Muziek / Toplijsten en favorieten / De artiesten top 100 van (herman)!
zoeken in:
1
geplaatst: 15 juni 2024, 19:32 uur
Wir fahren auf der autobahn nach Düsseldorf auf der suche nach dem klingklang studio, auf pilgerreise. Ganz Bestimmt !!!
Kraftwerk’s laboratory - Düsseldorf Stories - visitduesseldorf.de
Kraftwerk’s laboratory - Düsseldorf Stories - visitduesseldorf.de
1
geplaatst: 15 juni 2024, 19:34 uur
Eind van de middag The Catalogue box weer eens uitgepakt en de geremasterde The Mix opgezet 

8
geplaatst: 16 juni 2024, 11:20 uur
12. THE CURE
https://i.postimg.cc/zf8YGDsD/TOM059.jpg
In ben vergeten wanneer precies het album The Top (1984) op mijn cassette terecht kwam maar het is zonder twijfel het eerste Cure album dat ik ooit hoorde. The Love Cats, In Between Days en Close To Me waren de 12" singles die eveneens in het bezit waren van de klasgenoot die voor mijn kennismaking met Robert Smith en zijn band verantwoordelijk mag gesteld worden. Maar nog bepalender moet de mixtape geweest zijn die een andere klasgenoot voor mij maakte. En dan zijn we in september 1985. Op dat bandje staan The Head On The Door (1985) van The Cure en Low Life (1985) van New Order. Aangevuld met MBIH! (1985) van The Neon Judgement. Net veel later zouden de vroegere platen van The Cure volgen voor zover die in de collecties mijner klasgenoten of de mediatheek te vinden waren. Nu ik dit schrijf, vraag ik me af wat het eerste Cure album was dat ik zelf kocht. Ik denk dat we dan al 1987 schrijven: toen kocht ik in Leuven de CD verzamelaar Staring At The Sea (1986). Kiss Me Kiss Me Kiss Me (1987) ging aan mij voorbij hoewel de singles in het jeugdhuis gedraaid werden. Disintegration (1989) pikte ik wel op maar hij bleef niet hangen. Op Werchter 1990 was The Cure de headliner en volgens mij werd hun classic album toen integraal gebracht. Aangevuld met een klein half uurtje hitsingles. Later kocht ik een paar van hun CD's. In de loop van de jaren '90 had ik alle Cure albums op vinyl maar ik was zo dom om Disintegration (1989), Wish (1992) en Wild Mood Swings (1996) (beide dubbelaars) weer te verkopen. Voor de die hards: op de vinyl versie van Japanese Whispers (1983) staan de 12" versies van Let's Go To Bed en The Love Cats (op CD zijn het de 7" versies). Ondertussen heb ik alles in 2CD deluxe uitvoering. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat Shake Dog Shake, de openingstrack van The Top (1984), een fractie van een seconde te laat inzet: een onprettig foutje in de mastering. Ik volgde The Cure uiteindelijk tot aan Bloodflowers (2000). Die plaat heb ik een handvol keren gedraaid maar nooit helemaal begrepen: het kabbelt maar. Erg blij ben ik met Join The Dots (2004), een box boordevol b-kantjes en rariteiten. Ik hou van de twee gezichten van de band: het onheilspellend donkere van 17 Seconds (1980), Faith (1981) en Pornography (1982) en Disintegration (1989). Maar ook van de popsongs want daar is Songsmithje Smee een meester in. De dubbelaar Kiss Me Kiss Me Kiss Me (1987) is hun White Album: daarop vind je The Cure terug in al haar gedaantes. Ik draai The Cure nog regelmatig al vind ik de teksten van Smith op mijn 54ste een beetje puberaal. Ik eindig met deze gevleugelde uitspraak: The Cure was de zalf op mijn adolescentenverdriet. En daarvoor ben ik ze eeuwig dankbaar.
Het eerste Cure nummer dat ik ooit bewust hoorde.
Het niet te versmaden b-kantje van In Between Days
https://i.postimg.cc/zf8YGDsD/TOM059.jpg
In ben vergeten wanneer precies het album The Top (1984) op mijn cassette terecht kwam maar het is zonder twijfel het eerste Cure album dat ik ooit hoorde. The Love Cats, In Between Days en Close To Me waren de 12" singles die eveneens in het bezit waren van de klasgenoot die voor mijn kennismaking met Robert Smith en zijn band verantwoordelijk mag gesteld worden. Maar nog bepalender moet de mixtape geweest zijn die een andere klasgenoot voor mij maakte. En dan zijn we in september 1985. Op dat bandje staan The Head On The Door (1985) van The Cure en Low Life (1985) van New Order. Aangevuld met MBIH! (1985) van The Neon Judgement. Net veel later zouden de vroegere platen van The Cure volgen voor zover die in de collecties mijner klasgenoten of de mediatheek te vinden waren. Nu ik dit schrijf, vraag ik me af wat het eerste Cure album was dat ik zelf kocht. Ik denk dat we dan al 1987 schrijven: toen kocht ik in Leuven de CD verzamelaar Staring At The Sea (1986). Kiss Me Kiss Me Kiss Me (1987) ging aan mij voorbij hoewel de singles in het jeugdhuis gedraaid werden. Disintegration (1989) pikte ik wel op maar hij bleef niet hangen. Op Werchter 1990 was The Cure de headliner en volgens mij werd hun classic album toen integraal gebracht. Aangevuld met een klein half uurtje hitsingles. Later kocht ik een paar van hun CD's. In de loop van de jaren '90 had ik alle Cure albums op vinyl maar ik was zo dom om Disintegration (1989), Wish (1992) en Wild Mood Swings (1996) (beide dubbelaars) weer te verkopen. Voor de die hards: op de vinyl versie van Japanese Whispers (1983) staan de 12" versies van Let's Go To Bed en The Love Cats (op CD zijn het de 7" versies). Ondertussen heb ik alles in 2CD deluxe uitvoering. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat Shake Dog Shake, de openingstrack van The Top (1984), een fractie van een seconde te laat inzet: een onprettig foutje in de mastering. Ik volgde The Cure uiteindelijk tot aan Bloodflowers (2000). Die plaat heb ik een handvol keren gedraaid maar nooit helemaal begrepen: het kabbelt maar. Erg blij ben ik met Join The Dots (2004), een box boordevol b-kantjes en rariteiten. Ik hou van de twee gezichten van de band: het onheilspellend donkere van 17 Seconds (1980), Faith (1981) en Pornography (1982) en Disintegration (1989). Maar ook van de popsongs want daar is Songsmithje Smee een meester in. De dubbelaar Kiss Me Kiss Me Kiss Me (1987) is hun White Album: daarop vind je The Cure terug in al haar gedaantes. Ik draai The Cure nog regelmatig al vind ik de teksten van Smith op mijn 54ste een beetje puberaal. Ik eindig met deze gevleugelde uitspraak: The Cure was de zalf op mijn adolescentenverdriet. En daarvoor ben ik ze eeuwig dankbaar.
Het eerste Cure nummer dat ik ooit bewust hoorde.
Het niet te versmaden b-kantje van In Between Days
8
geplaatst: 16 juni 2024, 15:52 uur
11. PREFAB SPROUT
https://i.postimg.cc/h4w9LsP5/Prefab-Sprout.jpg
Tussen 1983 en 1987 schreef journalist Ronald Grossey tal van muziekrecensies in het stripblad Kuifje. Steve McQueen (1985) van Prefab Sprout kreeg lovende kritieken. Ik weet niet meer precies wanneer ik dat album heb opgepikt maar ik werd een fan van Paddy McAloon, zijn broer Martin, zijn toenmalige vriendin Wendy Smith en drummer Neil Conti. Ik denk dat de magie pas in mijn studententijd werkte. Want voor de woordgrapjes en metaforen van McAloon is wel wat feeling met de Engelse taal nodig. Steve McQueen bevat tal van parels waarvan er ook een handjevol op single verschenen: When Love Breaks Down, Faron Young, Appetite (hun grootste hit in Humo's alternatieve lijst) en Goodbye Lucille #1 (Johnny Johnny). Volgende halte was Jordan: The Comeback (1990). Dit meesterwerk bevat 19 liedjes verdeeld over vier hoofdstukken: hitparadegericht, helden, liefde en religie. Paddy studeerde godsdienstwetenschappen, las ik in een OOR interview. En zo werden wij bondgenoten. De verzamelaar Life Of Surprises (1992) bracht me uiteindelijk bij de nog resterende langspelers Swoon (1984 met Cruel), From Langely Park To Memphis (1988 met Cars And Girls, The King Of Rock 'n' Roll en Hey Manhattan) en Protest Songs (1989), een plaat die al opgenomen werd tijdens de hoogtijdagen van Steve McQueen (1985) maar pas later werd uitgebracht. Over drie van de vernoemde elpees legde producer Thomas Dolby een laagje suikerglazuur. En ik kan begrijpen dat stoere binken en meiden daar kiespijn van krijgen. Prefab Sprout kijkt verder terug in de popgeschiedenis dan de jaren '60 en plukt invloeden uit het rijke musical, jazz en easy listening verleden van de jaren '40 en '50. Ook daar moet je enige voeling mee hebben. Na de reeds vernoemde Best Of valt de groep langzaam maar zeker uit elkaar. Het duurt een tijd voor Paddy zijn opnamezolder verlaat voor Andromeda Heights (1997) verschijnt, genoemd naar zijn werkplek en hun laatste plaat voor CBS (Kitchenware). Daarna verschijnt met steeds groter wordende tussenpozen nieuw solo materiaal dat McAloon ofwel onder zijn eigen naam ofwel onder de bandnaam uitbrengt. Meest in het oor springende van de latere releases is het voorlopig laatste Crimson / Red (2013) waarop de songsmid bevredigend teruggrijpt naar zijn jaren '80 sound. Slimme teksten en clevere arrangementen. De muziek van Prefab Sprout is ear candy voor de meerwaardezoeker. Vooral zijn love / break up songs zijn juweeltjes. Luister mee naar Bonny en Wild Horses.
Regen op je kop.
Hengstig verliefd.
https://i.postimg.cc/h4w9LsP5/Prefab-Sprout.jpg
Tussen 1983 en 1987 schreef journalist Ronald Grossey tal van muziekrecensies in het stripblad Kuifje. Steve McQueen (1985) van Prefab Sprout kreeg lovende kritieken. Ik weet niet meer precies wanneer ik dat album heb opgepikt maar ik werd een fan van Paddy McAloon, zijn broer Martin, zijn toenmalige vriendin Wendy Smith en drummer Neil Conti. Ik denk dat de magie pas in mijn studententijd werkte. Want voor de woordgrapjes en metaforen van McAloon is wel wat feeling met de Engelse taal nodig. Steve McQueen bevat tal van parels waarvan er ook een handjevol op single verschenen: When Love Breaks Down, Faron Young, Appetite (hun grootste hit in Humo's alternatieve lijst) en Goodbye Lucille #1 (Johnny Johnny). Volgende halte was Jordan: The Comeback (1990). Dit meesterwerk bevat 19 liedjes verdeeld over vier hoofdstukken: hitparadegericht, helden, liefde en religie. Paddy studeerde godsdienstwetenschappen, las ik in een OOR interview. En zo werden wij bondgenoten. De verzamelaar Life Of Surprises (1992) bracht me uiteindelijk bij de nog resterende langspelers Swoon (1984 met Cruel), From Langely Park To Memphis (1988 met Cars And Girls, The King Of Rock 'n' Roll en Hey Manhattan) en Protest Songs (1989), een plaat die al opgenomen werd tijdens de hoogtijdagen van Steve McQueen (1985) maar pas later werd uitgebracht. Over drie van de vernoemde elpees legde producer Thomas Dolby een laagje suikerglazuur. En ik kan begrijpen dat stoere binken en meiden daar kiespijn van krijgen. Prefab Sprout kijkt verder terug in de popgeschiedenis dan de jaren '60 en plukt invloeden uit het rijke musical, jazz en easy listening verleden van de jaren '40 en '50. Ook daar moet je enige voeling mee hebben. Na de reeds vernoemde Best Of valt de groep langzaam maar zeker uit elkaar. Het duurt een tijd voor Paddy zijn opnamezolder verlaat voor Andromeda Heights (1997) verschijnt, genoemd naar zijn werkplek en hun laatste plaat voor CBS (Kitchenware). Daarna verschijnt met steeds groter wordende tussenpozen nieuw solo materiaal dat McAloon ofwel onder zijn eigen naam ofwel onder de bandnaam uitbrengt. Meest in het oor springende van de latere releases is het voorlopig laatste Crimson / Red (2013) waarop de songsmid bevredigend teruggrijpt naar zijn jaren '80 sound. Slimme teksten en clevere arrangementen. De muziek van Prefab Sprout is ear candy voor de meerwaardezoeker. Vooral zijn love / break up songs zijn juweeltjes. Luister mee naar Bonny en Wild Horses.
Regen op je kop.
Hengstig verliefd.
1
geplaatst: 16 juni 2024, 21:51 uur
THE FINAL COUNTDOWN
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11. Prefab Sprout
12. The Cure
13. Kraftwerk
14. Sting (The Police)
15. ABBA
16. Kate Bush
17. Depeche Mode
18. The Smiths (Morrissey)
19. Paul Simon
20. U2
21. Jacques Brel
22. Lou Reed & John Cale (The Velvet Undergound)
23. Talking Heads
24. Roxy Music
25. Angelo Branduardi
26. Japan
27. Supertramp
28. Echo & The Bunnymen
29. Killing Joke
30. Midnight Oil
31. The Beatles (Paul McCartney)
32. Pixies
33. The Doors
34. The Pogues
35. R.E.M.
36. Roy Orbison (Traveling Wilburys)
37. Arno (T.C. Matic)
38. Talk Talk
39. Bob Marley (& The Wailers)
40. Townes Van Zandt
41. Fleetwood Mac
42. China Crisis
43. Sinead O'Connor
44. Soft Cell (Marc Almond)
45. Prince
46. New Musik
47. 2 Belgen (Rembert De Smet)
48. Fischer-Z (John Watts
49. The Alan Parsons Project
50. Sex Pistols (Johnny Lydon)
51. Kim Wilde
52. Suzanne Vega
53. Howard Jones
54. The Sound (Adrian Borland)
55. The Triffids
56. The Pretenders
57. Nacht Und Nebel
58. Pink Floyd
59. Tears For Fears
60. Jona Lewie
61. The Kinks
62. Siouxsie & The Banshees
63. Stevie Wonder
64. Lloyd Cole & The Commotions
65. Madness
66. The Pop Gun
67. Dexys Midnight Runners
68. Anne Clark
69. ZZ Top
70. The Stone Roses
71. Boney M.
72. David Bowie
73. The Sisters Of Mercy
74. Joan Armatrading
75. Big Country
76. Queen
77. Jo Lemaire
78. Cabaret Voltaire
79. Joe Jackson
80. Tracy Chapman
81. The Rolling Stones
82. Nick Cave & The Bad Seeds
83. Billy Joel
84. Led Zeppelin
85. a-ha
86. Blondie
87. The Clash
88. Eurythmics
89. The Scabs
90. Steve Miller (Band)
91. Bob Dylan
92. Pet Shop Boys
93. Simple Minds
94. Elton John
95. Peter Gabriel
96. Dirk Blanchart (Luna Twist)
97. George Michael (Wham!)
98. Deep Purple
99. Duran Duran
100. The Sundays
De top 10 zal wellicht geen grote verrassingen herbergen (tenzij nummer 10).
De vraag is enkel in welke volgorde de ontknoping zich zal voltrekken.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11. Prefab Sprout
12. The Cure
13. Kraftwerk
14. Sting (The Police)
15. ABBA
16. Kate Bush
17. Depeche Mode
18. The Smiths (Morrissey)
19. Paul Simon
20. U2
21. Jacques Brel
22. Lou Reed & John Cale (The Velvet Undergound)
23. Talking Heads
24. Roxy Music
25. Angelo Branduardi
26. Japan
27. Supertramp
28. Echo & The Bunnymen
29. Killing Joke
30. Midnight Oil
31. The Beatles (Paul McCartney)
32. Pixies
33. The Doors
34. The Pogues
35. R.E.M.
36. Roy Orbison (Traveling Wilburys)
37. Arno (T.C. Matic)
38. Talk Talk
39. Bob Marley (& The Wailers)
40. Townes Van Zandt
41. Fleetwood Mac
42. China Crisis
43. Sinead O'Connor
44. Soft Cell (Marc Almond)
45. Prince
46. New Musik
47. 2 Belgen (Rembert De Smet)
48. Fischer-Z (John Watts
49. The Alan Parsons Project
50. Sex Pistols (Johnny Lydon)
51. Kim Wilde
52. Suzanne Vega
53. Howard Jones
54. The Sound (Adrian Borland)
55. The Triffids
56. The Pretenders
57. Nacht Und Nebel
58. Pink Floyd
59. Tears For Fears
60. Jona Lewie
61. The Kinks
62. Siouxsie & The Banshees
63. Stevie Wonder
64. Lloyd Cole & The Commotions
65. Madness
66. The Pop Gun
67. Dexys Midnight Runners
68. Anne Clark
69. ZZ Top
70. The Stone Roses
71. Boney M.
72. David Bowie
73. The Sisters Of Mercy
74. Joan Armatrading
75. Big Country
76. Queen
77. Jo Lemaire
78. Cabaret Voltaire
79. Joe Jackson
80. Tracy Chapman
81. The Rolling Stones
82. Nick Cave & The Bad Seeds
83. Billy Joel
84. Led Zeppelin
85. a-ha
86. Blondie
87. The Clash
88. Eurythmics
89. The Scabs
90. Steve Miller (Band)
91. Bob Dylan
92. Pet Shop Boys
93. Simple Minds
94. Elton John
95. Peter Gabriel
96. Dirk Blanchart (Luna Twist)
97. George Michael (Wham!)
98. Deep Purple
99. Duran Duran
100. The Sundays
De top 10 zal wellicht geen grote verrassingen herbergen (tenzij nummer 10).
De vraag is enkel in welke volgorde de ontknoping zich zal voltrekken.
2
geplaatst: 16 juni 2024, 22:41 uur
dazzler schreef:
En dan moet het mooiste nog komen. "And she said, losing love is like a window in your heart. Everybody sees you're blown apart. Everybody sees the wind blow."
En dan moet het mooiste nog komen. "And she said, losing love is like a window in your heart. Everybody sees you're blown apart. Everybody sees the wind blow."
Wat leesachterstand vanwege vakantie, maar dat is dus een van mijn favoriete stukjes tekst ooit aller tijden

1
Mssr Renard
geplaatst: 17 juni 2024, 07:01 uur
Ik vind het wel een verrassing want Cure, en Depeche Mode zijn al geweest, dus zijn er minimaal 2 artiesten in de top10 die niet in je top10 staan.
Ik ken overigens alleen The Nits uit de top10 die je hebt ingevoerd, dus voor mij allemaal onontgonnen terrein. Dat wordt een interessante week.
Ik ken overigens alleen The Nits uit de top10 die je hebt ingevoerd, dus voor mij allemaal onontgonnen terrein. Dat wordt een interessante week.
4
geplaatst: 17 juni 2024, 07:59 uur
10. THE J. GEILS BAND
https://i.postimg.cc/kGGNpnwC/J-GEILS-BAND-icon.jpg
Tussen de drie eerste platen die ik kocht, zaten er twee van The J. Geils Band: Freeze Frame (1981) en Showtime (1982). Omdat ik niet kon kiezen en omdat de video van Centerfold me een jaar eerder net zo had wakker geschud als Maid Of Orleans van OMD. Meer nog, Freeze Frame was het eerste liedje dat ik ooit op cassette zette. Eigenlijk is The J. Geils Band een vreemde eend in mijn lijst. Ze belichamen alle rhythm 'n' blues en soul die ontbreekt in mijn top 100. Ik heb al hun platen, ook de laatste zonder zanger Peter Wolf en ook van hem bezit ik de eerste twee soloalbums. De groep is voor velen een one hit wonder dat met de reeds genoemde US nummer 1 hit Centerfold geassocieerd wordt. Of een one album wonder voor wie de elpee Freeze Frame (1981) in huis haalde. Maar dan zijn we eigenlijk al aan het einde van hun carrière gekomen. Debuteren doet het sextet begin jaren '70 met The J. Geils Band (1970) en The Morning After (1971): twee platen die voor de helft bestaan uit goed gekozen covers en voor de andere helft uit eigen materiaal dat dan nog door de hele band wordt klaargestoomd. Het beste van dat vroegste werk staat op hun eerste live elpee Full House (1972): Looking For A Love haalt de Billboard 100 en Whammer Jammer is een live favoriet. Daarop soleert Magic Dick op de elektrisch versterkte mondharmonica. Hij wordt tot de allergrootsten van dat instrument gerekend. Magic Dick startte zijn loopbaan in de jaren '60 in de bluesband van gitarist John Geils. Geils' blinkt uit in een zangerige gitaarstijl en beide muzikanten geraken zo op elkaar ingespeeld dat hun solo's vaak naadloos in elkaar overgaan of elkaar versterken. Bassist Danny Klein en drummer Stephen Jo Bladd vervolledig de line up. Als zanger wordt Peter Wolf gekozen, een locale radiostem die gek is van rhythm 'n' blues en soul en die passie op plaat en live wervelend weet over te brengen. De groep is compleet als toetsenist Seth Justman zich als laatste toevoegt aan de line-up. The J. Geils Band tekent een contract bij Atlanic, het label van hun vaak zwarte, muzikale helden. Bloodshot (1973) is het classic album van The J. Geils. Het songschrijversduo Wolf / Justman tekent voor zeven uitstekende composities die worden aangevuld met twee covers. Van The J. Geils Band wordt gezegd dat zij de covers beter uitvoeren dan de originele artiesten. Het is van meet af aan een geoliede band die live het best tot haar recht komt. Ladies Invited (1973) telt tien eigen nummers die wat complexer in elkaar zijn gestoken en verkoopt minder vlot. Op Nightmares And Other Tales Of The Vinyl Jungle (1974) vinden we Must Of Got Lost, de eerste grote hit van de band. Hotline (1975) focust terug voor de helft op cover materiaal. Op het debuut na worden alle albums geproducet door Bill Szymczyk (bekend van zijn werk met Eagles). Al dat fraais wordt verzameld op de live dubbelaar Blow Your Face Out (1976). Hoewel elk album lovende kritieken oogst, wil een doorbraak in Europa voor de Amerikaanse Stones maar niet lukken. Vermits de dollars onvoldoende rollen krijgt de groep nog één laatste kans bij Atlantic. Op Monkey Island (1977) hoor je een groep in identiteitscrisis. De plaat wordt uitgebracht onder de nieuwe naam Geils maar flopt. Een jaar later tekent de band bij EMI en ziet Sanctuary (1978) het levenslicht. Een radiovriendelijke plaat die stevig in Europa wordt gepromoot. One Last Kiss wordt een radiohit. Beter lijkt het te lukken met de opvolger Love Stinks (1980) die The J. Geils Band op diverse Europese podia brengt (waaronder Pukkelpop) maar de handig getitelde single Come Back blijft hangen in de tipparades. Belangrijkste wijzigingen in het nieuwe geluid zijn de vocalen (Wolf huilt minder en zingt meer) en de keyboards van Justman die de gitaren van Geils naar de achtergrond drukken. Uiteindelijk lukt het wel met Freeze Frame (1981) als de band met Centerfold in de winter van 1982 een Billboard nummer 1 hit scoort en het succes zich overzet naar Europa. Ook de titeltrack wordt een top 10 hit in Vlaanderen maar de derde single Angel In Blue wordt vreemd genoeg niet meer bij ons uitgebracht. Een live versie van de cover I Do kondigt het derde live album Showtime (1982) aan. Maar in 1983 ontslaat de band haar zanger. Muzikale meningsverschillen heet het. En die zijn hoorbaar op Lights Out (1984), het eerste soloalbum van Peter Wolf. De poppy titeltrack wordt een radiohit. De groep zelf brengt met You're Gettin' Even While I'm Gettin' Odd (1984) haar laatste elpee uit. Seth Justman en Stephen Jo Bladd verdelen de leadzang onder elkaar. Het is fantastisch geproducete plaat maar het mag duidelijk zijn dat het vuur van Wolf gemist wordt. Concealed Weapons (een aftreksel van Freeze Frame) blijft hangen in de tipparade. Wolf beëindigt zijn contract bij EMI met Come As You Are (1987). De titeltrack doet het in Vlaanderen goed in de alternatieve lijstjes. Zijn oude bandgenoten hebben dan al een streep getrokken onder The J. Geils Band. Wolf zal met enige regelmaat solowerk blijven uitbrengen en Geils en Magic Dick keren terug naar hun eerste liefde, de blues. Eind jaren '90 start een reeks reünieconcerten maar nieuw werk zal er nooit meer komen.
https://i.postimg.cc/d0Q9ymdD/Knipsel.jpg
Playlist voor wie durft...
https://i.postimg.cc/kGGNpnwC/J-GEILS-BAND-icon.jpg
Tussen de drie eerste platen die ik kocht, zaten er twee van The J. Geils Band: Freeze Frame (1981) en Showtime (1982). Omdat ik niet kon kiezen en omdat de video van Centerfold me een jaar eerder net zo had wakker geschud als Maid Of Orleans van OMD. Meer nog, Freeze Frame was het eerste liedje dat ik ooit op cassette zette. Eigenlijk is The J. Geils Band een vreemde eend in mijn lijst. Ze belichamen alle rhythm 'n' blues en soul die ontbreekt in mijn top 100. Ik heb al hun platen, ook de laatste zonder zanger Peter Wolf en ook van hem bezit ik de eerste twee soloalbums. De groep is voor velen een one hit wonder dat met de reeds genoemde US nummer 1 hit Centerfold geassocieerd wordt. Of een one album wonder voor wie de elpee Freeze Frame (1981) in huis haalde. Maar dan zijn we eigenlijk al aan het einde van hun carrière gekomen. Debuteren doet het sextet begin jaren '70 met The J. Geils Band (1970) en The Morning After (1971): twee platen die voor de helft bestaan uit goed gekozen covers en voor de andere helft uit eigen materiaal dat dan nog door de hele band wordt klaargestoomd. Het beste van dat vroegste werk staat op hun eerste live elpee Full House (1972): Looking For A Love haalt de Billboard 100 en Whammer Jammer is een live favoriet. Daarop soleert Magic Dick op de elektrisch versterkte mondharmonica. Hij wordt tot de allergrootsten van dat instrument gerekend. Magic Dick startte zijn loopbaan in de jaren '60 in de bluesband van gitarist John Geils. Geils' blinkt uit in een zangerige gitaarstijl en beide muzikanten geraken zo op elkaar ingespeeld dat hun solo's vaak naadloos in elkaar overgaan of elkaar versterken. Bassist Danny Klein en drummer Stephen Jo Bladd vervolledig de line up. Als zanger wordt Peter Wolf gekozen, een locale radiostem die gek is van rhythm 'n' blues en soul en die passie op plaat en live wervelend weet over te brengen. De groep is compleet als toetsenist Seth Justman zich als laatste toevoegt aan de line-up. The J. Geils Band tekent een contract bij Atlanic, het label van hun vaak zwarte, muzikale helden. Bloodshot (1973) is het classic album van The J. Geils. Het songschrijversduo Wolf / Justman tekent voor zeven uitstekende composities die worden aangevuld met twee covers. Van The J. Geils Band wordt gezegd dat zij de covers beter uitvoeren dan de originele artiesten. Het is van meet af aan een geoliede band die live het best tot haar recht komt. Ladies Invited (1973) telt tien eigen nummers die wat complexer in elkaar zijn gestoken en verkoopt minder vlot. Op Nightmares And Other Tales Of The Vinyl Jungle (1974) vinden we Must Of Got Lost, de eerste grote hit van de band. Hotline (1975) focust terug voor de helft op cover materiaal. Op het debuut na worden alle albums geproducet door Bill Szymczyk (bekend van zijn werk met Eagles). Al dat fraais wordt verzameld op de live dubbelaar Blow Your Face Out (1976). Hoewel elk album lovende kritieken oogst, wil een doorbraak in Europa voor de Amerikaanse Stones maar niet lukken. Vermits de dollars onvoldoende rollen krijgt de groep nog één laatste kans bij Atlantic. Op Monkey Island (1977) hoor je een groep in identiteitscrisis. De plaat wordt uitgebracht onder de nieuwe naam Geils maar flopt. Een jaar later tekent de band bij EMI en ziet Sanctuary (1978) het levenslicht. Een radiovriendelijke plaat die stevig in Europa wordt gepromoot. One Last Kiss wordt een radiohit. Beter lijkt het te lukken met de opvolger Love Stinks (1980) die The J. Geils Band op diverse Europese podia brengt (waaronder Pukkelpop) maar de handig getitelde single Come Back blijft hangen in de tipparades. Belangrijkste wijzigingen in het nieuwe geluid zijn de vocalen (Wolf huilt minder en zingt meer) en de keyboards van Justman die de gitaren van Geils naar de achtergrond drukken. Uiteindelijk lukt het wel met Freeze Frame (1981) als de band met Centerfold in de winter van 1982 een Billboard nummer 1 hit scoort en het succes zich overzet naar Europa. Ook de titeltrack wordt een top 10 hit in Vlaanderen maar de derde single Angel In Blue wordt vreemd genoeg niet meer bij ons uitgebracht. Een live versie van de cover I Do kondigt het derde live album Showtime (1982) aan. Maar in 1983 ontslaat de band haar zanger. Muzikale meningsverschillen heet het. En die zijn hoorbaar op Lights Out (1984), het eerste soloalbum van Peter Wolf. De poppy titeltrack wordt een radiohit. De groep zelf brengt met You're Gettin' Even While I'm Gettin' Odd (1984) haar laatste elpee uit. Seth Justman en Stephen Jo Bladd verdelen de leadzang onder elkaar. Het is fantastisch geproducete plaat maar het mag duidelijk zijn dat het vuur van Wolf gemist wordt. Concealed Weapons (een aftreksel van Freeze Frame) blijft hangen in de tipparade. Wolf beëindigt zijn contract bij EMI met Come As You Are (1987). De titeltrack doet het in Vlaanderen goed in de alternatieve lijstjes. Zijn oude bandgenoten hebben dan al een streep getrokken onder The J. Geils Band. Wolf zal met enige regelmaat solowerk blijven uitbrengen en Geils en Magic Dick keren terug naar hun eerste liefde, de blues. Eind jaren '90 start een reeks reünieconcerten maar nieuw werk zal er nooit meer komen.
https://i.postimg.cc/d0Q9ymdD/Knipsel.jpg
Playlist voor wie durft...
1
geplaatst: 17 juni 2024, 13:23 uur
In een top tien van iconische nanananananaas zou The J. Geils Band bij mij hoog staan.
0
geplaatst: 17 juni 2024, 13:56 uur
Poek schreef:
In een top tien van iconische nanananananaas zou The J. Geils Band bij mij hoog staan.
In een top tien van iconische nanananananaas zou The J. Geils Band bij mij hoog staan.
Ik hield nochtans een pleidooi om de band niet te reduceren tot Centerfold. Als fan hoor je dan te zeggen dat je de grote hit hun slechtste nummer vindt maar zo ver wil ik niet gaan.
0
Mssr Renard
geplaatst: 17 juni 2024, 14:00 uur
Ah, dat is de eerste verrassing, die ik niet zou kunnen raden.
Ik zou ook niet jokken als ik zou zeggen dat ik nog nooit van de J. Geilsband heb gehoord. Nu is het zo vaak, dat ik zoiets zeg, dat mensen dan zeggen: 'oh ja, je kent song A of song B toch wel?', en dan ga ik dat luisteren en dan ken ik het inderdaad. Ik zal eens op Tidal de hoogste song aanklikken. En ja hoor: 'Centerfold' ken ik gewoon. De andere songs 'Freeze-Frame', 'Love Stinks' doen me niet veel, maar 'Must of Got Lost' heeft dan wel weer die workingclass-rock-charme, waar ik wel van houd.
Leuk om een nieuwe band te ontdekken. 'Centerfold' is dan wel niet zo fantastisch, maar songs als 'Must of Got Lost' met zijn vreemde grammaticale fout (moet het niet 'Must have Got Lost' zijn?), daar ben ik wel nieuwsgierig naar. Ik houd het in de gaten.
Ik zou ook niet jokken als ik zou zeggen dat ik nog nooit van de J. Geilsband heb gehoord. Nu is het zo vaak, dat ik zoiets zeg, dat mensen dan zeggen: 'oh ja, je kent song A of song B toch wel?', en dan ga ik dat luisteren en dan ken ik het inderdaad. Ik zal eens op Tidal de hoogste song aanklikken. En ja hoor: 'Centerfold' ken ik gewoon. De andere songs 'Freeze-Frame', 'Love Stinks' doen me niet veel, maar 'Must of Got Lost' heeft dan wel weer die workingclass-rock-charme, waar ik wel van houd.
Leuk om een nieuwe band te ontdekken. 'Centerfold' is dan wel niet zo fantastisch, maar songs als 'Must of Got Lost' met zijn vreemde grammaticale fout (moet het niet 'Must have Got Lost' zijn?), daar ben ik wel nieuwsgierig naar. Ik houd het in de gaten.
0
geplaatst: 17 juni 2024, 14:44 uur
dazzler schreef:
Ik hield nochtans een pleidooi om de band niet te reduceren tot Centerfold. Als fan hoor je dan te zeggen dat je de grote hit hun slechtste nummer vindt maar zo ver wil ik niet gaan.
(quote)
Ik hield nochtans een pleidooi om de band niet te reduceren tot Centerfold. Als fan hoor je dan te zeggen dat je de grote hit hun slechtste nummer vindt maar zo ver wil ik niet gaan.
In Nederland een twohitwonder , Freeze Frame was net zo'n grote hit. Maar Centerfold doet het beter op de 80's dansvloer.
5
geplaatst: 17 juni 2024, 15:36 uur
09. MIKE OLDFIELD
https://i.postimg.cc/nznNCjXv/Mike-Oldfield.jpg
Toen ik mijn eerste album kocht in de zomer van 1983, kocht een vriend die bij me was Moonlight Shadow van Mike Oldfield. Die single werd natuurlijk meteen op cassette gezet. Een oudere buurjongen had In Dulci Jubilo in zijn collectie zitten. Ook op cassette gezet. En toen kocht ik op een beurs voor het goede doel Tubular Bells (1973). Toen ik met het zwarte goud thuiskwam, realiseerde ik me pas dat er maar één nummer op die plaat stond. En dat Oldfield al die instrumenten zelf had ingespeeld op wat drumwerk na. Ik heb de plaat een paar keren moeten draaien voor mijn veertienjarige zelf er raad mee wist. Toen investeerde de jeugd nog in muziek. Vinyl was kostbaar en wat je gekocht had, wilde je goedvinden, ook al kostte dat tijd. Na een tijdje had ik de compositie door. Hergest Ridge (1974), Ommadawn (1975), Boxed (1976) en Incantations (1978) volgden. Allemaal voorhanden in de bibliotheek. Net als de verzamelaar Mike Oldfield's Wonderland (1981). De jaren '70 albums van Mike Oldfield heb ik ontzettend vaak gedraaid. Als soundtrack bij mijn leesavonturen of gewoon 's avonds in bed om bij weg te dromen. Want dat doet zijn muziek wel: ze is melodieus genoeg om beelden te genereren in het hoofd van een puber. De eerste plaat die ik van hem kocht was Discovery (1984) met To France. Crises (1983), Five Miles Out (1982), QE2 (1980) en Platinum (1979) zouden later volgen. The Complete Mike Oldfield (1985) was mijn eerste dubbelelpee en niet veel later zou ik hem ook op CD in huis halen (stonden twee extra nummers op). Losse singles als Pictures In The Dark en Shine werden ook opgepikt. In Leuven volgde Islands (1987) waarbij ik iets meer moeite had bij het muzak gehalte van de vijf liedjes. Earth Moving (1989) was een teleurstelling. Bleek dat Oldfield gauw wat songs bij elkaar had geraapt om sneller van zijn Virgin contract af te kunnen zijn. Voor het zover was, haalde hij met exact één uur durende Amarok (1990) nog eens ouderwets goed uit. Alleen verknalde hij zijn nieuwe meesterwerk in de laatste vijf minuten door er een vocale imitatie van Margaret Tatcher in te stoppen. Grappig? Hoe blind en doof kan je zijn om je eigen werk zo te dateren! Vrij snel verscheen Heaven's Open (1991) waarop Oldfield van de weersomstuit zelf zong. De kantlange instrumental Music From The Balcony is nochtans serieus de moeite, vind ik. Na zijn handtekening onder een contract bij Warner te hebben gezet, verschijnt Tubular Bells II (1992) waarop Oldfield zijn Opus 1 nog eens overdoet in een productie van Trevor Horn. Ik vind best aardig om te horen hoe hij de accenten voortdurend verlegt. Het levert hem met Sentinel een laatste hitje op. Daarna volgt The Songs Of Distant Earth (1994), een soundtrack bij het gelijknamige verhaal van Arthur C. Clarke over het verkennen van nieuwe werelden in het heelal. Ik vind het laatste, grote meesterwerk. Voyager (1996) bleek niet veel meer dan een steriele ambient plaat en van Tubular Bells III (1999) heb ik nooit wat begrepen. Datzelfde jaar verscheen ook Guitars (1999). Maar wie dacht dat Oldfield daarop zou grossieren in zijn unieke gitaartonen, kwam bedrogen uit. Alle muziek wordt weliswaar gegenereert door gitaren maar klinkt even synthetisch als smaakloos. En toen The Millennium Bell (2000) werd aangekondigd, wist ik het wel. Van alle artiesten uit mijn top 20 is Oldfield de held die het laagst gevallen is. Weinig of niets van zijn latere werk kan me nog boeien. Maar uit de periode 1973-1984 haal ik nog steeds veel luistervoldoening. De meeste van zijn arrangementen uit die periode vind ik geniaal net zoals de wijze waarop hij zijn vele gitaren laat klinken. Dichter bij prog zal ik wellicht nooit komen. En eigenlijk is Oldfield ook niet echt een prog artiest maar een folk muzikant die elementen uit de klassieke muziek, rock en pop combineert. Ik ben tenslotte de grootste uitdaging aangegaan: een Best Of maken van Mike Oldfield met aandacht voor alle albums uit zijn periode bij Virgin. Daarop moesten zowel de bekende hits als stukken uit de instrumentale albums terecht komen. Bijkomend criterium was dat alle fragmenten ook officieel beschikbaar moeten zijn op CD zodat anderen deze playlist op hun beurt kunnen samenstellen uit bestaad materiaal. Ik denk dat het mij gelukt is. Van Platinum (1979) staat er geen nummer tussen maar zowel Guilty als Blue Peter zijn afkomstig uit de Amerikaanse sessies van die elpee.
https://i.postimg.cc/XJhhx22g/Knipsel.jpg
Wie tijd heeft, kan meeluisteren in onderstaande link.
https://i.postimg.cc/nznNCjXv/Mike-Oldfield.jpg
Toen ik mijn eerste album kocht in de zomer van 1983, kocht een vriend die bij me was Moonlight Shadow van Mike Oldfield. Die single werd natuurlijk meteen op cassette gezet. Een oudere buurjongen had In Dulci Jubilo in zijn collectie zitten. Ook op cassette gezet. En toen kocht ik op een beurs voor het goede doel Tubular Bells (1973). Toen ik met het zwarte goud thuiskwam, realiseerde ik me pas dat er maar één nummer op die plaat stond. En dat Oldfield al die instrumenten zelf had ingespeeld op wat drumwerk na. Ik heb de plaat een paar keren moeten draaien voor mijn veertienjarige zelf er raad mee wist. Toen investeerde de jeugd nog in muziek. Vinyl was kostbaar en wat je gekocht had, wilde je goedvinden, ook al kostte dat tijd. Na een tijdje had ik de compositie door. Hergest Ridge (1974), Ommadawn (1975), Boxed (1976) en Incantations (1978) volgden. Allemaal voorhanden in de bibliotheek. Net als de verzamelaar Mike Oldfield's Wonderland (1981). De jaren '70 albums van Mike Oldfield heb ik ontzettend vaak gedraaid. Als soundtrack bij mijn leesavonturen of gewoon 's avonds in bed om bij weg te dromen. Want dat doet zijn muziek wel: ze is melodieus genoeg om beelden te genereren in het hoofd van een puber. De eerste plaat die ik van hem kocht was Discovery (1984) met To France. Crises (1983), Five Miles Out (1982), QE2 (1980) en Platinum (1979) zouden later volgen. The Complete Mike Oldfield (1985) was mijn eerste dubbelelpee en niet veel later zou ik hem ook op CD in huis halen (stonden twee extra nummers op). Losse singles als Pictures In The Dark en Shine werden ook opgepikt. In Leuven volgde Islands (1987) waarbij ik iets meer moeite had bij het muzak gehalte van de vijf liedjes. Earth Moving (1989) was een teleurstelling. Bleek dat Oldfield gauw wat songs bij elkaar had geraapt om sneller van zijn Virgin contract af te kunnen zijn. Voor het zover was, haalde hij met exact één uur durende Amarok (1990) nog eens ouderwets goed uit. Alleen verknalde hij zijn nieuwe meesterwerk in de laatste vijf minuten door er een vocale imitatie van Margaret Tatcher in te stoppen. Grappig? Hoe blind en doof kan je zijn om je eigen werk zo te dateren! Vrij snel verscheen Heaven's Open (1991) waarop Oldfield van de weersomstuit zelf zong. De kantlange instrumental Music From The Balcony is nochtans serieus de moeite, vind ik. Na zijn handtekening onder een contract bij Warner te hebben gezet, verschijnt Tubular Bells II (1992) waarop Oldfield zijn Opus 1 nog eens overdoet in een productie van Trevor Horn. Ik vind best aardig om te horen hoe hij de accenten voortdurend verlegt. Het levert hem met Sentinel een laatste hitje op. Daarna volgt The Songs Of Distant Earth (1994), een soundtrack bij het gelijknamige verhaal van Arthur C. Clarke over het verkennen van nieuwe werelden in het heelal. Ik vind het laatste, grote meesterwerk. Voyager (1996) bleek niet veel meer dan een steriele ambient plaat en van Tubular Bells III (1999) heb ik nooit wat begrepen. Datzelfde jaar verscheen ook Guitars (1999). Maar wie dacht dat Oldfield daarop zou grossieren in zijn unieke gitaartonen, kwam bedrogen uit. Alle muziek wordt weliswaar gegenereert door gitaren maar klinkt even synthetisch als smaakloos. En toen The Millennium Bell (2000) werd aangekondigd, wist ik het wel. Van alle artiesten uit mijn top 20 is Oldfield de held die het laagst gevallen is. Weinig of niets van zijn latere werk kan me nog boeien. Maar uit de periode 1973-1984 haal ik nog steeds veel luistervoldoening. De meeste van zijn arrangementen uit die periode vind ik geniaal net zoals de wijze waarop hij zijn vele gitaren laat klinken. Dichter bij prog zal ik wellicht nooit komen. En eigenlijk is Oldfield ook niet echt een prog artiest maar een folk muzikant die elementen uit de klassieke muziek, rock en pop combineert. Ik ben tenslotte de grootste uitdaging aangegaan: een Best Of maken van Mike Oldfield met aandacht voor alle albums uit zijn periode bij Virgin. Daarop moesten zowel de bekende hits als stukken uit de instrumentale albums terecht komen. Bijkomend criterium was dat alle fragmenten ook officieel beschikbaar moeten zijn op CD zodat anderen deze playlist op hun beurt kunnen samenstellen uit bestaad materiaal. Ik denk dat het mij gelukt is. Van Platinum (1979) staat er geen nummer tussen maar zowel Guilty als Blue Peter zijn afkomstig uit de Amerikaanse sessies van die elpee.
https://i.postimg.cc/XJhhx22g/Knipsel.jpg
Wie tijd heeft, kan meeluisteren in onderstaande link.
1
Mssr Renard
geplaatst: 17 juni 2024, 15:44 uur
Mike Oldfield vind ik meer dan fantastisch. Ik vind het helemaal fantastisch dat hij zo hoog eindigt in de lijst. Terecht ook. Maar meer kan ik er niet over zeggen, want dan geef ik iets van mijn lijst vrij straks. Ik waardeer zijn 'symfonische' jaren 70 periode net zo veel als zijn popgerichte jaren 80 periode. De jaren 90 en alles daarna heeft me nooit kunnen boeien. Zijn meeste recente platen hebben me wel enthousiast gemaakt.
Zijn zus en broer, respectievelijk Terry en Sally hebben ook platen uitgebracht, waarvan ik er een aantal heb van Sally, en die zijn ook prima en dan met name haar debuutplaat.
Zijn zus en broer, respectievelijk Terry en Sally hebben ook platen uitgebracht, waarvan ik er een aantal heb van Sally, en die zijn ook prima en dan met name haar debuutplaat.
3
geplaatst: 17 juni 2024, 16:48 uur
Return to Ommadawn is een fantastische plaat die iedere Oldfield liefhebber toch minimaal een paar keer gehoord moet hebben.
Toevallig (of niet) Songs of Distant Earth afgelopen weekend weer eens opgezet. Ik heb 'm daarna direct een paar plaatsjes laten stijgen in mijn Top 10 Allertijden. En ook belangrijk... zoonlief kon deze ook waarderen. Bij het jaren 70 werk van Mike trekt hij nog wel eens een bedenkelijk gezicht
Toevallig (of niet) Songs of Distant Earth afgelopen weekend weer eens opgezet. Ik heb 'm daarna direct een paar plaatsjes laten stijgen in mijn Top 10 Allertijden. En ook belangrijk... zoonlief kon deze ook waarderen. Bij het jaren 70 werk van Mike trekt hij nog wel eens een bedenkelijk gezicht

0
geplaatst: 17 juni 2024, 16:51 uur
Ik heb Return To Ommadawn twee keer beluisterd en ik hoorde er vooral de overeenkomsten met het originele album in. Best goed maar niet fantastisch. Het wauw gevoel is er niet meer na TSODE.
1
geplaatst: 17 juni 2024, 21:36 uur
dazzler schreef:
Disintegration (1989) pikte ik wel op maar hij bleef niet hangen.
Disintegration (1989) pikte ik wel op maar hij bleef niet hangen.
Dat is op deze site een erg gewaagde uitspraak

4
geplaatst: 18 juni 2024, 08:52 uur
08. XTC
https://i.postimg.cc/L5Gr3Kp2/XTC-II.jpg
Ik denk dat het een recensie in het weekblad Kuifje was over The Big Express (1984) die mij porde om een album van XTC meet te grissen uit de bibliotheek. Want op de radio hoorde je de band van Andy Patridge, Colin Moulding en Dave Gregory amper. English Settlement (1982) was meteen mijn favoriet, hoewel het nog even zou duren voor ik het volledige dubbelalbum zou leren kennen. De plaat werd in de Benelux namelijk ingekort tot één enkele schijf. Mummer (1983) zat ook in de platenbakken. Van Black Sea (1980) ben ik niet zeker of ik die al kende voor in aan mijn studentenbestaan begon. The Compact XTC (1986), een speciaal voor compact disc ontworpen verzamelaar, was wel aanwezig en zo maakte ik kennis met de eerste singles. Van XTC heb ik ondertussen alles in huis (ook van The Dukes Of Stratosphear) behalve de rarities box Coat Of Many Cupboards (2002 en wel op mp3). Het is wachten tot een betaalbaar exemplaar op discogs voobij zwemt. Andy Partridge was een veelschrijver en de output van XTC is dan ook behoorlijk groot en divers. Skylarking (1986) ontging mij aanvankelijk hoewel de single Dear God helemaal bovenaan De Eindafrekening van 1987 zou eindigen en vaak gedraaid werd in het jeugdhuis. Hetzelfde gebeurde met Oranges & Lemons (1989) en de single Mayor Of Simpleton. Bij het verschijnen van Nonsuch (1992) had ik de meest XTC albums op CD in huis. Die laatste twee vind ik nog steeds de minst toegankelijk en wel omwille van hun drukke productie of lengte: eigenlijk zijn het alletwee dubbelaars. Mijn XTC top 3 is English Settlement (1982), Black Sea (1980) en Skylarking (1986). Drums & Wires (1979) vind ik nog iets te veel als een opmaat klinken voor de albums die volgen. En de eerste twee worpen White Music (1978) en Go2 (1979) met toetsenist Barry Andrews laten nog een onstuimige door punk besmette band horen. In 1982 gaat XTC door een behoorlijke transitie: de groep stopt met touren omdat Partridge gekweld wordt door angstaanvallen en daarom besluit drummer Terry Chambers zijn koffers te pakken. Hun trio formule doet me vanaf dan denken aan het verhaal van de Nederlandse Nits die in 1985 eenzelfde metamorfose ondergaan als gitarist Michiel Peters opstapt. Ik hou van de gelaagde arrangmenten van XTC's muziek. Er valt in één song veel te beleven en het is bewonderenswaardig hoe de band een evenwicht vond tussen experiment en toegankelijkheid. Life Begins At The Hop, Making Plans For Nigel, Generals And Majors, Ball And Chain, Wonderland, Wake Up, Grass... allemaal uitstekende singles van de hand van bassist Colin Moulding die voor ongeveer een vijfde van het songmateriaal zorgde, al werden de twee grootste hits wel door Andy Partridge geschreven: Senses Working Overtime en het reeds vernoemde Dear God. Door een juridisch getouwtrek met Virgin, duurt het tot eind jaren '90 voor er nieuw materiaal verschijnt. Apple Venus (1999) een zijn elektronische broertje Wasp Star (2000) laten een ander geluid horen. Ik heb me tot op heden nog onvoldoende in dat materiaal verdiept. Tijdens de aanslepende opnames gaf gitarist Dave Gregory er de brui aan. Maar het overblijvende duo zou geen lang leven beschoren zijn. Maar draaien doen we ze nog regelmatig.
Het beste van XTC samengevat in één song.
Andy legt aan het begin van deel 1 van How I Write Songs uit hoe hij Jason & The Argonauts schreef.
https://i.postimg.cc/L5Gr3Kp2/XTC-II.jpg
Ik denk dat het een recensie in het weekblad Kuifje was over The Big Express (1984) die mij porde om een album van XTC meet te grissen uit de bibliotheek. Want op de radio hoorde je de band van Andy Patridge, Colin Moulding en Dave Gregory amper. English Settlement (1982) was meteen mijn favoriet, hoewel het nog even zou duren voor ik het volledige dubbelalbum zou leren kennen. De plaat werd in de Benelux namelijk ingekort tot één enkele schijf. Mummer (1983) zat ook in de platenbakken. Van Black Sea (1980) ben ik niet zeker of ik die al kende voor in aan mijn studentenbestaan begon. The Compact XTC (1986), een speciaal voor compact disc ontworpen verzamelaar, was wel aanwezig en zo maakte ik kennis met de eerste singles. Van XTC heb ik ondertussen alles in huis (ook van The Dukes Of Stratosphear) behalve de rarities box Coat Of Many Cupboards (2002 en wel op mp3). Het is wachten tot een betaalbaar exemplaar op discogs voobij zwemt. Andy Partridge was een veelschrijver en de output van XTC is dan ook behoorlijk groot en divers. Skylarking (1986) ontging mij aanvankelijk hoewel de single Dear God helemaal bovenaan De Eindafrekening van 1987 zou eindigen en vaak gedraaid werd in het jeugdhuis. Hetzelfde gebeurde met Oranges & Lemons (1989) en de single Mayor Of Simpleton. Bij het verschijnen van Nonsuch (1992) had ik de meest XTC albums op CD in huis. Die laatste twee vind ik nog steeds de minst toegankelijk en wel omwille van hun drukke productie of lengte: eigenlijk zijn het alletwee dubbelaars. Mijn XTC top 3 is English Settlement (1982), Black Sea (1980) en Skylarking (1986). Drums & Wires (1979) vind ik nog iets te veel als een opmaat klinken voor de albums die volgen. En de eerste twee worpen White Music (1978) en Go2 (1979) met toetsenist Barry Andrews laten nog een onstuimige door punk besmette band horen. In 1982 gaat XTC door een behoorlijke transitie: de groep stopt met touren omdat Partridge gekweld wordt door angstaanvallen en daarom besluit drummer Terry Chambers zijn koffers te pakken. Hun trio formule doet me vanaf dan denken aan het verhaal van de Nederlandse Nits die in 1985 eenzelfde metamorfose ondergaan als gitarist Michiel Peters opstapt. Ik hou van de gelaagde arrangmenten van XTC's muziek. Er valt in één song veel te beleven en het is bewonderenswaardig hoe de band een evenwicht vond tussen experiment en toegankelijkheid. Life Begins At The Hop, Making Plans For Nigel, Generals And Majors, Ball And Chain, Wonderland, Wake Up, Grass... allemaal uitstekende singles van de hand van bassist Colin Moulding die voor ongeveer een vijfde van het songmateriaal zorgde, al werden de twee grootste hits wel door Andy Partridge geschreven: Senses Working Overtime en het reeds vernoemde Dear God. Door een juridisch getouwtrek met Virgin, duurt het tot eind jaren '90 voor er nieuw materiaal verschijnt. Apple Venus (1999) een zijn elektronische broertje Wasp Star (2000) laten een ander geluid horen. Ik heb me tot op heden nog onvoldoende in dat materiaal verdiept. Tijdens de aanslepende opnames gaf gitarist Dave Gregory er de brui aan. Maar het overblijvende duo zou geen lang leven beschoren zijn. Maar draaien doen we ze nog regelmatig.
Het beste van XTC samengevat in één song.
Andy legt aan het begin van deel 1 van How I Write Songs uit hoe hij Jason & The Argonauts schreef.
1
Mssr Renard
geplaatst: 18 juni 2024, 09:24 uur
Weer een band waarvan ik alleen de naam ken. Ik moet wel een hoop muziek nog ontdekken. Waar moet ik de tijd vandaan halen? Ik zal starten met de top3 die je post.
Wel grappig dat je vaak een album meenam uit de bibliotheek. Albums waren in die jaren (bij mij vooral jaren 90 en 00) zo ontzettend duur. Vooral de cd's kostten vaak ergens tussen de 25 en 40 gulden per stuk. Ik heb dan ook veel muziek in mijn vroege jaren (12 tot 16) uit de bibliotheek geleend en op cassette gezet. Op een gegeven moment ging de bibliotheek voor goedkoop al hun lp's wegdoen. Dan had je voor een gulden al een gaaf album. Helaas waren ze wel geplastificeerd en hadden allemaal stickers (om genre, artiest, prijs etc. aan te duiden). In de tweedehandsbakken zie ik ze nog steeds wel eens staan; die goede oude bibliotheek-lp's. Nostalgisch.
Wel grappig dat je vaak een album meenam uit de bibliotheek. Albums waren in die jaren (bij mij vooral jaren 90 en 00) zo ontzettend duur. Vooral de cd's kostten vaak ergens tussen de 25 en 40 gulden per stuk. Ik heb dan ook veel muziek in mijn vroege jaren (12 tot 16) uit de bibliotheek geleend en op cassette gezet. Op een gegeven moment ging de bibliotheek voor goedkoop al hun lp's wegdoen. Dan had je voor een gulden al een gaaf album. Helaas waren ze wel geplastificeerd en hadden allemaal stickers (om genre, artiest, prijs etc. aan te duiden). In de tweedehandsbakken zie ik ze nog steeds wel eens staan; die goede oude bibliotheek-lp's. Nostalgisch.
2
geplaatst: 18 juni 2024, 11:50 uur
Mike Oldfield had ik wel in je top-10 verwacht, maar de J. Geils Band zag ik, gezien je algemene - maar tegelijk heel brede - smaak niet aankomen. Dat XTC je smaakt, ligt meer voor de hand, maar ook die had ik niet zo hoog verwacht. Mooie verhalen weer, met een hoge mate van herkenbaarheid voor mezelf.
@Mssr Renard: Goede vraag: waar moet je de tijd vandaan halen om al die muziek te ontdekken? Ik loop volgens mij zo'n 10 à 15 jaar langer op deze aarde rond dan jij, en zo ten zien ook een kleine tien jaar langer dan dazzler, die 'pas' begon te ontdekken in begin jaren tachtig. Maar ook ik ervaar dat als een probleem (een eerste wereldprobleem, dat dan weer wel
).
Het rare is: hoe langer je meeloopt en hoe langer je redelijk intensief naar muziek blijft luisteren, hoe ingewikkelder het wordt. Ik beperk me nu al tot albums waarvan ik vrij zeker kan inschatten dan ik ze kan waarderen, wat de angel natuurlijk een beetje uit het muzikale experiment haalt. Maar ook al ken ik de meeste artiesten uit de top 100 van dazzler wel in meer of mindere mate, zijn verhalen sporen me soms aan om méér te beluisteren en dieper in zo'n back-catalogus te duiken. Maar eigenlijk heb je op z'n minst twee levens nodig om een beetje fatsoenlijk te ontdekken, te genieten en te waarderen. Zeker omdat sommige plaatjes echt wel meerdere luisterbeurten nodig hebben om ze op waarde te schatten.
@Mssr Renard: Goede vraag: waar moet je de tijd vandaan halen om al die muziek te ontdekken? Ik loop volgens mij zo'n 10 à 15 jaar langer op deze aarde rond dan jij, en zo ten zien ook een kleine tien jaar langer dan dazzler, die 'pas' begon te ontdekken in begin jaren tachtig. Maar ook ik ervaar dat als een probleem (een eerste wereldprobleem, dat dan weer wel
). Het rare is: hoe langer je meeloopt en hoe langer je redelijk intensief naar muziek blijft luisteren, hoe ingewikkelder het wordt. Ik beperk me nu al tot albums waarvan ik vrij zeker kan inschatten dan ik ze kan waarderen, wat de angel natuurlijk een beetje uit het muzikale experiment haalt. Maar ook al ken ik de meeste artiesten uit de top 100 van dazzler wel in meer of mindere mate, zijn verhalen sporen me soms aan om méér te beluisteren en dieper in zo'n back-catalogus te duiken. Maar eigenlijk heb je op z'n minst twee levens nodig om een beetje fatsoenlijk te ontdekken, te genieten en te waarderen. Zeker omdat sommige plaatjes echt wel meerdere luisterbeurten nodig hebben om ze op waarde te schatten.
0
Mssr Renard
geplaatst: 18 juni 2024, 12:51 uur
gaucho, ik beperk me gewoon tot het (bijna) niet luisteren naar moderne releases. Mijn focus ligt vooral op de jaren 50/60/70 en wat uitstapjes richting de jaren 80 en erna. Dat scheelt een hoop Fear of Missing Out.
2
geplaatst: 18 juni 2024, 12:52 uur
gaucho schreef:
Mike Oldfield had ik wel in je top-10 verwacht, maar de J. Geils Band zag ik, gezien je algemene - maar tegelijk heel brede - smaak niet aankomen. Dat XTC je smaakt, ligt meer voor de hand, maar ook die had ik niet zo hoog verwacht. Mooie verhalen weer, met een hoge mate van herkenbaarheid voor mezelf.
Mike Oldfield had ik wel in je top-10 verwacht, maar de J. Geils Band zag ik, gezien je algemene - maar tegelijk heel brede - smaak niet aankomen. Dat XTC je smaakt, ligt meer voor de hand, maar ook die had ik niet zo hoog verwacht. Mooie verhalen weer, met een hoge mate van herkenbaarheid voor mezelf.
Ik ben geboren in 1969 en bij ons thuis stond in de jaren '70 BRT radio 2 aan in de woonkamer. De familieradio waar ik veel gehoord heb en waarvan vooral het Nederlandstalig werk me bewust bijbleef. Het Engelstalige repertoire nestelde zich wel in mijn onderbewustzijn (zou later blijken) maar actief naar popmuziek luisteren gebeurde pas in het schooljaar 1981-1982 (mijn eerste middelbaar). Ik hou van pop singles maar vermits dit een artiesten topic is, merk ik dat de uitvoerders van pop klassiekers die ik heel erg waardeer niet noodzakelijk de artiesten zijn die ik intensief gevolgd heb. The J. Geils Band en Mike Oldfield toevallig wel omdat ik ook platen van hen kocht (daarmee begon ik in de zomer van 1983). En in de winter van 1985 werd ik lid van de fonotheek (onderdeel van de bibliotheek). Dat kon maar in het jaar dat je 16 werd. En ook hier geldt: de artiesten die ik als eerste uit de platenbakken viste en waar ik toen veel naar luisterde, staan allemaal in mijn top 100 en vaak in de bovenste regionen. XTC bijvoorbeeld.
Hedendaagse artiesten kan ik zeker smaken (al heb ik niet lang voor corona afscheid genomen van de hitparade die ik was blijven volgen). Ik hoor dan een prachtig liedje op de radio maar de behoefte om me in de nieuwe artiest te verdiepen voel ik dan niet. Integendeel, over mijn helden uit deze top 100 valt nog zoveel te lezen en te ontdekken dat mijn leven ongetwijfeld te kort zal zijn om dat allemaal voor mekaar te krijgen. Eigenlijk beweegt mijn interesse zich op drie terreinen: hitparade pop singles, de albums van mijn artistieke helden en Nederlandstalige muziek. Ik ben dan een paar weken of maanden intens bezig op één van die drie terreinen en dan verschuift mijn aandacht zich weer naar een van de twee andere interesses.
7
geplaatst: 18 juni 2024, 20:03 uur
07. DEAD CAN DANCE
https://i.postimg.cc/TYh77QpN/R-12.jpg
Een klasgenoot had Spleen And Ideal (1985). Wij waren onder de indruk. Ik kocht de 4AD sampler Lonely Is An Eyesore (1987) omdat er een exclusief nummer van Cocteau Twins op stond. De plaat bleek ook twee songs van Dead Can Dance te bevatten: een demo van Frontier uit 1981 en The Protagonist, een leftover van de Within The Realm Of A Dying Sun (1987) sessies. Dat album verscheen bijna gelijktijdig met de 4AD sampler en overtuigde ons om een ticket te kopen voor DCD's eerste live optreden in België als headliner. In 1985 waren ze al eens langs gekomen in het voorprogramma van Cocteau Twins. Herfst 1987, La Gaité in Brussel: een kleine, sfeervolle zaal. We staan achterin voor de bar en naast de PA. Ik hang mijn jas aan een van de boxen. Een man met een fijn baardje ruilt de PA na het voorprogramma in voor het podium. Ik heb een half uurtje vlak naast Brendan Perry gestaan zonder het te beseffen. Het optreden begint met Anywhere Out Of The World, de opener van hun derde album en nog steeds mijn favoriete DCD plaat. Lisa Gerrard maakt indruk in haar wit gewaad en met haar krachtige stem. "Isabella is dead!" roep ze alsmaar. Pas als we later het debuutalbum Dead Can Dance (1984) aanschaffen, krijgt dat nummer een titel: Ocean. Tijdens dat optreden maken bas, gitaar en drums naast het Chinese snaarinstrument yangqin nog deel uit van het instrumentarium. We horen die avond ook een instrumentaal nummer dat op één lange drumsolo lijkt. Wellicht een vroege versie van Mother Tongue dat een jaar later op The Sperent's Egg (1988) zal verschijnen. Dat jaar ga ik opnieuw naar Dead Can Dance kijken in de AB. De setting is helemaal veranderd: weg zijn de traditionele rockinstrumenten. Die avond horen we net als op het nieuwe album veel vocale stukken. En de reis in de tijd gaat verder. Dode muziek weer tot leven wekken, is de missie van Dead Can Dance. Invloeden uit de moderne (Arvo Pärt) en de oude klassieke muziek, de polyfonie en de middeleeuwen (zoals op Aion (1990)) maar ook uit de Arabische wereld, de Balkan, Azië en Afrika sijpelen door in hun composities. Zowel Brendan als Lisa componeren. Brendans teksten zijn die van een rondtrekkende troubadour. Lisa zingt in glossolalia (klanken in plaats van woorden). Into The Labyrinth (1993) is wellicht hun meest toegankelijke album, al duurt het wat lang (we zitten immers in het CD tijdperk). Toward The Within (1994) is een live registratie die voor meer dan de helft uit nieuwe composities bestaat. Na Spiritchaser (1996) kiezen Perry en Gerrard elk het solopad. Tot met Anastasis (2012) een nieuwe plaat verschijnt die de draad naadloos weer oppikt. De voorlopig laatste release Dionysus (2018) is een buitenbeentje en klinkt eigenlijk eerder als een soloproject van Brendan Perry waaraan Lisa Gerrard vocale bijdrages levert. Voor mij het enige album dat niet het niveau haalt van zijn voorgangers. De kracht van Dead Can Dance zit hem in de unieke samensmelting van verschillende muzikale culturen tot een eindresultaat dat naar mijn aanvoelen voor elke popliefhebber toegankelijk blijft. Zeker de moeite waard om te ontdekken.
https://i.postimg.cc/mZ9JBmbc/Knipsel-I.jpg
Ik stelde voor de trouwe luisteraar een dubbele playlist samen.
https://i.postimg.cc/ZRxfvM0j/Knipsel-II.jpg
U moet hem wel zelf even samensprokkelen op Spotify of Youtube.
Wie daar geen zin in of tijd voor heeft, kan eventueel van dit ene nummer proeven.
https://i.postimg.cc/TYh77QpN/R-12.jpg
Een klasgenoot had Spleen And Ideal (1985). Wij waren onder de indruk. Ik kocht de 4AD sampler Lonely Is An Eyesore (1987) omdat er een exclusief nummer van Cocteau Twins op stond. De plaat bleek ook twee songs van Dead Can Dance te bevatten: een demo van Frontier uit 1981 en The Protagonist, een leftover van de Within The Realm Of A Dying Sun (1987) sessies. Dat album verscheen bijna gelijktijdig met de 4AD sampler en overtuigde ons om een ticket te kopen voor DCD's eerste live optreden in België als headliner. In 1985 waren ze al eens langs gekomen in het voorprogramma van Cocteau Twins. Herfst 1987, La Gaité in Brussel: een kleine, sfeervolle zaal. We staan achterin voor de bar en naast de PA. Ik hang mijn jas aan een van de boxen. Een man met een fijn baardje ruilt de PA na het voorprogramma in voor het podium. Ik heb een half uurtje vlak naast Brendan Perry gestaan zonder het te beseffen. Het optreden begint met Anywhere Out Of The World, de opener van hun derde album en nog steeds mijn favoriete DCD plaat. Lisa Gerrard maakt indruk in haar wit gewaad en met haar krachtige stem. "Isabella is dead!" roep ze alsmaar. Pas als we later het debuutalbum Dead Can Dance (1984) aanschaffen, krijgt dat nummer een titel: Ocean. Tijdens dat optreden maken bas, gitaar en drums naast het Chinese snaarinstrument yangqin nog deel uit van het instrumentarium. We horen die avond ook een instrumentaal nummer dat op één lange drumsolo lijkt. Wellicht een vroege versie van Mother Tongue dat een jaar later op The Sperent's Egg (1988) zal verschijnen. Dat jaar ga ik opnieuw naar Dead Can Dance kijken in de AB. De setting is helemaal veranderd: weg zijn de traditionele rockinstrumenten. Die avond horen we net als op het nieuwe album veel vocale stukken. En de reis in de tijd gaat verder. Dode muziek weer tot leven wekken, is de missie van Dead Can Dance. Invloeden uit de moderne (Arvo Pärt) en de oude klassieke muziek, de polyfonie en de middeleeuwen (zoals op Aion (1990)) maar ook uit de Arabische wereld, de Balkan, Azië en Afrika sijpelen door in hun composities. Zowel Brendan als Lisa componeren. Brendans teksten zijn die van een rondtrekkende troubadour. Lisa zingt in glossolalia (klanken in plaats van woorden). Into The Labyrinth (1993) is wellicht hun meest toegankelijke album, al duurt het wat lang (we zitten immers in het CD tijdperk). Toward The Within (1994) is een live registratie die voor meer dan de helft uit nieuwe composities bestaat. Na Spiritchaser (1996) kiezen Perry en Gerrard elk het solopad. Tot met Anastasis (2012) een nieuwe plaat verschijnt die de draad naadloos weer oppikt. De voorlopig laatste release Dionysus (2018) is een buitenbeentje en klinkt eigenlijk eerder als een soloproject van Brendan Perry waaraan Lisa Gerrard vocale bijdrages levert. Voor mij het enige album dat niet het niveau haalt van zijn voorgangers. De kracht van Dead Can Dance zit hem in de unieke samensmelting van verschillende muzikale culturen tot een eindresultaat dat naar mijn aanvoelen voor elke popliefhebber toegankelijk blijft. Zeker de moeite waard om te ontdekken.
https://i.postimg.cc/mZ9JBmbc/Knipsel-I.jpg
Ik stelde voor de trouwe luisteraar een dubbele playlist samen.
https://i.postimg.cc/ZRxfvM0j/Knipsel-II.jpg
U moet hem wel zelf even samensprokkelen op Spotify of Youtube.
Wie daar geen zin in of tijd voor heeft, kan eventueel van dit ene nummer proeven.
6
geplaatst: 19 juni 2024, 16:58 uur
06 THE STRANGLERS
https://i.postimg.cc/XqtbBLhL/Stranglers-II.jpg
Iedereen kent No More Heroes en Golden Brown. En dat schept problemen. Want de albums No More Heroes (1977) en La Folie (1981) zijn verre van mijn favoriete Stranglers platen. Die eerste is te veel een herhalingsoefening van het sterke debuut Rattus Norvegicus (1977) en de laatste een mixed bag met geslaagde en minder geslaagde pogingen om de hitparade te bestormen. Wie tot de jaren '80 generatie behoort, kent ook de uitstekende singles Skin Deep en Always The Sun. Die brengen de luisteraar bij Aural Sculpture (1984) en Dreamtime (1986), hun twee volbloed popplaten uit de jaren '80. In Vlaanderen kennen we wellicht ook Peaches en No Mercy. Dat eerste nummer was jarenlang de begintune van het sportprogramma Extra Time en het tweede een top 10 hit in de winter van 1985. En dan zijn we weer op het moment dat ik voor het eerst platen kon ontlenen in de bibliotheek. Gek genoeg hadden ze geen exemplaar van de elpees waar No More Heroes en Golden Brown deel van uitmaakten. Maar wel van het debuut, Black & White (inclusief gratis bonussingle 1978), The Raven (1979), The Gospel According To The Meninblack (1981), Feline (1983) en Aural Sculpture (1984). Ziedaar mijn Stranglers top 5. Het kan toeval zijn maar wellicht speelt het feit dat dit de platen zijn die ik het vroegst ontdekte en het meeste gedraaid heb een rol. De carrière van het Britse viertal is op te delen in vijf fasen. De eerste drie albums verschijnen in een tijdspanne van 18 maanden. Ze werden alle drie geproducet door Martin Rushent die in 1981 wereldfaam zou verdienen als producer van The Human League. Hier horen we het rauwe punkgeluid met schreeuwende zangers, wurgende baslijnen, klaterende keyboards, spaarzame gitaarpatronen en betrouwbaar drumwerk. Van 1979 tot 1982 draait de band in postpunk modus met een wat minder prominent basgeluid, frivolere gitaren en mysterieuze synthesizers. Tussen 1983 en 1988 brengen The Stranglers pop met een new wave sausje. Blazers doen hun intreden. Het jubileumalbum 10 (1990) is zo slecht dat frontman Hugh Cornwell er de brui aan geeft. Bassist JJ Burnel neemt het roer over en de band gaat door al duurt het een decennium alvorens de groep de juiste koers vindt. In hun jaren '90 werk heb ik nooit geïnvesteerd. Met gitartist Baz Warne enteren The Stranglers het nieuwe millennium en keren ze terug naar de wortels. Tot het noodlot twee keer toeslaat en toetsenist Dave Greenield door covid en drummer Jet Black door de ouderdom geveld worden. Ik ben een die hard Stranglers fan als het over de periode met Cornwell gaat. We horen een band die de diverse, muzikale achtergronden van de verschillende bandleden tot een uniek geheel blendt: het progverleden van Greenfield, de jazz toets van Cornwell, de klassieke scholing van Burnel en de maturiteit van de tien jaar oudere Black. Ik wil twee songs met elkaar vergelijken: Toiler On The Sea van Black & White (1978) en de titeltrack van The Raven (1979). The Meninblack zagen zichzelf als een groep die de zeven zeeën bevoer. De boot(reis) als metafoor voor het leven keert ook later terug in nummers als Golden Brown, Ships That Pass In The Night en Let Me Down Easy. Op Toiler On The Sea hoor je nog de onstuimigheid van de punkjaren. Het nummer laat met zijn wisselende maatsoorten horen dat The Stranglers muzikaal meer onderlegd waren dan hun genregenoten. En we komen te weten waar A Flock Of Seagulls haar bandnaam vandaan haalde. Op The Raven hoor je heel goed de switch van punk naar postpunk. Het ritme is minder gedreven om plaats te maken voor de verschillende muzikale partijen. De synthesizers doen onheilspellend hun intrede. Het verhaal van vier moderne Vikingen met een raaf in hun kielzog. Die broederband begon te tanen toen de groep in 1982 van EMI naar Epic overstapte. Maar ze bleven wel tien jaar lang het principe trouw dat de credits van alle nummers evenredig verdeeld werden over de vier leden. Meestal begon een song met een riff van Burnel waar Cornwell een song rond bouwde. Greenfield zorgde voor de melodielijnen. Want dat is kenmerkend bij The Stranglers: de keyboards sturen de melodie, de gitaren kleuren in. Ik heb me voorgenomen om eindelijk ook het post Cornwell werk in huis te halen.
Cornwell houdt van fonetische woordgrapjes: "on the sea' klinkt als "odyssey".
Alleen Joost weet waarom dit geen single werd.
https://i.postimg.cc/XqtbBLhL/Stranglers-II.jpg
Iedereen kent No More Heroes en Golden Brown. En dat schept problemen. Want de albums No More Heroes (1977) en La Folie (1981) zijn verre van mijn favoriete Stranglers platen. Die eerste is te veel een herhalingsoefening van het sterke debuut Rattus Norvegicus (1977) en de laatste een mixed bag met geslaagde en minder geslaagde pogingen om de hitparade te bestormen. Wie tot de jaren '80 generatie behoort, kent ook de uitstekende singles Skin Deep en Always The Sun. Die brengen de luisteraar bij Aural Sculpture (1984) en Dreamtime (1986), hun twee volbloed popplaten uit de jaren '80. In Vlaanderen kennen we wellicht ook Peaches en No Mercy. Dat eerste nummer was jarenlang de begintune van het sportprogramma Extra Time en het tweede een top 10 hit in de winter van 1985. En dan zijn we weer op het moment dat ik voor het eerst platen kon ontlenen in de bibliotheek. Gek genoeg hadden ze geen exemplaar van de elpees waar No More Heroes en Golden Brown deel van uitmaakten. Maar wel van het debuut, Black & White (inclusief gratis bonussingle 1978), The Raven (1979), The Gospel According To The Meninblack (1981), Feline (1983) en Aural Sculpture (1984). Ziedaar mijn Stranglers top 5. Het kan toeval zijn maar wellicht speelt het feit dat dit de platen zijn die ik het vroegst ontdekte en het meeste gedraaid heb een rol. De carrière van het Britse viertal is op te delen in vijf fasen. De eerste drie albums verschijnen in een tijdspanne van 18 maanden. Ze werden alle drie geproducet door Martin Rushent die in 1981 wereldfaam zou verdienen als producer van The Human League. Hier horen we het rauwe punkgeluid met schreeuwende zangers, wurgende baslijnen, klaterende keyboards, spaarzame gitaarpatronen en betrouwbaar drumwerk. Van 1979 tot 1982 draait de band in postpunk modus met een wat minder prominent basgeluid, frivolere gitaren en mysterieuze synthesizers. Tussen 1983 en 1988 brengen The Stranglers pop met een new wave sausje. Blazers doen hun intreden. Het jubileumalbum 10 (1990) is zo slecht dat frontman Hugh Cornwell er de brui aan geeft. Bassist JJ Burnel neemt het roer over en de band gaat door al duurt het een decennium alvorens de groep de juiste koers vindt. In hun jaren '90 werk heb ik nooit geïnvesteerd. Met gitartist Baz Warne enteren The Stranglers het nieuwe millennium en keren ze terug naar de wortels. Tot het noodlot twee keer toeslaat en toetsenist Dave Greenield door covid en drummer Jet Black door de ouderdom geveld worden. Ik ben een die hard Stranglers fan als het over de periode met Cornwell gaat. We horen een band die de diverse, muzikale achtergronden van de verschillende bandleden tot een uniek geheel blendt: het progverleden van Greenfield, de jazz toets van Cornwell, de klassieke scholing van Burnel en de maturiteit van de tien jaar oudere Black. Ik wil twee songs met elkaar vergelijken: Toiler On The Sea van Black & White (1978) en de titeltrack van The Raven (1979). The Meninblack zagen zichzelf als een groep die de zeven zeeën bevoer. De boot(reis) als metafoor voor het leven keert ook later terug in nummers als Golden Brown, Ships That Pass In The Night en Let Me Down Easy. Op Toiler On The Sea hoor je nog de onstuimigheid van de punkjaren. Het nummer laat met zijn wisselende maatsoorten horen dat The Stranglers muzikaal meer onderlegd waren dan hun genregenoten. En we komen te weten waar A Flock Of Seagulls haar bandnaam vandaan haalde. Op The Raven hoor je heel goed de switch van punk naar postpunk. Het ritme is minder gedreven om plaats te maken voor de verschillende muzikale partijen. De synthesizers doen onheilspellend hun intrede. Het verhaal van vier moderne Vikingen met een raaf in hun kielzog. Die broederband begon te tanen toen de groep in 1982 van EMI naar Epic overstapte. Maar ze bleven wel tien jaar lang het principe trouw dat de credits van alle nummers evenredig verdeeld werden over de vier leden. Meestal begon een song met een riff van Burnel waar Cornwell een song rond bouwde. Greenfield zorgde voor de melodielijnen. Want dat is kenmerkend bij The Stranglers: de keyboards sturen de melodie, de gitaren kleuren in. Ik heb me voorgenomen om eindelijk ook het post Cornwell werk in huis te halen.
Cornwell houdt van fonetische woordgrapjes: "on the sea' klinkt als "odyssey".
Alleen Joost weet waarom dit geen single werd.
0
Mssr Renard
geplaatst: 19 juni 2024, 17:11 uur
"Golden Brown" vind ik fantastisch en is één van die beroemde songs met een vreemde maatsoort (in dit geval 13/8 en 6/8). Andere beroemde songs zijn 'Take 5' van Brubeck, 'Living in the Past' van Jethro Tull en 'Wuthering Heights' van Kate Bush. Wat was muziek vroeger tot goed en uitgekiend.
Op dat ene nummer na, ken ik niets van The Stranglers, maar als de rest van de band net zo goed is, ben ik toch wel benieuwd. Goede begeleidende tekst wederom.
Op dat ene nummer na, ken ik niets van The Stranglers, maar als de rest van de band net zo goed is, ben ik toch wel benieuwd. Goede begeleidende tekst wederom.
1
geplaatst: 19 juni 2024, 17:33 uur
Mssr Renard schreef:
Op dat ene nummer na, ken ik niets van The Stranglers, maar als de rest van de band net zo goed is, ben ik toch wel benieuwd. Goede begeleidende tekst wederom.
Op dat ene nummer na, ken ik niets van The Stranglers, maar als de rest van de band net zo goed is, ben ik toch wel benieuwd. Goede begeleidende tekst wederom.
Vind ik wel, al is Golden Brown niet echt representatief (voor wat ik ken iig). Sowieso zou ik niet uit mijn hoofd een ander nummer kunnen noemen waarin klavecimbel wordt gebruikt.
* denotes required fields.
