MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten dreamtheater06 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Elbow - The Take Off and Landing of Everything (2014)

poster
4,5
Ik weet gewoon niet waar ik moet beginnen, er is zoveel moois op deze plaat te vinden. Het feit dat ik maar twee favoriete nummers kan kiezen is al verschrikkelijk moeilijk. Het heeft wel een paar luisterbeurten geduurd maar na de lichtelijke misser die Build a Rocket Boys! heette maakt Elbow weer een échte Elbow-plaat. Of het nou ligt aan de extreem chille opener (met mini-climax die het nummer een van de beste songs van deze band maakt), de strijkers in charge, de baritonsax in Fly Boy Blue/Lunette (wat een lekkere gitaar-lick overigens), de uitbundigheid van het titelnummer of de meerstemmige elektronica van Honey Sun, ik blijf er meerdere delen van dag naar terugkomen.

Dan heb ik Real Life (Angel) en My Sad Captains nog geeneens genoemd, onterecht overigens want deze twee vormen wat mij betreft toch wel het middelpunt van het album. Blanket of the Night is inderdaad beter in akoestische setting (al heb ik weinig problemen met deze versie) en Colour Fields zie ik toch meer als tussendoortje en is daarmee het zwakste nummer van de plaat. Maar daar tegenover staat dan weer een track als New York Morning, die het feestelijke Elbow die we kennen van de vorige twee platen weer terug naar de voorgrond haalt.

Dat maakt dit album naar mijn mening dan ook zo goed, alle gezichten van de band komen aan bod. Zie het een beetje alsof Leaders of the Free World en Build a Rocket Boys! elkaar nogal leuk vonden en een kind kregen. De songs hebben namelijk de rust en mooie instrumentatie van laatstgenoemde, maar krijgen vaak toch een scherp en slim randje mee van Leaders. De rest van de albums komen gezellig op kraamvisite en ook dat is te horen. Kortom een verschrikkelijk goed album waar Elbow eens te meer zijn publiek verrast en beloont met een handvol prachtige nummers.

Led Zeppelin - Led Zeppelin II (1969)

poster
4,0
De manier waarop een album opent, is naar mijn mening zeer belangrijk voor het verloop van de rest van de desbetreffende langspeelplaat. Het zorgt ervoor dat ik wordt uitgenodigd om verder te luisteren en me te laten verdrinken in de belevingswereld van de band. Sommige groepen weten hierin te slagen maar anderen falen hier jammerlijk in. Als de openingsriff van “Whole Lotta Love” mijn trommelvliezen echter doet trillen, kan mijn plezier niet meer op. De bluesrock van “Led Zeppelin I” was al zeer heftig voor het publiek maar met de opvolger van de laatstgenoemde plaat is het officieel. Nadat bands als Steppenwolf (bekend van “Born to be Wild”) al in 1968 een beetje experimenteerde met de scheurende gitaren, gaat Led Zeppelin nog een stapje verder. De hardrock heeft officieel zijn intrede gemaakt in de popmuziek.

De virtuositeit van de bandleden zorgde er namelijk voor dat ze het in zich hadden het nieuwe genre aan het publiek te presenteren. Jimmy Page staat namelijk nog steeds bekend als een van de beste gitaristen aller tijden. Het mag dan ook geen toeval heten dat hij in de recent verschenen documentaire “It Might Get Loud” zijn mede-gitaristen the Edge (U2) en Jack White (the White Stripes) er verschrikkelijk makkelijk uitspeelt. De ritmische sectie mag natuurlijk ook zeker niet vergeten worden, zowel John Bonham (drummer) als John Paul Jones (bassist) worden geprezen voor hun vakmanschap op het door hun bespeelde instrument. Zo zijn bijvoorbeeld de fills van Bonham in de balade “Thank You” van een uitermate hoog niveau (om nog maar te zwijgen over de geweldige drumsolo in “Moby Dick”), terwijl Jones zijn basgitaar bijna als een lead-instrument laat klinken op “the Lemon Song”.

Een aparte vermelding moet natuurlijk gemaakt worden voor de zang van Robert Plant. Net als op het eerste album zingt de beste man zijn longen uit het lijf met geweldige uithalen en andere dergelijke oerschreeuwen. Samen met Page schreef hij ook het grootste gedeelte van de teksten waardoor de vocalist ook oprecht op de luisteraar overkomt. Daarbij komt ook nog eens dat de band heerlijk op elkaar is ingespeeld, beste voorbeeld hiervan is “Bring It On Home”. Het ietwat flauwe en geforceerde intro zorgen ervoor dat de overgang van ouderwetse blues in venijnige hardrock extra hard aankomt bij de luisteraar. Wat volgt is een catchy riff die op de hielen wordt gezeten door een geweldige baslijn van Jones gecombineerd met het drumwerk van Bonham. Tot slot komt Plant daar nog eens overheen om het geheel compleet te maken.

Toch is dit niet de beste song van het album, die eer is namelijk gereserveerd voor “Heartbreaker”. Een smerige song die een en al doem en verderf uitstraalt, een herkenbare riff leidt het nummer in en zoals de titel al doet vermoeden wordt er in ieder geval niet gezongen over de liefde van iemands leven. Door dit soort hoogtepunten is het extra jammer dat de productie niet altijd even goed gedaan is. Zo zijn vrijwel alle tracks op het album zeer sterk als een op zichzelf staand nummer maar wanneer het album als een geheel beluisterd wordt, klinkt het op momenten wat rommelig. Een kleine smet dus op dit fantastische album.

Al met al kunnen we “Led Zeppelin II” dus met recht een verschrikkelijk goed werkstuk noemen. De plaat doet naar mijn mening namelijk mee in de grote reeks klassiekers die het prachtige jaar 1969 rijk was (onder andere “Abbey Road” van the Beatles en “Tommy” van the Who). Het album heeft namelijk veel een veel meer impact gehad op de muziekgeschiedenis van de afgelopen 50 jaar dan bijvoorbeeld zijn voorganger of de eerder genoemde plaat van Steppenwolf. Na een bruisend jaren zestig was het Led Zeppelin die een nieuwe stroming inwijdden, de jaren zeventig konden beginnen…

Some people cry and some people die by the wicked ways of love;
But I'll just keep on rollin' along with the grace of the Lord above.

Jimmy Page, Robert Plant, John Bonham, John Paul Jones (Heartbreaker)

Pink Floyd - The Wall (1979)

poster
4,0
De koude oorlog heeft voor vele verschrikkelijke gebeurtenissen gezorgd, onder ander de oorlog in Vietnam en het feit dat de meeste vijanden van Ian Flemmings “James Bond” uit Rusland afkomstig zijn, zijn gevolgen van dit langlopende conflict tussen de Verenigde Staten en de Sovjet Unie. Iets dichterbij huis was natuurlijk de beruchte Berlijnse muur, waardoor ons Duitse buurland werd opgedeeld in twee gebieden. Dit heeft eigenlijk niets te maken heeft met het album “The Wall” van Pink Floyd (hoewel het er wel al eens integraal is uitgevoerd) maar op de een of andere gekke reden associeer ik het historische bouwwerk toch altijd met het laatste album dat de naam Pink Floyd waardig is.

Dat komt waarschijnlijk doordat ik bij beide verschijnselen een kil gevoel krijg, zo voel ik me eigenlijk niet uitgenodigd door de band om hun album te beluisteren. Het is me daarom dan ook een raadsel dat dit door moet gaan voor een van Pink Floyd’s bekendste en meest geliefde albums. Het album was namelijk nog geeneens een echte productie van alle vier de bandleden, Roger Waters begon het heft hier namelijk in eigen hand te nemen en bood David Gilmour weinig ruimte voor zijn eigen composities. Dat dit voor flink wat opschudding in de band zorgde, was natuurlijk vanzelfsprekend. Op een gegeven moment kwam het zelfs zo ver dat de toetsenist Richard Wright tijdens de productie opstapte, later keerde hij echter wel weer terug voor een aankomende tour.

Maar goed, het album dus. Het betreft hier een langspeelplaat met vier kanten, of voor de moderne mens onder ons: een dubbel-cd. We volgen het leven van rockster Pink (Floyd), een creatie van Waters waar hij zich maar al te goed mee kon identificeren. Dit is ook de reden dat het album zo donker aanvoelt. Gezien het feit dat Roger de meeste contributies leverde betekent ook gelijk dat we zijn stem het grootste deel te horen krijgen. Daar op zich niets mis mee, de beste man is namelijk een prima liedjesschrijver en zingt zijn teksten zeer oprecht. Het probleem is echter dat hij niet altijd even spontaan overkomt, dit is natuurlijk niet erg voor een paar nummers (Roger moet zich namelijk toch een beetje in kunnen leven als aan lager wal geraakte superster) maar na zo’n tien nummers gaat dit toch een beetje vervelen. Dan is het toch wel jammer dat we die mooie dromerige stem van Gilmour of Wright een stuk minder te horen krijgen.

Of dat optimisme van de twee laatstgenoemde zangers überhaupt past bij het verhaal van deze zogenaamde rockopera is natuurlijk een tweede. Het leven van de eerdergenoemde rockster Pink wordt namelijk in geuren en kleuren bezongen op deze plaat van bijna anderhalf uur en dat is nou niet bepaald als een ritje door de droomvlucht van de Efteling. Het verhaal van Pink is namelijk zeer grimmig, zo stierf zijn vader in de tweede wereldoorlog, op school werd hij misbruikt door leraren en ook zijn liefdesleven gaat niet over rozen. Het liefst wil hij er eigenlijk gewoon niet aan denken, wat resulteert dat alle problemen zich in zijn gedachten opstapelen en een gigantische muur vormen. Dit zorgt ervoor dat hij in zijn latere leven nog meer problemen krijgt zoals drugsverslaving en een fascistische levensstijl.

Hoe dit wordt vertaald naar de muziek is vrij wisselvallig in kwaliteit, zoals dat eigenlijk meestal wel het geval is met vier plaatkanten aan muziek. Pareltjes als “the Thin Ice”, “Hey You” “the Trial” en in mindere mate het zeer overschatte “Comfortably Numb” worden afgewisseld met draken als “Don’t Leave Me”, “Goodbye Cruel World” en het tenenkrommende “Another Brick in the Wall part 2”. Verder hebben we dan ook nog de niemandsdalletjes waar ik onder andere “Young Lust” en “Mother” toe reken. Toch komen de Engelse heren hier grotendeels mee weg omdat vrijwel ieder nummer essentieel is voor het verhaal van Pink. Toch staat vrijwel geen enkel nummer goed op eigen benen. Nu is het natuurlijk wel algemeen bekend dat je de albums van Pink Floyd moet luisteren als een geheel en ik zou geen fan van de band zijn als ik dat zou ontkrachten. Op de eerdere albums zoals het alom geprezen “The Dark Side of the Moon” echter waren de songs ook uiterst genietbaar wanneer ze uit hun context werden gehaald.

Zoals ik al eerder schreef zijn de mindere nummers te danken aan het feit dat er een verhaal verteld wordt. Op het vlak van rockopera worden echter ook niet al te veel punten behaald, het verhaal weet de aandacht namelijk lang niet altijd goed vast te houden. Dat is uiteraard zeer jammer aangezien het verhaal er op papier aller-aantrekkelijk uitziet, het is dan ook niet voor niets dat het album een paar jaar later werd vertaald naar het grote scherm. Op de langspeelplaat spreekt de depressieve rockster echter minder tot de verbeelding, mede doordat ik (ondanks zijn verschrikkelijke belevingen) geen sympathie voel voor het hoofdpersonage. Toch kunnen we ons gelukkig wel een voorstelling maken van de gebeurtenissen in het verhaal, dit komt echter niet door de teksten maar door de vaak angstaanjagende muziek. Neem bijvoorbeeld een nummer als “the Trial”, de instrumentatie vertaald de wanhoop van de gevallen rockster namelijk akelig goed.

Hoe zo’n (naar Pink Floyd-maatstaven) middelmatig werkstuk dan als een klassieker gezien wordt kan ik na het schrijven van deze recensie wel beamen. Het album voelt namelijk vrij toegankelijk aan door het grote aantal aan korte nummers die de plaat rijk is. Geen enkele song komt namelijk boven de zeven minuten uit en dat is ongehoord voor een werkje van Pink Floyd. De band moet het namelijk vaak hebben van de langgerekte nummers die een mooie opbouw kennen maar dit verschijnsel lijkt op “the Wall” vrijwel volledig te zijn verdwenen. Door een aantal goede songs wordt het album toch nog de afgrond uit getild en gaat dan ook niet met een onvoldoende naar huis, hierna ging het namelijk pas echt bergafwaarts met de band (zowel op muzikaal als sociaal vlak). Mijn conclusie is dan ook: een overschat album dat een waardige klassieker is voor de massa maar een teleurstellend afscheid voor de mensen die eens fan waren van het legendarische Pink Floyd.

If you should go skating
On the thin ice of modern life
Dragging behind you the silent reproach
Of a million tear-stained eyes
Don't be surprised when a crack in the ice
Appears under your feet


Roger Waters (the Thin Ice)

The Beatles - Revolver (1966)

poster
4,0
Mijn favoriete Beatles-album wil van tijd tot tijd nog wel eens veranderen. Waar ik de ene keer als een blok kan vallen voor de diversiteit van “The Beatles” (White Album), daar zwijmel ik de andere keer weg bij de zoete Rock and Roll van bijvoorbeeld “A Hard Day’s Nigt” of “Beatles for Sale”. Echter bij de keuze aan welk album ik de prettigste herinneringen heb overgehouden is de beslissing zo gemaakt, mijn oog valt dan namelijk vrijwel gelijk op “Revolver” (en om eerlijk te zijn, in mindere mate “Rubber Soul”).

Zo kan ik op een warme zomerdag, als ik op weg ben naar mijn vriendin, niets anders luisteren dan een nummer als “Good Day Sunshine”. Het heerlijke geluid dat Paul McCartney uit zien piano weet te halen is namelijk een lust voor het oor. Tel hierbij een heerlijk optimistische tekst bij op en je hebt een pracht van een nummer. Naast optimisme is er echter ook een hoop depressie te vinden op “Revolver”, zo zal “Eleanor Rigby” zeker niet doorgaan voor het meest vrolijke liedje van the Beatles en ook de heerlijke opener “Taxman” kent een zeer klagende en- pessimistische tekst.

Het is dan ook gelijk de grote kracht van het zevende album van de vier jongens uit de havenstad Liverpool. Onder het motto “Voor ieder wat wils” lopen de stijlen op “Revolver” namelijk uiteen van mierzoete liefdesliedjes tot kinderliedjes tot psychedelische klassiekers. Het prachtige is dat ook al deze veertien nummers van een verschrikkelijk hoog niveau zijn, zelfs het kinderachtige “Yellow Submarine” kan mij zeker bekoren en ik kan me geen “Revolver” voorstellen zonder deze geinige onzin.

“Revolver” is behalve de diversiteit, een klassieker op meerdere fronten. Zo is dit werkstuk het eerste van the Beatles waarin de composities van Paul vrijwel op gelijke hoogte komen te staan met die van John Lennon (die met “I’m Only Sleeping”, “She Said She Said” en natuurlijk “Tomorrow Never Knows” nog steeds het beste werk aflevert). Om prachtige ballades als “For No One”, “Here There and Everywhere” en het eerder genoemde “Eleanor Rigby” voort te brengen zul je namelijk van goeden huize moeten komen.

Behalve Paul, begint ook George Harrison zich te ontwikkelen als liedjesschrijver en probeert zich los te wurmen uit de schaduw van het duo Lennon/McCartney. Dat lukt hem overigens opperbest, het is namelijk niet voor niets dat hij drie van de veertien plekken op het album in beslag neemt. George gebruikt zijn plek dan ook wijs en laat in bijvoorbeeld “Love You To” (een van de twee meest surrealistische werkjes op het album) zijn liefde voor Indiase muziek meer dan ooit blijken.

Het album laat dan ook voor het eerst de individuele muzikale richtingen van het viertal zien. John ontpopt zich tot een formidabele (door Dylan-beïnvloede) tekstschrijver, terwijl Paul zich juist ontwikkeld tot een meester in het componeren van de meest prachtige muziek hoewel hij qua tekst een beetje achterblijft ten opzichte van Lennon. George daarentegen is een geheel ander verhaal, hij komt vanaf dit album een beetje tussen de twee grootheden in te zitten op zowel muzikaal als tekstueel vlak. Daarnaast wordt zijn fascinatie voor Indiase muziek kenmerkend voor zijn karakter en verandert van de stille Beatle in de intellectuele mysticus.

Ringo Starr daarentegen blijft eigenlijk gewoon zichzelf en probeert zich enkel op technisch vlak te verbeteren, wat hem overigens ook lukt. Op de single “Paperback Writer”/”Rain” had hij zich eigenlijk al lang bewezen maar als hij het hypnotiserende ritme van “Tomorrow Never Knows” uit zijn drums weet te toveren kunnen we er niet meer omheen: the Beatles hadden een verdomd goeie drummer.

Afronden gaat me dan ook moeilijk af, ik zou namelijk wel uren door kunnen praten over de kleine details die dit album zo’n genot om naar te luisteren maken. Mijn favoriete Beatles-album van het moment mag dan duidelijk zijn. De experimenteerdrift op “Revolver” wint het dit maal van het perfectionisme dat op “Abbey Road” de kroon spant en naar mijn mening is “Revolver” (samen met “Rubber Soul”) het mooiste stukje muziek dat een rockband ooit op plaat heeft mogen zetten.

“Turn of your mind, relax and go downstream…”

John Lennon (Tomorrow Never Knows)