfde is als instrumentale complexiteit. Technisch gezien kan Petrucci waanzinnig straf gitaarspelen, maar wat heb je eraan als je die techniek alleen gebruikt om te shredden? Riffs zijn ontzettend zwak en lijken vaak uit een willekeurig metalcore-album gestapt, en solo’s zijn technisch dan misschien wel indrukwekkend, maar weten je nooit te pakken en vliegen een beetje langs je heen. Ze weten geen emotie uit te lokken, waardoor Petrucci niet één keer een écht memorabel stukje weet neer te leggen. Het is niet omdat je die gitaar helemaal kapot kan spelen, dat ja dat ook op elk moment moet doen.
Jordan Ruddess kampt met hetzelfde probleem. De man heeft creatief meer te zeggen dan ooit, en dat doet de band absoluut geen goed. Hij zou misschien al eens kunnen starten met zijn keyboards een degelijk geluid mee te geven, want met het geluid dat dit speelgoedwinkel-instrument voortbrengt zou Ruddess eerder de muziek bij de botsauto’s op de kermis moeten verzorgen dan de lead-instrumentering van een band van deze status. Het wordt pas helemaal triestig wanneer het “epische”, orkestrale geluid uit de kast gehaald wordt. Dit is een mooi voorbeeld hoe saai dit album eigenlijk niet is: elk nummer (behalve de ballads) eindigt met deze “grootse” keyboards, en op één na beginnen ze daar ook allemaal mee. Liefst van al nog met een slechte riff met flink wat distortion erop, want dat klinkt zó goed dat ze er quasi elk nummer mee moeten aftrappen. Ik ben vrij zeker dat het als ‘progressieve’ band (wat betekent dat woord alweer?) een flinke faux pas is om elk nummer opnieuw weer exact hetzelfde te doen.
Dit hierboven geldt natuurlijk maar beperkt voor de ballads. Iedereen die ooit Dream Theater heeft geluisterd (flinke bonuspunten als het ook nog eens om hun recenter werk gaat) weet wel wat voor een mierzoete opeenhoping van camp deze nummers zijn. Het valt het best te vergelijken met de ballads uit animatiefilms die in de jaren '90 rechtstreeks op VHS uitkwamen, het soort dat je ouders voor je kochten zodat je anderhalf uur stil voor de TV zou blijven zitten. Behalve dan dat de muzikanten van die films nog het excuus hebben dat ze hun nummers specifiek schrijven is om een gevoel over te brengen bij kinderen, dus is het enigszins logisch dat het allemaal zo flauw en manipulatief is. Dream Theater heeft geen excuus. Om over de lyrics nog maar niet te beginnen: “Nothing you can do to change me, but accept me as I am”, “So I waited in the shadows of my heart, and still the time was never right”, “Have you ever wished you were someone else? Traded places in your mind. It’s only a waste of time”. Het is precies op maat gemaakt voor onzekere, ondergewaardeerde, onstabiele, ongewassen tieners: een markt waar geen enkele zichzelf respecterende band op zou moeten mikken. En om het niet té simpel te maken worden er ook al eens wat metaforen bijgehaald, rechtstreeks uit een basiscursus poëzie overgepend. Want, het leven is als een doolhof, weet je, en sommigen raken al eens de weg kwijt... Jaja, heavy shit.
Zanger James LaBrie doet het hier nog opmerkelijk goed; hij klinkt live tegenwoordig al eens als een verzopen motor, maar hier houdt hij zich wel degelijk staande. Al zal er in de post-productie waarschijnlijk wel een hele hoop aan gesleuteld zijn geweest (bij momenten klinkt het wel héél erg fake), maar op zijn geluid kan je in principe maar weinig afkeuren. Hij klinkt weliswaar compleet emotieloos, maar wat wil je als je er teksten type “In mijn ziel is het altijd vijftien graden onder nul, ik vind alles in mijn leven enorme flauwe kul” moet uitkramen? In diezelfde trend: nieuwe drummer ‘andere Mike’ Mangini. Het valt op dat hij het volledige album lang - of het nu snel of traag hoort te zijn - mid-tempo speelt en dat hij eigenlijk alle snelheid met zijn voeten moet maken, en hij zou op zich ook wel eens vaker van patroon mogen wisselen. Zeker wanneer de rest van de instrumentering van ritme verandert. Maar kom, algemeen gezien: niet desastreus.
En dan is er nog de Myung-factor. De verlegen Chinees van de band geeft weer eens het beste van zichzelf en legt genietbare, strak gespeelde baslijnen neer. Maar wie geeft daar iets om temidden van het haantjesgedrag van Petrucci en Ruddess? Er is wel enigszins vooruitgang: waar Myung vroeger simpelweg nooit te horen was komt hij hier al eens vaker vanvoor in de mix. Maar dit is slechts sporadisch en tijdens grote periodes lijkt het wel weer alsof de band slechts uit vier leden bestaat. Het breekt mijn hart dat deze man nog altijd zo mishandeld wordt door de band; ik zou momenteel veel liever 80 minuten lang enkel en alleen naar Myungs baspartijen luisteren dan dat ik het volledige album nog eens op zou leggen. Deze man verdient veel meer appreciatie dan hij krijgt, en vooral een veel betere band dan die waar hij inzit. We bidden voor je, John Myung, want weet je, Dream Theater is als een doolhof, en sommige mensen, euhm, raken wel eens de weg kwijt. Snap je?
Goed, ik zou nog pagina’s vol kunnen schrijven over de krakkemikkige productie, de solo’s waar je teelballen spontaan van krimpen, de hoeveelheid ‘prog’ die je eveneens in een Kiss-plaat vindt en de lyrics die met een taalgevoel geschreven zijn waar Stephanie Meyer jaloers op zou zijn. Vele jaren geleden, toen ik voor het eerst Dream Theater ging luisteren, hoorde ik vele kritieken waar ik het achteraf niet mee eens was. De voornaamste was dat het “teveel gepingel” zou zijn, muzikanten die klinken alsof ze een diploma hebben in muziek en dit ook ten alle tijden laten blijken. Maar nu, in een dramatic turn of events (daar is het moment! Ik gebruik de titel ironisch!), moet ik de tegenstanders uiteindelijk toch gelijk geven: dit zijn geen muzikanten die met plezier spelen, alleszins niet meer, maar die vooral hun kunnen willen bewijzen. Maar goed, voor Nederlandstalige lezers zal het al lang duidelijk zijn: dit is geen band die herboren is door het vertrek van Mike Portnoy, maar eerder een op sterven na dode groep die schijnbaar niets meer te bieden heeft. Natuurlijk zal Dream Theater blijven bestaan, daar is de band financieel veel te succesvol voor, maar of we ooit nog een indrukwekkende prog-release van deze vijf mogen verwachten? Ik vrees er voor.
OEWOAAAAAAAAAAAA.
Geschreven voor Digg.be (link volgt hier later nog)
Iemand moet Dream Theater - en dan vooral gitarist John Petrucci en toetsenist Jordan Ruddess - eens flink aan de oren trekken en naar albums als 'Images & Words' en 'Awake' laten luisteren. Waar deze jongens vroeger nog vooraan het front van de progressieve metal meevochten doen ze nu zowat alles fout en is het moeilijk om ook maar één factor te vinden die het album enigszins luisterbaar maakt. Van 'Black Clouds & Silver Linings' werd ik al niet warm, maar dat was simpelweg een teleurstelling. Heel erg jammer allemaal, maar meer ook niet. Met 'A Dramatic Turn of Events' heeft Dream Theater het voor elkaar gekregen om een album te creëren dat zo slecht is, zo frustrerend om naar te luisteren, een album dat getuigt van zo weinig muzikaal inzicht, dat je je moet afvragen deze groep zich ooit nog wel zal kunnen herpakken.
Het grote probleem is dat Dream Theater niet meer weet wat progressieve rock, of zelfs intelligente muziek in het algemeen, conceptueel betekent. En dat is een hele grote olifant in een wel héél klein kamertje. We hebben altijd geweten dat deze muzikanten over een karrenvracht talent beschikken: vroeger werd dat gehanteerd om slimme muziek te schrijven. Het voelde vaak wel eens klinisch aan, maar wat maakt het uit wanneer de muziek interessant genoeg is?
Vrienden, die tijd is voorbij. Op dit album is niet één interessante structurering of inventieve passage terug te vinden. De couplet-refrein structuur wordt zelden onderbroken (tenzij die onderbreking aan het couplet wordt geplakt) en komt vaak tot drie keer terug binnen één nummer. En daar mag je dan ook nog eens elke keer opnieuw een extensieve intro en outro aan toevoegen. Wat hieruit voortkomt is een handvol saaie nummers die eender welke beginnende muzikant had kunnen schrijven. Ofja, een beginnende muzikant zou misschien het verstand hebben om ons hier geen acht minuten mee te vervelen.
Nuja, eigenlijk is dat niet helemaal juist. Maarliefst vier van de nummers op dit album breken de kaap van tien minuten en worden gekenmerkt door dezelfde hersenloze structuur die al sinds het begin der tijden gehanteerd wordt. De overige tijd wordt opgevuld met de meest afschuwelijke, ondenkbaar irritante solo’s die ik ooit gehoord heb. Het is in feite een constant duel tussen John Petrucci en Jordan Ruddess: de twee strijden steeds weer tegen elkaar om te zien wie er het snelste het meest pseudo-willekeurige noten kan aanslaan. Er zit geen enkele vorm van melodie of richting in deze passages; het heeft geen nut, er schuilt geen idee achter en het klinkt helemaal nergens naar. Ze hadden in feite even goed allebei hun mannelijkheid boven kunnen halen en ermee op hun respectievelijke instrumenten beginnen hameren om te zien wie de grootste heeft. Of misschien is dat precies wat ze gedaan hebben, want zo klinkt het wel. Dit is muzikale masturbatie in zijn puurste vorm, en wanneer twee mannen dat gelijktijdig doen wordt het allemaal nogal een beetje vies.
Maar ze zijn nog progressief hoor! Op Build me Up, Break me Down horen we een electronische beat in de intro! En op Bridges in the Sky krijgen we zowaar een Gregoriaans koor. Nog niet overtuigd? Wel, datzelfde Bridges in the Sky start met een sjamaan die heel erg zijn best doet om mooi te keelzingen. OEWOAAAAAAAAAAA. Dit is zooooooo progressief. OEWOAAAAAAAAAA. Dat nummer stroomt verder in tien minuten gevuld met de eerdergenoemde saaie structuren en peniswedstrijd-solo’s, om vervolgens op tien seconden tijd de behoorlijke harde sound af te breken en af te ronden met een luide OEWOAAAAAAAA. Want dat is wat progbands doen, toch? Zaken laten terugkeren enzo? Het probleem is voornamelijk dat dit geen patroon is of enigszins terugkeert binnen de muziek, het is het teken dat het nummer start, dan wel eindigt. Tien minuten na de start ben je al vergeten dat dit hetzelfde nummer is, dus moet je aan het einde eerder lachen dan dat het een interessant concept is.
OEWOAAAAAAAAA.
Het is vooral pijnlijk om te horen hoe onnatuurlijk dit alles overkomt. Neem nu het keyboard/gitaar gepingel in Outcry, bijvoorbeeld. Twee minuten lang moet je de chaos weer eens ondergaan en er wordt zelfs voor een keer eens een bassolo tussen geplaatst, waarna plots alles wegglijdt. Er manifesteert een zekere rust (en die is al zo zeldzaam) en John Petrucci grijpt zowaar eens een melodielijn uit de lucht. Het is niets spectaculairs, maar de verademing die dit biedt is nauwelijks in woorden te beschrijven. En net wanneer de rust teruggekeerd is lachen ze je muziekhart eens goed uit door terug te keren naar de apocalyptische rotzooi-sound, en zo de luisteraar nog maar eens te overladen met de wervelwind van kitsch en smakeloosheid. En dan is het tijd om het nummer af te ronden, dus wordt het solo-lawaai vrij lomp afgekapt en krijgen we een piano-segment dat volkomen uit het niets komt. Want Dream Theater lijkt niet meer aan overgangen te doen; wanneer er van sequens A naar sequens B gesprongen wordt hoeft dat maar een halve seconde te duren, hoe stevig ze stilistisch gezien ook mogen botsen. Het lijkt zowaar knip- en plakwerk, onvoorstelbaar hoe een band van dit kaliber plots afkomt met zulke amateurismen.
Er is dan wel het collectief falen, maar ook individueel zouden veel bandleden zich moeten schamen voor deze poging tot aanhoorbare muziek. John Petrucci werd ooit nog aanzien als een waar genie, een weergaloze virtuoos. Wanneer kindjes in de kleuterklas gevraagd werden om Jezus te tekenen grepen ze naar kleurpotloden en wasco’s om een zo authentiek mogelijk portret van John Petrucci te produceren. Maar dat genie lijkt uitgedoofd. Iemand moet hem - en iedereen die meegeschreven heeft aan dit album - eens aanleren dat intelligente muziek niet hetzelfde is als instrumentale complexiteit. Technisch gezien kan Petrucci waanzinnig straf gitaarspelen, maar wat heb je eraan als je die techniek alleen gebruikt om te shredden? Riffs zijn ontzettend zwak en lijken vaak uit een willekeurig metalcore-album gestapt, en solo’s zijn technisch dan misschien wel indrukwekkend, maar weten je nooit te pakken en vliegen een beetje langs je heen. Ze weten geen emotie uit te lokken, waardoor Petrucci niet één keer een écht memorabel stukje weet neer te leggen. Het is niet omdat je die gitaar helemaal kapot kan spelen, dat ja dat ook op elk moment moet doen.
Jordan Ruddess kampt met hetzelfde probleem. De man heeft creatief meer te zeggen dan ooit, en dat doet de band absoluut geen goed. Hij zou misschien al eens kunnen starten met zijn keyboards een degelijk geluid mee te geven, want met het geluid dat dit speelgoedwinkel-instrument voortbrengt zou Ruddess eerder de muziek bij de botsauto’s op de kermis moeten verzorgen dan de lead-instrumentering van een band van deze status. Het wordt pas helemaal triestig wanneer het “epische”, orkestrale geluid uit de kast gehaald wordt. Dit is een mooi voorbeeld hoe saai dit album eigenlijk niet is: elk nummer (behalve de ballads) eindigt met deze “grootse” keyboards, en op één na beginnen ze daar ook allemaal mee. Liefst van al nog met een slechte riff met flink wat distortion erop, want dat klinkt zó goed dat ze er quasi elk nummer mee moeten aftrappen. Ik ben vrij zeker dat het als ‘progressieve’ band (wat betekent dat woord alweer?) een flinke faux pas is om elk nummer opnieuw weer exact hetzelfde te doen.
Dit hierboven geldt natuurlijk maar beperkt voor de ballads. Iedereen die ooit Dream Theater heeft geluisterd (flinke bonuspunten als het ook nog eens om hun recenter werk gaat) weet wel wat voor een mierzoete opeenhoping van camp deze nummers zijn. Het valt het best te vergelijken met de ballads uit animatiefilms die in de jaren '90 rechtstreeks op VHS uitkwamen, het soort dat je ouders voor je kochten zodat je anderhalf uur stil voor de TV zou blijven zitten. Behalve dan dat de muzikanten van die films nog het excuus hebben dat ze hun nummers specifiek schrijven is om een gevoel over te brengen bij kinderen, dus is het enigszins logisch dat het allemaal zo flauw en manipulatief is. Dream Theater heeft geen excuus. Om over de lyrics nog maar niet te beginnen: “Nothing you can do to change me, but accept me as I am”, “So I waited in the shadows of my heart, and still the time was never right”, “Have you ever wished you were someone else? Traded places in your mind. It’s only a waste of time”. Het is precies op maat gemaakt voor onzekere, ondergewaardeerde, onstabiele, ongewassen tieners: een markt waar geen enkele zichzelf respecterende band op zou moeten mikken. En om het niet té simpel te maken worden er ook al eens wat metaforen bijgehaald, rechtstreeks uit een basiscursus poëzie overgepend. Want, het leven is als een doolhof, weet je, en sommigen raken al eens de weg kwijt... Jaja, heavy shit.
Zanger James LaBrie doet het hier nog opmerkelijk goed; hij klinkt live tegenwoordig al eens als een verzopen motor, maar hier houdt hij zich wel degelijk staande. Al zal er in de post-productie waarschijnlijk wel een hele hoop aan gesleuteld zijn geweest (bij momenten klinkt het wel héél erg fake), maar op zijn geluid kan je in principe maar weinig afkeuren. Hij klinkt weliswaar compleet emotieloos, maar wat wil je als je er teksten type “In mijn ziel is het altijd vijftien graden onder nul, ik vind alles in mijn leven enorme flauwe kul” moet uitkramen? In diezelfde trend: nieuwe drummer ‘andere Mike’ Mangini. Het valt op dat hij het volledige album lang - of het nu snel of traag hoort te zijn - mid-tempo speelt en dat hij eigenlijk alle snelheid met zijn voeten moet maken, en hij zou op zich ook wel eens vaker van patroon mogen wisselen. Zeker wanneer de rest van de instrumentering van ritme verandert. Maar kom, algemeen gezien: niet desastreus.
En dan is er nog de Myung-factor. De verlegen Chinees van de band geeft weer eens het beste van zichzelf en legt genietbare, strak gespeelde baslijnen neer. Maar wie geeft daar iets om temidden van het haantjesgedrag van Petrucci en Ruddess? Er is wel enigszins vooruitgang: waar Myung vroeger simpelweg nooit te horen was komt hij hier al eens vaker vanvoor in de mix. Maar dit is slechts sporadisch en tijdens grote periodes lijkt het wel weer alsof de band slechts uit vier leden bestaat. Het breekt mijn hart dat deze man nog altijd zo mishandeld wordt door de band; ik zou momenteel veel liever 80 minuten lang enkel en alleen naar Myungs baspartijen luisteren dan dat ik het volledige album nog eens op zou leggen. Deze man verdient veel meer appreciatie dan hij krijgt, en vooral een veel betere band dan die waar hij inzit. We bidden voor je, John Myung, want weet je, Dream Theater is als een doolhof, en sommige mensen, euhm, raken wel eens de weg kwijt. Snap je?
Goed, ik zou nog pagina’s vol kunnen schrijven over de krakkemikkige productie, de solo’s waar je teelballen spontaan van krimpen, de hoeveelheid ‘prog’ die je eveneens in een Kiss-plaat vindt en de lyrics die met een taalgevoel geschreven zijn waar Stephanie Meyer jaloers op zou zijn. Vele jaren geleden, toen ik voor het eerst Dream Theater ging luisteren, hoorde ik vele kritieken waar ik het achteraf niet mee eens was. De voornaamste was dat het “teveel gepingel” zou zijn, muzikanten die klinken alsof ze een diploma hebben in muziek en dit ook ten alle tijden laten blijken. Maar nu, in een dramatic turn of events (daar is het moment! Ik gebruik de titel ironisch!), moet ik de tegenstanders uiteindelijk toch gelijk geven: dit zijn geen muzikanten die met plezier spelen, alleszins niet meer, maar die vooral hun kunnen willen bewijzen. Maar goed, voor Nederlandstalige lezers zal het al lang duidelijk zijn: dit is geen band die herboren is door het vertrek van Mike Portnoy, maar eerder een op sterven na dode groep die schijnbaar niets meer te bieden heeft. Natuurlijk zal Dream Theater blijven bestaan, daar is de band financieel veel te succesvol voor, maar of we ooit nog een indrukwekkende prog-release van deze vijf mogen verwachten? Ik vrees er voor.
OEWOAAAAAAAAAAAA.
Geschreven voor Digg.be (link volgt hier later nog)
Dropkick Murphys - Going Out in Style (2011)

4,0
0
geplaatst: 16 maart 2011, 13:35 uur
De Murphys stellen nooit teleur. Negen jaar lang (zes albums op rij) leverden deze iconen van de folkpunk genietbare albums, en geen mens die eraan denkt dat ze nu plots teleur zouden stellen. Nuja, voorganger 'The Meanest of Times' was wel een kink in de kabel van constante evolutie: geen slecht album, maar toch zeker geen verbetering op hun vorige platen. Maar goed, dat zullen ze vast wel rechtzetten met deze 'Going Out in Style'. Tiens, wat bedoelen ze precies met die titel? Ze gaan toch niet stoppen zeker? Bon, dat ze dan maar stoppen met een ijzersterke plaat, zeker. Hé, een nieuw nummer op de officiële website, even luisteren... PANIEK!
Goed, er was dus uiteindelijk wel een beetje twijfel, een nerveus stemmetje dat maar bleef knagen aan mijn zekerheid: 'Memorial Day' was echt niet zoals de Dropkick Murphys horen te klinken. Veel te glad klinkend, de typerende rauwe schuurpapierklank ontbreekt nagenoeg volledig. Die onzekerheid werd elke keer overstemd door een luide "HET ZIJN WEL DE MURPHYS, JA", maar toch was het de eerste keer dat ik een release van deze band angstvallig afwachtte. En laat me het al maar gelijk zeggen: die vrees was compleet ongegrond. Goed, ze nemen een klein beetje afstand van hun oude sound en er wordt wat vaker gas terug genomen, maar uiteindelijk ZIJN HET WEL DE MURPHYS, JA.
Dat wil zeggen dat 'Going Out in Style' weer vol staat met nummers waar het bloed sneller van gaat stromen. Razendsnelle feestnummers met memorabele meebrulrefreinen vormen een stevige basis, maar daar wordt een hele hoop instrumentering bovenop gegooid. Het lijkt wel alsof de bandleden eens samen zijn gaan zitten om te kijken wie precies welk instrument kan bespelen, en de opgenoemde exemplaren dan maar allemaal gebruikt hebben. Doedelzak, accordeon, banjo, fluit, mandoline, ... schrijf maar op, we kunnen het wel ergens in een nummer verwerken. En gek genoeg werkt die overmaat aan instrumenten. Je zou in principe verwachten dat die diversiteit - zeker aan zo'n hoog tempo - zou uitmonden in een warboel, maar de Murphys komen er elke keer weer mee weg.
Dit zou ook het eerste echte conceptalbum van de Dropkick Murphys zijn, al valt daar niet veel van te merken. Al de nummers zouden slaan op het levensverhaal van een fictief personage, maar uiteindelijk komt het erop neer dat er weer vooral gezongen wordt over Ierse oerventen en vakbonden. Niets mis mee natuurlijk, er zal bijvoorbeeld ook niemand klagen wanneer Immortal weer eens een nummer schrijft over hoe koud sneeuw wel is; je doet nu eenmaal waar je goed in bent. En hoewel we weinig verschil merken met vorige releases is 'Going Out in Style' dus in principe wel een conceptalbum, dat moeten we voor de volledigheid toch maar even vermelden.
Wat dan weer wel positief opvalt is dat het veel makkelijker is om 'Going Out in Style' in zijn geheel te beluisteren. 'The Meanest of Times' was een meer dan behoorlijk album, maar hoe geniaal we sommige nummers ook vonden: de constante barrage aan ADHD-folk kan wat veel worden. Je moest al tot het tiende nummer wachten vooraleer er wat gas werd teruggenomen, en daarna vertrok de band opnieuw aan een hels tempo richting eindstreep. Deze keer zijn er met 'Cruel', 'Broken Hymns' en '1953' maar liefst drie rustpunten op het album, waardoor je minder snel de neiging zal krijgen om even iets anders op te zetten.
Hoewel: dat kan na een paar luisterbeurten enigszins keren. Je kan het draaien en keren hoe je wil, uiteindelijk maken de Dropkick Murphys betrekkelijk saaie muziek. Hard, stevig, zelfzeker en authentiek, maar het is ook het soort muziek waarbij nummers rond één idee opgebouwd worden. Daardoor kan je de nummers behoorlijk snel doorgronden, waarna het geen slecht idee is om het album eens even aan de kant te leggen. Laat u zich hierdoor allerminst afschrikken, want dat is in principe wel het geval met elk Murphys-album: heerlijk om nog eens uit de kast te graaien, maar verwacht niet dat album dat je weken aan een stuk zal grijsdraaien.
Maar wanneer 'Going Out in Style' je cd-kast mag verlaten zal het elke keer weer een groot feest zijn. Meebrullen met 'Take 'Em Down', opgaan in de feestvreugde van 'The Irish Rover' of genieten van Bruce Springsteens gastrol op 'Peg O' My Heart', ... zelfs de teleurstellende single 'Memorial Day' valt uiteindelijk reuze mee binnen de context van het album. Ik kan u zelfs garanderen dat ik telkens als 'The Hardest Mile' opspringt weer als een motorisch gestoorde kleuter op een paardenmolen begin rond te springen in mijn stoel. Het is wederom genieten van deze gigantisch vrolijke drukdoenerij, misschien nog wel meer dan ooit te voren, omdat de nadruk nu nog veel sterker op de folkinstrumentering ligt.
En dus stellen de Murphys weer niet teleur. 'Going Out in Style' toont dat de band gegroeid is in maturiteit, zonder dat ze ingeleverd hebben op vlak van pure, geconcentreerde fun. De trouwe fans wisten al lang dat deze cd de moeite zou worden, maar ook voor nieuwkomers binnen het Murphys-oeuvre is dit een goede binnenkomer. De groep vindt het wiel hier niet opnieuw uit, maar doet gewoon wat ze al hun hele carrière doen, en blinken er opnieuw in uit. Het is niet het soort muziek waar je geconcentreerd voor moet gaan zitten om het volledig te analyseren, maar wie zich nog eens oprecht met een album wil amuseren doet hier absoluut geen miskoop. Bij welke andere band kan je je luchtdrums, luchtbas en luchtgitaar immers vervangen voor een luchtfluit, luchtdoedelzak en luchtaccordeon?
Geschriven voor Digg.be
Goed, er was dus uiteindelijk wel een beetje twijfel, een nerveus stemmetje dat maar bleef knagen aan mijn zekerheid: 'Memorial Day' was echt niet zoals de Dropkick Murphys horen te klinken. Veel te glad klinkend, de typerende rauwe schuurpapierklank ontbreekt nagenoeg volledig. Die onzekerheid werd elke keer overstemd door een luide "HET ZIJN WEL DE MURPHYS, JA", maar toch was het de eerste keer dat ik een release van deze band angstvallig afwachtte. En laat me het al maar gelijk zeggen: die vrees was compleet ongegrond. Goed, ze nemen een klein beetje afstand van hun oude sound en er wordt wat vaker gas terug genomen, maar uiteindelijk ZIJN HET WEL DE MURPHYS, JA.
Dat wil zeggen dat 'Going Out in Style' weer vol staat met nummers waar het bloed sneller van gaat stromen. Razendsnelle feestnummers met memorabele meebrulrefreinen vormen een stevige basis, maar daar wordt een hele hoop instrumentering bovenop gegooid. Het lijkt wel alsof de bandleden eens samen zijn gaan zitten om te kijken wie precies welk instrument kan bespelen, en de opgenoemde exemplaren dan maar allemaal gebruikt hebben. Doedelzak, accordeon, banjo, fluit, mandoline, ... schrijf maar op, we kunnen het wel ergens in een nummer verwerken. En gek genoeg werkt die overmaat aan instrumenten. Je zou in principe verwachten dat die diversiteit - zeker aan zo'n hoog tempo - zou uitmonden in een warboel, maar de Murphys komen er elke keer weer mee weg.
Dit zou ook het eerste echte conceptalbum van de Dropkick Murphys zijn, al valt daar niet veel van te merken. Al de nummers zouden slaan op het levensverhaal van een fictief personage, maar uiteindelijk komt het erop neer dat er weer vooral gezongen wordt over Ierse oerventen en vakbonden. Niets mis mee natuurlijk, er zal bijvoorbeeld ook niemand klagen wanneer Immortal weer eens een nummer schrijft over hoe koud sneeuw wel is; je doet nu eenmaal waar je goed in bent. En hoewel we weinig verschil merken met vorige releases is 'Going Out in Style' dus in principe wel een conceptalbum, dat moeten we voor de volledigheid toch maar even vermelden.
Wat dan weer wel positief opvalt is dat het veel makkelijker is om 'Going Out in Style' in zijn geheel te beluisteren. 'The Meanest of Times' was een meer dan behoorlijk album, maar hoe geniaal we sommige nummers ook vonden: de constante barrage aan ADHD-folk kan wat veel worden. Je moest al tot het tiende nummer wachten vooraleer er wat gas werd teruggenomen, en daarna vertrok de band opnieuw aan een hels tempo richting eindstreep. Deze keer zijn er met 'Cruel', 'Broken Hymns' en '1953' maar liefst drie rustpunten op het album, waardoor je minder snel de neiging zal krijgen om even iets anders op te zetten.
Hoewel: dat kan na een paar luisterbeurten enigszins keren. Je kan het draaien en keren hoe je wil, uiteindelijk maken de Dropkick Murphys betrekkelijk saaie muziek. Hard, stevig, zelfzeker en authentiek, maar het is ook het soort muziek waarbij nummers rond één idee opgebouwd worden. Daardoor kan je de nummers behoorlijk snel doorgronden, waarna het geen slecht idee is om het album eens even aan de kant te leggen. Laat u zich hierdoor allerminst afschrikken, want dat is in principe wel het geval met elk Murphys-album: heerlijk om nog eens uit de kast te graaien, maar verwacht niet dat album dat je weken aan een stuk zal grijsdraaien.
Maar wanneer 'Going Out in Style' je cd-kast mag verlaten zal het elke keer weer een groot feest zijn. Meebrullen met 'Take 'Em Down', opgaan in de feestvreugde van 'The Irish Rover' of genieten van Bruce Springsteens gastrol op 'Peg O' My Heart', ... zelfs de teleurstellende single 'Memorial Day' valt uiteindelijk reuze mee binnen de context van het album. Ik kan u zelfs garanderen dat ik telkens als 'The Hardest Mile' opspringt weer als een motorisch gestoorde kleuter op een paardenmolen begin rond te springen in mijn stoel. Het is wederom genieten van deze gigantisch vrolijke drukdoenerij, misschien nog wel meer dan ooit te voren, omdat de nadruk nu nog veel sterker op de folkinstrumentering ligt.
En dus stellen de Murphys weer niet teleur. 'Going Out in Style' toont dat de band gegroeid is in maturiteit, zonder dat ze ingeleverd hebben op vlak van pure, geconcentreerde fun. De trouwe fans wisten al lang dat deze cd de moeite zou worden, maar ook voor nieuwkomers binnen het Murphys-oeuvre is dit een goede binnenkomer. De groep vindt het wiel hier niet opnieuw uit, maar doet gewoon wat ze al hun hele carrière doen, en blinken er opnieuw in uit. Het is niet het soort muziek waar je geconcentreerd voor moet gaan zitten om het volledig te analyseren, maar wie zich nog eens oprecht met een album wil amuseren doet hier absoluut geen miskoop. Bij welke andere band kan je je luchtdrums, luchtbas en luchtgitaar immers vervangen voor een luchtfluit, luchtdoedelzak en luchtaccordeon?
Geschriven voor Digg.be
