Hier kun je zien welke berichten Chimpz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Queen - A Day at the Races (1976)

3,0
0
geplaatst: 10 september 2014, 15:11 uur
Bijna twee maanden lang ben ik dit album kansen blijven geven. Puur op goede reputatie, en het feit dat het gezien wordt als een soort tweeluik samen met A Night At the Opera, wat ik op elk vlak een fantastisch album vind. Héél vaak naar teruggekeerd, mezelf heel vaak geforceerd, maar uiteindelijk moet ik me er bij neerleggen dat A Day at the Races maar niet wil klikken.
Drowse en Long Away zijn niemendalletjes met maar weinig karakter. Op de vorige vier albums samen staan er maar weinig nummers die ik niet boven deze twee zou kiezen. You and I, White Man en in mindere mate Teo Torriatte doen het al iets beter, maar ook hier zijn de momenten waar ik écht enthousiast kan worden bijzonder schaars. Good Old-Fashioned Lover Boy zit dan weer in het straatje You're My Best Friend: in theorie niet iets waar ik naar uitkijk als ik de tracklist bekijk, maar één keer het bezig is weet het me puur op charme en creativiteit toch nog wel over te halen.
Maar dat is dus al ongeveer de helft van het album dat koud tot lauw is. Naar Queen-normen gigantisch weinig.
You Take My Breath Away heeft enkele onmiskenbare kwaliteiten, maar naar mijn gevoel is het een (op dit punt zeldzaam) geval dat gewoon té lang duurt. Of misschien lijkt het zo omdat de samenzang me hier juist iets minder aanstaat? In ieder geval is het wel een degelijke ballad met een paar steengoede zanglijnen en melodieën, maar vergeleken met bijvoorbeeld Love of my Life? Mwa, mwa. En dan ook nog Tie Your Mother Down: op zich een fantastisch nummer, maar het voelt hier zo enorm teruggehouden aan. Op live-opnames is dit misschien wel hét ultieme hardrock-anthem van de band, maar bij de studio-versie is die balls-to-the-walls, alles-naar-de-tering mentaliteit nergens te vinden, en voelt het allemaal veel koeler en berekender aan. Rocken, maar ook een beetje je imago bij de rest van de buurt onderhouden. Ik voel de band bijna poseren met leren jassen en spijkerbroeken bij deze uitvoering, allemaal hun best aan het doen om een Bon Scot houding vast te houden.
Maar wat ik dan vooral niet begrijp is de link met A Night at the Opera. De variatie in stijlen, de levendigheid, de grenzeloze creativiteit, ... Ik hoor het hier allemaal niet terug. Enkel door de gospel-insteek van Somebody to Love en de zenuwachtige wispelturigheid van The Millionaire Waltz krijg ik een beetje het gevoel dat ik bij het vorige album ook heb. Het zijn dan ook de nummers die er voor mij met kop en schouders bovenuit steken.
Het is dus vooral Freddie die het voor mij een beetje recht houdt. Zijn stijl apprecieerde ik altijd al wat meer dan de rest, maar op één nummer na (Tie Your Mother Down) vind ik het materiaal van May, Deacon en Taylor simpelweg tekortschieten. Niet verschrikkelijk, maar vergeleken met alles wat ze hiervoor produceerden gewoon een beetje flets en banaal. En aangezien Mercury nu ook niet op zijn allerhoogste niveau aan het schrijven is, blijf ik achter met een - in mijn oren - heel matig album. Hoe vaak ik het ook probeer.
+ The Millionaire Waltz, Somebody to Love
- Long Away, Drowse
Drowse en Long Away zijn niemendalletjes met maar weinig karakter. Op de vorige vier albums samen staan er maar weinig nummers die ik niet boven deze twee zou kiezen. You and I, White Man en in mindere mate Teo Torriatte doen het al iets beter, maar ook hier zijn de momenten waar ik écht enthousiast kan worden bijzonder schaars. Good Old-Fashioned Lover Boy zit dan weer in het straatje You're My Best Friend: in theorie niet iets waar ik naar uitkijk als ik de tracklist bekijk, maar één keer het bezig is weet het me puur op charme en creativiteit toch nog wel over te halen.
Maar dat is dus al ongeveer de helft van het album dat koud tot lauw is. Naar Queen-normen gigantisch weinig.
You Take My Breath Away heeft enkele onmiskenbare kwaliteiten, maar naar mijn gevoel is het een (op dit punt zeldzaam) geval dat gewoon té lang duurt. Of misschien lijkt het zo omdat de samenzang me hier juist iets minder aanstaat? In ieder geval is het wel een degelijke ballad met een paar steengoede zanglijnen en melodieën, maar vergeleken met bijvoorbeeld Love of my Life? Mwa, mwa. En dan ook nog Tie Your Mother Down: op zich een fantastisch nummer, maar het voelt hier zo enorm teruggehouden aan. Op live-opnames is dit misschien wel hét ultieme hardrock-anthem van de band, maar bij de studio-versie is die balls-to-the-walls, alles-naar-de-tering mentaliteit nergens te vinden, en voelt het allemaal veel koeler en berekender aan. Rocken, maar ook een beetje je imago bij de rest van de buurt onderhouden. Ik voel de band bijna poseren met leren jassen en spijkerbroeken bij deze uitvoering, allemaal hun best aan het doen om een Bon Scot houding vast te houden.
Maar wat ik dan vooral niet begrijp is de link met A Night at the Opera. De variatie in stijlen, de levendigheid, de grenzeloze creativiteit, ... Ik hoor het hier allemaal niet terug. Enkel door de gospel-insteek van Somebody to Love en de zenuwachtige wispelturigheid van The Millionaire Waltz krijg ik een beetje het gevoel dat ik bij het vorige album ook heb. Het zijn dan ook de nummers die er voor mij met kop en schouders bovenuit steken.
Het is dus vooral Freddie die het voor mij een beetje recht houdt. Zijn stijl apprecieerde ik altijd al wat meer dan de rest, maar op één nummer na (Tie Your Mother Down) vind ik het materiaal van May, Deacon en Taylor simpelweg tekortschieten. Niet verschrikkelijk, maar vergeleken met alles wat ze hiervoor produceerden gewoon een beetje flets en banaal. En aangezien Mercury nu ook niet op zijn allerhoogste niveau aan het schrijven is, blijf ik achter met een - in mijn oren - heel matig album. Hoe vaak ik het ook probeer.
+ The Millionaire Waltz, Somebody to Love
- Long Away, Drowse
Queen - A Night at the Opera (1975)

4,5
0
geplaatst: 21 juli 2014, 01:25 uur
Een vrij duidelijke Sheer Heart Attack 2.0: het idee om bijna alle nummers in een eigen stijl te gieten wordt hier opnieuw toegepast, en uiteindelijk zelfs sterk verbeterd. Geen twee nummers klinken ook maar bijna als elkaar; je gaat van stevige hardrock naar mierzoete pop naar folk, van een stevige prog-epic naar een kleverige pianoballad naar een ukelele-vaudeville act. Alles kan, het hoeft niet logisch te zijn. Maar er zijn twee grote verbeteringen ten opzichte van de voorganger: niet alleen worden alle individuele stijlen prachtig toegepast zonder echte zwakke momenten, maar het loopt vooral als album véél beter. A Night at the Opera is vooral ook wat de titel zegt: één nacht. Waar je bij Sheer Heart Attack toch vooral onderling nummers samen ging groeperen, loopt dit album van begin tot eind als een trein. Alle nummers voegen aan elkaar toe, in plaats van dat ze onderling breuklijnen gaan vormen.
Het cabareteske van Bring Back that Leroy Brown wordt hier bijvoorbeeld doorgetrokken naar drie nummers. Aan de aftrap is Lazing on a Sunday Afternoon een heerlijk vrolijk intermezzo, dat met zijn karikaturale pompeuze Brits ook een beetje grappig is. Net zoals het vocale instrumentale middenstuk van Seaside Rendezvous: grappig, maar ook leuk genoeg zodat het nooit gaat storen, en bovenal klinkt het nog eens leuk ook. En dan dat tapdansen, jongens toch. Die frivoliteit, daar ga je toch spontaan van glimlachen? Naar het einde van het album toe rondt Good Company het trio dan weer af met de meest uitgebouwde song van de drie, waar de ukelele mij om een of andere reden opnieuw aan Abbey Road doet denken (en serieus: May klinkt hier toch ook wel redelijk wat als MacCartney op bijvoorbeeld Maxwell's Silver Hammer, of ligt dat aan mij?) Wat in Sheer Heart Attack nog een leuk tussendoortje was, is hier uitgebouwd en uitgebalanceerd over het hele album.
Verder is het gewoon indrukwekkend hoe elk nummer gewoon compleet zijn eigen ding is. Een eigen wereld die volledig afgewerkt wordt, op zo'n manier dat je er volledig in op kan gaan, maar aan het einde van het nummer sta je toch ook weer volledig open voor wat er kan komen. En dat kan alles zijn. Death on Two Legs is hevig, snerend en agressief, Love of my Life is zo enorm mierzoet dat als je er teveel naar luistert je waarschijnlijk diabetes kan ontwikkelen, maar ik hou er zoveel van. Melodramatisch, zwaar overdreven, kitscherig en in slechte smaak? Kan misschien wel zijn, maar het is zo enorm leuk en hangt zo goed aan elkaar (die ingetogen solo van May die evolueert naar één bombastische uitbarsting!) dat je dat echt geen bal kan spelen. Roger Taylor kan zich het ene moment schor staan schreeuwen (en hoe!) in I'm in Love with my Car, er daarna kan je dan weer verdrinken in de ultra-poppy sound van You're My Best Friend. Die laatste is misschien niet mijn favoriete nummer van het album, maar het is zo onschuldig, braaf en catchy dat het je onmogelijk kan storen terwijl je aan het luisteren bent. Je kijkt er misschien niet naar uit, maar het is ook niets wat echt frustratie creëert.
Het allerbeste nummer van het album, en ik zou zelfs durven zeggen van de hele band tot op dit punt, is May zijn folknummer '39. Best grappig, omdat het zo enorm ontypisch Queen is, maar wat leveren de mannen hier een huzarenstukje af zeg. Dat dromerige sfeertje door de riff en backing vocals, die belachelijk bolle bas, die zanglijnen waar je spontaan van begint te grinniken (en op de achtergrond Taylor die daar nog eens een flinke schep bovenop doet). Het is zo heerlijk ingetogen, maar op hetzelfde moment toch volgepropt met sfeer dat het op elk ogenblik aan de naden kan scheuren. Prachtnummer. Dat ik dit May's beste toevoeging aan het album vind is waarschijnlijk een eenzame positie, want grote favoriet hier The Prophet's Song staat voor mij toch wel een trapje lager. Episch, heavy, fantastische opbouw en wederom die heerlijke zanglijnen. Allemaal schitterend, maar die vocale canon van ruim twee minuten is voor mij toch dat éne momentje op het album waar Queen nèt een stapje te ver gaat. Er zijn een stuk of vijf passages te onderscheiden, en uiteindelijk doet het eigenlijk weinig meer dan het nummer even - zonder al te veel reden - opbreken. Het klinkt niet slecht, maar voor wat het is, vind ik het gewoon eventjes overkill.
Op dat vlak doen ze het dan toch beter met Bohemian Rhapsody. Daar is de legendarische overgang beheerster (qua lengte en passages), maar ook een duidelijke overgang van ballad naar rock. Want ja, we kunnen ondertussen allemaal cynisch en neerkijkend doen over Rhapsody, maar het is een feit dat bijna iedereen ter wereld ooit tot over zijn oren verliefd is geweest op dit nummer. Dat zegt toch wel genoeg? En daarbij: hoeveel lef moet je eigenlijk niet hebben om iets dat - in theorie - zo ontoegankelijk is als eerste single uit te brengen? In de rest van al die top-weetikhoeveel lijstjes elk jaar zullen er maar weinig nummers te horen zijn die zo progressief zijn als Bohemian Rhapsody. Klassieker, door zijn status een beetje vergruisd, maar stiekem gewoon niet kapot te draaien.
A Night at the Opera is voor mij misschien wel de culminatie van alles wat de band tot op dit punt was. Een bende hypergetalenteerde muzikanten die teveel ideeën hadden, teveel dingen wouden doen, om zich te lang op één ding te kunnen focussen. Logischerwijs waren er dan ook wel eens wat problemen met de balans, of werden bepaalde zaken niet genoeg ontwikkeld maar dat stoorde nooit door het ritme en de energie. Wel, hier hebben ze die houding zo goed als geperfectioneerd. Praktisch als elk nummer, elk moment, klinkt fris en spannend. Van zo'n beetje elk nummer zou je met plezier een album op zich kunnen luisteren, maar tegelijkertijd ben je ook altijd weer benieuwd welke verrassingen er nog gaan volgen. Het is een heel interessante dynamiek die je maar op weinig albums tegenkomt.
+ '39, Lazing on a Sunday Afternoon, Seaside Rendezvous, Love of my Life, The Prophet's Song, Bohemian Rhapsody, Death on Two Legs, I'm In Love With my Car,
- You're My Best Friend (maar dat is echt een redelijk klein minnetje hoor)
Het cabareteske van Bring Back that Leroy Brown wordt hier bijvoorbeeld doorgetrokken naar drie nummers. Aan de aftrap is Lazing on a Sunday Afternoon een heerlijk vrolijk intermezzo, dat met zijn karikaturale pompeuze Brits ook een beetje grappig is. Net zoals het vocale instrumentale middenstuk van Seaside Rendezvous: grappig, maar ook leuk genoeg zodat het nooit gaat storen, en bovenal klinkt het nog eens leuk ook. En dan dat tapdansen, jongens toch. Die frivoliteit, daar ga je toch spontaan van glimlachen? Naar het einde van het album toe rondt Good Company het trio dan weer af met de meest uitgebouwde song van de drie, waar de ukelele mij om een of andere reden opnieuw aan Abbey Road doet denken (en serieus: May klinkt hier toch ook wel redelijk wat als MacCartney op bijvoorbeeld Maxwell's Silver Hammer, of ligt dat aan mij?) Wat in Sheer Heart Attack nog een leuk tussendoortje was, is hier uitgebouwd en uitgebalanceerd over het hele album.
Verder is het gewoon indrukwekkend hoe elk nummer gewoon compleet zijn eigen ding is. Een eigen wereld die volledig afgewerkt wordt, op zo'n manier dat je er volledig in op kan gaan, maar aan het einde van het nummer sta je toch ook weer volledig open voor wat er kan komen. En dat kan alles zijn. Death on Two Legs is hevig, snerend en agressief, Love of my Life is zo enorm mierzoet dat als je er teveel naar luistert je waarschijnlijk diabetes kan ontwikkelen, maar ik hou er zoveel van. Melodramatisch, zwaar overdreven, kitscherig en in slechte smaak? Kan misschien wel zijn, maar het is zo enorm leuk en hangt zo goed aan elkaar (die ingetogen solo van May die evolueert naar één bombastische uitbarsting!) dat je dat echt geen bal kan spelen. Roger Taylor kan zich het ene moment schor staan schreeuwen (en hoe!) in I'm in Love with my Car, er daarna kan je dan weer verdrinken in de ultra-poppy sound van You're My Best Friend. Die laatste is misschien niet mijn favoriete nummer van het album, maar het is zo onschuldig, braaf en catchy dat het je onmogelijk kan storen terwijl je aan het luisteren bent. Je kijkt er misschien niet naar uit, maar het is ook niets wat echt frustratie creëert.
Het allerbeste nummer van het album, en ik zou zelfs durven zeggen van de hele band tot op dit punt, is May zijn folknummer '39. Best grappig, omdat het zo enorm ontypisch Queen is, maar wat leveren de mannen hier een huzarenstukje af zeg. Dat dromerige sfeertje door de riff en backing vocals, die belachelijk bolle bas, die zanglijnen waar je spontaan van begint te grinniken (en op de achtergrond Taylor die daar nog eens een flinke schep bovenop doet). Het is zo heerlijk ingetogen, maar op hetzelfde moment toch volgepropt met sfeer dat het op elk ogenblik aan de naden kan scheuren. Prachtnummer. Dat ik dit May's beste toevoeging aan het album vind is waarschijnlijk een eenzame positie, want grote favoriet hier The Prophet's Song staat voor mij toch wel een trapje lager. Episch, heavy, fantastische opbouw en wederom die heerlijke zanglijnen. Allemaal schitterend, maar die vocale canon van ruim twee minuten is voor mij toch dat éne momentje op het album waar Queen nèt een stapje te ver gaat. Er zijn een stuk of vijf passages te onderscheiden, en uiteindelijk doet het eigenlijk weinig meer dan het nummer even - zonder al te veel reden - opbreken. Het klinkt niet slecht, maar voor wat het is, vind ik het gewoon eventjes overkill.
Op dat vlak doen ze het dan toch beter met Bohemian Rhapsody. Daar is de legendarische overgang beheerster (qua lengte en passages), maar ook een duidelijke overgang van ballad naar rock. Want ja, we kunnen ondertussen allemaal cynisch en neerkijkend doen over Rhapsody, maar het is een feit dat bijna iedereen ter wereld ooit tot over zijn oren verliefd is geweest op dit nummer. Dat zegt toch wel genoeg? En daarbij: hoeveel lef moet je eigenlijk niet hebben om iets dat - in theorie - zo ontoegankelijk is als eerste single uit te brengen? In de rest van al die top-weetikhoeveel lijstjes elk jaar zullen er maar weinig nummers te horen zijn die zo progressief zijn als Bohemian Rhapsody. Klassieker, door zijn status een beetje vergruisd, maar stiekem gewoon niet kapot te draaien.
A Night at the Opera is voor mij misschien wel de culminatie van alles wat de band tot op dit punt was. Een bende hypergetalenteerde muzikanten die teveel ideeën hadden, teveel dingen wouden doen, om zich te lang op één ding te kunnen focussen. Logischerwijs waren er dan ook wel eens wat problemen met de balans, of werden bepaalde zaken niet genoeg ontwikkeld maar dat stoorde nooit door het ritme en de energie. Wel, hier hebben ze die houding zo goed als geperfectioneerd. Praktisch als elk nummer, elk moment, klinkt fris en spannend. Van zo'n beetje elk nummer zou je met plezier een album op zich kunnen luisteren, maar tegelijkertijd ben je ook altijd weer benieuwd welke verrassingen er nog gaan volgen. Het is een heel interessante dynamiek die je maar op weinig albums tegenkomt.
+ '39, Lazing on a Sunday Afternoon, Seaside Rendezvous, Love of my Life, The Prophet's Song, Bohemian Rhapsody, Death on Two Legs, I'm In Love With my Car,
- You're My Best Friend (maar dat is echt een redelijk klein minnetje hoor)
Queen - News of the World (1977)

4,0
0
geplaatst: 15 september 2014, 15:50 uur
Na A Day at the Races dacht ik dat de neerwaardse spiraal begonnen was voor Queen, maar News of the World is een grote positieve meevaller, en misschien wel mijn op één na favoriete album van de band dusver.
De openers kan je niet veel meer over zeggen: kapotgedraaid? Misschien wel. Maar desondanks blijven het gewoon heel sterke songs, die nog altijd perfect werken als je in de juiste geestesgesteldheid zit. Maar daarna, met het razende punkige Sheer Heart Attack, weet je al dat het weer een speciaal album gaat worden. Dat raggen van die riff en de zanglijnen zijn tof, maar het is dat middenstuk met die enorme hoge tonen dat het nummer net die extra dimensie geeft; niet zomaar een punknummer, een rasecht Queen-punknummer.
De grote kleppers zijn Spread Your Wings, misschien wel het beste nummer van de band dusver, en zover ik weet met kilometers voorsprong het beste Deacon nummer. Ook Get Down, Make Love werkt bijzonder goed: de band had al vaker met die ingetogen, spannende, vuile rocksound en psychedelica geflirt (Drowse, The Loser in the End, in mindere mate She Makes Me...), en elke keer vond ik dat niet uit de verf komen. Maar deze keer is het er vol op: rauw, smerig, en gewoon authentiek-klinkend. Oefening baart kunst. En dan nog It's Late: bombastische rock is altijd de sterkste kant van de band geweest, waar ze vanaf Queen II altijd verder van af zijn beginnen stappen (er zitten bijna twee volledige albums tussen deze en de vorige, Bohemian Rhapsody). Maar ook dit werkt gewoon weer als een trein: catchy refreinen, snedige versnellingen en vooral Deacons basspel dat echt schittert.
De rest van het album is solide, maar minder uitgesproken. Maar in het algemeen kan ik gewoon zeggen dat het me allemaal wat beter ligt: All Dead, All Dead, Fight From the Inside en My Melancholy Blues zijn geen grote kleppers, maar vullen het album op een aangename manier. Het is vooral jammer dat de twee mindere momenten van het album bij elkaar gezet zijn (het weinig inventieve en uitgesproken duo Sleeping on the Sidewalk en Who Needs You), waardoor het album toch een beetje een dipje kent. Maar toch, over de grote lijn: zeer verdienstelijk, en vooral aangenaam dat de eigenzinnigheid en wispelturigheid van de band weer komt kijken. Daar was ik na A Day at the Races toch een beetje bang voor.
+ Spread Your Wings, It's Late, Get Down, Make Love
- Sleeping on the Sidewalk, Who Needs You
De openers kan je niet veel meer over zeggen: kapotgedraaid? Misschien wel. Maar desondanks blijven het gewoon heel sterke songs, die nog altijd perfect werken als je in de juiste geestesgesteldheid zit. Maar daarna, met het razende punkige Sheer Heart Attack, weet je al dat het weer een speciaal album gaat worden. Dat raggen van die riff en de zanglijnen zijn tof, maar het is dat middenstuk met die enorme hoge tonen dat het nummer net die extra dimensie geeft; niet zomaar een punknummer, een rasecht Queen-punknummer.
De grote kleppers zijn Spread Your Wings, misschien wel het beste nummer van de band dusver, en zover ik weet met kilometers voorsprong het beste Deacon nummer. Ook Get Down, Make Love werkt bijzonder goed: de band had al vaker met die ingetogen, spannende, vuile rocksound en psychedelica geflirt (Drowse, The Loser in the End, in mindere mate She Makes Me...), en elke keer vond ik dat niet uit de verf komen. Maar deze keer is het er vol op: rauw, smerig, en gewoon authentiek-klinkend. Oefening baart kunst. En dan nog It's Late: bombastische rock is altijd de sterkste kant van de band geweest, waar ze vanaf Queen II altijd verder van af zijn beginnen stappen (er zitten bijna twee volledige albums tussen deze en de vorige, Bohemian Rhapsody). Maar ook dit werkt gewoon weer als een trein: catchy refreinen, snedige versnellingen en vooral Deacons basspel dat echt schittert.
De rest van het album is solide, maar minder uitgesproken. Maar in het algemeen kan ik gewoon zeggen dat het me allemaal wat beter ligt: All Dead, All Dead, Fight From the Inside en My Melancholy Blues zijn geen grote kleppers, maar vullen het album op een aangename manier. Het is vooral jammer dat de twee mindere momenten van het album bij elkaar gezet zijn (het weinig inventieve en uitgesproken duo Sleeping on the Sidewalk en Who Needs You), waardoor het album toch een beetje een dipje kent. Maar toch, over de grote lijn: zeer verdienstelijk, en vooral aangenaam dat de eigenzinnigheid en wispelturigheid van de band weer komt kijken. Daar was ik na A Day at the Races toch een beetje bang voor.
+ Spread Your Wings, It's Late, Get Down, Make Love
- Sleeping on the Sidewalk, Who Needs You
Queen - Queen (1973)
Alternatieve titel: Queen I

4,0
0
geplaatst: 4 juli 2014, 14:11 uur
De Led Zeppelin invloeden die op vorige pagina's besproken werden zijn duidelijk aanwezig: de versnelling in Doing All Right, de opening van Liar, de riffage van Son & Daughter (al is dat misschien al eerder Black Sabbath), ... Maar in tegenstelling tot bijvoorbeeld het debuutalbum van Rush blijft het ook gewoon bij dat woord: "invloeden".
Want in het algemeen verbaast het me eigenlijk hoe duidelijk je hier die later typische Queen-stijl al in terughoort. Goed, het is allemaal iets energieker en rauwer dan we gewoon zijn, en de productie is nu (begrijpelijk) ook niet je dat (dat drumgeluid...), maar in het songmateriaal vind je echt al alle elementen terug. Vooral het gouden drieluik dat door Mercury geschreven werd; Great King Rat, My Fairy King en Liar (zonder enige twijfel het hoogtepunt van de plaat) zit vol met tempowisselingen, harmonieuze samenzang en exotische spielerei die soms bijna naar avant-garde neigt (het "All day long" stuk van Liar, Great King Rat dat als een voorloper op Innuendo flamenco-elementen introduceert, ...).
De plaat zit bomvol ideeën, en niet alles loopt even geweldig samen. Een overgang loopt al eens scheef, soms zou je kunnen zeggen dat ze net één idee teveel in een nummer hebben proberen te rammen, en Jesus is wat mij betreft (op de behoorlijk gave break na) een karakterloze filler. Maar dat is juist de charme van deze plaat. Het is nog niet helemaal de strakke 'art rock' die het later zou worden, maar alle elementen zijn aanwezig op een behoorlijk naïeve, speelse en energetische manier. Voor het latere materiaal kan je een zaak maken dat het allemaal wat netter en hoogstaander is, en dat klopt ook wel, maar met dit debuut kan je je op z'n minst wel gewoon geweldig goed amuseren.
+ Keep Yourself Alive, Great King Rat, My Fairy King, Liar
- Jesus
Want in het algemeen verbaast het me eigenlijk hoe duidelijk je hier die later typische Queen-stijl al in terughoort. Goed, het is allemaal iets energieker en rauwer dan we gewoon zijn, en de productie is nu (begrijpelijk) ook niet je dat (dat drumgeluid...), maar in het songmateriaal vind je echt al alle elementen terug. Vooral het gouden drieluik dat door Mercury geschreven werd; Great King Rat, My Fairy King en Liar (zonder enige twijfel het hoogtepunt van de plaat) zit vol met tempowisselingen, harmonieuze samenzang en exotische spielerei die soms bijna naar avant-garde neigt (het "All day long" stuk van Liar, Great King Rat dat als een voorloper op Innuendo flamenco-elementen introduceert, ...).
De plaat zit bomvol ideeën, en niet alles loopt even geweldig samen. Een overgang loopt al eens scheef, soms zou je kunnen zeggen dat ze net één idee teveel in een nummer hebben proberen te rammen, en Jesus is wat mij betreft (op de behoorlijk gave break na) een karakterloze filler. Maar dat is juist de charme van deze plaat. Het is nog niet helemaal de strakke 'art rock' die het later zou worden, maar alle elementen zijn aanwezig op een behoorlijk naïeve, speelse en energetische manier. Voor het latere materiaal kan je een zaak maken dat het allemaal wat netter en hoogstaander is, en dat klopt ook wel, maar met dit debuut kan je je op z'n minst wel gewoon geweldig goed amuseren.
+ Keep Yourself Alive, Great King Rat, My Fairy King, Liar
- Jesus
Queen - Queen II (1974)

4,0
0
geplaatst: 8 juli 2014, 16:24 uur
Na het uitstekende debuutalbum is deze Queen II een logische volgende stap in de verdere evolutie van de band. Plooien werden gladgestreken en sterke kanten komen al veel prominenter aan bod. Maar toch, ondanks dat ze Queen-leden er wederom in geslaagd zijn om enorm veel goed songmateriaal op één schijfje te drukken, blijven er wat mij betreft een aantal schoonheidsfoutjes over waardoor ik het album in zijn geheel maar nèt boven het debuut zou plaatsen..
De witte A-kant is een beetje een vervolg op het eerste album. De Led Zeppelin invloeden waar iedereen toen over sprak zijn hier wederom te vinden in Some Day One Day, en vooral de Roger Taylor rocker The Loser in the End. Dit duo vormt met een duidelijke aflijning het zwakste moment van het album: ik weet niet of Queen II tekstueel een concept-album voorstelt (de fantasy-waanzin is me daar té onontcijferbaar voor), maar puur gevoelsmatig passen deze nummers niet in de luchterigere, kitscherige (dat bedoel ik positief) sfeer die over de rest van de plaat hangt.
De rest van het album luistert op een héél natuurlijkere manier weg, en nummers vloeien naadloos in elkaar over. Omdat de band weer bijzonder gecondenseerd staat te schrijven (hoeveel ideeën zitten er in The March of the Black Queen alleen al?) lijkt het eerder alsof Queen II bestaat uit twee grote progstukken, met daartussen nog twee matige (opzichzelfstaand niet persé slechte) nummertjes die de algemene ervaring een beetje opbreekt.
In het opzicht van dat gecondenseerd schrijven is het hier zelfs jammer dat het prachtige Nevermore zo snel voorbijvliegt, dat had voor mijn part gerust nog een minuutje mogen ademen (en dat minuutje hadden ze dan weer gerust van Funny How Love Is mogen afpitsen).
De band heeft, in tegenstelling tot op het debuut, nu ook serieuze studiotijd tot hun beschikking, en dat is er aan te merken. Het aantal overdubbings moet echt gigantisch geweest zijn, er zit wat schaamteloze spielerei in (die onnoemelijk briljante intro van Ogre Battle!), en uiteraard worden er ook weer wat exotische instrumenten bijgesleurd (sitar, castagnetten, klavecimbel, ...). Het begint al veel op de latere Queen te lijken, maar jammer genoeg lijkt de zang in al dat studiogeweld soms een beetje vergeten te worden. De instrumentatie wordt goed opgebouwd en klinkt strak en present, maar Freddie lijkt soms een paar meter verder in een volledig kale kamer te zingen. Teveel galm, wat hem bij momenten een hele hoop aan presence en frisheid kost. In The March of the Black Queen bijvoorbeeld horen we een uithaal van de lead-vocalen, die daarna gewoon overstemd wordt door de backing vocals die zowel frisser, directer als gewoonweg luider klinken. Zo zijn er voor mij wel een handvol momenten waarop het geluid een beetje een soep wordt. Geen grote ramp natuurlijk, het blijft allemaal zeker en vast goed luisterbaar, maar het is altijd zonde wanneer zulke composities en strakke instrumentatie een beetje in de steek gelaten worden door de productie. Of de remaster, dat kan natuurlijk ook.
Verder niets dan lof. Alle typische kenmerken komen hier groter én beter uit dan ze op hun debuut hadden laten horen. De meest fantastische composities, opgeleukt met fantastische melodieën en zanglijnen. Vooral de zwarte kant (geschreven door Freddie) straalt gewoon op elk moment kwaliteit uit. Net als op het eerste album weer een hoop materiaal om van te smullen, dat in het algemeen ook al beter klinkt. Het zijn juist de twee slotnummers van kant A - en dan ook nog eens vooral de plaatsing ervan - die mijn enthousiasme een beetje temperen.
+ Ogre Battle, The March of the Black Queen, Father to Son, Nevermore
- Some Day One Day, The Loser in the End
De witte A-kant is een beetje een vervolg op het eerste album. De Led Zeppelin invloeden waar iedereen toen over sprak zijn hier wederom te vinden in Some Day One Day, en vooral de Roger Taylor rocker The Loser in the End. Dit duo vormt met een duidelijke aflijning het zwakste moment van het album: ik weet niet of Queen II tekstueel een concept-album voorstelt (de fantasy-waanzin is me daar té onontcijferbaar voor), maar puur gevoelsmatig passen deze nummers niet in de luchterigere, kitscherige (dat bedoel ik positief) sfeer die over de rest van de plaat hangt.
De rest van het album luistert op een héél natuurlijkere manier weg, en nummers vloeien naadloos in elkaar over. Omdat de band weer bijzonder gecondenseerd staat te schrijven (hoeveel ideeën zitten er in The March of the Black Queen alleen al?) lijkt het eerder alsof Queen II bestaat uit twee grote progstukken, met daartussen nog twee matige (opzichzelfstaand niet persé slechte) nummertjes die de algemene ervaring een beetje opbreekt.
In het opzicht van dat gecondenseerd schrijven is het hier zelfs jammer dat het prachtige Nevermore zo snel voorbijvliegt, dat had voor mijn part gerust nog een minuutje mogen ademen (en dat minuutje hadden ze dan weer gerust van Funny How Love Is mogen afpitsen).
De band heeft, in tegenstelling tot op het debuut, nu ook serieuze studiotijd tot hun beschikking, en dat is er aan te merken. Het aantal overdubbings moet echt gigantisch geweest zijn, er zit wat schaamteloze spielerei in (die onnoemelijk briljante intro van Ogre Battle!), en uiteraard worden er ook weer wat exotische instrumenten bijgesleurd (sitar, castagnetten, klavecimbel, ...). Het begint al veel op de latere Queen te lijken, maar jammer genoeg lijkt de zang in al dat studiogeweld soms een beetje vergeten te worden. De instrumentatie wordt goed opgebouwd en klinkt strak en present, maar Freddie lijkt soms een paar meter verder in een volledig kale kamer te zingen. Teveel galm, wat hem bij momenten een hele hoop aan presence en frisheid kost. In The March of the Black Queen bijvoorbeeld horen we een uithaal van de lead-vocalen, die daarna gewoon overstemd wordt door de backing vocals die zowel frisser, directer als gewoonweg luider klinken. Zo zijn er voor mij wel een handvol momenten waarop het geluid een beetje een soep wordt. Geen grote ramp natuurlijk, het blijft allemaal zeker en vast goed luisterbaar, maar het is altijd zonde wanneer zulke composities en strakke instrumentatie een beetje in de steek gelaten worden door de productie. Of de remaster, dat kan natuurlijk ook.
Verder niets dan lof. Alle typische kenmerken komen hier groter én beter uit dan ze op hun debuut hadden laten horen. De meest fantastische composities, opgeleukt met fantastische melodieën en zanglijnen. Vooral de zwarte kant (geschreven door Freddie) straalt gewoon op elk moment kwaliteit uit. Net als op het eerste album weer een hoop materiaal om van te smullen, dat in het algemeen ook al beter klinkt. Het zijn juist de twee slotnummers van kant A - en dan ook nog eens vooral de plaatsing ervan - die mijn enthousiasme een beetje temperen.
+ Ogre Battle, The March of the Black Queen, Father to Son, Nevermore
- Some Day One Day, The Loser in the End
Queen - Sheer Heart Attack (1974)

4,0
0
geplaatst: 16 juli 2014, 20:57 uur
Toch wel een verrassend album dit. Na Queen en Queen II blijven er nog maar weinig sporen over van die typische 'kitschrock' die de band zich helemaal eigen had gemaakt. De redelijk specifieke bombast en zanglijnen van nummers als The March of the Black Queen of My Fairy King hoor je hier bijna niet meer terug (Flick of the Wrist en een momentje in Brighton Rock als uitzondering). Zonde, want dat is altijd wel mijn favoriete kant van Queen geweest, die op dit album een beetje genegeerd wordt.
In de plaats krijg je hier dan weer wel de introductie van drie andere stijlen die later kenmerkend voor de band zouden worden. Met Killer Queen zetten ze de sound van een groot deel van hun grootste hits neer, meteen al op een manier die ze zelden nog zouden evenaren. Het grote 'love it or hate it' element van dit album zal ongetwijfeld Bring Back that Leroy Brown zijn; het soort frivool, excentriek uitstapje wat rechtstreeks van het White Album of Abbey Road zou kunnen wandelen. Persoonlijk hou ik wel van dat cabareteske, dat ze ook nog in A Night at the Opera zouden doortrekken. En dan is er ook nog stadion-rock Queen: vooral gekend door het onnoemelijk platgetreden We Are the Champions, maar hier al geperfectioneerd met het genre-definiërende In the Lap of the Gods... Revisited.
Ook opvallend is dat de mateloze creativiteit waarmee ze hun nummers opvulden een beetje is teruggetrokken. Die ideeën zijn natuurlijk nog in overvloed aanwezig, maar op dit album lijkt het alsof ze ook gingen afwegen hoeveel ze precies in één nummer zouden moeten steken, in plaats van het er gewoon allemaal in te rammen. Het klinkt alsof ze hier voor het eerst ideeën hebben achtergehouden. "Volwassen geworden", zegt men dan al graag, en het zorgt er inderdaad wel voor dat de plaat veel rustiger, coherenter wegluistert. Maar ik was een beetje verliefd op die enthousiaste, kwajongensachtige potpourri van de eerste twee albums, dus voor mij hadden ze nog gerust even verder mogen puberen. Die volwassenere songwriting, samen met het ontbreken van die kitscherigere passages en gecombineerd met een veel duidelijker gedefinieerde productie, zorgen ervoor dat Sheer Heart Attack op zn minst een véél sterker gedisciplineerd en gebalanceerd album is dan zijn voorgangers.. Of dat beter of juist minder goed is hangt van de luisteraar af, ik blijf er zelf redelijk neutraal onder.
Want of het nu met mijn favoriete sound is of niet, het songmateriaal is toch wederom om je vingers bij af te likken. Het heerlijk scheurende Stone Cold Crazy en Brighton Rock (met dat fantastische refrein), aanstekelijker rocker Now I'm Here en het sprookjesachtige Lily of the Valley, stuk voor stuk topnummers. Ook weer genoeg spielerei, met de vertraagde stem van Freddie bij In the Lapse of the Gods: heel erg gewaagd en aanvankelijk een beetje afstotend, maar na de nodige gewenning een prima toevoeging die het allemaal weer wat amusanter maakt.
Maar, en dit is een dikke maar, op dit album staat voor de eerste keer ook Queen-nummers die ik ronduit onaangenaam vind. She Makes Me (Stormtrooper in Stilettos) staat op een wel héél slappe koord te dansen met het zagerige dat andere Britpop bands beter onder controle hebben. De psychedelica komt er nog een beetje door, waardoor het nummer niet helemaal door de mand valt, maar dit is door honderden bands beter gedaan, waardoor ik er echt niet warm van kan worden. En de grootste bruine vlek op het album is ongetwijfeld die alomtegenwoordige lick van May op Misfire. Werkelijk zo frustrerend en prominent aanwezig, dat dit chronologisch het eerste Queen nummer is dat ik wel eens met enige regelmaat durf skippen.
Sheer Heart Attack laat eigenlijk vooral een andere kant van de band horen, en doet dat - op een flink dipje in de B-kant na - met verve. De gekte van de eerste twee albums is nog altijd aanwezig, maar op een veel sterker gecontroleerde manier. Maar goed, een minder losbandige Queen, dat is nog steeds héél erg mooi.
+ Flick of the Wrist, Brighton Rock, Killer Queen, In the Lap of the Gods... Revisisted
- Misfire, She Makes Me (Stormtrooper in Stilettos)
In de plaats krijg je hier dan weer wel de introductie van drie andere stijlen die later kenmerkend voor de band zouden worden. Met Killer Queen zetten ze de sound van een groot deel van hun grootste hits neer, meteen al op een manier die ze zelden nog zouden evenaren. Het grote 'love it or hate it' element van dit album zal ongetwijfeld Bring Back that Leroy Brown zijn; het soort frivool, excentriek uitstapje wat rechtstreeks van het White Album of Abbey Road zou kunnen wandelen. Persoonlijk hou ik wel van dat cabareteske, dat ze ook nog in A Night at the Opera zouden doortrekken. En dan is er ook nog stadion-rock Queen: vooral gekend door het onnoemelijk platgetreden We Are the Champions, maar hier al geperfectioneerd met het genre-definiërende In the Lap of the Gods... Revisited.
Ook opvallend is dat de mateloze creativiteit waarmee ze hun nummers opvulden een beetje is teruggetrokken. Die ideeën zijn natuurlijk nog in overvloed aanwezig, maar op dit album lijkt het alsof ze ook gingen afwegen hoeveel ze precies in één nummer zouden moeten steken, in plaats van het er gewoon allemaal in te rammen. Het klinkt alsof ze hier voor het eerst ideeën hebben achtergehouden. "Volwassen geworden", zegt men dan al graag, en het zorgt er inderdaad wel voor dat de plaat veel rustiger, coherenter wegluistert. Maar ik was een beetje verliefd op die enthousiaste, kwajongensachtige potpourri van de eerste twee albums, dus voor mij hadden ze nog gerust even verder mogen puberen. Die volwassenere songwriting, samen met het ontbreken van die kitscherigere passages en gecombineerd met een veel duidelijker gedefinieerde productie, zorgen ervoor dat Sheer Heart Attack op zn minst een véél sterker gedisciplineerd en gebalanceerd album is dan zijn voorgangers.. Of dat beter of juist minder goed is hangt van de luisteraar af, ik blijf er zelf redelijk neutraal onder.
Want of het nu met mijn favoriete sound is of niet, het songmateriaal is toch wederom om je vingers bij af te likken. Het heerlijk scheurende Stone Cold Crazy en Brighton Rock (met dat fantastische refrein), aanstekelijker rocker Now I'm Here en het sprookjesachtige Lily of the Valley, stuk voor stuk topnummers. Ook weer genoeg spielerei, met de vertraagde stem van Freddie bij In the Lapse of the Gods: heel erg gewaagd en aanvankelijk een beetje afstotend, maar na de nodige gewenning een prima toevoeging die het allemaal weer wat amusanter maakt.
Maar, en dit is een dikke maar, op dit album staat voor de eerste keer ook Queen-nummers die ik ronduit onaangenaam vind. She Makes Me (Stormtrooper in Stilettos) staat op een wel héél slappe koord te dansen met het zagerige dat andere Britpop bands beter onder controle hebben. De psychedelica komt er nog een beetje door, waardoor het nummer niet helemaal door de mand valt, maar dit is door honderden bands beter gedaan, waardoor ik er echt niet warm van kan worden. En de grootste bruine vlek op het album is ongetwijfeld die alomtegenwoordige lick van May op Misfire. Werkelijk zo frustrerend en prominent aanwezig, dat dit chronologisch het eerste Queen nummer is dat ik wel eens met enige regelmaat durf skippen.
Sheer Heart Attack laat eigenlijk vooral een andere kant van de band horen, en doet dat - op een flink dipje in de B-kant na - met verve. De gekte van de eerste twee albums is nog altijd aanwezig, maar op een veel sterker gecontroleerde manier. Maar goed, een minder losbandige Queen, dat is nog steeds héél erg mooi.
+ Flick of the Wrist, Brighton Rock, Killer Queen, In the Lap of the Gods... Revisisted
- Misfire, She Makes Me (Stormtrooper in Stilettos)
