The Sound - Jeopardy
Ik heb dit lange tijd verreweg het minste album van The Sound gevonden. Hoewel ik het nu veel meer waardeer dan eerst, weet ik nog steeds niet waar ik hem zou plaatsen in mijn rangschikking van Sound-albums. Dit album is namelijk heel anders dan de rest van wat The Sound gemaakt heeft. Misschien komt het doordat toetseniste Bi Marshall na dit album uit de band stapte; misschien komt het doordat Adrian Borland al gauw zijn interesse verloor in het maken van politiek geëngageerde post-punk liederen. In ieder geval heeft The Sound nooit meer zo’n album als dit gemaakt. Dat verklaart ook waarom ik het eerst het minste album vond. Jeopardy was het album dat mijn interesse voor The Sound creëerde; From The Lion’s Mouth is het album waardoor ik ’verliefd’ werd op The Sound. Toen ik eenmaal die liefde koesterde voor The Sound hun emotionele muziek met de atmosferische keyboard-klanken van Colvin Mayers en de naar de keel grijpende gitaarsolo’s van Adrian Borland, kon ik niet meer veel waardering opbrengen voor het veel rauwere, eenvoudigere Jeopardy.
Nu ik een paar jaar verder ben en zowat al het werk van The Sound en Borland van buiten ken, begin ik dit album steeds beter te vinden. Jeopardy klinkt namelijk als het soort album dat een sociale impact kan / had moeten hebben als albums zoals The Doors en Nevermind. De muziek en de teksten roepen een drang tot revolutie op. Vaak zit ik te denken aan hoe dit album in deze tijd zou passen. In een wereld waarin kritiekloze, ergerlijk positieve muziek de boventoon voert, is onderhand wel eens behoefte aan een band die zegt: ’zoals we het nu doen is het niet goed, maar we hebben wel de kracht om onszelf te verbeteren’. Want dat is de boodschap die The Sound en vooral dit album uitdraagt. Je doet deze band te kort door ze weg te zetten als een negatief, depressief bandje. Ten eerste is dit niet zomaar bandje, maar een heuse band, en ten tweede is deze band zeer positief, maar dan wel met een kritische (realistische!) houding.
De drang om te veranderen is het doorlopende thema van dit album en het wordt op verschillende manieren benadert. Opener I Can’t Escape Myself is niet zomaar een ’emo-liedje’ over zelfhaat; het is een opzwepend nummer over de revolutionaire drang om jezelf te veranderen: I’m sick and I’m tired of reasoning, just want to break out, shake off this skin. Ook al is de conclusie van het nummer dat je met jezelf moet leren leven, dat hoeft niet te betekenen dat je niet moet proberen jezelf te veranderen. De boodschap is realistisch: verander de wereld door met jezelf te beginnen. Nummers zoals Heartland, Heyday en Resistance zijn directer in hun boodschap. De teksten zijn recht voor hun raap, maar van hoge kwaliteit, met prachtige, inspirerende zinnen als: You’ve got to lose yourself before you find yourself back in exile, You’ve got to believe in a heartland, Can’t believe they put you down in your heyday en Gotta take some action to change my fate.
Tevens recht voor de raap is de aanklacht tegen kernwapens in Missiles. Als een van de donkerste nummers van de plaat schetst het de nachtmerrie waaraan we moeten ontsnappen; een gevoel dat, naar ik vernomen heb, nogal aanwezig was in de vroege jaren tachtig. De vraag die Borland hier stelt prikt door alle politieke wartaal en excuses heen: who the hell makes those missiles? Het is een zeer universele vraag. Het heeft natuurlijk vooral betrekking op kernwapens, maar hij valt op veel meer toe te passen. Eigenlijk is de kern gewoon: waarom willen we onze medemens kwaad doen? Alhoewel uitgebracht in 1980, is dit nummer dus nog steeds relevant. Stukken relevanter dan de als-ik-de-baas-zou-zijn-van-het-journaal-moraal die in deze tijd overheerst. Nummers zoals Missiles zijn te schaars. Neem nou de gitaarsolo van dit nummer. Naar mijn mening zijn er teveel egotrippers onder rockgitaristen, die lof toegezwaaid krijgen puur om de vingervlugheid die ze in hun solo gooien. Adrian Borland gebruikt zijn gitaarspel echter als een verlengstuk van zijn teksten: de gitaarsolo van Missiles schetst een wereld die barsten begint te vertonen; compromisloos schetst het de horror die door hebzucht en onbegrip in de wereld gebracht wordt. Een ander voorbeeld van zo’n gitaarsolo die simpel maar indringend is, is Borlands solo in Words Fail Me, die het al opzwepende karakter van het nummer versterkt met een heerlijk, scheurend gitaargeluid.
Misschien kom ik in deze recensie over als een persoon die de toekomst van zowel de maatschappij als de muziek somber inziet, maar ik zie mezelf, net als Borland, niet als een pessimist. Ik schaar me voor de volle 100% achter de boodschap die dit album zo overtuigend uitdraagt: we moeten erkennen dat er dingen moeten veranderen en vervolgens met goede moed aan die veranderingen beginnen. Populaire muziek is een reflectie van de tijdgeest en deze tijdgeest is te positief; er is weer een album zoals Jeopardy nodig dat ons daarop wijst. Jeopardy zelf, hoewel al ruim 30 jaar oud, heeft echter ook nog steeds meer dan genoeg overtuigingskracht om ons die boodschap mee te geven.
Wat was echter de nalatenschap van Jeopardy voor The Sound? Niet ontzettend veel, naar mijn mening. Jeopardy staat vrij los van de andere Sound-albums. Ik merk het alleen al aan de manier waarop ik me in politieke wateren begeef, als ik dit album beschrijf: dit album heeft echt een niet-te-omzeilen boodschap voor de maatschappij. Afgezien van latere Sound-nummers als Skeletons en New Dark Age, keerde die politieke lading niet meer terug. Adrian Borland gaf als verklaring dat hij geen boodschappen door de strot van zijn luisteraars wilde duwen: als iets eenmaal goed is gezegd, dan moet je het daarbij laten. Hier ben ik het roerend mee eens. Met Jeopardy heeft The Sound haar boodschap overtuigend genoeg gebracht; ik ben blij dat ze hierna een andere weg zijn ingeslagen, want dat heeft hen een briljante en diverse carriere opgeleverd.
Qua geluid (pun unintended) veranderde er ook veel. Jeopardy is energiek, maar is ook koud, smerig, benauwend en heeft een hol geluid (iemand een betere term?). Dit geeft echter een prachtig uniek geluid aan het album. Het voelt soms alsof je een rat in een riool bent, waar af en toe wat licht, in de vorm van Bi Marshalls keyboard-klanken, naar binnen valt. From The Lion’s Mouth is warmer en zweveriger. Hier bedoel ik dus niet mee dat Jeopardy negatiever is, maar dat moet volgens mij al duidelijk zijn. Adrian Borland toont op Jeopardy al zijn buitengewone talent als tekstschrijver. Hij weet in simpele taal zeer serieuze onderwerpen aan te pakken en er tegelijkertijd toch een poëtisch randje aan te geven. Dat is een talent wat zich door zijn carriere heel snel zou ontwikkelen. Ook als componist hoor je hem duidelijk steeds beter te worden. Waar de nummers op Jeopardy enigszins eenvoudig klinken (wat de boodschap goed dient), creëerde hij later een grote schat aan compositorische meesterwerken, waardoor je hem met recht een genie kan noemen. Borlands muziek zou meer de persoonlijke richting van I Can’t Escape Myself en Hour Of Need opgaan, maar niets aan de indringendheid verliezen die Jeopardy zo eigen is. Wie eenmaal, geboeid geraakt door Jeopardy, aan de rest van het oeuvre van deze man en deze band begint, zal zeker nog veel verrast worden, maar veel kans niet meer afhaken.