MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Chimpz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Sparks - A Woofer in Tweeter's Clothing (1973)

poster
3,0
Wat mij betreft toch al een aanzienlijke stap vooruit na de redelijk vergeetbare debuutplaat. De nummers hebben hier al wat meer karakter en zijn vaak toch iets beter uitgebalanceerd, vooral op de A-kant.

'A Woofer in Tweeter's Clothing' schittert vooral wanneer het wat steviger door weet te rocken, en de hele band aan bod komt. Het beste voorbeeld daarvan is afsluiter 'Whippings and Apologies', dat qua vibe toch wel doet denken aan de afsluiter van de vorige plaat ('No More Mr Nice Guys'). Maar ook het aanstekelijke 'Beaver O'Lindy' en zelfs 'Do-Re-Mi' - hoewel ontegensprekelijk een behoorlijk gimmicky track - tonen een heerlijke energie binnen de band, en tegelijk een zekere balans in de songwriting die op het debuut soms wat leek te missen.

Maar ook de wat rustigere nummers komen goed uit de verf. De grootste blikvanger bij single 'Girl From Germany' is natuurlijk de tekst (met als grootste grap het ongegeneerd prijzen van de "fine German cuisine'), maar ook muzikaal is dat gewoon een prima popnummer. En het donkere, sfeervolle, theatrale 'Moon over Kentucky' is met gemak het hoogtepunt van de hele plaat.

Maar het is toch nog niet allemaal rozengeur en manenschijn voor Sparks hier. Nummers als 'Here Comes Bob' en 'Angus Desire' proberen heel speels en creatief te zijn, maar ik kan me toch nooit van het gevoel ontdoen dat Queen dat met pakweg 'Lazing on a Sunday Afternoon' eindeloos veel sterker kon uitvoeren met slechts één minuutje speelduur. Ook 'Underground' en 'The Louvre' geven het gevoel dat er wel heel veel geprobeerd wordt, maar gewoonweg niets blijft plakken, waardoor de B-side van deze plaat toch een karwei wordt om je doorheen te ploeteren. Ook de productie is nog altijd behoorlijk plat en dunnetjes, en Russell's vocals zijn soms ook een beetje dunnetjes en moeilijk te verstaan (al maakt dat niets uit wanneer zijn falsetto helemaal losgaat in 'Nothing is Sacred Anymore').

Een stijgende lijn voor Sparks, dat zeker. Maar helemaal verkocht ben ik toch nog niet met deze eerste twee Amerikaanse platen. Ik ben benieuwd of de verhuis naar Engeland (en de nieuwe band) voor wat meer magie weer te zorgen.

+ Moon over Kentucky, Whippings and Apologies, Beaver O'Lindy
- Angus Desire, Underground, The Louvre

Sparks - Angst in My Pants (1982)

poster
4,0
De genialiteit van de collaboratie met Moroder? Neen, die vind je op dit Sparks album niet terug. En de creatieve uitspattingen en urgentie van '70s topplaten 'Kimono My House' en 'Propaganda'? Neen, die ook niet. Maar toch valt er best wel iets voor te zeggen dat 'Angst in my Pants' - het 11de album van een band die al evenveel jaar meegaat - op dit punt in hun carrière simpelweg het beste en meest complete Sparks album is.

Qua sound is er een kleine verschuiving richting een meer New Wave geluid. Soms op een heel 'More Songs About Buildings and Food' manier, maar soms ook met een geheel eigen insteek. Het titelnummer bijvoorbeeld, is simpelweg veel 'cooler' dan we van de Mael broers gewoon zijn. De zang is een beetje terughoudend, er ligt extra veel nadruk op de drum(computer?) en basgitaar, en de algemene vibe is gewoon net dat tikkeltje serieuzer. Hetzelfde kan gezegd worden over 'Instant Weight Loss', waar Sparks zich voor de eerste keer (mogelijk met uitzondering van 'Forever Young') volledig smijt op een melancholische sound, en daar met onderscheiding in slagen. Nu, echt New Wave kan je 'Angst in my Pants' natuurlijk niet noemen, daarvoor staat er weer een veel te brede waaier aan stijlen op het album. Maar globaal gezien straalt Sparks hier gewoon een maturiteit uit die tot hiertoe niet aan hen kon toegeschreven worden, zonder dat ze daardoor de oh zo typerende kitsch of onnozeligheid hebben moeten opgeven.

Een grote factor binnen die sound is de ondersteunende band, die nog steeds dezelfde is als op 'Whomp That Sucker' (de band die ondertussen zonder de Mael broers bekend stond als de 'Gleaming Spires'). Het valt op dat dit album puur instrumenteel ook gewoon rijker is dan voorgaande Sparks albums. Er is op bijna elke track wel plaats voor een korte, welgerichte solo, of een kleine break binnen de vaste patronen. Het zorgt dat dit album niet alleen bol staat van de ijzersterke hooks en lyrics (en daar ga je ondertussen wel van uit bij een Sparks album), maar er ook textureel net iets meer te beleven valt.

Maar de voornaamste reden dat dit misschien wel het sterkste Sparks album tot op heden is, is de consistentie. Waar vrijwel elk Sparks album tot hiertoe heel duidelijk bestaat uit twee of drie absolute prijsnummers, maar vaak ook evenveel lege gimmicky tegenhangers, is het op 'Angst in my Pants' veel moeilijker om de hoogte- en dieptepunten aan te duiden. 'Sextown USA' is misschien het meest typische offbeat Sparks nummer hier, en Russell brengt dat met een karrenvracht aan energie die je volledig meesleurt. Vlak daarna kom je echter uit bij 'Sherlock Holmes', wat vanuit zijn ingetogenheid misschien wel het sterkst opgebouwde nummer is uit de hele Sparks catalogus dusver? En vlak dààrna kom je dan weer uit bij 'Nicotina': bluesrock-geïnspireerde licks, over een muur van dramatische synths, terwijl Russell er zijn strot zo theatraal mogelijk voor openzet. En dat allemaal voor een liedje over een geantropomorfiseerde sigaret, waarbij het opsteken van desbetreffende peuk meteen voor een overdramatische sterfscène zorgt. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de geslaagde grap van "I Predict", een trage stamper waar wilde voorspellingen worden gemaakt, zoals "Je gaat door de regen wandelen en nat worden". En dat allemaal is nog altijd maar 4 van de 6 nummers op de A-kant!

Ik denk dat op dit album - meer dan de voorgangers nog - de favoriete nummers aanduiden een puur subjectief gegeven is. Kwalitatief zijn er geen diepe pieken of dalen. Ik heb persoonlijk een groot zwak voor Russell als predikant die niet gevangen wil worden door dat gevaarlijke monster: de liefde. Maar als iemand anders mij zegt dat ze de wilde orgels van 'Moustache' verkiezen, kan ik daar moeilijk iets slechts over zeggen. Veel mensen duiden 'Tarzan & Jane' aan als slechtste nummer, maar ik vind dat "oewioewioewioewiaaah" motief té meeslepend om daar in mee te kunnen gaan (al is dat structureel wel het minst geïnspireerde nummer op deze album). En 'Mickey Mouse' is voor mij misschien wel een beetje de throwaway, maar ook die is nog steeds catchy genoeg en heeft een paar heel gave synth-riedeltjes. Gewoon een toffe popsingle dus, en als dàt het dieptepunt op een Sparks-album is (de band heeft nu eenmaal ook een handvol platte en irritante nummers bij elkaar geschreven) kan je wel zeggen dat de heren héél goed op dreef waren bij het maken van dit album.

+: 'Eaten by the Monster of Love', 'Nicotina', 'Sextown USA', 'Angst in my Pants', etc. etc.
-: Niets!

Sparks - Balls (2000)

poster
3,0
De jaren '90 zijn voorbijgevlogen voor Sparks. En de buit is bijzonder mager: één volwaardig album, en ééntje met herinterpretaties van hun oude werk. Voor een band die hiervoor (en hierna) zo productief was, is dat toch opmerkelijk. Er wordt online wat gespeculeerd over een platencontract waar de broers niet blij mee zouden zijn geweest, maar ik denk eerlijk gezegd toch ook dat de Maels gewoon véél te lang in het dance-wereldje zijn blijven rondhangen. Dat ze ondertussen eigenlijk op zoek waren naar iets meer dan steeds weer achter dat glipperige succes aan te hollen. Iets substantiëler. Om aan de wereld te bewijzen dat Sparks véél meer is dan dit. Meer dan een sex-machine.

Op het volgende album zou dat allemaal ontploffen, maar deze 'Balls' is de laatste stuiptrekking van het trendsurfende Sparks. Deze keer zijn de broers vooral gecharmeerd door 'The Prodigy'. Zo starten ze het album met de rebellerende lyric "We are instigation" (een duidelijk knipoog naar 'Firestarter'). Op 'Aeroflot' en 'It's Educational' halen ze het 'Fat of the Land' soundboard gretig boven en schuppen ze de blender naar hartenlust vol met de typische 'Prodigy' geluidjes. En daarnaast hebben veel van de beats op zn minst één voet staan in de toen zo populaire DnB.

Dat klinkt misschien als een plan dat gedoemd is om te mislukken. Dat Ron en Russell zullen overkomen als twee oude lullen die halsstarrig proberen mee te doen met wat de jeugd tof vindt. Maar eigenlijk weten ze die val heel netjes te omzeilen. De productie is in het algemeen niet zo hard als de invloeden zouden doen vermoeden, en er worden bijhoorlijk smaakvolle strijkers en blazers geïntroduceerd die de hele sound toch net een apart karakter geven. Een beetje minder "punk", en een beetje meer "netjes opgevoede jongens die kattenkwaad uithalen". 'More Than a Sex Machine' en 'The Calm Before the Storm' worden zo big band feestjes, 'Scheherazade' is dan weer mysterieus en intrigerend, en 'How to Get your Ass Kicked' en 'It's a Knockoff' krijgen een fijn cinematisch laagje dat nooit verraden wordt door een té grote uitstap. Het is niet dé meest spannende sound die Sparks al heeft neergezet, maar het is een behoorlijk geslaagde combinatie die het album toch een eigen smoel weet te geven.

Twee keer wordt de productie een beetje opgedreven. 'It's Educational' klinkt oprecht gewoon als "Sparks probeert The Prodigy te doen". Slagen ze daar in? Natuurlijk niet. Maar ze drijven het nét ver genoeg door dat het binnen de context van het album toch wel wat impact heeft. En op 'Irreplaceable' wordt een behoorlijk harde DnB beat gecombineerd met een pianogedreven melodie, zwevende strijkers en een refrein waar Russell de meest theatrale zanglijn van heel het album bovenhaalt. Het is een enorm stukje kitsch, smaakloos, hopeloos verouderd, overdramatisch, ... Allemaal waar, helemaal mee eens, maar toch vind ik het in al zijn excessen simpelweg een fantastisch stukje muziek.

Geweldig album, denk je dan? Helaas niet. Daarvoor zijn alle missers veel te irritant. De titels 'Balls', 'Aeroflot' en 'Bullet Train' worden stuk voor stuk zo'n zevenduizend keer herhaald in hun refreinen. En het is misschien wel interessant dat de broers hier al zoveel aan het spelen waren met herhaling, maar het resultaat is ronduit vervelend. En op een paar van de tragere nummers lijken de broers zo bang te zijn om teveel te doen, dat ze eigenlijk een beetje te weinig doen en het resultaat behoorlijk gezapig en saai is.

Dus vooral een heel inconsistent plaat vrees ik, maar het heeft op zich een interessante vibe en een handvol uitstekende nummers. En voor een album gemaakt door twee Amerikaanse 50-plussers die geïnspireerd werden door 'The Prodigy', moet je dat toch vooral zien als een overwinning. Want het had véél erger kunnen zijn.

+ 'More Than a Sex Machine', 'Scheherazade', 'Irreplaceable'
- 'Balls', 'Aeroflot,' 'Bullet Train', 'The Angels'

Sparks - Big Beat (1976)

poster
3,5
Dit zou het grote creatieve verval van Sparks moeten zijn na drie albums ongebreidelde creativiteit, maar ik moet zeggen dat me dat reuze meevalt. Een groot deel van dat gevoel is natuurlijk het ontwerp van het album. Na 'Kimono My House' ging het qua verkoop allemaal maar in een dalende lijn, en het is duidelijk dat de Mael broers daar behoorlijk gefrustreerd over waren.

'Big Beat' is dan ook één en al satire over mainstream rock, en de waarden die daarin genormaliseerd werden. De objectificatie van vrouwen ('Throw Her Away (And Get a New One)', het compleet conformeren in eenheidsworst ('I Want To Be Like Everybody Else'), de homofobe aard van de muziekscene ('I Like Girls'), en ga zo maar even door. Met 'Big Boy' starten ze de plaat zelfs met wat eigenlijk neerkomt op "ik heb zo een grote piemel". Qua statement kan dat wel tellen.

Ook muzikaal wordt die parodie voortgetrokken. De teksten van de meeste tracks passen wel op een bierviltje, en refreinen bestaan uit weinig meer dan het constant herhalen van één zinnetje. Een groter contrast met de lyrics op de vorige platen is bijna onmogelijk. Ook blijft de piano voor het grootste deel van de plaat achterwege, en bij een track als 'I Want To Be Like Everybody Else' zou je toch wel kunnen zweren dat je naar een band als pakweg Mud aan het luisteren was, in plaats van het hypercreatieve duo.

Het meest jammere aan 'Big Beat' is dat ze in de persiflage er niet in slagen om de sound juist te krijgen. Geproduceerd door Rupert Holmes (en ja, dat is dezelfde Rupert Holmes van "If you like Piiiiiina Colaaaadaaa"), is het vaak zoeken naar de gitaren terwijl de bass en drums je om de oren slaan. Met een scherpere productie had veel van het songmateriaal op eerste gehoor onmiskenbaar kunnen zijn van de songs die ze parodiëren, nu blijft het soms helaas net iets te veel een conceptueel dingetje.

Maar toch overwint bij deze plaat voor mij de charme. Je voelt de frustratie, en de arrogantie waarmee neergekeken wordt op "mindere muziek". Maar het wordt met zo een onschuld gedaan dat je er moeilijk boos op kan zijn. De grote rebellerende punk-anthem bestaat uit het constant roepen dat "Everybody's stupid!" (ondersteund door '60s klinkende backing vocalen: "Everybody's stuuuuupiiiiiiid"), het is dat soort kinderlijke onschuld die als een beschermend warm dekentje over de plaat gedrapeerd ligt. Verder zijn er over de hele plaat genoeg variaties waardoor het allemaal niet verveelt, en ze breken het concept net vaak genoeg met bijvoorbeeld een typischer Sparks nummer als 'I Bought the Mississipi River', of 'Confusion' waar plots wel een A4 tekst in zit. Daarnaast is dit de eerste Sparks plaat waar geen nummer op staat dat ik categorisch skip. En ik kan me echt niet voorstellen dat fans van 'Kimono My House' en 'Propaganda' niet kunnen genieten van Russell die wanhopig over stampende blazers staat te roepen dat hij echt wel van meisjes houdt.

+ 'Everybody's Stupid', 'I Like Girls', 'Throw Her Away (And Get a New One)'
- 'Big Boy', 'Confusion'

Sparks - Gratuitous Sax & Senseless Violins (1994)

poster
3,5
Ik geloof niet dat er bij de release van deze 'Gratuitous Sax & Senseless Violins' er iemand was - zelfs niet de meest die-hard Sparks fan - die nog geloofde in het toekomstige succes van de band. Hun laatste écht goede album, 'Angst in my Pants', was maarliefst 12 (!!!) jaar oud. En na hun vorige flop, 'Interior Design', was er zowaar 5 jaar radiostilte rond de band. En vervolgens kwam de band met single 'National Crime Awareness Week': een verschrikkelijk stukje kitsch dat nog exact hetzelfde klinkt als het voorbije handvol albums, en wat mij betreft een kanshebber is voor de titel van allerslechtste Sparks song.

Dusja, het zag er niet rooskleurig uit.

Maar gelukkig bleek dit album op alle vlakken één grote reset. De band die 'Sparks' in de late jaren '80 was geworden wordt hier vakkundig gefileerd, gedeconstrueerd en terecht in de vuilbak gedeponeerd. De broers Mael vinden zichzelf hier volledig opnieuw uit (voor toch wel de vierde of vijfde keer al), en slagen er deze keer gelukkig in om die typerende Sparks-charme terug in hun muziek te injecteren.

Waar Sparks in de '80s nog tot in het diepste dal op trends meesurfte, kiezen ze hier een nieuwe trend en surfen ze er probleemloos weer uit. Deze keer hebben ze heel goed geluisterd naar de piano-gedreven eurodance die de jaren '90 uiteindelijk zou definiëren, genre Dr. Alban en 2 Unlimited. Niet de meest stabiele basis om echt een solide album op te bouwen zou je denken, maar Sparks slaagt er zoals vanouds in om met de juiste melodieën en onderwerpen het lege, commerciële karakter toch grotendeels te ontwijken.

Pak nu de opperklassieker 'When do I Get to Sing "My Way"'. De combinatie van ingetogen synths, aangrijpende zang en weemoedige melodielijn zorgen voor een puur stukje magie dat elke keer opnieuw eventjes zijn moment overstijgt. Dat het een 'Pet Shop Boys' kloon is maakt daarin absoluut geen verschil, en ben je al lang vergeten wanneer '(When I Kiss You) I Hear Charlie Parker Playing' (pfoe, lange titels zeg) je een hyperenergetische schop richting de dansvloer geeft. Afsluiter 'Let's Go Surfing' balanceert op zijn beurt de melancholie en stootkracht van die twee nummers weer perfect. En met 'I Thought I Told you to Wait in the Car' en 'Now That I Own the BBC' komt de Sparks-humor ook weer langzaam achter het gordijn kijken, al heeft het nog niet de scherpte van weleer. En gelukkig is de tracklist net gevarieerd genoeg, met 'The Ghost of Liberace' en het 'Massive Attack'-achtige 'Hear No Evil, See No Evil, Speak No Evil' (maar écht lange titels zeg), waar ze net ver genoeg van de eurotrash-stijl stappen dat het allemaal niet té eendimensioneel wordt.

Want als ik één probleem moet aanduiden op dit album, is het toch wel een klein beetje die eendimensionaliteit. Want eerlijk is eerlijk: soms zitten er naar Sparks-normen wel behoorlijk weinig ideeën in de muziek. In 'Tsui Hark' is dat natuurlijk het duidelijkst - een semi-instrumental van 4m30s die na 3m00 al zonder brandstof is gevallen - maar eigenlijk valt dat van veel nummers wel te zeggen. 'Frankly, Scarlett, I Don't Give a Damn' heeft eigenlijk nog een extra progressie nodig om niet saai te worden. En hoe fantastisch ik het nummer ook vind, en het is misschien heiligschennis... maar 6 keer dat refrein in 'When Do I Get To Sing "My Way"' is toch echt tegen het randje.

Dat zorgt er helaas voor dat ik in deze 'Gratuitous Sax & Senseless Violins' een klein beetje de diepgang mist die 'Sparks' albums op hun best zo eindeloos luisterbaar maken. Een heel goed album, tien stappen vooruit op wat ze met 'Interior Design' aan het doen waren, maar eentje die mij iets sneller gaat vervelen dan de meesterwerken in hun oeuvre.

+ 'When do I Get to Sing "My Way"', (When I Kiss You) I Hear Charlie Parker Playing', 'Let's Go Surfing'
- 'Tsui Hark'

Sparks - In Outer Space (1983)

poster
3,0
Sparks trekt hier voluit de kaart van synthpop. En dan niet op een unieke manier in combinatie met Italiaanse disco, of een typische rocksound aan de basis. Neen, Sparks omarmt hier de typische synthpop-sound waar je in de '80s mee doodgegooid werd. En toch moet ik bij dit album niet zozeer denken aan de voorgaande synth-heavy albums zoals 'No. 1 in Heaven' of 'Terminal Jive', maar is deze plaat eerder een spirituele opvolger van 'Big Beat'.

Zeven jaar na hun subtiele satire over het moreel verval van de '70s rockscene, proberen de Mael broertjes hier hetzelfde truukje te herhalen. Het idee van 'cool' is in die periode echter flink veranderd; in deze '80s mindset is alles veel meer blassé en cynisch. Perfect materiaal om fijn door de Sparks-gehaktmolen gehaald te worden denk je dan, maar eigenlijk moet ik zeggen dat 'In Outer Space' mij toch grotendeels op mijn honger laat zitten.

De grote vraag die dit album mij stelt - en eentje die bij 'Big Beat' eigenlijk nooit in mij is opgekomen - is op welk punt de persiflage precies ophoudt. Pakweg de helft van de tracklist hier is in theorie een satirische blik op de popcultuur van het moment. En er zit ook ergens wel de kiem van een kritisch idee in. Maar in plaats van die kiem uit te werken tot een volwaardig uitgewerkt punt, blijft het vaak een beetje dat aanvankelijke oppervlakkige ideetje. En als de inhoudelijke kritiek zo mager is, is het dan fair dat je je achter dat schild van 'satire' blijft verschuilen? Of ben je uiteindelijk eigenlijk gewoon precies hetzelfde aan het doen als datgene dat je belachelijk probeert te maken, maar dan wel met (op z'n minst een schijn van) zelfbewustzijn?

Het grootste bewijs hiervan is de voornaamste single 'Cool Places'. De lyrics zijn zo oppervlakkig als maar mogelijk is, en dat is natuurlijk het design van de songs hier. Maar er is een reden waarom dit de grootste hit is die de band ooit in de USA heeft gehad. En je kan dan wel zeggen dat dat succes een illustratie is van de onwetendheid van het bredere publiek, maar héél misschien werkt dat nummer gewoon beter als simpel popnummertje dan als bijtende satire?

Maar geen nood, het songmateriaal is wel sterk genoeg dat dat onderbakken ironische randje de boel niet volledig verziekt. In het verlengde van 'Angst in my Pants' is dit vooral een behoorlijk consistente plaat geworden, al ligt het gemiddelde wel aanzienlijk lager. 'Prayin' for a Party' is waarschijnlijk het diepste dat het niveau zakt op de hele plaat. En 'Dance Godammit' is de track waar 'Big Beat'-gewijs het contrast tussen inhoud en vorm het best uit de verf komt, al betekent dat daarom nog niet dat ik er ook graag naar luister. En de duetjes met Jane Wiedlin 'Lucky Me, Lucky You' en de eerdergenoemde hit 'Cool Places' zijn op zich een leuke uitstap voor Sparks (de eerste keer dat ze er een gastartiest bijhalen!).

De prijsnummers staan op dit album echter op zéér eenzame hoogte. 'Popularity' vat precies de leegte van de zoektocht naar 'populariteit' in een heerlijk catchy weemoedig jasje. En 'All You Ever Think About is Sex' heeft een heerlijk tempo, een geweldige oorwurm van een refrein en een paar zeer gevatte lyrics. En uiteindelijk gaat dat nummer ook maar precies over wat de titel zegt. Het moet niet altijd kritiek op de maatschappij zijn, soms is een simpel seksliedje ook wel oké. Al is Sparks waarschijnlijk de laatste band die je dat moet vertellen.

+ 'Popularity', 'All you Ever Think About is Sex'
- 'Prayin' for a Party', A Fun Bunch of Guys from Outer Space', 'Dance Godammit'

Sparks - Indiscreet (1975)

poster
2,5
Met 'Indiscreet' geven de Mael broers zich volledig over aan hun flamboyante glamrock uitspattingen. Ze gaan 100% voor de camp, en hebben met legendarische producer Tony Visconti er iemand bij gehaald die duidelijk op dezelfde lijn zit. Alles leek goed te zitten, des te verrassender dat Sparks' meest operatische, diverse album dusver in de praktijk uitdraait op zo'n braaf, zielloos en vergeetbaar werk.

Openers 'Hospitality On Parade' en 'Happy Hunting Ground' zijn interessante, catchy popnummers die de creativiteit en melodie van de vorige twee albums benaderen. Maar daarmee is het beste helaas ook wel gezegd. 'Kimono My House' en 'Propaganda' waren twee behoorlijk verschillende albums, maar ze deelden eenzelfde mentaliteit. Een soort punk-attitude: we doen ons eigen ding, en we hebben er plezier in. Of dat nu theatraal, rockend of zelfs in een ballad was, het had allemaal eenzelfde soort gedrevenheid. Met de beste wil van de wereld kan ik die op deze plaat nog terughoren in 'In the Future' (dat een beetje klinkt als een Propaganda-overschotje), maar verder lijkt die eigenzinnigheid volledig verdwenen. Het is allemaal nog altijd excentriek en springt alle kanten op, maar het klinkt allemaal gewoon saai en ongeïnspireerd. Alsof ze het forceren, maar ze eigenlijk gewoon geen zin hadden om dit album te maken, waardoor het allemaal behoorlijk fake overkomt.

Er heerst een zweem van zelfingenomenheid over de plaat. Het verschil tussen iemand die grappig is, en iemand die zichzelf heel grappig vindt. En dat verschil zuigt al het luisterplezier uit de plaat. De constante afwisseling van muzikale stijlen voelt daardoor dan ook meer aan als een intellectuele oefening, dan dat het echt voor sterk songmateriaal zorgt. De verschrikkelijke kitscher-dan-kitsch circusmuziek van 'Get in the Swing' is voor mij misschien wel de ergste zondaar, maar ook bijvoorbeeld de balzaal-wals van 'Under the Table' wordt nooit zo leuk of grappig als ze zelf lijken te denken. En ook allerlei kwaliteiten van een ananas opsommen is eerder vervelend dan grappig (terwijl Drs. P al bewezen had dat het zeker niet onmogelijk is).

Neen, voor mij helaas een behoorlijk grote misser deze plaat. Het enige moment waar de abrupte clash tussen stijl en inhoud een beetje uit de verf komt is in 'Looks, Looks, Looks'. Maar tegen dat je op dat punt belandt is 'Indiscreet' helaas al een verloren zaak.

+ 'Happy Hunting Ground', 'Hospitality on Parade'
- 'Get in the Swing', 'Pineapple',

Sparks - Interior Design (1988)

Alternatieve titel: Just Got Back from Heaven

poster
2,0
Voor mij is deze plaat ergens toch wel het logische eindpunt van dit decennium van Sparks. In de jaren '80 hebben de broers Mael een grote expeditie ondernomen om commercieel sterrendom te behalen. Alle sterke punten van de band, die elementen die Sparks ook écht Sparks maakten, werden één voor één opgeofferd om de hitlijsten te overwinnen. Gevatte teksten, als scherpe kortverhalen vanuit een uniek standpunt? Na 'Angst in My Pants' niet meer te vinden. Interessante liedjesstructuren en ingenieuze passages? Op 'Music That You Can Dance To' nog op één hand te tellen. Neen, er werd vooral meegesurft op trends, en alles dat ook maar ergens in de buurt komt van 'bombast', 'excessen' of drama' werd genadeloos geamputeerd uit de sound van de band.

En bij deze 'Interior Design' komt dat allemaal samen in één plat, grijs, ongezouten eindstation. Het hele album heeft een bepaalde muzak-kwalteit, alsof de broers met de handrem op spelen. Alle nummers lijken MCU-gewijs door een committee te zijn samengesteld - en voor de zekerheid ook nog even door een testpubliek gejaagd - om toch maar 100% zeker te zijn dat niemand er aanstoot aan zou kunnen nemen. Om op die manier toch maar het breedst mogelijke publiek te kunnen bereiken. Maar het is die klassieke denkfout waar 'Sparks' steeds opnieuw in trapt: als je iets maakt dat niemand tegen de tenen kan schoppen, maak je eigenlijk ook iets waar niemand verliefd op zal worden.

Dat is voor mij de essentie van deze 'Interior Design'. Het is een lege, holle plaat. Een album waar de Maels ongetwijfeld hard aan gewerkt hebben, maar waar ze nog geen miniscuul stukje van hun ziel in kwijtgespeeld zijn.

Het is het enige 'Sparks' album waar een soort treurnis over mij heen valt wanneer ik het luister. En ergens is dat gek, want het songmateriaal is eigenlijk absoluut zo slecht nog niet. Sparks heeft hier al 17 jaar studio-ervaring, en je moet hun écht niet meer leren hoe ze hooks schrijven die de rest van je leven in je achterhoofd blijven rondspoken. 'So Important' heeft eindeloos neurie-potentieel, 'Just Got Back From Heaven' speelt heerlijk speels met je verwachtingen. Ik kan eigenlijk het volledige lijstje wel afgaan, en over elk nummer heb ik wel -iets- positiefs te zeggen. Maar tegelijkertijd kan ik ook nergens écht enthousiast over worden. Er zijn geen "oh, dit stuk is echt fantastisch!" momenten op deze plaat, er zijn vooral momenten waar je afgeleid naar je telefoon zit te staren en in de achtergrond wel een oké stukje muziek te horen is. En dat is het probleem dat in dit decennium steeds maar groter en groter werd voor de Mael broers.

In 'Madonna' hoor ik ergens nog wel de kiem van het oude 'Sparks'.'The Toughest Girl in Town' had zelfs misschien wel op 'A Woofer in Tweeter's Clothing' kunnen staan. Maar het zijn schimmen van wat het ooit geweest is. De productie neemt geen risico's, en Russell mist simpelweg de starpower en het charisma om een niemendalletje echt naar een hoger niveau te tillen. Een ander duo had een handvol van deze liedjes verkocht aan pakweg 'Cyndi Lauper' of 'Bonnie Tyler', en die hadden misschien wel een hit weten te maken van dat gezapige 'You Got A Hold Of My Heart'. Maar dat is simpelweg niet waar Russell en Ron voor op deze aarde gezet zijn, en ze hebben de kelk helaas tot de bodem moeten ledigen eer ze daar zelf achterkwamen.

Na jarenlang laagje na laagje wegschuren van wat 'Sparks' zo een unieke band maakt, blijft er op deze plaat nog bitter weinig over. Er is geen urgentie, er is geen persoonlijkheid, en er is vooral geen ziel. Als Sparks ooit een grand cru was, is dit het lauwe bodempje dat aan het einde van de avond in je glas is blijven hangen. En dan is het eigenlijk bijzaak hoe catchy de refreinen juist zijn, of hoeveel verrassing de melodieën omvatten. Wat ontbreekt is datgene waarmee Ron en Russell Mael in 1974 toch succes hebben weten te vangen. Wat ontbreekt is 'Sparks'.

+ 'The Toughest Girl in Town', 'Just Got Back From Heaven'
- 'You Got A Hold of my Heart', 'Lots of Reasons'

Sparks - Introducing Sparks (1977)

poster
3,0
Dit is met gemak het meest "vanille" album van Sparks tot op dit punt. Weg zijn de excentrieke uitspattingen van 'Propaganda', weg is de cynische knipoog van 'Big Beat', en het brede spectrum aan muzikale stijlen van 'Indiscreet' wordt flink getemperd. Dat zorgt voor een (naar Sparks normen) verrassend milde plaat waarop weinig échte hoogtepunten te vinden zijn; ùaar ook eentje die al bij al verraderlijk fijn wegluistert, zonder al te grote flops.

Nummers als 'A Big Surprise' en 'Forever Young" zijn verre van de meest avontuurlijke uitspattingen van de band, maar het zijn allebei gewoon zeer aangename pop-nummers waar je alleen maar vrolijk van kan worden. De meest aparte song is gelijk ook de beste met 'Goofing Off', waar op een traditioneel Grieks ritme onweerlegbaar uitgelegd wordt dat het weekend leuk is, en de midweek stom. Meer moet het soms ook niet zijn. En met 'Occupation' en 'Ladies' voelt de Sparks-fan zich ook meteen thuis in de ongegêneerd catchy melodieën die dagenlang in je hoofd kunnen blijven rondspoken.

De grootste misser hier is trage stamper "I'm Not", wat al bij al een rommeltje is dat maar blijft ronddwalen, ogenschijnlijk met geen enkel idee waar het eigenlijk naartoe wil. Beach Boys parodie/kopie 'Over the Summer' is degelijk voor wat het is, maar mist een beetje ambitie om meer te zijn dan enkel de knipoog. En het bluesy 'Girls on the Brain' werkt maar nèt omdat Russell Mael zich er ook écht mee lijkt te amuseren.

En dat is op deze plaat opmerkelijk te noemen, want in het algemeen overvalt mij hier toch behoorlijk vaak het gevoel dat Russell er maar weinig zin in had. Pak nu bijvoorbeeld afsluiter 'Those Mysteries'; best een mooi nummer met een mooie insteek. Maar het steunt quasi volledig op het croonen van Russell, en hoewel die dat zeker niet slecht doet, brengt hij ook zeker niets "extra". Ik twijfel er niet aan dat de Russell van 'Kimono My House' hier een perfect canvas zag om te spelen met klemtonen, en elke mogelijkheid om extra drama te injecteren met beide handen zou grijpen. En in die vergelijking lijkt heel dit album voor Russell toch een beetje een verplicht nummertje, met een zekere gezapigheid tot gevolg.

Jammer, want het had een solide, maar onopmerkelijk album van Sparks misschien toch een niveautje hoger kunnen tillen.

+ 'Goofing Off', 'Occupation', 'Ladies'
- 'I'm Not'

Sparks - Kimono My House (1974)

poster
4,0
En plots bestaat Sparks. Het is een beetje moeilijk onder woorden te brengen, maar 'Kimono My House' heeft wat de twee voorgaande (nochtans meer dan behoorlijke) platen miste: het echte, onmiskenbare Sparks DNA. De speelsheid, de scherpte, de variatie, de melodie, ... Hier vinden de broertjes Mael hun essentie, die ze 45 jaar later nog altijd vasthebben.

Het is vanaf het begin er al boenk op met überklassier 'This Town Ain't Big Enough For the Both of Us' en 'Amateur Hour'. Allebei supercatchy vol met goede hooks, een stevig tempo en bizarre hoge zanglijnen. Meteen ook de twee beste nummers op de plaat, maar dat is zeker geen schande ('Amateur Hour' heeft zelfs dat grootste compliment mogen ontvangen waar je als muzikant maar van kan dromen: een Scooter cover). Heel de A-kant is eigenlijk fantastisch; van de bombastische wals van 'Falling In Love With Myself Again" tot het theatrale, melodramatische 'Thank God It's Not Christmas'. Elk nummer heeft zijn eigen smoel, en elke smoel is even fantastisch.

En dat is denk ik het grootste verschil met de eerste twee platen: de melodie. Ik kan bijna elke titel in de tracklisting lezen, en ik hoor meteen de hoofdmelodie in mijn hoofd. Bonustracks 'Barbecutie' en 'Lost and Found' had ik op een gegeven moment slechts één keer gehoord, maar toen ik een week later door de tracklist ging kropen de refreinen meteen weer in mijn hoofd. En dat is toch een grote kwaliteit die op een handvol van de tracks van 'Sparks' en 'A Woofer in Tweeter's Clothing' ontbreekt.

Ook qua humor zet 'Kimono' meteen de toon voor de rest van Sparks hun carrière. 'Here In Heaven' gaat over een koppel met een zelfmoordpact, waarbij de tweede uiteindelijk toch terugkrabbelt ("Now I know why you let me take the lead"). Maar zo is elk nummer wel zijn eigen kortverhaal: de jaloerse familie van Albert Einstein, iemand die "we zullen afspreken aan de evenaar" iets te serieus neemt, of gewoonweg een cheesy liefdesliedje voor jezelf ("I bring home the bacon and eat it myself, here's to my health, hope that I am feeling well).

Muzikaal valt de B-kant een beetje plat tegenover de fantastische eerste helft. Maar ook in de twee zwakste nummers valt er tekstueel te genieten: 'Complaints' gebruikt het thema "just give it back, no questions asked" plots wel héél verrassend om een abortus te bespreken, en zelfs het matige 'In my Family' mag pronken met misschien wel de beste oneliner op het album "Gonna hang myself from my family tree". En net zoals de voorgaande platen eindigt het album op een hoogtepunt: het heerlijk lome, jazzy gelal van 'Equator', waar Russell Mael in zijn iconisch hoog stemmetje staat te croonen tegenover een (synth) saxofoon. Bizar, kitsch, en vintage Sparks.

Dusja, een gigantische stap in de juiste richting voor Sparks. Misschien is het allergrootste kritiekpunt wel dat bonustrack 'Lost and Found' zo goed is, dat het eigenlijk onwaarschijnlijk is dat ze die niet nog aan de 35 minuten runtime hebben toegevoegd. Maar als dat het grootste kritiekpunt is, weet je wel dat het goed zit.

+ This Town Ain't Big Enough for the Both of Us, Amateur Hour, Thank God It's Not Christmas, Equator
- In My Family, Complaints

Sparks - Lil' Beethoven (2002)

poster
4,5
"Laten we onszelf nog eens heruitvinden", moet Sparks gedacht hebben. Het was namelijk al weer van het 1994-feestje 'Gratuitous Sex & Senseless Violins' geleden dat de Maels nog eens drastisch van sound gewisseld waren. Het is alweer de min of meer zevende keer dat de broers de volledige fundering van hun muziek overhoop zouden gooien en het schip een volledig andere koers uit zouden sturen. Want ja, ze zouden toch niet in herhaling willen vallen zeker?

Makkelijk bruggetje, want "herhaling" is het sleutelwoord voor deze 'Lil' Beethoven'. De stijlverandering hier is verreweg de meest dratische die Sparks ooit is ondergaan. Het teert bijzonder hard op herhaling, zo ver dat sommige nummers hier maar vijf zinnen lyrics hebben, ondanks dat er nauwelijks zuiver instrumentale passages te vinden zijn. Die constante herhaling was op een bepaalde manier ook al in 'Balls' terug te horen, waar een paar refreinen ook rond diezelfde herhaling werden gebouwd. Alleen duwen de broers het idee hier drie niveau's verder, waardoor het soms op het randje van het abstracte aanleunt. Die herhaling wordt gekoppeld aan orchestrale strijkers (die we ook al op 'Plagiarism' terugvonden) en een simpele piano die vaak volledig in de spotlight mag staan. Weinig gitaren, geen electronische instrumenten; volledig back to basics.

Het grootste compliment dat je deze 'Lil' Beethoven' kan geven, is dat je het nergens echt mee kan vergelijken. Sparks heeft in hun geschiedenis heel vaak proberen meeliften op bestaande genres, die ze op hun volledig eigen manier zouden herwerken. Maar hier hebben de broers echt alle standaarden van popmuziek overboord gegooid. Niets dat in de recente geschiedenis populair is geweest lijkt ook maar een beetje op 'Lil' Beethoven', het is (misschien wel voor de eerste keer) een volledige uiting van de Mael broers en hun muzikaliteit. Op artistiek vlak kan je dan ook moeilijk anders zeggen dan dat dit album dé grootste prestatie is uit hun carrière.

Hoe goed je die stijl als luisteraar vindt, is denk ik een heel subjectief gegeven. Het zal voor veel mensen net een beetje téveel van het goede zijn, maar ik moet zeggen dat ik persoonlijk behoorlijk graag naar deze 'Lil' Beethoven' luister. Het gevaar bij deze excentrieke aanpak is natuurlijk dat het een beetje een platte gimmick kan worden. Maar Sparks speelt slim genoeg met het concept en toont het in voldoende facetten dat het als een echte uitgesproken muziekstijl kan benaderd worden. Het emotionele narratief van 'My Baby's Taking Me Home' is waarschijnlijk het duidelijkste voorbeeld van wat de broers hier klaarspelen. Maar ze creëren ook het gevoel van een platgetreden dad joke met "How Do I Get To Carnegie Hall?", of de frustratie van een eindeloze tech support met 'Your Call's Very Important to Us. Please Hold'. En met 'Ugly Guys With Beautiful Girls' krijg je echt het gevoel dat je in de waanzin van een gefrustreerde incel terechtkomt, al zijn de broers daar met een speelduur van 7 minuten en een eindeloos terugkerende 'wah wah wah wah' misschien een tikkeltje té ambitieus geweest.

Ze breken het ook vaak genoeg met nummers die auditief wel vergelijkbaar zijn, maar waar de herhaling toch wat subtieler is. Met als absoluut hoogtepunt 'Suburban Homeboy', wat mij betreft het grappigste én meest catchy nummer uit de volledige Sparks catalogus. Die variatie zorgt ervoor dat dit album - misschien enigszins verrassend - nergens een vermoeiende zit wordt. Integendeel, 'Lil' Beethoven' is ondanks alles een makkelijk benaderbare plaat die simpelweg heel lekker wegluistert.

+: 'Suburban Homeboy', 'The Rhythm Thief', 'Ride 'Em Cowboy', 'Your Call's Very Important to Us. Please Hold', 'My Baby's Taking me Home'
-: 'Ugly Guys With Beautiful Girls'

Sparks - Music That You Can Dance To (1986)

poster
3,0
Sparks is de weg kwijt. Dat was op voorganger 'Pulling Rabbits Out of a Hat' al duidelijk, maar op deze opvolger lijkt de muzikale dementering volledig doorgeslagen te zijn. Eerst en vooral goed nieuws: de verschrikkelijke sound van de voorganger is verdwenen. Deze keer geloven de Maels dat de gothy, new wave club scene de sleutels naar het beloofde land zullen bieden. Dus alles heeft een heel 'cool' laagje over zich gekregen, waardoor het een beetje een poppy 'Sisters of Mercy' vibe krijgt met wat industrial klinkende keyboards. Niet mijn favoriete sound van de band, maar het is alleszins serieus te nemen en klinkt welgevormd in de oren. Het is al erger geweest.

Het beste nummer dat die stijl in de meest 'Sparks' manier gebruikt is 'Change'. Het springt van een coole spoken word naar een typische Russell falsetto, een opbeurende hook die nooit meer uit je hoofd verdwijnt, en daarbovenop een mooie progressie doorheen heel de track. Een fan favourite, de enige single van dit album die de UK charts heeft gehaald, maar ook een nummer dat eigenlijk niet op dit album staat. Neen, het prijsnummer van het album is op de meeste uigaves uiteindelijk vervangen door 'Armies of the Night', een commercieel werkje dat de broers hebben gemaakt om de soundtrack van 'Fright Night' te vullen. Zeker geen slecht nummer; de hook in het refrein is ijzersterk, maar verder heeft het niet superveel te bieden. En het feit dat het prijsnummer daarvoor heeft moeten wijken, geeft wel aan in welk stadium de broers aan het handelen waren.

Nog zo een rare is 'Modesty Plays (New Version)', een herwerkte versie van een oude 12" die de broers hadden geschreven voor een comic adaptatie die niet is doorgegaan. En als je ze naast elkaar legt, moet je gewoon concluderen dat de originele versie veel meer te bieden heeft dan deze "coole, new wave" versie. Het origineel lijkt een waardig overschotje uit de 'No.1 in Heaven' periode. Het mixt mysterieuze keyboards en een organische bass, wat voor een theatraal gevoel geeft en vooral voor heel veel drive zorgt. Deze herwerkte versie mist die energie, wordt uiteindelijk dan ook een beetje saai en dooft halverwege volledig uit. Of wat gedacht van 'Fingertips', een cover van een obscure Stevie Wonder track. Niet slecht, en Russells falsetto is op zich wel grappig, maar het voelt allemaal behoorlijk gimmicky en stuurloos.

En zo vinden we wel wat meer op dit album. De verschrikkelijke '80s rap in het titelnummer, de militaire chants ("I don't know but I've been told!") en kerkklokken op 'The Scene', Ron die de zang overneemt op het irritante 'Shopping Mall of Love'. Op afsluiter 'Let's Get Funky' slagen ze er zelf in om hun nieuwe, coole sound even cacafonisch en schrijnend te laten klinken als alles op 'Pulling Rabbits Out of a Hat'.

Maar rond al die foute inschattingen zit eigenlijk behoorlijk veel sterk materiaal. 'Music That You Can Dance To' is glad en stijlvol, 'Rosebud' zet een perfect gothisch stijltje neer dat geperforeerd wordt door een gigantisch bombastisch refrein, en van de intensiteit van 'The Scene' (dat me altijd aan het 'Power Windows' tijdperk van Rush doet denken) gaat je hart ook effectief even sneller slaan.

Je hebt met 'Change' en de originele 'Modesty Plays' materiaal liggen om dit album meteen twee niveau's hoger te duwen. Maar zoals gezegd: de broers zijn de weg een beetje kwijt hier. Wat me hoop geeft aan deze 'Music That You Can Dance To' is dat het talent terug te horen is. Sparks heeft in het verleden al albums uitgebracht met nog niet half zoveel kwaliteit als hier te bewonderen is. Het mist gewoon een beetje een heldere geest en een open blik om het allemaal samen te brengen. En misschien ook gewoon de intentie om het best mogelijke album te maken, in plaats van dat eindeloze mainstream succes na te jagen.

+ 'Change', 'Rosebud', 'Music That You Can Dance To'
- 'Shopping Mall of Love', 'Let's Get Funky'

Sparks - No 1. in Heaven (1979)

poster
5,0
Wat een supergave plaat hebben Sparks en Giorgio Moroder hier toch in elkaar gebokst zeg. Ik ben op zich wel liefhebber van beide artiesten, maar ik had nooit verwacht dat een combo tussen de twee zoveel vuurwerk zou opleveren.

Over de Sparks inbreng kan ik eigenlijk kort zin. De lyrics zijn scherp, elke melodie is memorabel, en Russell (die zich op 'Introducing Sparks' nogal leek te vervelen) ontbolstert helemaal in zijn rol Donna Summer-vervanger. De A-kant hoort wat mij betreft bij de meest consistente én meest geniale kantjes van een LP die Sparks op dit punt al bijeengeschreven had.

Deze plaat valt vlak na Moroders Oscar voor de 'Midnight Express' soundtrack en solo revelatie 'From Here to Eternity', en dat is er ook aan te horen. Enkele stukjes klinken soms misschien een beetje dunnetjes (het refrein van 'Tryouts for the Human Race', bijvoorbeeld), maar als je deze plaat luid knalt op een degelijke koptelefoon, is de dynamiek echt waanzinnig. En hoewel het allemaal misschien wel heel erg 'Moroder' klinkt vind ik de beat van 'Academy Award Performance' eigenlijk behoorlijk origineel, en doet het me eerder denken aan Yellow Magic Orchestra dan aan de typische Italiaanse disco.

Absolute held in deze samenwerking is Keith Forsey, Moroders vaste drummer. Soms een nogal ondankbare job (op 'I Feel Love' zou hij notoir enkel de kickdrum hebben moeten opnemen om de drumcomputer te versterken), maar hier krijgt hij alle kansen om te schitteren, en hij grijpt die met beide handen. 'Beat the Clock' had waarschijnlijk een beetje saai geworden met een drumcomputer, maar door Forsey's funk op de tweede helft van dat nummer (en de heel erg gave break natuurlijk) is de energie onuitputbaar. En dat mag je van elke nummer op dit album wel zeggen. Het is dan ook een klein beetje jammer dat hij in 'My Other Voice' dan toch plaats moet maken voor een drumcomputer, maar dat nummer is zo overduidelijk het hoekje van het album waar Moroder zich zonder al te veel toezicht mocht uitleven, dus zelfs dat heeft nog zijn charme.

En de eindtrack is helemaal buiten categorie. De plaat had kunnen eindigen op de dromerige, proto-New Wave vibes van de eerste drie minuten van 'Number One Song in Heaven' en ik was meer dan voldaan geweest. Maar om op dat moment toch nog de keuze te maken om te schakelen naar de geniale hooks, zanglijnen, melodieën en een weergaloze Keith Forsey... Petje af hoor. Dat Sparks zich met deze plaat heeft heruitgevonden, en de band nieuw leven heeft ingeblazen, is wel het minste wat je kan zeggen. Meesterwerk!

+ 'The Number One Song in Heaven', 'Academy Award Performance', 'La Dolce Vita', 'Tryouts for the Human Race'
- 'My Other Voice', maar die is eigenlijk ook nog wel dik ok

Sparks - Plagiarism (1997)

poster
3,5
De eerste keer dat ik 'Plagiarism' luisterde is - zonder uitzondering - het meeste luisterplezier dat ik vorig jaar ervaren heb. Een feest van herkenning, maar anderzijds ook van constante verrassing. Ik ben zelf niet de grootste liefhebber van compilatie-albums, omdat ik altijd het gevoel heb dat je belangrijke context mist. Ron & Russell lossen dat hier prima op door zelf een nieuwe context te voorzien; niet alleen zijn de nummers (een greep uit) het beste dat 'Sparks' te bieden heeft, maar ook de aard van de herwerkingen etaleren precies wat voor band 'Sparks' juist is.

Het is mij nooit helemaal duidelijk welke stukken nu juist heropgenomen zijn, en welke remixes van de originele tapes, maar wat mij betreft zijn ze in te delen in 3 grote kampen. Allereerst de orchestrale herwerkingen onder leiding van Tony Visconti, zonder enige twijfel de grootste successen op deze plaat. 'Pulling Rabbits Out of a Hat' wordt bombastischer dan ooit, 'This Town Ain't Big Enough for Both of Us' wordt donker en dreigend op een waanzinnig ingenieuze manier, en 'Something for the Girl with Everything' wint zowaar een beetje aan cohesie en verliest een klein laagje van de originele kakofonie. Enkel in afsluiter 'Never Turn Your Back on Mother Earth' is de toegevoegde waarde misschien wat minder ingrijpend, maar het blijft allemaal toch behoorlijk fris.

Het andere kamp ligt in het verlengde van het eurotrash straatje waar Sparks met 'Gratuitous Sax & Senseless Violins' al doorheen aan het scheuren waren. Op zich een goed idee, alleen kiezen de broers er jammer genoeg voor om deze stijl uitsluitend toe te passen op nummers die al grotendeels op synthesizers steunen. Hierdoor krijg je nooit echt het gevoel dat er een nieuw aspect van een nummer uitgelicht wordt (zoals met de orchestrale herwerkingen wel het geval is), maar blijven het eerder kleine variaties met behoorlijk weinig impact. Wat mij betreft toch een gemiste kans, want een eurotrash versie van pakweg 'Happy Hunting Ground' of 'I Like Girls' had voor heel wat meer vuurwerk kunnen zorgen dan bijvoorbeeld een voor 90% identiek klinkende 'When Do I Get To Sing "My Way"'. De enige uitzondering hierop is 'Popularity', die toch een pak optimistischer wordt door de pompende bass.

En dan zijn er nog de overschotjes, waar vooral de samenwerkingen met 'Faith No More' me meermaals luidop hebben doen kirren van plezier. 'Amateur Hour' met 'Erasure' past op zijn beurt echter weer in het kamp "plat en gedateerd", en 'Number One Song in Heaven' met Jimmy Somerville verschilt ondanks de betere zangpartijen ook weer niet zo gek veel van het origineel. En zo is er voor elke hit (een ingetogen 'Funny Face', een stevig 'Angst in my Pants') ook wel een behoorlijke misser (een jammerlijke terugkeer naar de carnavalsmuziek met 'Change', en wat doet 'Big Brass Ring' in godsnaam op een compilatie?).

Hoe fantastisch leuk die eerste luisterbeurt van 'Plagiarism' ook was, ik kan moeilijk zeggen dat ik dat enthousiasme heel lang heb kunnen vasthouden. Daarvoor wordt het concept gewoon niet ver genoeg doorgetrokken. Misschien had wat knippen in de tracklist en wat meer rondspelen met de stijlen ervoor kunnen zorgen dat 'Plagiarism' de compilatie-vloek zou ontlopen, en in de toekomst nog steeds regelmatig in zijn geheel gedraaid zou worden. Maar daar is het helaas allemaal een beetje te inconsistent voor.

Mààr, laat me wel het positieve benadrukken. Want ik zie online mensen heel snel teruggrijpen naar "zijn deze versies beter dan het origineel?" En dat maakt wat mij betreft maar weinig uit. De originele nummers gaan niet weglopen, en zelfs al waren deze 'Plagiarism' 19 onluisterbare verminkingen van de originelen, dan nog had het als artistiek werk eindeloos meer waarde dan een platte 'The Best of Sparks' zou gehad hebben. Dat er een handvol nummers zijn die ook gewoon écht supergoed zijn, is een leuke bonus. En een handvol toevoegingen aan mn gelikete nummers op Spotify is in ieder geval een grotere verdienste dan de meeste compilatie-albums kunnen zeggen.

+ 'Pulling Rabbits Out of a Hat', 'Popularity', 'This Town Ain't Big Enough ft Faith No More'
- 'Big Brass Ring'

Sparks - Propaganda (1974)

poster
4,0
Ik denk dat dit misschien wel eens de definiërende plaat van Sparks zou kunnen zijn. Na 'Kimono My House' stonden de Mael broers op de rand van langdurig mainstream succes. Een paar tweaks en aanpassingen aan de formule, en ze stonden zonder twijfel klaar om in een jarenlange onvermijdbare hitmachine te veranderen. En als reactie daarop krijg je deze 'Propaganda': het meest extravagante, barokke, onstuimige, alle kanten op springende album dat ze schijnbaar maar bij elkaar hadden kunnen schrijven. Qua statement kan dat tellen.

Er zijn een aantal geweldige tracks die zonder probleem op Kimono hadden kunnen staan. Prijsnummer is de fantastisch theatrale wanhoop in 'Don't Leave Me Alone With Her'. Maar ook de relaxte mars van 'Reinforcements' luistert lekker weg, met een oorwurm van een refrein, en een heerlijke tweede helft waar ze laag na laag blijven toevoegen. Ook het grappige 'Thanks But No Thanks' weet te eindigen op een muzikaal sterke passage, waar een simpele Ramones-achtige solo onder een vrolijk orgeltje begraven wordt.

Maar Propaganda heeft ook een paar tracks die helemaal zijn eigen ding zijn, en dat is voor mij ook meteen de reden waarom dit de eerste Sparks plaat is die een beetje heeft moet groeien. Het tempo is vaak ronduit overweldigend, en ik heb het gevoel dat de nummers nog ietsje meer volgeschreven worden dan de vorige. Als we de valse start van de a cappella wervelwind 'Propaganda' even negeren, is er 'At Home At Work At Play', waar je qua melodieën soms toch ook een beetje van links naar rechts gegooid wordt. Maar eens het klikt, ben je volledig mee. Hetzelfde verhaal met de drukte van B.C., en het gimmicky 'rammen op vuilbakken dat daarna steeds weerklinkt. Sowieso zijn de drums opvallend vaak meegenomen in de melodie op dit album: zie ook de mars op 'Reinforcements', en de cimbalen die de zanglijn onderstrepen op 'Thanks But No Thanks'.

Hoogtepunt van deze 'Propaganda'-gekte is 'Something For the Girl with Everything', waar Russell hysterisch staat te krijsen dat "three wise men are here". Het is als een auditieve tsunami de eerste keer dat je em opzet, voor heel veel mensen ongetwijfeld bijzonder afstotend, maar een keer het kwartje valt krijg je er geen genoeg van. Vooral ook omdat ze zo slim zijn om de gekte vaak te beperken tot 2 minuten (zo ook bij B.C.), en er met het mooie serene 'Never Turn Your Back on Mother Earth' ook een levensnoodzakelijk momentje toegevoegd is waar je als luisteraar even naar adem kan happen.

Een jammerlijk iets aan het hoge tempo waarin Russell vaak staat de zingen, is dat je vaak nauwelijks de tijd krijgt om de teksten te lezen. Toch een beetje jammer, aangezien dat vaak één van de grote hoogtepunten zijn op een Sparks album. Maar bij deze blijft er nauwelijks iets hangen, gewoon omdat het allemaal zo razendsnel gaat.

Helaas heeft Sparks ook hier weer het mindere werk naar het einde verstopt. Zowel 'Achoo' als 'Who Don't Like Kids' zijn gimmicky nummers waar de grens tussen "grappige liedjes" en "comedy muziek" net wat te troebel wordt. Melodieus zijn ze allebei eigenlijk behoorlijk goed gerealiseerd, maar de centrale gimmick van het niezen en het kinderkoortje werken voor mij als nagels op een krijtbord. Ook afsluiter 'Bon Voyage' flowt voor mij helaas niet geweldig, waar de broers zich een beetje voorbijgeschreven hebben met drie compleet verschillende hooks in één refrein. Helaas, want verder was dit een topper die deze chaos van een album een waardig afscheid had kunnen geven.

+ Don't Leave Me Alone With Her, Something For the Girl with Everything, Thanks But No Thanks
- Achoo, Who Don't Like Kids

Sparks - Pulling Rabbits Out of a Hat (1984)

poster
2,0
Nooit eerder waren ze er zo dichtbij! Sparks, in hun eeuwige zoektocht naar mainstream succes, had onverwacht goed gescoord met sarcastische synthpop-voorganger 'In Outer Space'. Nummer 88 in de album charts, en single 'Cool Places' op 49 met behoorlijk wat airtime op MTV. "Eindelijk", dachten de broers Mael, "we hebben de code voor succes gekraakt!" Weg dus met dat veiligheidsvest van ironie, en met beide voeten vooruit ingaan op de synthpop. Supersterrendom, hier komen de Sparks!

Niet dus. 'Pulling Rabbits Out of a Hat' was een gigantische commerciële flop, maar ook artistiek is het behoorlijk moeilijk om te achterhalen voor wie dit album eigenlijk bedoeld is. Het voelt alsof Russell en Ron er alles aan gedaan hebben om zo min mogelijk als zichzelf te klinken op deze plaat. Van zanglijnen tot lyrics en zelfs concepten: het lijkt ontworpen te zijn om allemaal zo toegankelijk mogelijk te zijn, en het is een heuse strijd om ergens in deze 40 minuten ook maar één molecule van hun oude charisma te vinden.

Niet alles is afschuwelijk, er zijn gelukkig een paar bescheiden lichtpuntjes. Zo zijn er doorheen de plaat - voornamelijk in de refreinen en pre-chorusen - nog altijd wel wat catchy melodieën te vinden. Vooral in de iets terughoudendere, duisterder klinkende partijen komen die tot hun recht. Titelnummer 'Pulling Rabbits Out of a Hat' is het beste voorbeeld en met voorsprong het beste nummer, maar ook 'With All My Might' en 'Kiss Me Quick' kennen enkele passages die behoorlijk aangenaam klinken. En puur conceptueel doet 'Sisters' wel echt denken aan het gevoel voor humor dat kenmerkend is aan Sparks, al is dat ook echt het enige momentje op het volledige album waar die spitsvondigheid ook maar even om de hoek komt kijken.

De absolute dooddoener voor het album is echter simpelweg hoe het allemaal klinkt. Ik ben zelf een relatief groot verdediger van de '80s sound, maar van de klanken die op dit album uit de synthesizers getrokken worden keert zelfs mijn maag meermaals. Alsof de 'Top Gun' soundtrack door een grijpmachine in een lunapark geforceerd wordt terwijl je neefje aan het freestylen is op zijn 'Bop It'. En of er daadwerkelijk een drumcomputer gebruikt werd voor de beats, of dat dat gewoon een SEGA Genesis is, is ook lang niet altijd duidelijk. En om zout in de wonden te strooien schrijven Ron en Russell op deze plaat meer instrumentale passages dan ooit tevoren. Met als finale schop tussen de benen instrumentale afsluiter 'Sparks in the Dark - Part Two', drie afsluitende minuten zo ongelofelijk irritant dat het bijna misdadig genoemd mag worden. Op esthetisch vlak is dit volledige album een absoluut misbaksel, en het werk van producer Ian Little mag ronduit gênant genoemd worden.

Neen, dit album klinkt helaas volledig als Sparks dat hun ziel verkocht heeft aan de 1980s duivel. Hier en daar een flard van wat in een ander tijdperk een oké poptrack had kunnen zijn, maar die liggen begraven onder zoveel lagen wansmakelijke kitsch dat ik het iedereen alleen maar kan afraden om te proberen erdoorheen te ploeteren. Uiteindelijk heeft dit album dan ook vooral waarde als tijdscapsule, en de waanzin dat er ooit mensen waren die dachten dat ze met deze sound het grote publiek zouden overtuigen.

+ 'Pulling Rabbits Out of a Hat'
- 'Sparks in the Dark - Part Two', 'Everybody Move', de instrumentals van elk nummer

Sparks - Terminal Jive (1980)

poster
2,0
Als je vlak na het fenomenale 'No. 1 in Heaven' luistert naar 'Terminal Jive' word je voornamelijk overvallen door één gevoel: "Wàt een platte kak". Maar goed, misschien is dat geen eerlijke vergelijking. 'No. 1 in Heaven' was duidelijk een soort "lightning in a bottle" momentje. Het beste dat Sparks tot op dat punt ooit op plaat had vastgelegd. Een meesterwerk van twee gecombineerde muzikale krachtpatsers die op volle toeren draaiden. Dus na eventjes wat tijd apart te nemen met 'Terminal Jive', en het grote broertje volledig buiten beschouwing te laten, kan ik het album eindelijk beoordelen op zijn eigen merites, zonder de vergelijking te moeten maken met de superieuze voorganger.

En het moet gezegd: wàt een platte kak!

Eerst en vooral; de Moroder sound is verdwenen. Een klassieke rockband (bestaande uit studio-muzikanten) wordt gecombineerd met de synths van Moroder (in de praktijk hoogstwaarschijnlijk eerder die van zijn protégé, Harold Faltermeyer). Het resulteert in een new wave-achtige vibe die ergens tussen disco en rock rondzweeft. In theorie heel leuk, maar in de praktijk vooral heel weinig opmerkelijk. Hier en daar zit er eens een interessant geluid of groove tussen, maar in het algemeen klinkt het glad, makkelijk, en vooral dat één woord wat tot hiertoe nooit écht op Sparks geplakt kon worden: commercieel.

Maar ook het songmateriaal weet de meubels niet te redden. Single "When I'm With You" wordt door veel mensen aangehaald als hét hoogtepunt van het album, maar meer dan "aangenaam in het gehoor" wordt het wat mij betreft nooit. Een ideaal nummer om met een half oor in de achtergrond op de radio te horen voorbijwaaien, maar Sparks heeft de lat voor zichzelf toch wel wat hoger gelegd dan dat. Wat dit nummer dan weer wél heeft, is de enige scherpe, typische Sparks lyric op het hele album ("It's the break in the song where I should say something special, but the pressure is on and I can't think of nothing special"). Geestig, maar wanneer diezelfde grap voor de derde keer herhaald wordt, gaan de alarmbellen wel stilletjes af. De single-edit van 'When I'm With You' is anderhalve minuut korter, en daardoor ook gewoon meteen een pak beter. Ik zou zelfs bijna durven denken dat de single niet zozeer ingekort is, maar dat de album-edit gewoon wat opgelengd is, om het vinyl toch maar vol te krijgen. Maar zo cynisch zouden ze niet zijn, toch?

Over cynisch gesproken: "When I'm With You (Instrumental)" die de A-side moet opvullen. De hypercreatieve, lyrics-geobsedeerde broers die simpelweg een karoke-versie van een nummer uitbrengen. Niet als B-side op een single, niet eens als boekensteun aan het einde van het album. Neen, gewoon vlakaf binnen dezelfde 20 minuten van het kantje. Die A-kant wordt verder afgemaakt met het irritante duo "Just Because You Love Me" en "Rock'N'Roll People in a Disco World", waar in beide gevallen de titels van de tracks tot in het oneindige herhaald worden. En dan niet met de sarcastische, tongue in cheek mentaliteit van op 'Big Beat'. Gewoon, omdat dat genoeg was om het nummer mee af te ronden. Blijkbaar?

De B-kant is gelukkig een pak minder erg, en weet de wonden enigszins te zalven. Met een fijne groove in het refrein van 'Young Girls' (als je even voorbij de ongemakkelijke lyrics kan luisteren toch), en een behoorlijk originele hook op 'Stereo' (pieuwww pieuwwwww pieuwwwwwww). Naargelang Sparks traditie eindigen ze op een hoogtepunt met 'The Greatest Show on Earth'; wat mij betreft het sterkste en meest coherente nummer op de hele plaat. Jammer genoeg wil dat in het geval van 'Terminal Jive' behoorlijk weinig zeggen.

+ 'The Greatest Show on Earth'
- 'Just Because You Love Me', 'Rock'N'Roll People in a Disco World'

Sparks - Whomp That Sucker (1981)

poster
3,0
Boem, klets, patat. Whomp that sucker! "That sucker" is in deze context vooral voorganger 'Terminal Jive' natuurlijk. Na een handvol avontuurlijke uitjes, eindigde Sparks met vorig album op een absoluut dieptepunt. Gelukkig realiseerden de broers zich dat duidelijk ook, en deze 'Whomp that Sucker' valt dan ook best te zien als een harde reset. Weg met de barokke Visconti-uitstapjes, weg met de sarcastische rock-pastiche, en weg met de Italiaanse disco-mensen. Sparks grijpt met deze plaat terug naar het grote succes van 'Kimono My House' (en in mindere mate 'Propaganda'), en ookal bereiken ze zelden het niveau van die platen ook echt, voelt het allemaal toch een klein beetje als thuiskomen.

Net als op Kimono start deze plaat met de twee 'buiten categorie' tracks. Zowel 'Tips for Teens' als 'Funny Face' zitten vol speelse Sparks-energie, hebben gevatte teksten, en poppy hooks die uren in je hoofd blijven hangen. De rest van de A-kant kan behoorlijk goed volgen. Zo maakt 'Where's My Girl' een mooie balans tussen enerzijds een coole kalme groove, en anderzijds gekrijs dat bijna in de buurt komt van "Something For the Girl With Everything". 'Upstairs' heeft een behoorlijk solide rock-basis, waar de productie van Reinhold Mack - die behoorlijk wat werk voor Queen gedaan heeft - helemaal tot zijn recht komt. En 'I Married A Martian' heeft een heerlijke triomferende vibe voor een piano-centraal nummer, al wordt er met een speelduur van over de 5 minuten de kwaliteit misschien net een tikkeltje overschat.

Ik zou bijna durven zeggen dat de A-kant een mooie verzameling is van al het goede dat Sparks te bieden heeft. Maar in diezelfde trend is de B-kant een beetje een verzameling van al het slechte. 'The Willys' is gimmicky, 'Suzy Safety' is te repetitief, en "That's Not Nastassia' is ronduit irritant op een heel arrogante 'Indiscreet' manier. En ook afsluiter 'Wacky Woman' melkt die ene gimmicky hook véél te lang uit, waardoor een uptempo track van onder de 3 minuten toch als een behoorlijk lange zit kan aanvoelen. Blijft enkel nog 'Don't Shoot Me' over: die is best tof, maar verre van goed genoeg om de B-kant te redden.

Al bij al is het vooral goed om te horen dat - na het behoorlijk inspiratieloze 'Terminal Jive' - de band terug een bepaalde vreugde heeft weten te vinden, zowel qua sound als qua songmateriaal. Dit is zeker niet de sterkste plaat die ze al geproduceerd hebben, maar het is er tenminste eentje waarvan je voelt dat ze er ideeën, tijd én liefde in hebben gestoken. En dat is ook al veel waard.

+ Funny Face, Tips for Teens
- That's Not Nastassia, The Willys

Sungrazer - Sungrazer (2010)

poster
Wanneer je als Nederlandse band te zien bent in 'De Wereld Draait Door' en je Pinkpop mag openen, is een kleine hype niet veraf. Toch opmerkelijk, want hoewel we het succes van pakweg Dewolff nog wel kunnen begrijpen, is Sungrazer minder toegankelijke muziek. Niet dat deze met keyboards overladen bluesrock waar onze Noorderburen zo bezeten door zijn meteen in hun top 40 zal belanden, maar het vraagt toch net wat minder gewenning dan de stonerrock die Sungrazer eruit perst. En wees gerust: wanneer wij stoner zeggen bedoelen we ook échte stoner, niet opnieuw zo'n versimpelde, artificiële Queens of the Stone Age-band zoals we ze tegenwoordig wel vaker zien.

Sungrazer doet vooral sterk denken aan die andere stonerband die onder het dak van Elektrohasch Records leeft: Colour Haze. Verwacht daarbij de typische ruige uitbarstingen die synoniem staan voor het genre, maar ook fijnere, psychedelische trips die het album een zekere dynamiek geven. Het varieert tussen pure adrenalinerock en heerlijke wegdroommuziek; we zouden bijna de vergelijking met Kyuss' ‘Welcome to Sky Valley' durven maken. Dat is geen oppervlakkig gegeven compliment als u weet dat dit in onze oren nog steeds het beste stoneralbum aller tijden is.

Tijdens de rustigere momenten hoor je het vakmanschap van dit trio nog het best. 'Somo' is een heerlijk opgebouwd stukje bluesrock waar subtiele psychedelische effecten aan toegevoegd werden. Het doet denken aan 'Space Cadet' op ‘Welcome to Sky Valley': deze kant van het genre klinkt altijd alsof het geschreven werd met behulp van allerhande verdovende middelen (en face it: het zijn nu eenmaal Hollanders), maar zelden werd dat effect zo sterk op de luisteraar geprojecteerd. Na vijf minuten opbouw wordt die rust echter vakkundig van tafel geveegd om plaats te maken voor heerlijk rauwe desert rock.

En tijdens die wildere escapades ontbindt Sungrazer al zijn duivels om de luisteraar volledig weg te blazen. De gitaren worden heerlijk laag gestemd, terwijl de ene na de andere typische stonerriff voorbij vliegt. Inventief? Mwa, dat is wel het laatste dat je kan zeggen. Maar wanneer clichés zo heerlijk gehanteerd worden als hier het geval is, kan het ons in feite maar weinig schelen of we het al eens eerder gehoord hebben. Verder is de bas heerlijk fuzzy en worden de cimbalen hevig mishandeld, al ware het een reporter op een drukbevolkt Tahrirplein. Als het losgaat, gaat het écht los en liefhebbers van stevige rock zullen hun luchtgitaar niet kunnen stilhouden.

En de combinatie van die ingrediënten zorgt voor een sound die authenticiteit uitstraalt. Stonerrock is hoe langer hoe extremer aan het worden, waar de bas dan wel luid, maar ook overgeproduceerd klinkt. Sungrazer klinkt daarentegen exact zoals stoner in de jaren ‘90 klonk, en alleen daarom al is dit een sterk debuut. Maar ook onder die nostalgische klanken blijkt ook talent bij deze muzikanten te schuilen; de uitgesponnen jams blijven interessant en de heren spelen zelfs een korte jazz-intermezzo zonder dat het ook maar een beetje geforceerd klinkt. Het is geen overweldigend originele muziek, maar weet de conventies van het genre wel perfect in haar voordeel te gebruiken om een portie pure, authentieke en zéér genietbare stonerrock af te leveren.


Geschreven voor Digg.be