menu

Hier kun je zien welke berichten Negri als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Charlie Morrow - Toot! Too (2018)

4,5
Charlie Morrow (1942) is een geluidskunstenaar wiens werk zelden is opgenomen, hoewel hij probeerde op veel verschillende manieren zijn muziek te laten horen. Installaties in musea, radiostukken, opera, opvoeringen met amateurs, en zo nog meer. Het liefste afgespeeld via zijn eigen, gepatenteerde 'Morrow sound system.' Toot!, de compilatie uit 2011, probeerde een overzicht te geven van zijn complete werk in min of meer willekeurige volgorde. Dat betekende een zeer gevarieerd en ingewikkeld programma met stukken gecomponeerd over meer dan een halve eeuw. Liefhebbers roemen vooral zijn 'koorstukken' voor grote groepen instrumenten. Die stukken werden publiek opgevoerd. Naar het schijnt trilde zelfs de aarde mee. Wellicht kun je hem, als je wilt, met de recent gestorven Glenn Branca vergelijken.

Wat deze compilatie als groot pluspunt heeft ten opzichte van Toot! is dat dit album bijna volledig bestaat uit deze 'Wave Music'. Het laat Morrow daarmee zien als publiekskunstenaar. De instrumenten grommen en rommelen in de diepte, de glissandi glinsteren als het zonlicht. Het zonlicht, want de stukken zijn voor Morrow innig verbonden met het vieren van de zonnewende. Nog steeds is het oeuvre van Morrow maar beperkt uitgeven (de notities bij het album spreken van "een kleine teen in het water"). Maar dit album bevat enkele van zijn beste stukken, in mooie amateuropnames, en tonen Morrow als behorend tot de topklasse van geluidstovenaars.

Peter Brötzmann / Steve Noble / John Edwards - ...The Worse The Better (2012)

4,5
Op deze liveplaat vinden we een sessie van Peter Brötzmann met Steve Noble en John Edwards. Noble en Edwards speelden al jaren samen in Cafe Oto, Londen. Natuurlijk zijn zij zelf ook geen kleine muzikanten: op hun palmares vindt men werk met Evan Parker, Derek Bailey en Joe McPhee. Vaak nodigden zij gasten uit om mee te spelen. Noble en Edwards zijn zeer goed op elkaar ingespeeld. Daardoor kunnen ze de – zoals altijd – met volle overgave spelende Brötzmann prima aan. In het eerste derde van het optreden lijken Edwards en Brötzmann al jaren samen op te treden. Edwards wisselt harde klappen op de snaren van zijn bas af met vlijmscherpe arco. Brötzmann raakt ondertussen de hoogste registers van zijn sax, met verwoestend geweld. Na ongeveer een derde van de plaat zwijgen de bekende spierballen van Brötzmann even, ingegeven door een uitstekende tempoverandering van Noble. Het levert een mooi samenspel op van Noble en Edwards, die hun meesterschap op hun instrumenten tonen.

Brötzmann keert dan terug met heerlijke manoeuvres op zijn sax. Met verve kleurt hij de vrije ruimte tussen Noble en Edwards. Hij toont aan dat zijn spel in de laatste veertig (!) jaar zeker niet minder goed is geworden. Nog altijd weet hij vernieuwend en mooi te spelen. Noble voert een spervuur af op bekken en drum. Edwards' spel bestaat uit dikke noten. Brötzmann's bewegingen zijn zo klein en zo briljant. Soms doet het spel denken aan de jazzklassiekers van weleer. Maar dit is niet een herhaling van oude trucs, maar nieuwe jazz, op lichtsnelheid, de ruimte in.

Het lijkt even of een bedeesde solo van John Edwards rust brengt. De noten zijn lager, het tempo gaat naar beneden. Edwards antwoordt met kleine, korte bewegingen. Het zijn de krachten waar het duo zo bekend om is: technisch uitstekend samenspel, waarbij de spelers elkaar steeds een kleine ruimte geven. Maar dan een noot van Brötzmann, flikkerd als het zonlicht. Nog een. Woeste arco van Edwards, spel op de bekkens van Steve Noble. Brötzmann's sax begint langzaam te scheuren. Aan het einde wordt een belofte ingelost: nog een keer explosief samenspel, een oorverdovend crescendo. Werkelijk een fantastisch optreden: uitstekende muziek die je eindeloos vaak kan horen.

Peter Brötzmann & Han Bennink - Schwarzwaldfahrt (1977)

4,5
Han Bennink is de grote ster van dit album. Zijn percussie maakt gebruik van bekkens, maar niet van drums, eerder van gevonden voorwerpen (hout, water). Op de beste momenten van het album vervaagt de grens tussen muziek en natuur volkomen. Neem bijvoorbeeld "Nr. 9", waar het slagwerk op water zonder problemen wordt ingewisseld voor het wat conventionelere hout, en andersom. Bennink is daarmee de ware meester. Soms is het niet eens duidelijk wat je precies hoort. Het leidt tot een interessante en mooie reflectie op de verhouding tussen muziek en geluid, tussen geluid en natuur. Ook is Bennink's gevoel voor humor hier natuurlijk enorm belangrijk.

Peter Brötzmann heeft in dit geval een ondergeschikte rol. Zijn blaaswerk is conventioneler en doet precies niet wat Bennink gedaan heeft: het is onmiddellijk duidelijk dat de sax-klanken niet thuishoren in het woud. In het beste geval wordt dit euvel met een kunstgreep verholpen ("Nr. 7", zoals beschreven door John Doe). Voor Brötzmann pleit het met name dat hij is meegegaan in de visie van Bennink - niet bepaald makkelijk. Het is een aangename afwisseling op de Brötzmann-met-geweld die we kennen van de plaat Machine Gun en van de groep Last Exit. Het neemt overigens niet weg dat de frasen van Brötzmann bij vlagen adembenemend mooi zijn. Ook moeten we niet vergeten dat, om de visie op natuur en muziek goed te lagen slagen, deze frasen als dissonant contrapunt van essentieel belang zijn.

Zodoende een heel mooi album dat met de klassieke jazz-improvisatie weinig van doen heeft. Het levert een mooi en interessant album op, dat de luisteraar wil uitdagen. De verhouding tussen het bos en de moderne muziek is zelden (nooit?) beter beschreven dan hier.

Peter Brötzmann Sextet/Quartet - Nipples (1969)

4,0
In vergelijking met Machine Gun is “Nipples” een heerlijk rustig nummer. Het snelle, snoeiharde spel van het trio Brötzmann-Parker-Breuker, zo kenmerkend voor die plaat, maakt hier plaats voor solowerk. Maar de grote ster is niet Brötzmann, ondanks dat zijn 'gesprek' met Parker de hoofdlijn van “Nipples” bepaaldt. Het beste en origineelste spel is van Bailey en Van Hove. Van Hove kon op de vorige plaat nog niet zo stralen, in mijn ogen omdat hij zich gedwongen zag anders te spelen dan hij eigenlijk wilde. In het nummer “Nipples” speelt hij zoals Cecil Taylor in zijn beste dagen. Bailey, nog afwezig op Machine Gun, laat hier zien dat gitaar wel degelijk een plaats heeft in jazz. Hij is nog niet zo zeker in zijn spel als in zijn latere carrière, maar raakt toch in indrukwekkend in gesprek met zijn Brötzmann en Parker. Brötzmann lijkt daar ook van overtuigd te zijn gebleven: we kunnen vermoeden dat, als Sonny Sharrock niet eerder was overleden, hij nog veel meer gitaarspel bevattende platen had opgenomen. Dit is een zeer prettig stuk, op briljante wijze gestructureerd rond het spel van Brötzmann en Parker. Het lijkt alsof elke vierkante centimeter wordt ingenomen door hun spel. Schijn bedriegt: hun samenspel biedt anderen de mogelijkheid om beter te spelen, alsof de blazers samen het tempo aangeven. Neem natuurlijk niet weg dat Brötzmann ook meer dan een minuut lang de meest onaardse tonen uitblaast in zijn eigen solo. Soms moet een meester ook laten zien wat hij kan (gelukkig antwoordt van Hove minstens zo indrukwekkend).

“Tell a Green Man” vind ik zelf nog iets beter. Het slagwerk van Bennink behoort tot het beste dat hij opgenomen heeft. Brötzmann speelt – relatief - beheerst en laat zien dat hij nog meer ruimte kan geven. Van Hove speelt wat rustiger; dikke aangezette klanken die hij langzaam laat vervliegen, om in het laatste derde van het nummer eens goed uit te halen. Het toont zijn veelzijdigheid als muzikant en het luistert allemaal ontzettend prettig weg. Opnieuw speelt Brötzmann goed, opnieuw zijn het de overige leden van het kwartet die stralen. Misschien was dit zo bedoeld: ook op de uitgave More Nipples, met drie verloren gewaande tracks van dit album, is op het gelijknamige openingsstuk te horen dat Bailey en Van Hove alle ruimte krijgen (en neem ook Van Hove's bepalende rol op “Fat Man Walks”). Zeer interessant en mooi dat Brötzmann, vooral bekend als gewelddadig en ruimtebepalend in zijn spel, hier juist zijn vrienden aan het woord laat. Wellicht is dat wat deze plaat zo ontzettend goed maakt.

Richard Youngs - Belief (2018)

4,0
Zoals bekend is Richard Youngs een multi-instrumentalist uit Glasgow, innig verbonden met zijn omgeving en geschiedenis. Dat blijkt ook op dit album. Bijna alle nummers lijken te gaan over Youngs' eigen verwarring en verwondering. Zoals iedere mens beleeft Richard Youngs die verwarring en verwondering tegenover zijn eigen geschiedenis, zijn eigen plaats en de kleine verhoudingen met andere mensen. Neem bijvoorbeeld "In Another Fog": Youngs wil nadenken over 'een andere wereld' in verhouding tot 'een andere geest'. Zijn werk, wellicht zowel hier als elders, is een reflectie op de verhouding tussen de fysieke omstandigheden van zijn werk en haar niet-fysieke uitwerking.

Het album is oorspronkelijk ontstaan als een experiment. Youngs wilde zijn eigen ritmes programmeren en daaruit liedjes componeren. Maar die liedjes moesten dan het metrum en de tijd volgen van grote hits - welke is niet bekend. Het oorspronkelijke idee van het album was dat de opnames zouden worden gestuurd naar de grote platenlabels, waarna Youngs hun onvermijdelijke afwijzingsbrieven zou publiceren. Dit is niet gebeurd. Maar het geeft inzicht in Youngs' werkwijze. Het liefste dwingt hij zichzelf om orde te scheppen uit chaos, zichzelf opgelegde regels volgend. In zekere zin in deze muzikale oulipo een opvolger van Beyond the Valley of Ultrahits. Ook daar nam Youngs zich voor liedjes te schrijven met een knipoog naar de commerciële muziek, zichzelf dwingend "catchy" liedjes te schrijven. Sommige nummers tonen duidelijk sporen van dit vorige project: al op het openingsnummer vraagt Youngs zich af of er een medium ('channel') is voor zijn kunst.

Muzikaal is het album zeer interessant. Afgezien van deze geschiedenis en deze benadering combineert Youngs mooie luisterliedjes ("Bewilderment," "I Wasn't Alone") met luidere statements, die zijn meesterschap over het gebruik van samples tonen ("Can You Not See My Insensity?"). In de beste gevallen komt alles samen. Zo bespreekt het nummer "Caledonia Running Out of My Mind" Youngs' relatie met Schotland, presenteert hij samples van zijn eigen stem en bouwt een prachtig nummer op over de herinneringen aan zijn eigen leven. Verschillende liedjes behoren daarmee tot de beste uit zijn oeuvre. Dit album staat als een huis, een prachtige eenheid, en daarmee een juweel in Youngs' oeuvre.

Six Organs of Admittance - Dust & Chimes (2000)

3,0
Dit was de eerste "normale" plaat van Six Organs of Admittance. Daarmee al een mooie mijlpaal! Maar muzikaal is deze plaat is een moeilijk geval. Veel stukken zou ik liever niet nog een keer zou horen, want ze zijn niet mooi ("Black Needle Rhymes") of niemendalletjes ("Tukulti Will Burn," "Oak Path", "Stone Finders Verse I-II"). Slechts een paar van de kortere nummers zijn de moeite waard. "Assyria" is fijn en puntig, met verve gespeeld, een combinatie van Amerikaans traditionalisme en niet-Europese invloeden (India, Marokko). "Sophia" combineert goed gitaarspel met subtiele electronica. Ook heerlijk hoe het getingel van belletjes deze twee partijen samenbrengt. Je moet het maar verzinnen.

De grote klasse van het album zit in de twee langere nummers. "Journey Through Sankuan Pass" is de beste van de twee en behoort tot Ben Chasny's betere werk. Glinsterende flarden gitaarspel komen binnen, gaan weer naar buiten. De muziek draait in concentrische cirkels: duidelijk deel van dezelfde figuur komen ze nooit bij elkaar. "Dance Among the Waiting" is wat traditioneler qua gitaarspel. Dit keer is er interessante electronica, dat aan het geluid van wolven doet denken. Er is ook zang. Normaal is de zang op de platen van Six Organs of Admittance niet waarvoor je blijft. Maar dit keer is goed! De samenzang heeft welhaast druïdische kwaliteiten. Alleen al vanwege deze twee stukken is het album aan te raden.

Whitehouse - Bird Seed (2003)

4,0
Na vijf jaar bracht Whitehouse met Bird Seed een driedelige reeks ten einde, met Mommy and Daddy (1998) begonnen en voortgezet met Cruise (2001). De trilogie leidde tot een heropleving van de groep die nog steeds bekend stond als "William Bennett's Whitehouse" en geassocieerd werd met het pompende gesis en het gedweep met geweld op haar albums uit de jaren '80. Die zinderende electronica is nog aanwezig, maar ook de drumcomputers die in de 'doorstart' van de groep, Cut Hands, tot studieobject worden gemaakt. Dit is ook eveneens het laatste album met het langdurig lid Peter Sotos.

Meest markant voor deze trilogie zijn diens geluidscolleges. Sotos, bekend als schrijver en muzikant, was al lid van Whitehouse toen hij het album Buyer's Market (1992) uitbracht. Dat album is een uiting van Sotos' langdurige obsessie: de slachtoffers van seksueel geweld. Het op dit soloalbum ontwikkelde procedé, waarbij verhalen van slachtoffers worden versneden in geluidscollages, werd ook op alle albums uit de genoemde trilogie toegepast, in dit geval op het titelnummer. Maar het is duidelijk dat Whitehouse met Bird Seed na het vertrek van Sotos vooral een nieuwe weg wil zoeken.

Een nerveuze energie is voelbaar in dit album, zoals in het bijna dansbare "Wriggle Like a Fucking Eel", lopend door alle nummers, leidend tot een coherent geheel - in een hogere mate dan de andere delen van de trilogie. Op "Munkisi Munkondi", dat niet zo misstaan op een alternatief electro-pop album, is er zelfs ruimte voor humor. Whitehouse vindt zichzelf hier opnieuw uit en weet dit. De energie komt daarom misschien voort uit een besef van bevrijding.

Het is dit zelfbegrip dat het album zo goed maakt. Na ruim dertig jaar te hebben bestaan, kijkt Whitehouse opnieuw vooruit. De groep lijkt meer dan ooit geobsedeerd met de mogelijkheden van moderne electronica, zoals blijkt uit "Cut Hands Has the Solution". Dat betekent niet dat het verleden definitief wordt afgesloten. Whitehouse wil ook zichzelf blijven. Dit blijkt uit het openingsnummer "Why You Never Became a Dancer", waar deze nieuwe technieken worden verbonden met het oude thema van seksueel geweld. Het album kijkt dus voor- en achteruit.

Ondanks meer duidelijkheid en lichtheid is het album niet eenvoudig te beluisteren. Bennett's teksten zijn nog altijd duister, agressief en confronterend. Van tijd tot tijd lijkt het verbale geweld zelfs iets te overdreven. Neem bijvoorbeeld de laatste strofen van "Cut Hands Has the Solution", dat uitmondt in een dissonante gil. Maar genomen naar het gehele verloop van Bird Seed lijkt een dergelijke oerschreeuw voort te komen uit de energie die het album bepaalt. Net zoals op de vroegere platen is er een urgente boodschap die simpelweg gezegd moet worden. In dit geval is dat de aankondiging van nieuwe mogelijkheden en nieuwe diepgang.