Muziek / Toplijsten en favorieten / De artiesten top 100 van (herman)!
zoeken in:
1
geplaatst: 10 februari, 09:57 uur
Misschien helpt het dat we ook genoegen nemen met ongeveer de helft aan tekst.
2
geplaatst: 12 februari, 00:54 uur
Excuus mensen. Ik leg de lat steeds hoger voor mezelf. Onderhand kan ik wel een boek uitbrengen. 
Volgende stuk is min of meer af. Ook weer zo'n epistel/long read. Denk dat het voor de voortgang van het topic wel goed is als ik er een stuk sneller doorheen ga inderdaad en het binnen afzienbare tijd af ga ronden. De stukken na de volgende zullen dan inderdaad wel wat korter worden.

Volgende stuk is min of meer af. Ook weer zo'n epistel/long read. Denk dat het voor de voortgang van het topic wel goed is als ik er een stuk sneller doorheen ga inderdaad en het binnen afzienbare tijd af ga ronden. De stukken na de volgende zullen dan inderdaad wel wat korter worden.
17
geplaatst: 12 februari, 01:11 uur
https://i8.amplience.net/i/naras/lcd-soundsystem-james-murphy-gettyimages-976816902.jpg.jpg
21. LCD Soundsystem / James Murphy
Favoriete albums: 45:33, American Dream
Favoriete nummers: Losing My Edge, Beat Connection, Yeah (Crass Version), Too Much Love, Other Voices, How Do You Sleep?
Deep cuts: Too Much Love [Rub 'N' Tug Mix], Tribulations [Lindstrom Remix], 45:33, Pt. 3, New Body Rhumba
Remixes: Metro Area - Orange Alert [DFA Remix], Goldfrapp - Slide In [DFA Remix], Chromeo - Destination Overdrive [DFA Remix]
Live gezien: ja
Ook in de lijst van: itchy (70)
Het was niet bewust zo, maar ik vind het wel leuk dat LCD Soundsystem volgt op Talking Heads. Als je een muzikale genealogie opstelt, is James Murphy duidelijk een nazaat van David Byrne: gevoel voor melodie, maar zeker ook voor ritme. Talking Heads’ muziek werd vanaf More Songs meer ritmegeoriënteerd en LCD Soundsystem doet hetzelfde, maar dan meer disco- en postpunkgeoriënteerd. Qua zang zie ik ook wel parallellen: de observerende, ironische stijl van Byrne is duidelijk een voorloper van Murphy’s halfgesproken, zelfrelativerende voordracht. Je zou kunnen zeggen dat Talking Heads het fundament legde voor een muziekstijl en James Murphy en kornuiten daar een dansvloer bovenop bouwden. Maar dat ging niet vanzelf.
James Murphy had er al een hele carrière op zitten als sound engineer bij diverse bands in de jaren ’90, veelal in de alternatieve en hardcore-punkscene. Een opvallende naam is Six Finger Satellite, waar hij in zat met John “The Juan” Maclean, die net als Murphy een muzikale wedergeboorte zou beleven in de jaren ’00. En tja, die jaren ’00… In de vroege jaren ’00 was New York ineens weer een muzikale hotspot. The Strokes werd flink geplugd in 2001 en in hun kielzog kwamen weer andere bands op, zoals Interpol en de Yeah Yeah Yeahs. Een en ander is mooi gedocumenteerd in het boek Meet Me in the Bathroom en de gelijknamige verfilming. Ook LCD Soundsystem’s James Murphy is daar een “talking head”: hij vertelt over zijn ervaringen met ecstasy en hoe die zijn liefde voor dance hebben aangewakkerd. Het opende zijn ‘doors of perception’. Zelf ben ik nooit gebruiker van dergelijke middelen geweest, maar ik ben blij dat het Murphy wel hielp, want hierna was het hek van de dam. Met onder anderen de Brit Tim Goldsworthy (ex-UNKLE) zette hij het DFA-label op, vernoemd naar de bijnaam van het extreem luide geluidssysteem dat hij opzette voor concerten van Six Finger Satellite: Death from Above.
2002 was het jaar nul voor het label. Na wat losse releases volgen de uitgaven elkaar ineens snel op, maar er is er eentje die er heel erg bovenuit springt: de 12” van Losing My Edge / Beat Connection. Voor mij nog altijd de beste single (A- en B-kant) van de jaren ’00, en wellicht ook wel van alles ervoor en erna. Ik was er snel bij; in die tijd ontdekte ik ze via De Subjectivisten en ILXor’s I Love Music, een internationaal forum waar ik vaak op keek en dat a) tot mijn verrassing nog steeds bestaat en b) bevolkt werd/wordt door bekende journalisten en muzikanten (nooit geweten).
Hoe dan ook: Losing My Edge en Beat Connection. Holy shit. Voor mij nog steeds onaantastbare muziek: tekstueel briljant, muzikaal vernieuwend en perfect passend in een tijdsgewricht waarin postpunk, disco en clubcultuur samenvloeien—zoals ook al twintig jaar eerder, ditmaal onder aanvoering van dj’s als Erol Alkan, van wie ik ook groot fan was. Oudere muziekliefhebbers zal de thematiek van Losing My Edge wellicht bekend voorkomen: het ‘ingehaald worden door de jongere garde’. Eigenlijk is het net MusicMeter wat hij beschrijft, waar tieners en twintigers je soms ook om de oren slaan met kennis over muziek die ver voor hun tijd is. Zelf vind ik vooral de volgende regel erg beeldend en treffend: “I'm losing my edge to the art-school Brooklynites in little jackets and borrowed nostalgia for the unremembered eighties.” Murphy brengt het overigens positief: “And they're actually really, really nice.” (En zo ervaar ik dat hier ook.) Hetzelfde mechanisme heb ik gezien in de dj-wereld, waar de jongere garde zonder blikken of blozen een jarenlang zorgvuldig samengestelde analoge selectie floorfillers van mijn dj-partner digitaliseerde.
Mooie woorden, maar eigenlijk is Beat Connection nóg beter. Een strakke motorische beat à la Can, de kale postpunkfunk van ESG en Liquid Liquid en een droge voordracht à la Suicide, maar dan minder cynisch. Eigenlijk is het de muzikale optelsom van al die artiesten die in Losing My Edge worden genamedropt. Knap vind ik ook dat het één en al herhaling is: losse elementen worden wel benadrukt, maar er is geen echte climax. Het is één en al groove en trance. Bijzonder is ook dat het heerlijk uitgebeend is: geen toon, noot of geluidje te veel. Waarschijnlijk heeft Murphy er eindeloos aan geschaafd, maar het resultaat mag er zijn. Voor mij persoonlijk kan Beat Connection zo in één lijn met Hallogallo, I Feel Love en Strings of Life staan, qua definiërende tracks.
Er volgen gauw nog twee singles die ook de andere, meer punky kant laten horen van LCD Soundsystem. Ook leuk, maar de enige andere echte voltreffer is Yeah (en dan vooral in de Crass-version). Een droog nummer dat uiteindelijk minutenlang compromisloos doordendert met schurende synthesizers, bijna militaristische drums en subtiele maar effectieve percussie. Vooral het stuk na de tweede break is echt ongelooflijk goed. Destijds draaide ik dit vaak op de fiets. Achteraf denk ik dat het maar goed is dat ik toen geen auto reed.
De verwachtingen waren logischerwijs hooggespannen toen er een debuutalbum uitkwam, maar eerlijk gezegd viel me dat wat tegen. De single Daft Punk Is Playing at My House is wel leuk, maar mij iets te veel een gimmick. Wel onder de indruk was ik van Too Much, On Repeat en Tribulations, al kwamen geen van die nummers in de buurt bij de eerder genoemde tracks. Van Tribulations heb ik uiteindelijk de remixes van Tiga en vooral Lindstrøm nog veel vaker gedraaid dan het origineel. Die van Lindstrøm heeft echt een briljante break-up met een hint naar I Feel Love.
Het daaropvolgende album Sound of Silver vond ik een stuk beter, maar eigenlijk vind ik het tussenliggende 45:33 het beste ‘album’ van LCD Soundsystem tot dan toe. Waar ik op de albums meestal wel een paar nummers heb die me minder pakken, is 45:33 raak van begin tot eind. Het album is geïnspireerd op Manuel Göttsching’s E2-E4, een plaat van begin jaren ’80 die uit één lange suite bestaat. Opvallend is dat hier ook al een instrumentaal motief van “Someone Great” langskomt, een jaar later een van de prijsnummers op Sound of Silver. Hoe dan ook is het één lange hypnotische groove waarin Murphy’s liefde voor opbouw en herhaling volledig tot zijn recht komt.
In 2010 verscheen dan nog This Is Happening, maar die valt me eigenlijk flink tegen. De beste nummers halen voor mij niet het niveau van eerdere topnummers en hoewel Murphy nooit schimmig heeft gedaan over zijn muzikale invloeden, leunen “All I Want” en “Somebody’s Calling Me” zó schaamteloos op respectievelijk David Bowie’s “Heroes” en Iggy Pop’s “Nightclubbing” dat het voor mij op een gegeven moment potsierlijk wordt. Als de band in 2011 aankondigt ermee op te houden, voelt dat dan ook vrij logisch. LCD Soundsystem en het DFA-label hebben mijn jaren ’00 ingekleurd, maar soms is de koek gewoon op.
Of het door het schaamteloos citeren van Bowie komt, weet ik niet, maar feit is dat de wegen van Murphy en Bowie in de jaren hierna een aantal keren kruisen. Zo produceert Murphy Arcade Fire’s Reflektor, waar Bowie te horen is op het fantastische titelnummer, en remixte hij Bowie’s Love Is Lost tot een Steve Reich-achtige versie. Bij de opnames van Bowie’s Blackstar inspireert Bowie Murphy weer om verder te gaan met LCD Soundsystem, en zo geschiedde. In 2015 verschijnt American Dream en wat mij betreft is dat veruit LCD Soundsystem’s beste studio-album.
Nu viel de comebacksingle Call The Police / American Dream me niet mee, waardoor de verwachtingen al meteen getemperd waren. Maar toch wist het album me positief te verrassen en gaandeweg ben ik alle nummers gaan waarderen. Thematisch gaat het ook weer over ouder worden, verlies van dierbaren en afscheid nemen. Zo gaat de Suicide-achtige opener over Alan Vega, de zanger van die band. Black Screen is dan weer een hommage aan David Bowie. Beide zangers overleden in 2016, het jaar voorafgaand aan de release van American Dream. Muzikaal hoogtepunt is voor mij How Do You Sleep?, een afrekening met Tim Goldsworthy, met wie Murphy in getroebleerd raakte na het opzetten van DFA Records. Muzikaal ben ik ook altijd erg fan van Other Voices, dat klinkt alsof het geïnspireerd is door David Byrne en Brian Eno’s My Life in the Bush of Ghosts. In tegenstelling tot op het vorige album komen Murphy c.s. nu wel weg met al die citaten, omdat alle invloeden elegant worden herschikt. Hierna zijn nog enkele uitstekende singles verschenen, maar American Dream is toch wel de kroon op de carrière van Murphy.
Hoewel LCD Soundsystem live een band is en ik het genoegen heb gehad ze twee keer live te hebben gezien (Nighttown 2005 was monumentaal), is het in de kern vooral Murphy’s eenmansproject. Geen idee of er ooit nog een album uit zijn koker komt, maar van mij hoeft dat niet per se. Het oeuvre is mooi afgerond zo. Murphy bleek een laatbloeier, maar heeft er uiteindelijk toch alles uitgehaald, zowel in zijn eigen muziek als in samenwerking (met Bowie nota bene).
21. LCD Soundsystem / James Murphy
Favoriete albums: 45:33, American Dream
Favoriete nummers: Losing My Edge, Beat Connection, Yeah (Crass Version), Too Much Love, Other Voices, How Do You Sleep?
Deep cuts: Too Much Love [Rub 'N' Tug Mix], Tribulations [Lindstrom Remix], 45:33, Pt. 3, New Body Rhumba
Remixes: Metro Area - Orange Alert [DFA Remix], Goldfrapp - Slide In [DFA Remix], Chromeo - Destination Overdrive [DFA Remix]
Live gezien: ja
Ook in de lijst van: itchy (70)
Het was niet bewust zo, maar ik vind het wel leuk dat LCD Soundsystem volgt op Talking Heads. Als je een muzikale genealogie opstelt, is James Murphy duidelijk een nazaat van David Byrne: gevoel voor melodie, maar zeker ook voor ritme. Talking Heads’ muziek werd vanaf More Songs meer ritmegeoriënteerd en LCD Soundsystem doet hetzelfde, maar dan meer disco- en postpunkgeoriënteerd. Qua zang zie ik ook wel parallellen: de observerende, ironische stijl van Byrne is duidelijk een voorloper van Murphy’s halfgesproken, zelfrelativerende voordracht. Je zou kunnen zeggen dat Talking Heads het fundament legde voor een muziekstijl en James Murphy en kornuiten daar een dansvloer bovenop bouwden. Maar dat ging niet vanzelf.
James Murphy had er al een hele carrière op zitten als sound engineer bij diverse bands in de jaren ’90, veelal in de alternatieve en hardcore-punkscene. Een opvallende naam is Six Finger Satellite, waar hij in zat met John “The Juan” Maclean, die net als Murphy een muzikale wedergeboorte zou beleven in de jaren ’00. En tja, die jaren ’00… In de vroege jaren ’00 was New York ineens weer een muzikale hotspot. The Strokes werd flink geplugd in 2001 en in hun kielzog kwamen weer andere bands op, zoals Interpol en de Yeah Yeah Yeahs. Een en ander is mooi gedocumenteerd in het boek Meet Me in the Bathroom en de gelijknamige verfilming. Ook LCD Soundsystem’s James Murphy is daar een “talking head”: hij vertelt over zijn ervaringen met ecstasy en hoe die zijn liefde voor dance hebben aangewakkerd. Het opende zijn ‘doors of perception’. Zelf ben ik nooit gebruiker van dergelijke middelen geweest, maar ik ben blij dat het Murphy wel hielp, want hierna was het hek van de dam. Met onder anderen de Brit Tim Goldsworthy (ex-UNKLE) zette hij het DFA-label op, vernoemd naar de bijnaam van het extreem luide geluidssysteem dat hij opzette voor concerten van Six Finger Satellite: Death from Above.
2002 was het jaar nul voor het label. Na wat losse releases volgen de uitgaven elkaar ineens snel op, maar er is er eentje die er heel erg bovenuit springt: de 12” van Losing My Edge / Beat Connection. Voor mij nog altijd de beste single (A- en B-kant) van de jaren ’00, en wellicht ook wel van alles ervoor en erna. Ik was er snel bij; in die tijd ontdekte ik ze via De Subjectivisten en ILXor’s I Love Music, een internationaal forum waar ik vaak op keek en dat a) tot mijn verrassing nog steeds bestaat en b) bevolkt werd/wordt door bekende journalisten en muzikanten (nooit geweten).
Hoe dan ook: Losing My Edge en Beat Connection. Holy shit. Voor mij nog steeds onaantastbare muziek: tekstueel briljant, muzikaal vernieuwend en perfect passend in een tijdsgewricht waarin postpunk, disco en clubcultuur samenvloeien—zoals ook al twintig jaar eerder, ditmaal onder aanvoering van dj’s als Erol Alkan, van wie ik ook groot fan was. Oudere muziekliefhebbers zal de thematiek van Losing My Edge wellicht bekend voorkomen: het ‘ingehaald worden door de jongere garde’. Eigenlijk is het net MusicMeter wat hij beschrijft, waar tieners en twintigers je soms ook om de oren slaan met kennis over muziek die ver voor hun tijd is. Zelf vind ik vooral de volgende regel erg beeldend en treffend: “I'm losing my edge to the art-school Brooklynites in little jackets and borrowed nostalgia for the unremembered eighties.” Murphy brengt het overigens positief: “And they're actually really, really nice.” (En zo ervaar ik dat hier ook.) Hetzelfde mechanisme heb ik gezien in de dj-wereld, waar de jongere garde zonder blikken of blozen een jarenlang zorgvuldig samengestelde analoge selectie floorfillers van mijn dj-partner digitaliseerde.
Mooie woorden, maar eigenlijk is Beat Connection nóg beter. Een strakke motorische beat à la Can, de kale postpunkfunk van ESG en Liquid Liquid en een droge voordracht à la Suicide, maar dan minder cynisch. Eigenlijk is het de muzikale optelsom van al die artiesten die in Losing My Edge worden genamedropt. Knap vind ik ook dat het één en al herhaling is: losse elementen worden wel benadrukt, maar er is geen echte climax. Het is één en al groove en trance. Bijzonder is ook dat het heerlijk uitgebeend is: geen toon, noot of geluidje te veel. Waarschijnlijk heeft Murphy er eindeloos aan geschaafd, maar het resultaat mag er zijn. Voor mij persoonlijk kan Beat Connection zo in één lijn met Hallogallo, I Feel Love en Strings of Life staan, qua definiërende tracks.
Er volgen gauw nog twee singles die ook de andere, meer punky kant laten horen van LCD Soundsystem. Ook leuk, maar de enige andere echte voltreffer is Yeah (en dan vooral in de Crass-version). Een droog nummer dat uiteindelijk minutenlang compromisloos doordendert met schurende synthesizers, bijna militaristische drums en subtiele maar effectieve percussie. Vooral het stuk na de tweede break is echt ongelooflijk goed. Destijds draaide ik dit vaak op de fiets. Achteraf denk ik dat het maar goed is dat ik toen geen auto reed.
De verwachtingen waren logischerwijs hooggespannen toen er een debuutalbum uitkwam, maar eerlijk gezegd viel me dat wat tegen. De single Daft Punk Is Playing at My House is wel leuk, maar mij iets te veel een gimmick. Wel onder de indruk was ik van Too Much, On Repeat en Tribulations, al kwamen geen van die nummers in de buurt bij de eerder genoemde tracks. Van Tribulations heb ik uiteindelijk de remixes van Tiga en vooral Lindstrøm nog veel vaker gedraaid dan het origineel. Die van Lindstrøm heeft echt een briljante break-up met een hint naar I Feel Love.
Het daaropvolgende album Sound of Silver vond ik een stuk beter, maar eigenlijk vind ik het tussenliggende 45:33 het beste ‘album’ van LCD Soundsystem tot dan toe. Waar ik op de albums meestal wel een paar nummers heb die me minder pakken, is 45:33 raak van begin tot eind. Het album is geïnspireerd op Manuel Göttsching’s E2-E4, een plaat van begin jaren ’80 die uit één lange suite bestaat. Opvallend is dat hier ook al een instrumentaal motief van “Someone Great” langskomt, een jaar later een van de prijsnummers op Sound of Silver. Hoe dan ook is het één lange hypnotische groove waarin Murphy’s liefde voor opbouw en herhaling volledig tot zijn recht komt.
In 2010 verscheen dan nog This Is Happening, maar die valt me eigenlijk flink tegen. De beste nummers halen voor mij niet het niveau van eerdere topnummers en hoewel Murphy nooit schimmig heeft gedaan over zijn muzikale invloeden, leunen “All I Want” en “Somebody’s Calling Me” zó schaamteloos op respectievelijk David Bowie’s “Heroes” en Iggy Pop’s “Nightclubbing” dat het voor mij op een gegeven moment potsierlijk wordt. Als de band in 2011 aankondigt ermee op te houden, voelt dat dan ook vrij logisch. LCD Soundsystem en het DFA-label hebben mijn jaren ’00 ingekleurd, maar soms is de koek gewoon op.
Of het door het schaamteloos citeren van Bowie komt, weet ik niet, maar feit is dat de wegen van Murphy en Bowie in de jaren hierna een aantal keren kruisen. Zo produceert Murphy Arcade Fire’s Reflektor, waar Bowie te horen is op het fantastische titelnummer, en remixte hij Bowie’s Love Is Lost tot een Steve Reich-achtige versie. Bij de opnames van Bowie’s Blackstar inspireert Bowie Murphy weer om verder te gaan met LCD Soundsystem, en zo geschiedde. In 2015 verschijnt American Dream en wat mij betreft is dat veruit LCD Soundsystem’s beste studio-album.
Nu viel de comebacksingle Call The Police / American Dream me niet mee, waardoor de verwachtingen al meteen getemperd waren. Maar toch wist het album me positief te verrassen en gaandeweg ben ik alle nummers gaan waarderen. Thematisch gaat het ook weer over ouder worden, verlies van dierbaren en afscheid nemen. Zo gaat de Suicide-achtige opener over Alan Vega, de zanger van die band. Black Screen is dan weer een hommage aan David Bowie. Beide zangers overleden in 2016, het jaar voorafgaand aan de release van American Dream. Muzikaal hoogtepunt is voor mij How Do You Sleep?, een afrekening met Tim Goldsworthy, met wie Murphy in getroebleerd raakte na het opzetten van DFA Records. Muzikaal ben ik ook altijd erg fan van Other Voices, dat klinkt alsof het geïnspireerd is door David Byrne en Brian Eno’s My Life in the Bush of Ghosts. In tegenstelling tot op het vorige album komen Murphy c.s. nu wel weg met al die citaten, omdat alle invloeden elegant worden herschikt. Hierna zijn nog enkele uitstekende singles verschenen, maar American Dream is toch wel de kroon op de carrière van Murphy.
Hoewel LCD Soundsystem live een band is en ik het genoegen heb gehad ze twee keer live te hebben gezien (Nighttown 2005 was monumentaal), is het in de kern vooral Murphy’s eenmansproject. Geen idee of er ooit nog een album uit zijn koker komt, maar van mij hoeft dat niet per se. Het oeuvre is mooi afgerond zo. Murphy bleek een laatbloeier, maar heeft er uiteindelijk toch alles uitgehaald, zowel in zijn eigen muziek als in samenwerking (met Bowie nota bene).
1
geplaatst: 12 februari, 05:58 uur
Ok lees ik als ik vanavond thuis kom of ik meld mij ziek dan kan het nog overdag 

2
geplaatst: 12 februari, 06:54 uur
Ik ben normaal gesproken meer gericht op groove, beat en melodie en niet zozeer op teksten, en hoewel je juist dan prima terecht kan bij LCD maak ik tevens een uitzondering voor Losing My Edge, wat een van m'n favoriete teksten uit de muziekgeschiedenis heeft 
En speciaal voor Rudi S, ook ik heb LCD 2x live gezien, waaronder in 2005 in Nighttown. herman niet gezien destijds, maar dat is niet zo heel gek want die kende ik toen nog niet

En speciaal voor Rudi S, ook ik heb LCD 2x live gezien, waaronder in 2005 in Nighttown. herman niet gezien destijds, maar dat is niet zo heel gek want die kende ik toen nog niet

4
geplaatst: 12 februari, 06:55 uur
Het zijn wel altijd mooie stukken, dat boek haal ik met veel plezier in huis, mocht het er ooit van komen! 

6
geplaatst: 12 februari, 08:00 uur
Herman heeft een nieuw stuk geplaatst, ik sla de krant even over vandaag 

2
geplaatst: 12 februari, 11:46 uur
Ik was laatst al wat aan het teruglezen uit mijn inactieve MuMe-periode, maar wat een prachtig monnikenwerk, herman!
Sorry, hier kan ik geen hartje aan kwijt
Sorry, hier kan ik geen hartje aan kwijt

3
geplaatst: 12 februari, 12:15 uur
ArthurDZ schreef:
Het zijn wel altijd mooie stukken
Het zijn wel altijd mooie stukken
Eensch, ik heb het weer in één ruk (pun intended) uitgelezen!
En speciaal voor GrafGantz: ook ík heb LCD Soundsystem twee keer live gezien: Pukkelpop 2016 en Best Kept Secret 2018. Allebei niet echt blijven hangen. Maar is ook niet raar, op BKS kwamen ze na Mogwai waardoor ik al murwgebeukt/lamgeslagen was.
1
geplaatst: 12 februari, 12:57 uur
En ik maar denken dat ik soms lang van stof ben... Baas boven Bas! 

0
geplaatst: 12 februari, 13:17 uur
2
geplaatst: 12 februari, 13:19 uur
Ik zal wel moeten. Overigens blij dat Arrie normaal gesproken wél de krant leest. Dat haalt de gemiddelde leeftijd van de krantenlezer toch weer fors omlaag.
1
geplaatst: 12 februari, 14:43 uur
Lukas schreef:
Ik zal wel moeten. Overigens blij dat Arrie normaal gesproken wél de krant leest. Dat haalt de gemiddelde leeftijd van de krantenlezer toch weer fors omlaag.
(quote)
Ik zal wel moeten. Overigens blij dat Arrie normaal gesproken wél de krant leest. Dat haalt de gemiddelde leeftijd van de krantenlezer toch weer fors omlaag.
Zeker. Geen Trouw overigens, maar de krant van niels94.

2
geplaatst: 12 februari, 15:03 uur
Gelukkig had ik met niels94 misschien wel mijn leukste MuMe-meeting van heel 2025 toen we voor hetzelfde onderwerp naar Brussel waren, dus het is je vergeven.
14
geplaatst: 20 februari, 01:07 uur
20. Can
https://writteninmusic.com/wp-content/uploads/2012/12/VF-Canband-Book-B1.jpg
Favoriete albums: Tago Mago, Ege Bamyasi, Future Days
Beste nummers: Mother Sky, Halleluhwah, Aumgn, Pinch, Future Days, Bel Air, Chain Reaction, I Want More
Deep cuts: Thief, Uphill
Live gezien: nee (wel Damo Suzuki met een andere band)
Ook in de lijst van: itchy (16)
“I was there in 1968. I was there at the first Can show in Cologne. I'm losing my edge.” (James Murphy)
Zelf was ik er pas bij ergens in het begin van het millennium. Op nota bene een britpopverzamelaar stonden ook wat oude klassiekers, waaronder een edit van Can’s Halleluhwah. Dat klonk wel aardig, dus downloadde ik eens Monster Movie. Nu zou ik hier een mooi verhaal kunnen ophangen dat ik meteen overstag ging, maar als ik eerlijk ben: het deed me niets. Ik snapte het niet en schoof de band terzijde.
In 2002 was er een korte hernieuwde kennismaking via de soundtrack van Morvern Callar, een film die ik dat jaar op het IFFR zag en die diepe indruk maakte. De premisse is donker, maar muziek speelt er een grote rol in: Morvern Callar treft op kerstochtend haar vriend dood aan; hij laat haar een mixtape én een manuscript achter. In plaats van te bezwijken, eigent ze zich die nalatenschap toe en probeert ze weer op te krabbelen. De mixtape vormt de soundtrack van de film en bevat naast tracks van Aphex Twin, Boards of Canada en het monumentale Some Velvet Morning van Nancy Sinatra en Lee Hazlewood ook Can’s I Want More en Holger Czukay’s Cool in the Pool. Met het nummer van Czukay kon ik nog niet zoveel, maar I Want More vond ik fantastisch — en dat is altijd zo gebleven. Dansbaar, dwars, funky. Het soort track waar je meteen een onrealistisch verlangen van krijgt: ooit op een feest belanden waar iedereen hier echt los op gaat. Maar ja, daarvoor moet je vermoedelijk óf een tijdmachine hebben óf een vriendenkring die je niet voor gek verklaart. Desondanks bleef het bij die ene track.
Pas in het voorjaar van 2008 vond ik een duurzame verbinding met Can. De jaren ervoor hadden programma’s als Soulseek vrijwel alle ooit uitgebrachte muziek direct toegankelijk gemaakt voor iedereen met een behoorlijke internetverbinding, en daar had ik gretig gebruik van gemaakt, mede geënthousiasmeerd door websites als MusicMeter. Wat een verschil met vroeger, toen je als tiener met een schaars budget af en toe een cd kocht en die helemaal stukdraaide, zelfs als het eigenlijk geen goed album was. Mijn honger naar de ultiemste liedjes was niet te stillen, maar toch kreeg ik ineens genoeg van de bodemloze snoepwinkel die muziek was geworden. Steeds minder albums bleven hangen.
Ik besloot een maand lang te detoxen van het luisteren naar nieuwe muziek. Vooraf voelde dat als een opgave — alsof ik mezelf op water en brood zette terwijl ik in een bakkerij woonde — maar het viel mee. Vlak ervoor had ik Ege Bamyasi uitgeprobeerd en met die ontdekking kwam ik de maand moeiteloos door. Vanaf het moment dat ik het intro van Pinch hoorde, was ik eigenlijk meteen in de ban van Can. Dansbaar, eigenzinnig, poppy. Ik kon het toen nog niet helemaal benoemen, maar het voelde enerzijds als een missing link tussen allerlei uithoeken van mijn smaak en anderzijds alsof er een nieuw muzikaal universum voor me open ging — want deze band had nogal een oeuvre. En hoe zat het eigenlijk met al die andere krautrockbands, een genre dat ik altijd wat had genegeerd omdat ik dacht dat het muffe muziek was voor pijprokers en fantasyliefhebbers?
In eerste instantie kon ik moeilijk de vinger leggen op wat ik nu precies zo goed vond aan Ege Bamyasi, maar later begreep ik dat veel van wat mij aantrekt in muziek hier al aanwezig is. Het geweldige drumspel van Jaki Liebezeit deed me denken aan moderne muziekstromingen als dance en hiphop. Daarnaast is er ruimte voor experiment (Soup) en pure pop (Spoon, I’m So Green), maar ook voor emotie (Sing Swan Song) en humor (wederom Spoon en I’m So Green). En dan was er de exotische mystiek rondom de band die me aansprak: verhalen dat Liebezeit in Spanje flamenco leerde drummen en dat gitarist Michael Karoli in de jaren zeventig een lange reis door Centraal-Afrika maakte. De waarheid is minder romantisch dan de mythe, maar dat deed niets af aan het gevoel dat Ege Bamyasi een album was met kaleidoscopische allure — voor mij een samenvatting van alles wat ik tot dan toe had beluisterd, een ontbrekende schakel tussen uitersten die ik nooit goed had weten te verenigen. Bovendien werkte het album als katalysator: deuren naar andere muzikale werelden gingen verder open. Het was alsof mijn smaak werd herijkt.
Wat Can zelf betreft was Future Days de volgende grote ontdekking. Dit album is rustiger en coherenter van aard en bleek de ideale reisgenoot op weg naar het werk. Maandenlang draaide ik het elke ochtend tijdens mijn rit. Op de fiets, in de trein, wandelend naar kantoor, tot ik in de laatste klanken van Bel Air het gebouw binnenliep. Het album duurde precies zolang als mijn dagelijkse reis. Het voelde alsof de mist uit mijn hoofd werd gespeeld en mijn zenuwstelsel langzaam werd opgestart, klaar om aan de slag te gaan. Als ik tegenwoordig Can wil horen, grijp ik het vaakst naar dit album.
Uiteraard ging ik ook verder terug in de tijd. Monster Movie kreeg een herkansing en viel nu wél op zijn plek. Met name het slotnummer You Doo Right is fantastisch en eigenlijk het eerste echte topnummer van Can, al zouden ze de lat later nog hoger leggen. De stuwende drums van Liebezeit vormen het fundament, gecombineerd met de mantra-achtige zang van Malcolm Mooney en de spookachtige orgelklanken van Irmin Schmidt. Rond de zesde minuut duikt het nummer de diepte in; het is dan een genot om de band bijna voor je te zien spelen. En het vooruitzicht dat er nog een klein kwartier volgt, maakt het alleen maar beter.
Dat nummer fascineerde ook de Poolse regisseur Jerzy Skolimowski, die de band vroeg iets vergelijkbaars te maken voor zijn film Deep End. Inmiddels was Mooney vertrokken en had de band de rondreizende Japanse vocalist Damo Suzuki ontdekt, optredend op straat. Het resultaat werd Mother Sky, misschien wel het allerbeste Can-nummer. De drive is ongekend en de stereo-effecten benadrukken de genialiteit van Liebezeit nog eens extra. De nietsontziende groove mag van mij gerust een uur doorgaan, en dan zijn er nog die overstuurde gitaarsolo, die fantastische drums, de percussie… een nummer dat me een kwartier lang in spanning houdt en dat ik daarna meteen opnieuw wil draaien. Het hoogtepunt zit wat mij betreft tussen 4:45 en 6:30, wanneer alles perfect samenvalt. En dan die drumklap op 8:38 — een moment waarop je je weer volledig bewust wordt van de onmetelijke groove waarin je bent meegezogen. Pure koptelefoonporno, en voor mij een van de beste nummers ooit gemaakt.
Hierna verscheen het eerste volledige album met Suzuki, de monumentale dubbel-lp Tago Mago, waarschijnlijk Can’s meest complete en extreme werk. De eerste plaat is magisch, met het schitterende Oh Yeah en Halleluhwah; de tweede is experimenteel, met het door Aleister Crowley beïnvloede Aumgn en het ontregelende Peking O. Can is sowieso niet iets dat je snel opzet in gezelschap, maar deze twee nummers al helemaal niet — tenzij je echt graag van je bezoek af wilt. Solitair luisterend, bijvoorbeeld op een zaterdagavond met een goed glas, is dit echter een bijzondere ervaring. Het is alsof je naar een plaat vol magie en verborgen geheimen luistert.
Met name Aumgn vind ik fascinerend. Dit is waarschijnlijk de track waarop de invloed van Karlheinz Stockhausen — bij wie Czukay en Schmidt ‘Neue Musik’ studeerden aan de Hochschule für Musik und Tanz Köln — het grootst is. Dat hoor je in de nadruk op klankkleur en textuur boven traditionele melodie of ritme: het stuk ontvouwt zich als een collageachtig sonisch landschap in plaats van als een regulier muziekstuk. Peking O is dan weer compleet ontregelend, bijna dadaïstische performancekunst in plaats van muziek. Via het relatief luchtige Bring Me Coffee or Tea ebt de anarchistische energie langzaam weg en belanden we weer met beide voeten op de grond.
Na Tago Mago verschenen Ege Bamyasi en Future Days, de andere albums met Damo Suzuki. Samen vormen zij voor mij de drie meesterwerken van Can. Suzuki verliet hierna de band na zijn bekering tot Jehova’s Getuige en koos voor een ander leven. Muzikaal bleef Can interessant: het grotendeels instrumentale Soon Over Babaluma scoort hier nog hoog en Flow Motion laat weer een funkier geluid horen. Dat is ook het album van het eerder gememoreerde I Want More, dat voor mij in een fascinerende categorie valt: dansmuziek gemaakt door artiesten die eigenlijk geen dansmuziek maken. Een paar jaar later zou dit ‘mutant disco’ worden genoemd, maar in 1976 moest die term nog worden uitgevonden. Na Saw Delight — het laatste album met Czukay — ben ik gestopt met luisteren, al ligt daar nog genoeg archiefmateriaal op me te wachten.
Ik heb altijd een zwak gehad voor herhaling — niet als eentonigheid, maar als methode. Dat leer je misschien pas later waarderen. Als zestienjarige heb je die rust nog niet; dan lijkt het al snel ideeënarmoede. Voor mij werd het juist interessant: herhaling als vergrootglas. Door iets lang genoeg aan te houden, worden de kleine verschuivingen hoorbaar. Can begreep dat. En drummer Jaki Liebezeit belichaamt dat begrip als geen ander. Over de ritmes heen ligt nog een laag experimentele structuren die nooit vrijblijvend aanvoelen, maar altijd ergens naartoe bewegen — iets waarin deze muziek zich voor mij onderscheidt van die van haar progressieve tijdgenoten.
Can bleek niet zomaar een mooie ontdekking, maar een band die verschillende uitersten in mijn smaak met elkaar verbond — een ontbrekende schakel waar ik achteraf gezien onvermijdelijk bij moest uitkomen. Soms heb je alleen een muzikale detox nodig — of een treinreis van precies de juiste lengte.
https://writteninmusic.com/wp-content/uploads/2012/12/VF-Canband-Book-B1.jpg
Favoriete albums: Tago Mago, Ege Bamyasi, Future Days
Beste nummers: Mother Sky, Halleluhwah, Aumgn, Pinch, Future Days, Bel Air, Chain Reaction, I Want More
Deep cuts: Thief, Uphill
Live gezien: nee (wel Damo Suzuki met een andere band)
Ook in de lijst van: itchy (16)
“I was there in 1968. I was there at the first Can show in Cologne. I'm losing my edge.” (James Murphy)
Zelf was ik er pas bij ergens in het begin van het millennium. Op nota bene een britpopverzamelaar stonden ook wat oude klassiekers, waaronder een edit van Can’s Halleluhwah. Dat klonk wel aardig, dus downloadde ik eens Monster Movie. Nu zou ik hier een mooi verhaal kunnen ophangen dat ik meteen overstag ging, maar als ik eerlijk ben: het deed me niets. Ik snapte het niet en schoof de band terzijde.
In 2002 was er een korte hernieuwde kennismaking via de soundtrack van Morvern Callar, een film die ik dat jaar op het IFFR zag en die diepe indruk maakte. De premisse is donker, maar muziek speelt er een grote rol in: Morvern Callar treft op kerstochtend haar vriend dood aan; hij laat haar een mixtape én een manuscript achter. In plaats van te bezwijken, eigent ze zich die nalatenschap toe en probeert ze weer op te krabbelen. De mixtape vormt de soundtrack van de film en bevat naast tracks van Aphex Twin, Boards of Canada en het monumentale Some Velvet Morning van Nancy Sinatra en Lee Hazlewood ook Can’s I Want More en Holger Czukay’s Cool in the Pool. Met het nummer van Czukay kon ik nog niet zoveel, maar I Want More vond ik fantastisch — en dat is altijd zo gebleven. Dansbaar, dwars, funky. Het soort track waar je meteen een onrealistisch verlangen van krijgt: ooit op een feest belanden waar iedereen hier echt los op gaat. Maar ja, daarvoor moet je vermoedelijk óf een tijdmachine hebben óf een vriendenkring die je niet voor gek verklaart. Desondanks bleef het bij die ene track.
Pas in het voorjaar van 2008 vond ik een duurzame verbinding met Can. De jaren ervoor hadden programma’s als Soulseek vrijwel alle ooit uitgebrachte muziek direct toegankelijk gemaakt voor iedereen met een behoorlijke internetverbinding, en daar had ik gretig gebruik van gemaakt, mede geënthousiasmeerd door websites als MusicMeter. Wat een verschil met vroeger, toen je als tiener met een schaars budget af en toe een cd kocht en die helemaal stukdraaide, zelfs als het eigenlijk geen goed album was. Mijn honger naar de ultiemste liedjes was niet te stillen, maar toch kreeg ik ineens genoeg van de bodemloze snoepwinkel die muziek was geworden. Steeds minder albums bleven hangen.
Ik besloot een maand lang te detoxen van het luisteren naar nieuwe muziek. Vooraf voelde dat als een opgave — alsof ik mezelf op water en brood zette terwijl ik in een bakkerij woonde — maar het viel mee. Vlak ervoor had ik Ege Bamyasi uitgeprobeerd en met die ontdekking kwam ik de maand moeiteloos door. Vanaf het moment dat ik het intro van Pinch hoorde, was ik eigenlijk meteen in de ban van Can. Dansbaar, eigenzinnig, poppy. Ik kon het toen nog niet helemaal benoemen, maar het voelde enerzijds als een missing link tussen allerlei uithoeken van mijn smaak en anderzijds alsof er een nieuw muzikaal universum voor me open ging — want deze band had nogal een oeuvre. En hoe zat het eigenlijk met al die andere krautrockbands, een genre dat ik altijd wat had genegeerd omdat ik dacht dat het muffe muziek was voor pijprokers en fantasyliefhebbers?
In eerste instantie kon ik moeilijk de vinger leggen op wat ik nu precies zo goed vond aan Ege Bamyasi, maar later begreep ik dat veel van wat mij aantrekt in muziek hier al aanwezig is. Het geweldige drumspel van Jaki Liebezeit deed me denken aan moderne muziekstromingen als dance en hiphop. Daarnaast is er ruimte voor experiment (Soup) en pure pop (Spoon, I’m So Green), maar ook voor emotie (Sing Swan Song) en humor (wederom Spoon en I’m So Green). En dan was er de exotische mystiek rondom de band die me aansprak: verhalen dat Liebezeit in Spanje flamenco leerde drummen en dat gitarist Michael Karoli in de jaren zeventig een lange reis door Centraal-Afrika maakte. De waarheid is minder romantisch dan de mythe, maar dat deed niets af aan het gevoel dat Ege Bamyasi een album was met kaleidoscopische allure — voor mij een samenvatting van alles wat ik tot dan toe had beluisterd, een ontbrekende schakel tussen uitersten die ik nooit goed had weten te verenigen. Bovendien werkte het album als katalysator: deuren naar andere muzikale werelden gingen verder open. Het was alsof mijn smaak werd herijkt.
Wat Can zelf betreft was Future Days de volgende grote ontdekking. Dit album is rustiger en coherenter van aard en bleek de ideale reisgenoot op weg naar het werk. Maandenlang draaide ik het elke ochtend tijdens mijn rit. Op de fiets, in de trein, wandelend naar kantoor, tot ik in de laatste klanken van Bel Air het gebouw binnenliep. Het album duurde precies zolang als mijn dagelijkse reis. Het voelde alsof de mist uit mijn hoofd werd gespeeld en mijn zenuwstelsel langzaam werd opgestart, klaar om aan de slag te gaan. Als ik tegenwoordig Can wil horen, grijp ik het vaakst naar dit album.
Uiteraard ging ik ook verder terug in de tijd. Monster Movie kreeg een herkansing en viel nu wél op zijn plek. Met name het slotnummer You Doo Right is fantastisch en eigenlijk het eerste echte topnummer van Can, al zouden ze de lat later nog hoger leggen. De stuwende drums van Liebezeit vormen het fundament, gecombineerd met de mantra-achtige zang van Malcolm Mooney en de spookachtige orgelklanken van Irmin Schmidt. Rond de zesde minuut duikt het nummer de diepte in; het is dan een genot om de band bijna voor je te zien spelen. En het vooruitzicht dat er nog een klein kwartier volgt, maakt het alleen maar beter.
Dat nummer fascineerde ook de Poolse regisseur Jerzy Skolimowski, die de band vroeg iets vergelijkbaars te maken voor zijn film Deep End. Inmiddels was Mooney vertrokken en had de band de rondreizende Japanse vocalist Damo Suzuki ontdekt, optredend op straat. Het resultaat werd Mother Sky, misschien wel het allerbeste Can-nummer. De drive is ongekend en de stereo-effecten benadrukken de genialiteit van Liebezeit nog eens extra. De nietsontziende groove mag van mij gerust een uur doorgaan, en dan zijn er nog die overstuurde gitaarsolo, die fantastische drums, de percussie… een nummer dat me een kwartier lang in spanning houdt en dat ik daarna meteen opnieuw wil draaien. Het hoogtepunt zit wat mij betreft tussen 4:45 en 6:30, wanneer alles perfect samenvalt. En dan die drumklap op 8:38 — een moment waarop je je weer volledig bewust wordt van de onmetelijke groove waarin je bent meegezogen. Pure koptelefoonporno, en voor mij een van de beste nummers ooit gemaakt.
Hierna verscheen het eerste volledige album met Suzuki, de monumentale dubbel-lp Tago Mago, waarschijnlijk Can’s meest complete en extreme werk. De eerste plaat is magisch, met het schitterende Oh Yeah en Halleluhwah; de tweede is experimenteel, met het door Aleister Crowley beïnvloede Aumgn en het ontregelende Peking O. Can is sowieso niet iets dat je snel opzet in gezelschap, maar deze twee nummers al helemaal niet — tenzij je echt graag van je bezoek af wilt. Solitair luisterend, bijvoorbeeld op een zaterdagavond met een goed glas, is dit echter een bijzondere ervaring. Het is alsof je naar een plaat vol magie en verborgen geheimen luistert.
Met name Aumgn vind ik fascinerend. Dit is waarschijnlijk de track waarop de invloed van Karlheinz Stockhausen — bij wie Czukay en Schmidt ‘Neue Musik’ studeerden aan de Hochschule für Musik und Tanz Köln — het grootst is. Dat hoor je in de nadruk op klankkleur en textuur boven traditionele melodie of ritme: het stuk ontvouwt zich als een collageachtig sonisch landschap in plaats van als een regulier muziekstuk. Peking O is dan weer compleet ontregelend, bijna dadaïstische performancekunst in plaats van muziek. Via het relatief luchtige Bring Me Coffee or Tea ebt de anarchistische energie langzaam weg en belanden we weer met beide voeten op de grond.
Na Tago Mago verschenen Ege Bamyasi en Future Days, de andere albums met Damo Suzuki. Samen vormen zij voor mij de drie meesterwerken van Can. Suzuki verliet hierna de band na zijn bekering tot Jehova’s Getuige en koos voor een ander leven. Muzikaal bleef Can interessant: het grotendeels instrumentale Soon Over Babaluma scoort hier nog hoog en Flow Motion laat weer een funkier geluid horen. Dat is ook het album van het eerder gememoreerde I Want More, dat voor mij in een fascinerende categorie valt: dansmuziek gemaakt door artiesten die eigenlijk geen dansmuziek maken. Een paar jaar later zou dit ‘mutant disco’ worden genoemd, maar in 1976 moest die term nog worden uitgevonden. Na Saw Delight — het laatste album met Czukay — ben ik gestopt met luisteren, al ligt daar nog genoeg archiefmateriaal op me te wachten.
Ik heb altijd een zwak gehad voor herhaling — niet als eentonigheid, maar als methode. Dat leer je misschien pas later waarderen. Als zestienjarige heb je die rust nog niet; dan lijkt het al snel ideeënarmoede. Voor mij werd het juist interessant: herhaling als vergrootglas. Door iets lang genoeg aan te houden, worden de kleine verschuivingen hoorbaar. Can begreep dat. En drummer Jaki Liebezeit belichaamt dat begrip als geen ander. Over de ritmes heen ligt nog een laag experimentele structuren die nooit vrijblijvend aanvoelen, maar altijd ergens naartoe bewegen — iets waarin deze muziek zich voor mij onderscheidt van die van haar progressieve tijdgenoten.
Can bleek niet zomaar een mooie ontdekking, maar een band die verschillende uitersten in mijn smaak met elkaar verbond — een ontbrekende schakel waar ik achteraf gezien onvermijdelijk bij moest uitkomen. Soms heb je alleen een muzikale detox nodig — of een treinreis van precies de juiste lengte.
2
geplaatst: 20 februari, 01:14 uur
herman schreef:
Excuus mensen. Ik leg de lat steeds hoger voor mezelf. Onderhand kan ik wel een boek uitbrengen.
Excuus mensen. Ik leg de lat steeds hoger voor mezelf. Onderhand kan ik wel een boek uitbrengen.
Dat herken ik wel bij het schrijven van song-/album-/concertrecensies. Eenmaal bezig streef je al snel naar perfectie en ga je in één stuk weer in verhouding enorm veel tijd steken. Een van de redenen waarom ik de laatste jaren nog slechts met mate serieus in de pen klim.
Mocht prestatiedruk daadwerkelijk (ook op andere vlakken) wel eens een issue zijn dan raad ik je aan om dit fragment even terug te luisteren. Een stadsgenoot van je (en tevens toffe singer-songwriter) die bij Langs de Lijn en Omstreken werd geïnterviewd over dit thema en het nummer dat ze er over geschreven heeft

Na de OS even je laatste epistels lezen (en het gros van de 2e nummer top 100 van vigil), dan heb ik meer tijd

1
geplaatst: 20 februari, 07:54 uur
Dat ik hier nu pas inschakel, bij Can. Dat can geen toeval zijn.
Sinds mijn kennismaking in 2007 onafgebroken mijn favoriete band.
Prachtstuk herman.
Sinds mijn kennismaking in 2007 onafgebroken mijn favoriete band.
Prachtstuk herman.
1
geplaatst: 20 februari, 11:40 uur
Gretz schreef:
Dat herken ik wel bij het schrijven van song-/album-/concertrecensies. Eenmaal bezig streef je al snel naar perfectie en ga je in één stuk weer in verhouding enorm veel tijd steken. Een van de redenen waarom ik de laatste jaren nog slechts met mate serieus in de pen klim.
Mocht prestatiedruk daadwerkelijk (ook op andere vlakken) wel eens een issue zijn dan raad ik je aan om dit fragment even terug te luisteren. Een stadsgenoot van je (en tevens toffe singer-songwriter) die bij Langs de Lijn en Omstreken werd geïnterviewd over dit thema en het nummer dat ze er over geschreven heeft
Na de OS even je laatste epistels lezen (en het gros van de 2e nummer top 100 van vigil), dan heb ik meer tijd
(quote)
Dat herken ik wel bij het schrijven van song-/album-/concertrecensies. Eenmaal bezig streef je al snel naar perfectie en ga je in één stuk weer in verhouding enorm veel tijd steken. Een van de redenen waarom ik de laatste jaren nog slechts met mate serieus in de pen klim.
Mocht prestatiedruk daadwerkelijk (ook op andere vlakken) wel eens een issue zijn dan raad ik je aan om dit fragment even terug te luisteren. Een stadsgenoot van je (en tevens toffe singer-songwriter) die bij Langs de Lijn en Omstreken werd geïnterviewd over dit thema en het nummer dat ze er over geschreven heeft

Na de OS even je laatste epistels lezen (en het gros van de 2e nummer top 100 van vigil), dan heb ik meer tijd
Dat topic moet ik ook nog flink bijlezen, wel interessant!
Het interview met Nienke Leone heb ik terugbeluisterd; zeker de moeite waard en op veel punten herkenbaar. Hier heb ik het gevoel dat ik me in het laatste deel er wat makkelijk vanaf heb gemaakt. Dan verbaast het me dat het alsnog 2000 woorden zijn geworden.
Wat zij beschrijft, gaat wel grotendeels over haar eigen generatie. Die kampt weer met andere kwesties — of misschien wel met dezelfde, maar dan nog sterker geïnstitutionaliseerd. Het leven is steeds strakker vormgegeven en er lijkt voortdurend meer te moeten, waardoor de (zelfopgelegde) druk structureel is geworden.
2
geplaatst: 21 februari, 14:06 uur
Wederom een prachtstuk!
Voor mij begon Can met Tago Mago en dat is ook altijd mijn favoriet gebleven, al kan ik vooral Future Days en Ege Bamyasi ook erg waarderen. Latere albums zijn dan weer wat wisselvalliger. Wel kan ik de live-albums die de afgelopen jaren zijn verschenen van harte aanbevelen. Zeker Paris 1973 gaat je gegarandeerd bevallen.
Voor mij begon Can met Tago Mago en dat is ook altijd mijn favoriet gebleven, al kan ik vooral Future Days en Ege Bamyasi ook erg waarderen. Latere albums zijn dan weer wat wisselvalliger. Wel kan ik de live-albums die de afgelopen jaren zijn verschenen van harte aanbevelen. Zeker Paris 1973 gaat je gegarandeerd bevallen.
3
geplaatst: 21 februari, 14:34 uur
Brunniepoo schreef:
Wederom een prachtstuk!
Wederom een prachtstuk!
Waarom zelf iets schrijven als ik gewoon kan quoten
Ik heb zelf Can zo'n 25 jaar geleden ontdekt dankzij good old Napster, waar ik als groot Radiohead fan alles vandaan jatte wat niet op de reguliere albums stond. Een van deze nummers was een ietwat brakke live opname van Thief, wat blijkbaar een cover was van een voor mij toen nog compleet onbekende band genaamd Can. Origineel ook gecheckt, en dat was zowaar een nog beter nummer dan de cover. Eerste Can album voor mij was dan ook het album waar dit nummer opstond (Can - Delay... 1968 (1981)), gevolgd door Monster Movie. Allebei muziek van eind jaren '60, maar hun output van 1971 t/m 1973 blijft toch onovertroffen, met Future Days als mij persoonlijke favoriet. Nooit live gezien overigens, sorry Rudi S

1
geplaatst: 21 februari, 14:37 uur
GrafGantz Ik wilde er net weer xo'n flauwe opmerking over maken maar dat is na zo'n excuus eigenlijk not done 

13
geplaatst: vandaag om 01:11 uur
https://www.jaquet-droz.com/sites/default/files/pages/the-rolling-stones-automaton-2022/Jaquet-Droz_The-Rolling-Stones-Automaton_Band-On-Stage_Big-Mouth_1080x1080.jpg
19. The Rolling Stones
Favoriete albums: Beggars Banquet, Let It Bleed, Sticky Fingers
Favoriete nummers: (I Can't Get No) Satisfaction, Jumping Jack Flash, No Expectations, Midnight Rambler, Wild Horses, Can’t You Hear Me Knocking, Miss You
Deep cuts: Not Fade Away, We Love You, So Divine (Aladdins Story), Time Waits for No One, Heaven, Almost Hear You Sigh, Out of Tears
Live gezien: ja
Ook in de lijst van: aERodynamIC (61), dazzler (81), Kronos (77)
Soms kom je op een plek waar je ineens zestig jaar terug in de tijd wordt geworpen. Dat had ik laatst toen ik op een vrije middag ging wandelen in een oude haringstad en een molenwinkel binnenliep om meel te kopen. Ergens tussen de oneindige voorraad bakbenodigdheden voor koekjes, cakes, broden en pannenkoeken stond een oude transistorradio afgestemd op een zender die alleen maar muziek uit de jaren zestig draaide. Ik herkende The Outsiders (“Lying All the Time”) en ook The Rolling Stones (“The Last Time”).
Bij het afrekenen werd ik vriendelijk geholpen door een ouder stel: vitaal, maar vermoedelijk al voorbij de pensioengerechtigde leeftijd. Van een generatie die de jaren zestig nog bewust heeft meegemaakt. Ik vond het mooi om daar weer eens in te worden gezogen, want de muzikale jaren zestig verdwijnen steeds verder naar de achtergrond.
In de dagen erna heb ik met plezier de eerste Stones-albums weer eens gedraaid. Voor ik het wist zat ik er weer helemaal in. Zeker de eerste paar platen hebben iets prettig ongecompliceerds. Maar hoe bekend de Stones ook zijn, voor mij heeft het wel heel lang geduurd voordat ik me er echt in ging verdiepen. Lange tijd bleef het bij de grote klassiekers en zag ik geen noodzaak daar verandering in te brengen.
De kennismaking was vermoedelijk met “Paint It Black”. In 1990 keek ik steevast naar Tour of Duty en dit was daarvan de themamuziek. Bijna 25 jaar na 1966 werd “Paint It Black” daardoor opnieuw een nummer 1-hit. Lange tijd was het voor mij het enige Rolling Stones-nummer dat ik kende. Als ik het nu hoor vind ik het ijzersterk, en valt me vooral op hoe de sitar voor een mystieke sfeer zorgt. Dat instrument was toen nog een redelijk unicum in de popmuziek, al zou dat mede door “Paint It Black” snel veranderen.
Een volgende kennismaking was “Angie”, via de Top 100 Aller Tijden, wat toen voor mij echt een grote muzikale gebeurtenis was. Al vond ik “Angie” eigenlijk vooral vervelend. Iets minder was dat met “(I Can’t Get No) Satisfaction”, een topfavoriet van mijn oom toen het uitkwam. Als ik mijn moeder moet geloven was hij ook echt een prototype Stones-fan met lang haar.
De band zou me de rest van de jaren negentig niet bovenmatig interesseren; dat kwam pas in de jaren nul. En eigenlijk werd de kiem daarvoor gelegd door een heel trieste gebeurtenis. Mijn toenmalige schoonmoeder werd plotseling uit het leven gerukt. Ik zal niet in details treden, maar de hele situatie was intens droevig en hoewel ik mijn portie ellende ook wel heb gehad eigenlijk gewoon het ergste dat ik heb meegemaakt. Ruim twintig jaar na dato kan ik er nog steeds niet over uit hoe heftig het was voor de naaste familie, die zich er uiteindelijk wonderbaarlijk doorheen heeft geslagen. Op de uitvaart speelde een goede vriend solo “No Expectations”, en dat voelde als een fraai eerbetoon aan hun zorgeloze jaren van voorheen, ook al is het in de kern een heel kwetsbare en eenzame country ballad. Ineens voelde ik de doorleefdheid van hun muziek veel beter aan.
Een volgende aanzet kwam een paar jaar later via mijn onderbuurman, die in een bekende Leidse band zat en daarmee af en toe oefende of optrad in zijn tuin. Op die momenten genoot ik daar enorm van, want ze konden waanzinnig goed spelen. Van de Stones speelden ze meestal “Sweet Virginia”, eigenlijk ook weer een nummer in de lijn van “No Expectations”: gevoelig en doorleefd.
In die periode heb ik beetje bij beetje hun muziek verder ontdekt en met name die uit de hoogtijdagen (1968–1972) helemaal grijsgedraaid. Beggars Banquet, het album met “No Expectations”, blijft vermoedelijk mijn favoriet. Eigenlijk vinden ze hier hun topvorm, na de onstuimige rhythm & blues van de beginjaren en de fascinerende maar soms wat geforceerde psychedelica van Their Satanic Majesties Request.
De opener “Sympathy for the Devil” alleen al is geweldig. Typisch zo’n nummer dat er altijd al geweest lijkt te zijn en dat je daardoor soms voor lief neemt. Ooit zag ik een tv-opname van de allereerste live-uitvoering, en dat was toch wel een moment. Zo’n goed nummer, met zo’n tekst, in die tijd. Waanzinnig. Ook het vermelden waard is “Parachute Woman”. Lange tijd moest ik niets hebben van de blues, maar door dit soort nummers hebben de Stones me er toch een beetje warm voor gemaakt. Verder is er nog “Street Fighting Man”, met een overdonderende gitaarriff in het intro. De urgentie spat er vanaf. Een nummer om van op de barricades te springen.
Let It Bleed was de opvolger: wellicht zelfs nog iets beter, maar de emotionele connectie gaat net iets minder diep. Nochtans is “Gimme Shelter” mijn meest gedraaide Stones-nummer. Ooit ontdekt via de gelijknamige documentaire over het Altamont-festival, destijds een soort west coast-tegenhanger van Woodstock, maar uitermate slecht georganiseerd. De Hells Angels worden gevraagd om de security te doen, in ruil voor bier. Dat blijkt geen geweldig idee. De sfeer is gespannen en uiteindelijk ontstaan rellen waarbij uiteindelijk zelfs iemand wordt doodgestoken door een Hells Angel. Zelfverdediging oordeelt de rechter. Hoe dan ook lijkt het achteraf een symbolisch einde van de flowerpower en de love, peace & happiness-cultuur. Dat is ook een beetje wat ik uit het nummer haal. “Rape, murder, It's just a shot away”.
Een ander belangrijk nummer is voor mij “Midnight Rambler”, een lange ‘blues opera’ zoals Keith Richards het eens omschreef. Het nummer is wat langer, heeft wat fijne tempowisselingen en voelt heel organisch. Het voelt niet echt als een nummer dat geschreven is, maar meer als een nummer dat altijd bestaan heeft en door Jagger en Richards alleen maar uit de lucht geplukt hoefde te worden, als een vogel die toevallig voorbij kwam vliegen. Hetzelfde gevoel heb ik bij “Can’t You Hear Me Knocking” van opvolger Sticky Fingers. Eigenlijk zie ik deze nummers als een soort bloedbroeders, want het waren juist deze nummers waardoor ik destijds echt in de ban raakte van de Stones. ‘Knockin’ duurt in eerste instantie nog geen drie minuten, maar daarna transformeert het in een lange spontane improvisatie. In eerste instantie wilde men dit niet op plaat zetten, maar ik ben blij dat ze uiteindelijk anders hebben besloten. Een andere topfavoriet is “Sister Morphine”, drie jaar eerder al opgenomen door Marianne Faithful. Wellicht vind ik die versie zelfs nog wel mooier, maar beide zijn hartverscheurend mooi. Met name de zin “the scream of the ambulance is sounding in my ears” snijdt dwars door de ziel.
Hierna verschijnt Exile on Main St., de beroemde dubbelaar en volgens velen het ultieme Stones-album. Zo ver ga ik niet; ook al klinkt de band hier weer net iets intenser, scherper en smeriger dan voorheen, als ik de Stones wil horen grijp ik toch meestal naar één van de drie voorgangers. Ik zie dit als hun laatste grote plaat: de albums hierna zijn ook nog goed, maar het lijkt een beetje alsof de spanningsboog er wat van af is en de band gewoon graag muziek maakt in plaats van dat het een absolute noodzaak is.
Inmiddels is mijn gigantische Stones-fase wel weer voorbij: ze waren een paar jaar lang mijn meest gedraaide artiest, maar met het concert op Pinkpop 2014 werd voor mij wel een persoonlijk muziektijdperk afgerond. Het was de enige keer dat ik ze live heb gezien, en het was een prachtige ervaring: stralend weer, een goede sfeer en een uitstekende setlist.
En natuurlijk de band zelf. Mick Jagger in absolute topvorm, voortdurend het hele podium aflopend — voor mijn gevoel kon hij nog makkelijk tien jaar mee. Keith Richards was dan weer een ander verhaal: spelen ging uitstekend, maar hij kwam nauwelijks van zijn plaats. Ronnie Wood voelde een beetje als het broekie van de band: als enige was hij toen nog “maar” een zestiger. En Charlie Watts natuurlijk, de aimabele drummer met jazzachtergrond die in 2021 is overleden.
Feitelijk bestaan ze al meer dan zestig jaar, al voelt het Stones-boek voor mij wel gesloten sinds het overlijden van Charlie Watts. Al de rest is coda. Ik vind dat wel bijzonder: het idee dat je van je vijftiende tot je vijfenzeventigste fan kunt zijn van dezelfde band en in zekere zin helemaal met ze bent meegegroeid. Het past ergens ook bij de doorleefdheid van hun beste nummers. Misschien is dat wel wat hun muziek zo bijzonder maakt: dat ze generaties lang met hun luisteraars kunnen meereizen. En soms, heel even, lijkt het alsof de tijd stil blijft staan — alsof de oude Stones nog steeds ergens op een transistorradio spelen.
19. The Rolling Stones
Favoriete albums: Beggars Banquet, Let It Bleed, Sticky Fingers
Favoriete nummers: (I Can't Get No) Satisfaction, Jumping Jack Flash, No Expectations, Midnight Rambler, Wild Horses, Can’t You Hear Me Knocking, Miss You
Deep cuts: Not Fade Away, We Love You, So Divine (Aladdins Story), Time Waits for No One, Heaven, Almost Hear You Sigh, Out of Tears
Live gezien: ja
Ook in de lijst van: aERodynamIC (61), dazzler (81), Kronos (77)
Soms kom je op een plek waar je ineens zestig jaar terug in de tijd wordt geworpen. Dat had ik laatst toen ik op een vrije middag ging wandelen in een oude haringstad en een molenwinkel binnenliep om meel te kopen. Ergens tussen de oneindige voorraad bakbenodigdheden voor koekjes, cakes, broden en pannenkoeken stond een oude transistorradio afgestemd op een zender die alleen maar muziek uit de jaren zestig draaide. Ik herkende The Outsiders (“Lying All the Time”) en ook The Rolling Stones (“The Last Time”).
Bij het afrekenen werd ik vriendelijk geholpen door een ouder stel: vitaal, maar vermoedelijk al voorbij de pensioengerechtigde leeftijd. Van een generatie die de jaren zestig nog bewust heeft meegemaakt. Ik vond het mooi om daar weer eens in te worden gezogen, want de muzikale jaren zestig verdwijnen steeds verder naar de achtergrond.
In de dagen erna heb ik met plezier de eerste Stones-albums weer eens gedraaid. Voor ik het wist zat ik er weer helemaal in. Zeker de eerste paar platen hebben iets prettig ongecompliceerds. Maar hoe bekend de Stones ook zijn, voor mij heeft het wel heel lang geduurd voordat ik me er echt in ging verdiepen. Lange tijd bleef het bij de grote klassiekers en zag ik geen noodzaak daar verandering in te brengen.
De kennismaking was vermoedelijk met “Paint It Black”. In 1990 keek ik steevast naar Tour of Duty en dit was daarvan de themamuziek. Bijna 25 jaar na 1966 werd “Paint It Black” daardoor opnieuw een nummer 1-hit. Lange tijd was het voor mij het enige Rolling Stones-nummer dat ik kende. Als ik het nu hoor vind ik het ijzersterk, en valt me vooral op hoe de sitar voor een mystieke sfeer zorgt. Dat instrument was toen nog een redelijk unicum in de popmuziek, al zou dat mede door “Paint It Black” snel veranderen.
Een volgende kennismaking was “Angie”, via de Top 100 Aller Tijden, wat toen voor mij echt een grote muzikale gebeurtenis was. Al vond ik “Angie” eigenlijk vooral vervelend. Iets minder was dat met “(I Can’t Get No) Satisfaction”, een topfavoriet van mijn oom toen het uitkwam. Als ik mijn moeder moet geloven was hij ook echt een prototype Stones-fan met lang haar.
De band zou me de rest van de jaren negentig niet bovenmatig interesseren; dat kwam pas in de jaren nul. En eigenlijk werd de kiem daarvoor gelegd door een heel trieste gebeurtenis. Mijn toenmalige schoonmoeder werd plotseling uit het leven gerukt. Ik zal niet in details treden, maar de hele situatie was intens droevig en hoewel ik mijn portie ellende ook wel heb gehad eigenlijk gewoon het ergste dat ik heb meegemaakt. Ruim twintig jaar na dato kan ik er nog steeds niet over uit hoe heftig het was voor de naaste familie, die zich er uiteindelijk wonderbaarlijk doorheen heeft geslagen. Op de uitvaart speelde een goede vriend solo “No Expectations”, en dat voelde als een fraai eerbetoon aan hun zorgeloze jaren van voorheen, ook al is het in de kern een heel kwetsbare en eenzame country ballad. Ineens voelde ik de doorleefdheid van hun muziek veel beter aan.
Een volgende aanzet kwam een paar jaar later via mijn onderbuurman, die in een bekende Leidse band zat en daarmee af en toe oefende of optrad in zijn tuin. Op die momenten genoot ik daar enorm van, want ze konden waanzinnig goed spelen. Van de Stones speelden ze meestal “Sweet Virginia”, eigenlijk ook weer een nummer in de lijn van “No Expectations”: gevoelig en doorleefd.
In die periode heb ik beetje bij beetje hun muziek verder ontdekt en met name die uit de hoogtijdagen (1968–1972) helemaal grijsgedraaid. Beggars Banquet, het album met “No Expectations”, blijft vermoedelijk mijn favoriet. Eigenlijk vinden ze hier hun topvorm, na de onstuimige rhythm & blues van de beginjaren en de fascinerende maar soms wat geforceerde psychedelica van Their Satanic Majesties Request.
De opener “Sympathy for the Devil” alleen al is geweldig. Typisch zo’n nummer dat er altijd al geweest lijkt te zijn en dat je daardoor soms voor lief neemt. Ooit zag ik een tv-opname van de allereerste live-uitvoering, en dat was toch wel een moment. Zo’n goed nummer, met zo’n tekst, in die tijd. Waanzinnig. Ook het vermelden waard is “Parachute Woman”. Lange tijd moest ik niets hebben van de blues, maar door dit soort nummers hebben de Stones me er toch een beetje warm voor gemaakt. Verder is er nog “Street Fighting Man”, met een overdonderende gitaarriff in het intro. De urgentie spat er vanaf. Een nummer om van op de barricades te springen.
Let It Bleed was de opvolger: wellicht zelfs nog iets beter, maar de emotionele connectie gaat net iets minder diep. Nochtans is “Gimme Shelter” mijn meest gedraaide Stones-nummer. Ooit ontdekt via de gelijknamige documentaire over het Altamont-festival, destijds een soort west coast-tegenhanger van Woodstock, maar uitermate slecht georganiseerd. De Hells Angels worden gevraagd om de security te doen, in ruil voor bier. Dat blijkt geen geweldig idee. De sfeer is gespannen en uiteindelijk ontstaan rellen waarbij uiteindelijk zelfs iemand wordt doodgestoken door een Hells Angel. Zelfverdediging oordeelt de rechter. Hoe dan ook lijkt het achteraf een symbolisch einde van de flowerpower en de love, peace & happiness-cultuur. Dat is ook een beetje wat ik uit het nummer haal. “Rape, murder, It's just a shot away”.
Een ander belangrijk nummer is voor mij “Midnight Rambler”, een lange ‘blues opera’ zoals Keith Richards het eens omschreef. Het nummer is wat langer, heeft wat fijne tempowisselingen en voelt heel organisch. Het voelt niet echt als een nummer dat geschreven is, maar meer als een nummer dat altijd bestaan heeft en door Jagger en Richards alleen maar uit de lucht geplukt hoefde te worden, als een vogel die toevallig voorbij kwam vliegen. Hetzelfde gevoel heb ik bij “Can’t You Hear Me Knocking” van opvolger Sticky Fingers. Eigenlijk zie ik deze nummers als een soort bloedbroeders, want het waren juist deze nummers waardoor ik destijds echt in de ban raakte van de Stones. ‘Knockin’ duurt in eerste instantie nog geen drie minuten, maar daarna transformeert het in een lange spontane improvisatie. In eerste instantie wilde men dit niet op plaat zetten, maar ik ben blij dat ze uiteindelijk anders hebben besloten. Een andere topfavoriet is “Sister Morphine”, drie jaar eerder al opgenomen door Marianne Faithful. Wellicht vind ik die versie zelfs nog wel mooier, maar beide zijn hartverscheurend mooi. Met name de zin “the scream of the ambulance is sounding in my ears” snijdt dwars door de ziel.
Hierna verschijnt Exile on Main St., de beroemde dubbelaar en volgens velen het ultieme Stones-album. Zo ver ga ik niet; ook al klinkt de band hier weer net iets intenser, scherper en smeriger dan voorheen, als ik de Stones wil horen grijp ik toch meestal naar één van de drie voorgangers. Ik zie dit als hun laatste grote plaat: de albums hierna zijn ook nog goed, maar het lijkt een beetje alsof de spanningsboog er wat van af is en de band gewoon graag muziek maakt in plaats van dat het een absolute noodzaak is.
Inmiddels is mijn gigantische Stones-fase wel weer voorbij: ze waren een paar jaar lang mijn meest gedraaide artiest, maar met het concert op Pinkpop 2014 werd voor mij wel een persoonlijk muziektijdperk afgerond. Het was de enige keer dat ik ze live heb gezien, en het was een prachtige ervaring: stralend weer, een goede sfeer en een uitstekende setlist.
En natuurlijk de band zelf. Mick Jagger in absolute topvorm, voortdurend het hele podium aflopend — voor mijn gevoel kon hij nog makkelijk tien jaar mee. Keith Richards was dan weer een ander verhaal: spelen ging uitstekend, maar hij kwam nauwelijks van zijn plaats. Ronnie Wood voelde een beetje als het broekie van de band: als enige was hij toen nog “maar” een zestiger. En Charlie Watts natuurlijk, de aimabele drummer met jazzachtergrond die in 2021 is overleden.
Feitelijk bestaan ze al meer dan zestig jaar, al voelt het Stones-boek voor mij wel gesloten sinds het overlijden van Charlie Watts. Al de rest is coda. Ik vind dat wel bijzonder: het idee dat je van je vijftiende tot je vijfenzeventigste fan kunt zijn van dezelfde band en in zekere zin helemaal met ze bent meegegroeid. Het past ergens ook bij de doorleefdheid van hun beste nummers. Misschien is dat wel wat hun muziek zo bijzonder maakt: dat ze generaties lang met hun luisteraars kunnen meereizen. En soms, heel even, lijkt het alsof de tijd stil blijft staan — alsof de oude Stones nog steeds ergens op een transistorradio spelen.
1
geplaatst: vandaag om 18:03 uur
Rolling Stones..... als ik één band niet had zien aankomen in jouw lijst 

1
geplaatst: vandaag om 18:47 uur
Als hierna Dream Theater komt, ben ik pas echt verbaasd. Mooi stuk weer herman!
1
geplaatst: vandaag om 18:55 uur
Zo verbazingwekkend is het toch ook weer niet voor iemand die al sinds jaar en dag een plaatje van Primal Scream naast zijn naam heeft? Het lijkt me niet zo'n grote stap van bijvoorbeeld het album Give Out But Don't Give Up, en het nummer Rocks in het bijzonder, naar de rock van de Stones.
Ik heb trouwens weer genoten van je stukken!
Ik heb trouwens weer genoten van je stukken!
2
geplaatst: vandaag om 19:11 uur
Choconas schreef:
Zo verbazingwekkend is het toch ook weer niet voor iemand die al sinds jaar en dag een plaatje van Primal Scream naast zijn naam heeft? Het lijkt me niet zo'n grote stap van bijvoorbeeld het album Give Out But Don't Give Up, en het nummer Rocks in het bijzonder, naar de rock van de Stones.
Zo verbazingwekkend is het toch ook weer niet voor iemand die al sinds jaar en dag een plaatje van Primal Scream naast zijn naam heeft? Het lijkt me niet zo'n grote stap van bijvoorbeeld het album Give Out But Don't Give Up, en het nummer Rocks in het bijzonder, naar de rock van de Stones.
Ik associeer herman totaal niet met Rolling Stones, maar je zal hier wel gelijk in hebben (het is mij gewoon ook nooit opgevallen denk ik)

0
geplaatst: vandaag om 19:29 uur
aERodynamIC schreef:
Ik associeer herman totaal niet met Rolling Stones, maar je zal hier wel gelijk in hebben (het is mij gewoon ook nooit opgevallen denk ik)
(quote)
Ik associeer herman totaal niet met Rolling Stones, maar je zal hier wel gelijk in hebben (het is mij gewoon ook nooit opgevallen denk ik)
Dan heb je niet opgelet hier op MuMe. Komt voor mij totaal niet als een verrassing

* denotes required fields.

