Magnifieke Sigur Rós vernieuwt, maar niet heus
De vier IJslandse postrockers van Sigur Rós zijn groot geworden. Op Rock Werchter waren ze volgens De Standaard het hoogtepunt en dit najaar treedt band op in Vorst Nationaal en de Heineken Music Hall. En dat is bijzonder, want Sigur Rós maakt zeer introverte en tegelijkertijd explosieve elvenmuziek. Breed uitwaaierende songs, ijle engelenzang, met een strijkstok bespeelde gitaren die voor dramatische effecten zorgt, dan weer ingehouden, dan weer ongegeneerd bombastisch, maar altijd onnavolgbaar en meer intuïtief dan rationeel.
Maar toch, de vonk is overgesprongen en het zij ze gegund, want de muziek van Sigur Rós behoort tot het beste wat dezer jaren te horen en zien is. Vooral spannend was hoe de band zich zou gaan ontwikkelen? Het tussendoortje
Hvarf/Heim uit 2007 bracht veel akoestisch gespeelde bekende nummers. De laatste volwaardige plaat was
Takk uit 2005 en daarop was al een grijpbaarder en meer poppy geluid te horen. Het was een mooie plaat, maar iets van de magie van toppers
Agaetis byrjun en
( ) was verloren gegaan. Hoe zou het verdergaan met Sigur Rós nu ze naar het grote EMI zijn overgestapt?
Ik heb zeer goed nieuws (dat overigens niet zo nieuw meer is, gezien de talloze enthousiaste recensies die al verschenen zijn):
Med sud i eyrun vid spilum endalaust (vertaald: 'with a buzz in our ears we play endlessly') is een prachtplaat die het mooiste van de klassieke albums en
Takk combineert. Het is een plaat om geen genoeg van te krijgen. De nieuweling biedt afgeronde liedjes van 3, 4, 5 minuten én een paar languitgesponnen nummers die meer aan de klassieke Sigur Rós doen denken.
Afgaand op opener
Gobbledigook en het daaropvolgende
Inní mér syngur vitleysingur doen vermoeden dat het roer helemaal om is. Het eerste nummer is vrolijk en uptempo zoals we dat bij deze band nog niet eerder gehoord hebben. De vrolijkheid en uitbundigheid doen met name aan Animal Collective en Super Furry Animals denken. Dan volgt een Arcade Fire-achtig nummer, dat wel de extase en opzwependheid heeft die we van Sigur Rós kennen, maar dan niet de ijle, mysterieuze variant, maar de rijkgeïnstrumenteerde en uitbundige.
'...doen vermoeden...' schreef ik in de voorgaande alinea over de start van dit album. Want het lijkt zeven minuten lang alsof er een nieuwe Sigur Rós is opgestaan die de oude volledig achter zich heeft gelaten. Maar dat is gelukkig niet zo. De eerste twee nummers zijn visitekaartjes van de nieuwe band. Ze zeggen: dit kunnen we ook. Maar de band maakt ook nog steeds melancholische, ingetogen muziek. En ook dramatische, bombast zoals op hoogtepunt
Festival. Het nieuwe geluid is de moeite, maar opvallend is dat dit nummer, dat zo op een oude plaat had kunnen staan, toch mijn favoriet is. Of dat iets over Sigur Rós zegt of over mijn conservatisme, weet ik eigenlijk niet.
Ik blijf gek op de Sigur Rós die er zwaar gitaargeweld, duistere drums, strijkers en engelenkoren bij haalt. En dat gebeurt op enkele nummers op het tweede deel van het album. Dan trekt zanger Jónsi zich weer terug in zijn onbegrijpelijke wereld, gaan zijn ogen dicht (zo stel ik me dat voor) en gaat zijn falsetstem de hoogte in. In 8, 9 minuten worden dan stiltes opgezocht om daarna de climax te zoeken en zonder ingetogenheid helemaal los te gaan, te zwelgen in het drama.