Portishead. Een band die me nooit echt heeft weten overtuigen, en altijd een soort vieze nasmaak met zich meebracht. Hun debuut wist me amper te boeien, en raakte gauw in de vergetelheid, ten voordele van de – naar mijn mening – betere 'trip-hop'-albums (denk dan vooral Massive Attack). En hun self-titled heb ik zelfs nooit uitgezeten – had er werkelijk geen zin in. Toen leek het mij duidelijk: Portishead zou nooit mijn band worden - wat ik best jammer vond, want de stem van Beth Gibbons kon mij ten zeerste bekoren.
Voor een lange periode heerste er stilte in Portishead-land - Third had ik bij de release immers volledig links laten liggen -, tot voor een maand of 2, toen Third me werd aangeraden door een vriend. Ik heb zijn advies toen volledig in de wind geslagen, ervan uitgaande dat ik – met mijn superieure smaak – die band al lang was voorbij gegroeid, dat het een band was die mij niets meer te bieden had, dat ík het licht had gezien betreffende Portishead.
Maar vreemd genoeg was de kous daarmee niet af. Het album leek me te achtervolgen, want nauwelijks een week later werd de plaat me door iemand anders aangeraden, en kort daarop door nog iemand.. en eventjes.. heb ik gedacht.. dit moet een complot zijn, zo'n complot als in 'The Game'. Ik geloofde dat men het op mijn mentale gezondheid gemunt had, dat men mij op de proef stelde, daarbij gebruik makend van ‘Third’ – Portishead; ik kon er immers niet bij dat 3 volledig onafhankelijke bronnen me in zo'n korte periode hetzelfde album aanprezen.
Nu, ik besloot dan maar alle waanzinnige complottheorieën achterwege te laten, en gewoon mijn lot tegemoet te treden door dit album een kans te geven. Was dat een eerlijke kans? Helemaal niet! Nog voor ik begon met luisteren had ik immers al lang besloten dat ik dit zootje na een drietal nummers zou stopzetten, en mijn oren zou uitspoelen met wat lekkere Sonic Youth ofzo. Zo is het uiteindelijk niet gelopen.. drie maal heb ik 'm gespeeld.. na elkaar. Ik kon het zelfs amper geloven, maar Portishead had me vastgegrepen. Van de opzwepende ritmes die Silence openen tot de wegdeinende klanken van Threads, 50 minuten lang was mijn aandacht gevangen genomen door Gibbons stem, de hypnotiserende electronica, de mysterieuze melodieën en de catchy hooks.
De plaat houdt de volledige speelduur een hoog niveau aan. Silence is een sfeervolle opener die een klein energiebommetje dropt in de kamer (die drums..), en voor een volledige verrassing zorgt naar het einde toe. Ik dacht werkelijk dat mijn cd bescha.. – who am I kidding – dat ik de verkeerde versie had gedownload. Maar neen! Dat bleek niet het geval, en op die manier hadden de leden van Portishead met dat ene nummer hun vorige werk reeds overtroffen: ze hadden verrast! Wonderschoon. Da’s dan weer het kernwoord dat het tweede nummer ‘Hunter’ samenvat, een mysterieuze, sfeervolle ballad, een middernachtwandeling in een geheimzinnig woud. Weer compleet anders gaat het eraan toe op Nylon Smile, dat zich op het ritme van een ‘gebacktrackte’ baslijn sloom voortsleept naar de smeekbede ‘I don’t know what I’ve done to deserve you’. Briljant.
The Rip is de eerste uitschieter, de eerste échte hoogvlieger. Het nummer opent met een watervalletje van getokkeld gitaarspel, en weet een sfeertje te creëren dat haast sprookjesachtig aandoet, op het moment dat dat herhalend keyboardje het nummer binnentreedt. We Carry On is het tweede nummer dat ik als ‘hoogvlieger wil bestempelen’. Het nummer gooit het weer over een compleet andere boeg – beetje kenmerkend aan deze plaat: elk nummer heeft haar eigen sfeer, haar eigen identiteit, haar eigen kracht, elk nummer zou in feite een single kunnen zijn, maar toch bestaat er een soort mysterieuze eenheid tussen de 11 nummers die Third rijk is - en schept beelden die doen denken aan spookkastelen en angstaanjagende Stephen King-clowns. Bevrijding van deze spookachtige projecties komt er dan uiteindelijk wanneer die herhalende gitaarlick het elektronisch klanktapijt van beats en baspartijen doorklieft en het nummer een heel andere lading meegeeft.
Het is echter Machine Gun dat met de grootste pluim gaat lopen: de rijke arrangementen die de andere nummers typeren maken hier plaats voor een kaal minimalisme, gekenmerkt door verwoestende beats die in de leegte worden afgevuurd. Gibbons weet het nummer te binden met haar onthechte, etherische vocalen, maar naar het einde van het nummer toe lijkt het zichzelf op te blazen, te vernietigen met een adembenemende opeenvolging van vervormde dreunen en beats. Het keyboard dat aan het einde van het nummer opduikt, lijkt de vernietiging te overschouwen, het is als een geest die dwaalt door de lege straten van een verlaten spookstad..
Ten slotte wil ik ook nog de ijzige afsluiter Threads aanhalen: een nummer dat neigt naar de oude Portishead, van Dummy, maar qua niveau amper onderdoet voor Machine Gun en The Rip. Tevens hét beste bewijs dat Portishead’s vroege sound zéker niet slecht is, maar gewoon iets te mager om een heel album lang te boeien. Op Third lijkt de band dit beseft te hebben, en hebben ze gekozen voor afwisseling, voor een divers palet van klankkleuren, van stijlen, van aanpakken. Maar elk nummer draagt het herkenbare ‘Third’-kwaliteitslabel, en hóórt op het album – de samenhang is hallucinant, gezien de verscheidenheid.
Maar goed, ik laat het hier maar eens bij, en besluit met mijn cijfer: 4* (misschien moet ik toch maar eens verhogen..)