Hier kun je zien welke berichten Tubanti als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Ben Howard - Noonday Dream (2018)

2,5
0
geplaatst: 12 juni 2018, 11:09 uur
Recensie ROAR E-zine:
Ben Howard – Noonday Dream | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Met zijn derde album neemt Ben Howard na I Forget Where We Were een nog onconventionelere afslag. Helaas blijkt dit geen gelukkige keus: Noonday Dream weet nergens zo te boeien als zijn voorganger.
Met ‘Nica Libres At Dusk’ begint Howards derde albumproductie nog hoopvol. Door een mengelmoes van elektronische geluiden, een drumcomputer en één helder klinkende gitaar bouwt het openingsnummer met een ‘buitenaards’ geluid op naar een refrein, dat door een dominantie van gitaren in plaats van elektronische geluiden, een prachtig helder en ‘aardser’ geluid bevat. Hierna ontvouwt de openingstrack zich tot een prettig folknummer met veel elektronische invloeden. Als zich na een kleine zes minuten een prachtig, op een piano leunend outro aandient, lopen de verwachtingen voor de rest van de plaat als vanzelf hoog op.
Helaas worden deze hoge verwachtingen snel de kop ingedrukt. Zowel ‘Towing The Line’ als ‘A Boat To An Island On The Wall’ bevatten een intro die volledig los staat van de rest van de nummers. Deze hebben een monotone, elektronische klank en met zijn ingetogen zang en elektronisch vervormde stem weet Howard het ook niet aantrekkelijker te maken. Hoewel het laatstgenoemde nummer naarmate het vordert wel interessanter wordt, door onder andere de toevoeging van scheurende gitaren, is het over de gehele linie te mager, waarmee het symbool staat voor Noonday Dream als geheel.
In 2011 debuteert Ben Howard met Every Kingdom, een pop/folkalbum dat meteen in de smaak valt bij het grote publiek. Met ‘Keep Your Head Up’ heeft Howard meteen een grote hit te pakken: 3VOOR12 roept het nummer zelfs uit tot Song van het jaar 2012. Met I Forget Where We Were brengt Howard in 2014 een veel minder radiovriendelijke plaat uit. Kenmerkend zijn nummers van vijf minuten en langer, een gelaagde opbouw en het licht experimentele doch lyrische karakter.
Deze karakteristieken zijn ook van toepassing op ‘Someone In The Doorway’, een positieve uitzondering op het matige Noonday Dream. Het derde album van de 31-jarige Brit typeert zich door een dominantie aan elektronische bastonen, die in combinatie met synthesizers het buitenaardse thema vormen. Door een opbouwende percussiepartij of de toevoeging van gitaren weet Howard de nummers die telkens vrij kleurloos beginnen af en toe wat meer sjeu te geven, maar door de weinig lyrische composities en Howards mompelende zang komen de liedjes nooit echt tot leven. Hiermee doet Howard zichzelf en zijn publiek tekort, want dat er meer in het vat zit dan Noonday Dream heeft hij al bewezen.
Ben Howard – Noonday Dream | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Met zijn derde album neemt Ben Howard na I Forget Where We Were een nog onconventionelere afslag. Helaas blijkt dit geen gelukkige keus: Noonday Dream weet nergens zo te boeien als zijn voorganger.
Met ‘Nica Libres At Dusk’ begint Howards derde albumproductie nog hoopvol. Door een mengelmoes van elektronische geluiden, een drumcomputer en één helder klinkende gitaar bouwt het openingsnummer met een ‘buitenaards’ geluid op naar een refrein, dat door een dominantie van gitaren in plaats van elektronische geluiden, een prachtig helder en ‘aardser’ geluid bevat. Hierna ontvouwt de openingstrack zich tot een prettig folknummer met veel elektronische invloeden. Als zich na een kleine zes minuten een prachtig, op een piano leunend outro aandient, lopen de verwachtingen voor de rest van de plaat als vanzelf hoog op.
Helaas worden deze hoge verwachtingen snel de kop ingedrukt. Zowel ‘Towing The Line’ als ‘A Boat To An Island On The Wall’ bevatten een intro die volledig los staat van de rest van de nummers. Deze hebben een monotone, elektronische klank en met zijn ingetogen zang en elektronisch vervormde stem weet Howard het ook niet aantrekkelijker te maken. Hoewel het laatstgenoemde nummer naarmate het vordert wel interessanter wordt, door onder andere de toevoeging van scheurende gitaren, is het over de gehele linie te mager, waarmee het symbool staat voor Noonday Dream als geheel.
In 2011 debuteert Ben Howard met Every Kingdom, een pop/folkalbum dat meteen in de smaak valt bij het grote publiek. Met ‘Keep Your Head Up’ heeft Howard meteen een grote hit te pakken: 3VOOR12 roept het nummer zelfs uit tot Song van het jaar 2012. Met I Forget Where We Were brengt Howard in 2014 een veel minder radiovriendelijke plaat uit. Kenmerkend zijn nummers van vijf minuten en langer, een gelaagde opbouw en het licht experimentele doch lyrische karakter.
Deze karakteristieken zijn ook van toepassing op ‘Someone In The Doorway’, een positieve uitzondering op het matige Noonday Dream. Het derde album van de 31-jarige Brit typeert zich door een dominantie aan elektronische bastonen, die in combinatie met synthesizers het buitenaardse thema vormen. Door een opbouwende percussiepartij of de toevoeging van gitaren weet Howard de nummers die telkens vrij kleurloos beginnen af en toe wat meer sjeu te geven, maar door de weinig lyrische composities en Howards mompelende zang komen de liedjes nooit echt tot leven. Hiermee doet Howard zichzelf en zijn publiek tekort, want dat er meer in het vat zit dan Noonday Dream heeft hij al bewezen.
Benjamin Clementine - I Tell a Fly (2017)

4,0
2
geplaatst: 15 november 2017, 17:44 uur
Vlieg door de muziekwereld van Benjamin Clementine
Benjamin Clementine neemt je op I Tell A Fly mee op reis door een zelfgecreëerde muziekwereld. In deze wereld valt hoofdzakelijk popmuziek te bewonderen, maar ervaar je ook geregeld klassieke muziek. In de wereld van Clementine lijken componisten uit de 19e eeuw hand in hand te lopen met popiconen als Queen en David Bowie.
Naar eigen zeggen vertelt I Tell A Fly, het tweede studioalbum van Benjamin Clementine, het verhaal van twee vliegen op ontdekkingsreis, met Clementine als verteller. De vliegen stellen tegelijkertijd ronddwalende aliens voor, zoals Clementine zich ook voelde tijdens zijn vele reizen, de afgelopen jaren. Als luisteraar ervaar je deze reis vooral als een enerverende trip, die zich een weg baant door een afwisselend landschap van popmuziek en klassieke muziek.
Twee jaar na Clementine’s debuutalbum At Least For Now, waarmee hij in 2015 de Mercury Prize in de wacht sleepte, legt de Engelsman met Ghanese roots een veel experimenteler geluid in zijn nieuwste creatie. Zo combineert hij popmuziek, klassieke muziek, elektronische elementen en horen we ook Afro-Amerikaanse invloeden, terwijl de klavecimbel als rode draad door het album loopt: niet bepaald een standaardformule.
Dat I Tell A Fly geen standaard popalbum is blijkt meteen uit het openingsnummer: nadat ruim een halve minuut een vaag geluid van synthesizers en stemmen hebben geklonken, lijkt Farewell Sonata daadwerkelijk te ontaarden in een sonate. Echter, doemt even verderop een lieddeel op dat begint met iets wat lijkt op een elektronisch draaiorgelgeluid in combinatie met een door Queen-geïnspireerde progressie. Vervolgens laat Clementine het nummer weer eindigen in het sonate-achtige thema.
De 28-jarige Clementine lijkt zich naast Queen door vele andere artiesten, genres en stukken te hebben geïnspireerd. Zo speelt hij in God Save The Jungle met de melodie (en natuurlijk de titel) van het Britse volkslied, doet het klassieke einde van het experimentele Better Sorry Than A Safe denken aan Leonard Cohens On The Level en horen we aan het eind van Paris Cor Blimey een stukje van Claude Debussy’s Clair de Lune. In Quintesssence lijkt Clementine in de pianopartij te verwijzen naar een andere 19e-eeuwse componist, Franz Liszt, terwijl in de melodie de vergelijking valt te maken met een nummer van de beroemdste crooner ooit, Frank Sinatra. Het nummer opent op de piano op een manier die doet denken aan Liebestraum No.3 en Un Sospiro, twee bekendere stukken van de Hongaarse pianovirtuoos, terwijl Clementine zingend een melodie brengt die veel lijkt op die van My Way van Sinatra (oorspronkelijk gecomponeerd door Jacques Revaux). One Awkward Fish, die begint met een prominente rol voor klavecimbel, lijkt hevig geïnspireerd door David Bowies zwanenzang Blackstar (album) en een klein scheutje Afro-Amerikaanse invloeden zijn hoorbaar op de nummers Phantom Of Aleppoville en Ave Dreamer.
Toch staan er op dit album niet alleen maar experimentele nummers waarbij verschillende muziekstijlen gecombineerd worden. Voor een meer conventioneel geluid kun je de nummers Jupiter en By The Ports Of Europe beluisteren. Laatstgenoemde grijpt het meeste terug naar de stijl van Clementine’s debuutalbum en bestaat uit een duidelijke ‘ABAB-structuur’. Enkel de bridge is wat minder conventioneel. Eenzelfde structuur, maar dan zonder bridge, hoor je op Jupiter, dat de meeste kans lijkt te maken op een hitnotering.
I Tell A Fly is een verhaal van vliegen en aliens. Van pop en klassiek. Van klavecimbel en synthesizer. Een muzikale, veelzijdige reis vol verassing en experiment, maar af en toe ook van herkenning. Luister naar de stem van Benjamin Clementine, vlieg mee met de vliegen en voel je soms een ronddwalende alien. Des te prettiger is het als de reis weer langs herkenbare paden voert, op weg naar de volgende verassing.
Benjamin Clementine neemt je op I Tell A Fly mee op reis door een zelfgecreëerde muziekwereld. In deze wereld valt hoofdzakelijk popmuziek te bewonderen, maar ervaar je ook geregeld klassieke muziek. In de wereld van Clementine lijken componisten uit de 19e eeuw hand in hand te lopen met popiconen als Queen en David Bowie.
Naar eigen zeggen vertelt I Tell A Fly, het tweede studioalbum van Benjamin Clementine, het verhaal van twee vliegen op ontdekkingsreis, met Clementine als verteller. De vliegen stellen tegelijkertijd ronddwalende aliens voor, zoals Clementine zich ook voelde tijdens zijn vele reizen, de afgelopen jaren. Als luisteraar ervaar je deze reis vooral als een enerverende trip, die zich een weg baant door een afwisselend landschap van popmuziek en klassieke muziek.
Twee jaar na Clementine’s debuutalbum At Least For Now, waarmee hij in 2015 de Mercury Prize in de wacht sleepte, legt de Engelsman met Ghanese roots een veel experimenteler geluid in zijn nieuwste creatie. Zo combineert hij popmuziek, klassieke muziek, elektronische elementen en horen we ook Afro-Amerikaanse invloeden, terwijl de klavecimbel als rode draad door het album loopt: niet bepaald een standaardformule.
Dat I Tell A Fly geen standaard popalbum is blijkt meteen uit het openingsnummer: nadat ruim een halve minuut een vaag geluid van synthesizers en stemmen hebben geklonken, lijkt Farewell Sonata daadwerkelijk te ontaarden in een sonate. Echter, doemt even verderop een lieddeel op dat begint met iets wat lijkt op een elektronisch draaiorgelgeluid in combinatie met een door Queen-geïnspireerde progressie. Vervolgens laat Clementine het nummer weer eindigen in het sonate-achtige thema.
De 28-jarige Clementine lijkt zich naast Queen door vele andere artiesten, genres en stukken te hebben geïnspireerd. Zo speelt hij in God Save The Jungle met de melodie (en natuurlijk de titel) van het Britse volkslied, doet het klassieke einde van het experimentele Better Sorry Than A Safe denken aan Leonard Cohens On The Level en horen we aan het eind van Paris Cor Blimey een stukje van Claude Debussy’s Clair de Lune. In Quintesssence lijkt Clementine in de pianopartij te verwijzen naar een andere 19e-eeuwse componist, Franz Liszt, terwijl in de melodie de vergelijking valt te maken met een nummer van de beroemdste crooner ooit, Frank Sinatra. Het nummer opent op de piano op een manier die doet denken aan Liebestraum No.3 en Un Sospiro, twee bekendere stukken van de Hongaarse pianovirtuoos, terwijl Clementine zingend een melodie brengt die veel lijkt op die van My Way van Sinatra (oorspronkelijk gecomponeerd door Jacques Revaux). One Awkward Fish, die begint met een prominente rol voor klavecimbel, lijkt hevig geïnspireerd door David Bowies zwanenzang Blackstar (album) en een klein scheutje Afro-Amerikaanse invloeden zijn hoorbaar op de nummers Phantom Of Aleppoville en Ave Dreamer.
Toch staan er op dit album niet alleen maar experimentele nummers waarbij verschillende muziekstijlen gecombineerd worden. Voor een meer conventioneel geluid kun je de nummers Jupiter en By The Ports Of Europe beluisteren. Laatstgenoemde grijpt het meeste terug naar de stijl van Clementine’s debuutalbum en bestaat uit een duidelijke ‘ABAB-structuur’. Enkel de bridge is wat minder conventioneel. Eenzelfde structuur, maar dan zonder bridge, hoor je op Jupiter, dat de meeste kans lijkt te maken op een hitnotering.
I Tell A Fly is een verhaal van vliegen en aliens. Van pop en klassiek. Van klavecimbel en synthesizer. Een muzikale, veelzijdige reis vol verassing en experiment, maar af en toe ook van herkenning. Luister naar de stem van Benjamin Clementine, vlieg mee met de vliegen en voel je soms een ronddwalende alien. Des te prettiger is het als de reis weer langs herkenbare paden voert, op weg naar de volgende verassing.
Gregory Alan Isakov - Evening Machines (2018)

3,5
0
geplaatst: 23 oktober 2018, 20:26 uur
Recensie ROAR E-Zine:
Gregory Alan Isakov - Evening Machines | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Vijf jaar na het succesvolle The Weatherman komt Gregory Alan Isakov met zijn opvolger: Evening Machines. Hoewel ook dit album zeer sfeervol is en overal goed in elkaar steekt, bevat het geen verslavingsgevaar.
Evening Machines opent met ‘Berth’, een nummer met pianoklanken die subtiel worden aangevuld door een steelgitaar en strijkers. Door de gelaagde opbouw, met gitaren en slagwerk die een steeds prominentere rol gaan spelen, voelt het openingsnummer warm aan. Ondanks dat kun je als luisteraar toch ook snel de aandacht verliezen, wat ook geldt voor het zorgvuldig gearrangeerde ‘San Luis’: warm, sfeervol, maar tegelijkertijd kabbelend en weinig enerverend. Evening Machines weet zijn luisteraar net zo makkelijk te boeien als in slaap te sussen.
Zo begint ‘Southern Star’ als luchtig tussendoortje, dat niet bijzonder veel nieuws lijkt te bieden. Echter, vanuit de achtergrond bouwt zich een partij strijkers op, die langzaam naar de voorgrond bewegen. Als op een gegeven moment een viool de hoofdrol pakt, is het onmogelijk om als luisteraar verder weg te dromen. Voor het eerst weet Isakov de luisteraar hier op dwingende wijze te grijpen. Helaas is dit van korte duur: de viool doet al snel weer een stap terug om ruimte te maken voor het luchtige einde van dit korte nummer.
Hoogtepunten van het album zijn ‘Was I Just Another One’ en ‘Where You Gonna Go’, waar sfeer en onderhuidse spanning tot een hoogtepunt komen. Op laatstgenoemde nummer doet Isakov qua stijl en stemgeluid het sterkst denken aan Ben Howard, waar het die associatie ook in ‘Bullet Holes’ al oproept. Ook het volkse geluid op ‘Dark, Dark, Dark’, gecreëerd door banjo en violen, en afsluiter ‘Wings In All Black’, waarop de piano het meest sprekend is, zijn een positieve noot waard en maken dit echte folk-album tot een plaat waarop toch genoeg te genieten valt.
Gregory Alan Isakov - Evening Machines | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Vijf jaar na het succesvolle The Weatherman komt Gregory Alan Isakov met zijn opvolger: Evening Machines. Hoewel ook dit album zeer sfeervol is en overal goed in elkaar steekt, bevat het geen verslavingsgevaar.
Evening Machines opent met ‘Berth’, een nummer met pianoklanken die subtiel worden aangevuld door een steelgitaar en strijkers. Door de gelaagde opbouw, met gitaren en slagwerk die een steeds prominentere rol gaan spelen, voelt het openingsnummer warm aan. Ondanks dat kun je als luisteraar toch ook snel de aandacht verliezen, wat ook geldt voor het zorgvuldig gearrangeerde ‘San Luis’: warm, sfeervol, maar tegelijkertijd kabbelend en weinig enerverend. Evening Machines weet zijn luisteraar net zo makkelijk te boeien als in slaap te sussen.
Zo begint ‘Southern Star’ als luchtig tussendoortje, dat niet bijzonder veel nieuws lijkt te bieden. Echter, vanuit de achtergrond bouwt zich een partij strijkers op, die langzaam naar de voorgrond bewegen. Als op een gegeven moment een viool de hoofdrol pakt, is het onmogelijk om als luisteraar verder weg te dromen. Voor het eerst weet Isakov de luisteraar hier op dwingende wijze te grijpen. Helaas is dit van korte duur: de viool doet al snel weer een stap terug om ruimte te maken voor het luchtige einde van dit korte nummer.
Hoogtepunten van het album zijn ‘Was I Just Another One’ en ‘Where You Gonna Go’, waar sfeer en onderhuidse spanning tot een hoogtepunt komen. Op laatstgenoemde nummer doet Isakov qua stijl en stemgeluid het sterkst denken aan Ben Howard, waar het die associatie ook in ‘Bullet Holes’ al oproept. Ook het volkse geluid op ‘Dark, Dark, Dark’, gecreëerd door banjo en violen, en afsluiter ‘Wings In All Black’, waarop de piano het meest sprekend is, zijn een positieve noot waard en maken dit echte folk-album tot een plaat waarop toch genoeg te genieten valt.
Israel Nash - Lifted (2018)

3,5
0
geplaatst: 9 augustus 2018, 07:51 uur
Recensie ROAR E-zine:
Israel Nash – Lifted | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Ook zijn vijfde studioalbum brengt Israel Nash uit zonder zijn laatste naam Gripka. Bovendien vallen er nauwelijks grote veranderingen te bespeuren: met Lifted levert de Amerikaan opnieuw degelijk vakwerk.
Na een kort intro begint Israel Nash het opgewekte ‘Rolling On’ al neuriënd meteen met het refrein. Het rijke arrangement aan gitaren en synths in combinatie met de eenvoudige liedstructuur zorgen voor een makkelijk in het gehoor liggend openingsnummer. De fijne gitaarsolo die Nash er op het eind nog uitgooit geeft het net het extraatje dat het nodig heeft en typeert tegelijkertijd het album: een solide rockplaat die makkelijk wegluistert en weinig verrassingen kent.
Lifted is geen bestemming in de zoektocht naar spannende en experimentele platen, maar een album dat sterk is in zijn eenvoud en nergens verslapt. Nash haalt drie kwartier lang een constant niveau op een plaat die bestaat uit twee delen die licht van elkaar verschillen. Het eerste deel wordt gevormd door opgewekte popliedjes met een vleugje country en een hoger ritme dan de nummers op de tweede helft van de plaat. De rijke instrumentatie – vooral veel gitaren en synths en af en toe wat blazers en piano – en de volle productie zorgen ervoor dat de vaart er hier goed in zit.
‘Spiritfalls’ voldoet aan al deze kenmerken tot het outro zich aandient: Nash’ stem wordt nog maar minimaal begeleid, waarna het nummer door een combinatie van strijkers en natuurgeluiden op een serene wijze eindigt. Hiermee zet Nash het tweede deel van het album in gang, waar het tempo wat omlaag gaat en de country en folk wat meer van zich doen spreken. Toch is ook dit deel weer rijk aan instrumentatie en worden de composities nergens complex. Na ‘Golden Fleeces’, dat weer een vleugje soul in zich heeft, zitten de drie kwartier luisterplezier er verrassend snel op.
Israel Nash – Lifted | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Ook zijn vijfde studioalbum brengt Israel Nash uit zonder zijn laatste naam Gripka. Bovendien vallen er nauwelijks grote veranderingen te bespeuren: met Lifted levert de Amerikaan opnieuw degelijk vakwerk.
Na een kort intro begint Israel Nash het opgewekte ‘Rolling On’ al neuriënd meteen met het refrein. Het rijke arrangement aan gitaren en synths in combinatie met de eenvoudige liedstructuur zorgen voor een makkelijk in het gehoor liggend openingsnummer. De fijne gitaarsolo die Nash er op het eind nog uitgooit geeft het net het extraatje dat het nodig heeft en typeert tegelijkertijd het album: een solide rockplaat die makkelijk wegluistert en weinig verrassingen kent.
Lifted is geen bestemming in de zoektocht naar spannende en experimentele platen, maar een album dat sterk is in zijn eenvoud en nergens verslapt. Nash haalt drie kwartier lang een constant niveau op een plaat die bestaat uit twee delen die licht van elkaar verschillen. Het eerste deel wordt gevormd door opgewekte popliedjes met een vleugje country en een hoger ritme dan de nummers op de tweede helft van de plaat. De rijke instrumentatie – vooral veel gitaren en synths en af en toe wat blazers en piano – en de volle productie zorgen ervoor dat de vaart er hier goed in zit.
‘Spiritfalls’ voldoet aan al deze kenmerken tot het outro zich aandient: Nash’ stem wordt nog maar minimaal begeleid, waarna het nummer door een combinatie van strijkers en natuurgeluiden op een serene wijze eindigt. Hiermee zet Nash het tweede deel van het album in gang, waar het tempo wat omlaag gaat en de country en folk wat meer van zich doen spreken. Toch is ook dit deel weer rijk aan instrumentatie en worden de composities nergens complex. Na ‘Golden Fleeces’, dat weer een vleugje soul in zich heeft, zitten de drie kwartier luisterplezier er verrassend snel op.
Mark Knopfler - Down the Road Wherever (2018)

3,0
0
geplaatst: 23 november 2018, 15:44 uur
Recensie ROAR E-Zine:
Mark Knopfler - Down The Road Wherever | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Met een vergelijkbaar artwork als het vorige album en de singles ‘Good On You Son’ en ‘Back On The Dance Floor’ leek de nieuwe Mark Knopfler niks nieuws onder de zon te worden, maar niets is minder waar: Down The Road Wherever blijkt een uiterst verrassende plaat.
Wie had verwacht Mark Knopfler nog eens te vergelijken met Miles Davis en Stevie Wonder? Op Down The Road Wherever is hier geen ontkomen aan. Als ‘When You Leave’ begint met een prachtig trompetgeluid, behoeft het weinig fantasie om ‘The Picasso Of Jazz’ in gedachten aan het werk te zien. Als Knopfler zich vervolgens door piano, subtiele percussie en de terugkerende trompet in een rustig tempo laat begeleiden, kun je spreken van een onvervalst jazznummer van Knopflers hand. Ook het mooie ‘Slow Learner’ is een rustig, jazzy nummer, waarbij gitaar eveneens ondergeschikt is aan piano en trompet.
Het funky ‘Nobody Does That’ lijkt geïnspireerd door Stevie Wonders ‘Superstition’. Ook deze ritmiek zijn we niet van Knopfler gewend, en net als in ‘When You Leave’ pakt een trompet de hoofdrol in de eerste solosecties, waar we toch zo vertrouwd zijn met Knopflers gitaarwerk. Hiermee doet Knopfler zich even verderop in ‘Nobody Does That’ wel van zich spreken, als een bescheiden gitaarsolo het even van de trompet overneemt, in een nummer waarbij stilzitten onmogelijk is.
Sinds het uiteenvallen van Dire Straits, meer dan twintig jaar geleden, bracht Knopfler acht studioalbums uit. Met zijn eerste soloplaat Golden Heart blijft Knopfler dicht bij het Dire Straits-geluid, maar voegt wel meteen wat Keltische en volkse invloeden toe aan zijn rockmuziek. De zeven albums die volgen lopen qua stijl niet ver uiteen, maar het succesvolste album is zonder twijfel het in 2000 uitgebrachte Sailing To Philadelphia. Ook Tracker uit 2015 is weer een typisch Knopfler-product, en met een vergelijkbare hoes en de twee singles die hij voorafgaand aan Down The Road Wherever uitbrengt, lijkt ook Knopflers negende plaat de bekende weg te volgen. Maar door een aantal a-typische nummers van de inmiddels 69-jarige Brit, blijkt dat niet het geval.
Knopfler flirt op Down The Road Wherever met genres als jazz, disco en funk – in ‘Heavy Up’ horen we zelfs salsa – maar blijft ook dichtbij zichzelf met zijn vertrouwde gitaarsolo’s en Keltische invloeden. Zo neemt ‘Drover’s Road’ je mee over kleine, hobbelige boerenweggetjes in een koud en druilerig Schots landschap, waar gedragen door de wind over de heuvels, het mystieke geluid van een doedelzak ver weg, nog net je trommelvliezen bereikt.
In nummers als ‘Nobody’s Child’ en ‘My Bacon Roll’ kun je heerlijk wegdromen op de tijdloze gitaarsolo’s, zoals alleen Knopfler ze met zijn fingerpicking-spel kan maken. Hoewel ze behalve op ‘Just A Boy Away From Home’ (waar Knopfler soleert met het onmiskenbare ‘You’ll Never Walk Alone’) nergens lang zijn, nemen de ingetogen solo’s je voor heel even mee naar een plek, waar dan ook, in je eigen wereld van gedachten.
Jammer genoeg bevat Down The Road Wherever ook een aantal nummers waarbij je niet wegdroomt door de kracht van de muziek, maar waar je aandacht verslapt doordat de muziek teveel voortkabbelt en er te weinig interessants gebeurt. Zo is dat vooral het geval op opener ‘Trapper Man’ en afsluiter ‘Matchstick Man’, en in mindere mate voor ‘Good On You Son’ en ‘One Song At A Time’. Knopfler had er beter voor kunnen kiezen om deze nummers te schrappen, aangezien het album met een speeltijd van ruim vijf kwartier behoorlijk lang is. Óf hij had ze kunnen vervangen voor ‘Every Heart In The Room’ en ‘Rear View Mirror’, die enkel op de Deluxe-editie te vinden zijn. Deze fijne nummers met een hoog niets-aan-de-hand-gehalte doen denken aan wijlen J.J. Cale, die natuurlijk nooit ver weg is in Knopflers muziek. Had hij het album nét wat anders samengesteld, dan had ‘Good Old’ Mark Knopfler met Down The Road Wherever een serieuze gooi gedaan naar hét album van 2018.
Mark Knopfler - Down The Road Wherever | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Met een vergelijkbaar artwork als het vorige album en de singles ‘Good On You Son’ en ‘Back On The Dance Floor’ leek de nieuwe Mark Knopfler niks nieuws onder de zon te worden, maar niets is minder waar: Down The Road Wherever blijkt een uiterst verrassende plaat.
Wie had verwacht Mark Knopfler nog eens te vergelijken met Miles Davis en Stevie Wonder? Op Down The Road Wherever is hier geen ontkomen aan. Als ‘When You Leave’ begint met een prachtig trompetgeluid, behoeft het weinig fantasie om ‘The Picasso Of Jazz’ in gedachten aan het werk te zien. Als Knopfler zich vervolgens door piano, subtiele percussie en de terugkerende trompet in een rustig tempo laat begeleiden, kun je spreken van een onvervalst jazznummer van Knopflers hand. Ook het mooie ‘Slow Learner’ is een rustig, jazzy nummer, waarbij gitaar eveneens ondergeschikt is aan piano en trompet.
Het funky ‘Nobody Does That’ lijkt geïnspireerd door Stevie Wonders ‘Superstition’. Ook deze ritmiek zijn we niet van Knopfler gewend, en net als in ‘When You Leave’ pakt een trompet de hoofdrol in de eerste solosecties, waar we toch zo vertrouwd zijn met Knopflers gitaarwerk. Hiermee doet Knopfler zich even verderop in ‘Nobody Does That’ wel van zich spreken, als een bescheiden gitaarsolo het even van de trompet overneemt, in een nummer waarbij stilzitten onmogelijk is.
Sinds het uiteenvallen van Dire Straits, meer dan twintig jaar geleden, bracht Knopfler acht studioalbums uit. Met zijn eerste soloplaat Golden Heart blijft Knopfler dicht bij het Dire Straits-geluid, maar voegt wel meteen wat Keltische en volkse invloeden toe aan zijn rockmuziek. De zeven albums die volgen lopen qua stijl niet ver uiteen, maar het succesvolste album is zonder twijfel het in 2000 uitgebrachte Sailing To Philadelphia. Ook Tracker uit 2015 is weer een typisch Knopfler-product, en met een vergelijkbare hoes en de twee singles die hij voorafgaand aan Down The Road Wherever uitbrengt, lijkt ook Knopflers negende plaat de bekende weg te volgen. Maar door een aantal a-typische nummers van de inmiddels 69-jarige Brit, blijkt dat niet het geval.
Knopfler flirt op Down The Road Wherever met genres als jazz, disco en funk – in ‘Heavy Up’ horen we zelfs salsa – maar blijft ook dichtbij zichzelf met zijn vertrouwde gitaarsolo’s en Keltische invloeden. Zo neemt ‘Drover’s Road’ je mee over kleine, hobbelige boerenweggetjes in een koud en druilerig Schots landschap, waar gedragen door de wind over de heuvels, het mystieke geluid van een doedelzak ver weg, nog net je trommelvliezen bereikt.
In nummers als ‘Nobody’s Child’ en ‘My Bacon Roll’ kun je heerlijk wegdromen op de tijdloze gitaarsolo’s, zoals alleen Knopfler ze met zijn fingerpicking-spel kan maken. Hoewel ze behalve op ‘Just A Boy Away From Home’ (waar Knopfler soleert met het onmiskenbare ‘You’ll Never Walk Alone’) nergens lang zijn, nemen de ingetogen solo’s je voor heel even mee naar een plek, waar dan ook, in je eigen wereld van gedachten.
Jammer genoeg bevat Down The Road Wherever ook een aantal nummers waarbij je niet wegdroomt door de kracht van de muziek, maar waar je aandacht verslapt doordat de muziek teveel voortkabbelt en er te weinig interessants gebeurt. Zo is dat vooral het geval op opener ‘Trapper Man’ en afsluiter ‘Matchstick Man’, en in mindere mate voor ‘Good On You Son’ en ‘One Song At A Time’. Knopfler had er beter voor kunnen kiezen om deze nummers te schrappen, aangezien het album met een speeltijd van ruim vijf kwartier behoorlijk lang is. Óf hij had ze kunnen vervangen voor ‘Every Heart In The Room’ en ‘Rear View Mirror’, die enkel op de Deluxe-editie te vinden zijn. Deze fijne nummers met een hoog niets-aan-de-hand-gehalte doen denken aan wijlen J.J. Cale, die natuurlijk nooit ver weg is in Knopflers muziek. Had hij het album nét wat anders samengesteld, dan had ‘Good Old’ Mark Knopfler met Down The Road Wherever een serieuze gooi gedaan naar hét album van 2018.
Marlon Williams - Make Way for Love (2018)

3,5
0
geplaatst: 28 mei 2018, 15:41 uur
Recensie ROAR E-zine:
Marlon Williams – Make Way For Love | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Na een wat speels debuut legt Marlon Williams een flinke dosis liefdesverdriet in zijn tweede album. Make Way For Love is wat overblijft na de relatiebreuk met Williams’ grote liefde en tevens collega Aldous Harding.
“Panic comes in waves.” De eerste zin van ‘Can I Call You’, is typerend voor Marlon Williams’ tweede album, dat qua sfeer golft van trage, melancholische nummers naar lichte, optimistische liedjes. Naarmate de plaat vordert voert een mineurstemming de boventoon. De pijn van een stukgelopen relatie, die steeds meer voelbaar wordt, bereikt een hoogtepunt als hij deze samen met zijn ex-vriendin bezingt op ‘Nobody Gets What They Want Anymore’.
Waar Williams op zijn debuutalbum een prettig gevarieerd geluid aan pop, rock, country en folk liet horen, kiest hij op zijn tweede album wat meer voor een thema dat zich over de elf nummers uitsmeert. Naar eigen zeggen geïnspireerd door Scott Walker, grijpt Williams terug naar geluiden zoals we die uit de jaren zestig kennen: een vaak melancholische mix van singer-songwriter, folk en country die zowel doet denken aan Roy Orbison als America, terwijl Williams’ stem af en toe de associatie met Elvis Presley oproept.
Door deze mix creëert Williams zijn eigen geluid, die hij vooral neerzet door een samenspel van gitaren, percussie en strijkers. Alleen op ‘Love Is A Terrible Thing’, een stuk vol pessimisme en mineur, horen we geen gitaar. Hier doet Williams het enkel met zijn stem, piano en een beetje hulp van een synthesizer. Ook op ‘I Didn’t Make A Plan’ heeft de piano een grote rol, maar neemt een aanzwellend gitaargeluid het stuk steeds meer over.
Op ‘Party Boy’en ‘I Know A Jeweller’ wordt de luisteraar even meegenomen naar het Wilde Westen. Deze nummers, gekenmerkt door een lichtere stijl en typische percussie, zijn een prettige afwisseling op de omringende melancholische nummers. Ook het lichte ‘What’s Chasing You’, draagt eraan bij dat het album niet te zwaar wordt.
Make Way For Love is in zijn geheel namelijk geen album dat je in de feeststemming brengt. In bijna alle nummers klinken gevoelens als pijn, jaloezie en wanhoop, veroorzaakt door Williams’ relatiebreuk met Aldous Harding. Dat deze gevoelens het enige is wat hij nog met Harding deelt, uit hij samen met haar op ‘Nobody Gets What They Want Anymore’, waar Williams de pijn en eenzaamheid nog eens benadrukt als hij het laatste deel van het nummer voor eigen rekening neemt. Nadat alle pijn zijn hoogtepunt heeft bereikt, lijkt Williams op het laatste nummer eindelijk weer de toekomst in te kijken en ruimte te willen maken voor nieuwe liefde.
Marlon Williams – Make Way For Love | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Na een wat speels debuut legt Marlon Williams een flinke dosis liefdesverdriet in zijn tweede album. Make Way For Love is wat overblijft na de relatiebreuk met Williams’ grote liefde en tevens collega Aldous Harding.
“Panic comes in waves.” De eerste zin van ‘Can I Call You’, is typerend voor Marlon Williams’ tweede album, dat qua sfeer golft van trage, melancholische nummers naar lichte, optimistische liedjes. Naarmate de plaat vordert voert een mineurstemming de boventoon. De pijn van een stukgelopen relatie, die steeds meer voelbaar wordt, bereikt een hoogtepunt als hij deze samen met zijn ex-vriendin bezingt op ‘Nobody Gets What They Want Anymore’.
Waar Williams op zijn debuutalbum een prettig gevarieerd geluid aan pop, rock, country en folk liet horen, kiest hij op zijn tweede album wat meer voor een thema dat zich over de elf nummers uitsmeert. Naar eigen zeggen geïnspireerd door Scott Walker, grijpt Williams terug naar geluiden zoals we die uit de jaren zestig kennen: een vaak melancholische mix van singer-songwriter, folk en country die zowel doet denken aan Roy Orbison als America, terwijl Williams’ stem af en toe de associatie met Elvis Presley oproept.
Door deze mix creëert Williams zijn eigen geluid, die hij vooral neerzet door een samenspel van gitaren, percussie en strijkers. Alleen op ‘Love Is A Terrible Thing’, een stuk vol pessimisme en mineur, horen we geen gitaar. Hier doet Williams het enkel met zijn stem, piano en een beetje hulp van een synthesizer. Ook op ‘I Didn’t Make A Plan’ heeft de piano een grote rol, maar neemt een aanzwellend gitaargeluid het stuk steeds meer over.
Op ‘Party Boy’en ‘I Know A Jeweller’ wordt de luisteraar even meegenomen naar het Wilde Westen. Deze nummers, gekenmerkt door een lichtere stijl en typische percussie, zijn een prettige afwisseling op de omringende melancholische nummers. Ook het lichte ‘What’s Chasing You’, draagt eraan bij dat het album niet te zwaar wordt.
Make Way For Love is in zijn geheel namelijk geen album dat je in de feeststemming brengt. In bijna alle nummers klinken gevoelens als pijn, jaloezie en wanhoop, veroorzaakt door Williams’ relatiebreuk met Aldous Harding. Dat deze gevoelens het enige is wat hij nog met Harding deelt, uit hij samen met haar op ‘Nobody Gets What They Want Anymore’, waar Williams de pijn en eenzaamheid nog eens benadrukt als hij het laatste deel van het nummer voor eigen rekening neemt. Nadat alle pijn zijn hoogtepunt heeft bereikt, lijkt Williams op het laatste nummer eindelijk weer de toekomst in te kijken en ruimte te willen maken voor nieuwe liefde.
Ray LaMontagne - Part of the Light (2018)

4,0
1
geplaatst: 28 mei 2018, 15:35 uur
Recensie ROAR E-zine:
Ray LaMontagne – Part Of The Light | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Ray LaMontagne laat op zijn nieuwste plaat een behoorlijke ontwikkeling horen. Na het vrij experimentele Ouroboros van twee jaar geleden, brengt de Amerikaan met Part Of The Light een album dat goed in balans is.
Een mooi samenspel van akoestische gitaren leidt albumopener ‘To The Sea’ in met een stijl die we van Ray LaMontagne kunnen verwachten. Door een intro van 30 seconden laat het mystieke stemgeluid van LaMontagne gelukkig niet lang op zich wachten. Als na een kleine minuut de eerste synthesizer subtiel op de achtergrond wordt ingezet, wordt langzaamaan de stijl hoorbaar die typerend is voor het album: een mix van folk en psychedelische synthesizers die het geheel een warm en dromerig karakter geven.
Na vijf albums waarop folk en pop de boventoon voeren, komt LaMontagne in 2016 met een behoorlijk nieuw geluid op Ouroboros. Door een heersende klank van psychedelische rock en een aantal nummers met stevige, elektrische gitaren wordt de folk wat meer naar de achtergrond gedreven. De trend op Ouroboros is, na vijf platen zonder schokkende ontwikkelingen, op zich een positieve. Echter, door het experimentele karakter vallen enkele passages wat uit de toon, waardoor de juiste balans ontbreekt.
Op Part Of The Light is folk weer het dominante genre, maar de invloeden van Ouroboros zijn duidelijk hoorbaar. LaMontagne vormt de basis van de langspeler door zijn typische folk aan te vullen met de veelvuldige inzet van synthesizers en elektrische orgeltjes, zoals op het titelnummer en ‘It’s Always Been You’. De stevigere invloeden van Ouroboros dringen vooral door tot ‘As Black As Blood Is Blue’ en ‘No Answer Arrives’, maar ook op de single ‘Paper Man’. Deze zorgen voor een prettige afwisseling op de nummers die vooral een warm en dromerig karakter hebben en zijn goed over het album verdeeld. Hierdoor weet LaMontagne met Part Of The Light een uitgebalanceerde plaat neer te zetten.
Ray LaMontagne – Part Of The Light | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Ray LaMontagne laat op zijn nieuwste plaat een behoorlijke ontwikkeling horen. Na het vrij experimentele Ouroboros van twee jaar geleden, brengt de Amerikaan met Part Of The Light een album dat goed in balans is.
Een mooi samenspel van akoestische gitaren leidt albumopener ‘To The Sea’ in met een stijl die we van Ray LaMontagne kunnen verwachten. Door een intro van 30 seconden laat het mystieke stemgeluid van LaMontagne gelukkig niet lang op zich wachten. Als na een kleine minuut de eerste synthesizer subtiel op de achtergrond wordt ingezet, wordt langzaamaan de stijl hoorbaar die typerend is voor het album: een mix van folk en psychedelische synthesizers die het geheel een warm en dromerig karakter geven.
Na vijf albums waarop folk en pop de boventoon voeren, komt LaMontagne in 2016 met een behoorlijk nieuw geluid op Ouroboros. Door een heersende klank van psychedelische rock en een aantal nummers met stevige, elektrische gitaren wordt de folk wat meer naar de achtergrond gedreven. De trend op Ouroboros is, na vijf platen zonder schokkende ontwikkelingen, op zich een positieve. Echter, door het experimentele karakter vallen enkele passages wat uit de toon, waardoor de juiste balans ontbreekt.
Op Part Of The Light is folk weer het dominante genre, maar de invloeden van Ouroboros zijn duidelijk hoorbaar. LaMontagne vormt de basis van de langspeler door zijn typische folk aan te vullen met de veelvuldige inzet van synthesizers en elektrische orgeltjes, zoals op het titelnummer en ‘It’s Always Been You’. De stevigere invloeden van Ouroboros dringen vooral door tot ‘As Black As Blood Is Blue’ en ‘No Answer Arrives’, maar ook op de single ‘Paper Man’. Deze zorgen voor een prettige afwisseling op de nummers die vooral een warm en dromerig karakter hebben en zijn goed over het album verdeeld. Hierdoor weet LaMontagne met Part Of The Light een uitgebalanceerde plaat neer te zetten.
Sun Kil Moon - This Is My Dinner (2018)

1,5
1
geplaatst: 30 november 2018, 17:23 uur
Recensie ROAR E-Zine:
Sun Kil Moon – This Is My Dinner | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Voor frontman Mark Kozelek van Sun Kil Moon is This Is My Dinner is alweer het zesde album binnen twee jaar tijd. Hoewel Kozeleks platen vaak tijd nodig hebben om te landen, doet de nieuwe Sun Kil Moon dat in zijn geheel niet. Ook na heel lang kauwen blijft This Is My Dinner niet te pruimen.
De eerste dertig seconden van albumopener ‘This Is Not Possible’ typeren het ‘voorgelezen dagboek met achtergrondgeluid’ dat This Is My Dinner is: een lead-gitaar die een motiefje speelt dat zich constant herhaalt, eenvoudig begeleid door percussie en basgitaar en Mark Kozelek die op een lijzige manier vertelt wat-ie zoal meemaakt tijdens zijn tournees. In nummers van tien minuten en langer blijven de motiefjes zich herhalen en gebeurt er, op kleine muzikale details na, helemaal niets.
Rondom Kozelek en Sun Kil Moon gebeurt wél genoeg. This Is My Dinner is Sun Kil Moons snelle opvolger van het in februari 2017 uitgebrachte Common As Light And Love Are Red Valleys Of Blood. In de tussentijd bracht de band ook het tweede product van de samenwerking met de Britse band Jesu uit. Naast zijn vijfde (naamloze) soloalbum bracht Kozelek ook nog albums uit met Sean Yeaton (Yellow Kitchen) van rockband Parquet Courts, en een naamloos album met Ben Boye en Jim White.
Zes albums in een krappe twee jaar tijd voor de 51-jarige Kozelek. Dat eist zijn tol op This Is My Dinner. Op ‘Linda Blair’ lijkt Kozelek er helemaal klaar mee te zijn en valt hij nog moeilijk serieus te nemen, want naast de lijzige vocalen overvalt hij de luisteraar hier met vreemde, gorgelende geluiden, dat volgens de songtekst zou moeten klinken als Linda Blair in de film The Exorcist. Het nummer doet je afvragen of Kozelek dit album nog met oprechte, artistieke bedoelingen heeft gemaakt of dat hij zomaar wat loopt te klooien, want behalve de lachspieren is dit nummer nergens goed voor.
Dat This Is My Dinner geen toegankelijke plaat is, komt niet als een verassing: zelden weet Kozeleks muziek je bij een eerste luisterbeurt te roeren. Kozelek lijkt ook een hekel te hebben aan toegankelijke, zo je wil, commerciële muziek. Zo uitte hij in 2014 zijn minachting jegens de Amerikaanse rockband The War On Drugs, toen hij tijdens een optreden op het Ottawa Folk Festival werd gestoord door de muziek van The War On Drugs, die elders op het festival speelden. “I hate that beer commercial lead-guitar shit!”, schreeuwde Kozelek naar zijn publiek, om zijn volgende nummer als volgt aan te kondigen: “This next song is called ‘The War On Drugs Can Suck My Fucking Dick’!” Enkele weken later bracht Kozelek daadwerkelijk een nummer uit met een soortgelijke titel, waarin hij zich in verschillende bewoordingen laatdunkend over de band uitlaat.
De eigenzinnige Kozelek is met Sun Kil Moon langzaamaan naar de huidige stijl toegegroeid. Zo bevatten Common As Light And Love Are Red Valleys Of Blood en Universal Themes (2015) ook nummers met repeterende motiefjes en de ‘voorlees-zangstijl’ van Kozelek, maar hier is nog wel aandacht besteed aan een mooi arrangement, muzikale details, interessante tempowisselingen en klinkt Kozelek een stuk energieker. Op This Is My Dinner klinken de motiefjes soms op zichzelf nog best aardig, maar doordat er zo weinig variatie is en de vocalen van Kozelek al heel snel irriteren, is er – vooral door de eerste vijf nummers, die een klein uur in beslag nemen – geen doorkomen aan.
Maar het absolute dieptepunt weet Sun Kil Moon met ‘Chapter 87 Of He’ voor het laatst te bewaren. Na vier minuten gebrabbel van Kozelek ontaardt het nummer in een willekeurige en onbeschrijfelijke bak herrie, om vervolgens weer terug te keren naar het betekenisloze gebrabbel, dat na zo’n verderfelijk stuk bijna tot een acceptabel geluid is verworden. Als Kozelek eindelijk is uitgemurmeld, zullen maar weinig luisteraars de anderhalf uur lange worsteling hebben doorstaan.
Sun Kil Moon – This Is My Dinner | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Voor frontman Mark Kozelek van Sun Kil Moon is This Is My Dinner is alweer het zesde album binnen twee jaar tijd. Hoewel Kozeleks platen vaak tijd nodig hebben om te landen, doet de nieuwe Sun Kil Moon dat in zijn geheel niet. Ook na heel lang kauwen blijft This Is My Dinner niet te pruimen.
De eerste dertig seconden van albumopener ‘This Is Not Possible’ typeren het ‘voorgelezen dagboek met achtergrondgeluid’ dat This Is My Dinner is: een lead-gitaar die een motiefje speelt dat zich constant herhaalt, eenvoudig begeleid door percussie en basgitaar en Mark Kozelek die op een lijzige manier vertelt wat-ie zoal meemaakt tijdens zijn tournees. In nummers van tien minuten en langer blijven de motiefjes zich herhalen en gebeurt er, op kleine muzikale details na, helemaal niets.
Rondom Kozelek en Sun Kil Moon gebeurt wél genoeg. This Is My Dinner is Sun Kil Moons snelle opvolger van het in februari 2017 uitgebrachte Common As Light And Love Are Red Valleys Of Blood. In de tussentijd bracht de band ook het tweede product van de samenwerking met de Britse band Jesu uit. Naast zijn vijfde (naamloze) soloalbum bracht Kozelek ook nog albums uit met Sean Yeaton (Yellow Kitchen) van rockband Parquet Courts, en een naamloos album met Ben Boye en Jim White.
Zes albums in een krappe twee jaar tijd voor de 51-jarige Kozelek. Dat eist zijn tol op This Is My Dinner. Op ‘Linda Blair’ lijkt Kozelek er helemaal klaar mee te zijn en valt hij nog moeilijk serieus te nemen, want naast de lijzige vocalen overvalt hij de luisteraar hier met vreemde, gorgelende geluiden, dat volgens de songtekst zou moeten klinken als Linda Blair in de film The Exorcist. Het nummer doet je afvragen of Kozelek dit album nog met oprechte, artistieke bedoelingen heeft gemaakt of dat hij zomaar wat loopt te klooien, want behalve de lachspieren is dit nummer nergens goed voor.
Dat This Is My Dinner geen toegankelijke plaat is, komt niet als een verassing: zelden weet Kozeleks muziek je bij een eerste luisterbeurt te roeren. Kozelek lijkt ook een hekel te hebben aan toegankelijke, zo je wil, commerciële muziek. Zo uitte hij in 2014 zijn minachting jegens de Amerikaanse rockband The War On Drugs, toen hij tijdens een optreden op het Ottawa Folk Festival werd gestoord door de muziek van The War On Drugs, die elders op het festival speelden. “I hate that beer commercial lead-guitar shit!”, schreeuwde Kozelek naar zijn publiek, om zijn volgende nummer als volgt aan te kondigen: “This next song is called ‘The War On Drugs Can Suck My Fucking Dick’!” Enkele weken later bracht Kozelek daadwerkelijk een nummer uit met een soortgelijke titel, waarin hij zich in verschillende bewoordingen laatdunkend over de band uitlaat.
De eigenzinnige Kozelek is met Sun Kil Moon langzaamaan naar de huidige stijl toegegroeid. Zo bevatten Common As Light And Love Are Red Valleys Of Blood en Universal Themes (2015) ook nummers met repeterende motiefjes en de ‘voorlees-zangstijl’ van Kozelek, maar hier is nog wel aandacht besteed aan een mooi arrangement, muzikale details, interessante tempowisselingen en klinkt Kozelek een stuk energieker. Op This Is My Dinner klinken de motiefjes soms op zichzelf nog best aardig, maar doordat er zo weinig variatie is en de vocalen van Kozelek al heel snel irriteren, is er – vooral door de eerste vijf nummers, die een klein uur in beslag nemen – geen doorkomen aan.
Maar het absolute dieptepunt weet Sun Kil Moon met ‘Chapter 87 Of He’ voor het laatst te bewaren. Na vier minuten gebrabbel van Kozelek ontaardt het nummer in een willekeurige en onbeschrijfelijke bak herrie, om vervolgens weer terug te keren naar het betekenisloze gebrabbel, dat na zo’n verderfelijk stuk bijna tot een acceptabel geluid is verworden. Als Kozelek eindelijk is uitgemurmeld, zullen maar weinig luisteraars de anderhalf uur lange worsteling hebben doorstaan.
Tamino - Amir (2018)

4,0
0
geplaatst: 16 november 2018, 14:59 uur
Recensie ROAR -E-Zine:
Tamino - Amir | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Met zijn eerste en naamloze ep in 2017 schaart Tamino zich direct bij de grotere beloften van Vlaanderen. Met debuutalbum Amir lost hij zijn belofte op glansrijke wijze in.
Met enkel een repeterende gitaar die de maat aangeeft en de openingsstrofe “Something hides in every night” weet Tamino direct je aandacht te grijpen en zijn album te typeren: sfeervolle, duistere en vooral ijzersterke composities van een constant niveau. Openingsnummer ‘Habibi’ laat ook meteen horen wat voor begenadigd zanger de pas 22-jarige Belg is. Waar hij het nummer nog op een vrij lage toonhoogte begint, gaat hij naarmate het nummer vordert steeds meer de hoogte in en legt hij steeds meer emotie in zijn stem. Dit alles als opmaat naar het laatste refrein, dat de jongeling met een perfect gecontroleerde kopstem op fenomenale wijze ten gehore brengt.
Tamino-Amir Moharam Fouad is geboren op 24 oktober 1996 in Antwerpen en vernoemd naar grootvader Moharam Fouad (1934-2002), die als zanger en acteur naam en faam maakte in Egypte en de rest van de Arabische wereld. Zijn zoon, Tamino’s vader, ging terug naar Egypte toen Tamino slechts drie jaar oud was, om daar ook als zanger door te breken, maar dit werd geen succes. Zo groeide Tamino grotendeels op zonder zijn vader, maar door zijn pianospelende moeder bleef de muziek toch altijd dichtbij.
De Arabische invloeden zijn op Amir duidelijk hoorbaar, vooral op het nummer ‘So It Goes’. Met een snel ritme van typisch Arabische percussie, zoals een darboeka, en strijkers die in een Arabisch toonsysteem spelen, krijgt het begin van dit nummer een hoog Duizend-en-een-nacht-gehalte. Het refrein klinkt met zijn pulserende, elektronische geluiden en de subtiele inbreng van een piano weer een stuk westerser, maar door de darboeka die op de achtergrond constant aanwezig blijft weet Tamino deze twee werelden op een mooie manier bijeen te brengen. De angstaanjagende tremolo’s van Arabische blaasinstrumenten bouwen de spanning even later ook behoorlijk op en maken ‘So It Goes’ mede tot een van de meest interessante nummers op dit album.
Veel dichterbij huis laat Tamino zich hoorbaar inspireren door zijn collega’s en landgenoten van Balthazar. Invloeden van de aanstekelijke popmuziek van deze populaire band zijn het sterkst hoorbaar op ‘Chambers’, dat zo op Balthazars Rats had kunnen staan. Tamino’s veelzijdige stem komt wanneer hij nogal laag zingt en op lome wijze articuleert ook wel heel dichtbij de stem van Balthazar-bandlid Maarten Devoldere (tevens Warhaus), zoals het geval is in ‘Tummy’. Hoewel dit nummer een behoorlijk eenvoudige structuur heeft en, net als veel andere nummers op de plaat een klein arrangement, wordt het door de instrumentale details en vooral Tamino’s dromerige stem nergens saai. Daarnaast zorgt ‘Tummy’ net als ‘Verses’ – dat het meest afwijkt van de andere nummers – voor de juiste balans op het album. Deze twee liedjes hebben een veel lichter karakter dan de overige, wat zorgt voor een aangename afwisseling en de vijftig minuten-durende langspeelplaat makkelijk te behapstukken maken.
Hoewel stem en stijl te vergelijken zijn met Warhaus, weet Tamino met Amir zeker een eigen geluid te creëren. Tamino’s stem is door zijn enorme bereik en de emotie die hij erin weet te leggen intrigerender dan Devolderes stem, die op het tweede Warhaus-album de sensuele stem van zijn vriendin Sylvie Kreusch nodig heeft om de spanning erin te houden. Verder zijn ook de eerder genoemde Arabische invloeden onderscheidend voor Tamino’s geluid en doordat Amir de juiste balans kent en nergens verslapt, levert Tamino een debuut af waar bijzonder weinig op aan te merken valt.
Tamino - Amir | ROAR E-Zine - roarezine.nl
Met zijn eerste en naamloze ep in 2017 schaart Tamino zich direct bij de grotere beloften van Vlaanderen. Met debuutalbum Amir lost hij zijn belofte op glansrijke wijze in.
Met enkel een repeterende gitaar die de maat aangeeft en de openingsstrofe “Something hides in every night” weet Tamino direct je aandacht te grijpen en zijn album te typeren: sfeervolle, duistere en vooral ijzersterke composities van een constant niveau. Openingsnummer ‘Habibi’ laat ook meteen horen wat voor begenadigd zanger de pas 22-jarige Belg is. Waar hij het nummer nog op een vrij lage toonhoogte begint, gaat hij naarmate het nummer vordert steeds meer de hoogte in en legt hij steeds meer emotie in zijn stem. Dit alles als opmaat naar het laatste refrein, dat de jongeling met een perfect gecontroleerde kopstem op fenomenale wijze ten gehore brengt.
Tamino-Amir Moharam Fouad is geboren op 24 oktober 1996 in Antwerpen en vernoemd naar grootvader Moharam Fouad (1934-2002), die als zanger en acteur naam en faam maakte in Egypte en de rest van de Arabische wereld. Zijn zoon, Tamino’s vader, ging terug naar Egypte toen Tamino slechts drie jaar oud was, om daar ook als zanger door te breken, maar dit werd geen succes. Zo groeide Tamino grotendeels op zonder zijn vader, maar door zijn pianospelende moeder bleef de muziek toch altijd dichtbij.
De Arabische invloeden zijn op Amir duidelijk hoorbaar, vooral op het nummer ‘So It Goes’. Met een snel ritme van typisch Arabische percussie, zoals een darboeka, en strijkers die in een Arabisch toonsysteem spelen, krijgt het begin van dit nummer een hoog Duizend-en-een-nacht-gehalte. Het refrein klinkt met zijn pulserende, elektronische geluiden en de subtiele inbreng van een piano weer een stuk westerser, maar door de darboeka die op de achtergrond constant aanwezig blijft weet Tamino deze twee werelden op een mooie manier bijeen te brengen. De angstaanjagende tremolo’s van Arabische blaasinstrumenten bouwen de spanning even later ook behoorlijk op en maken ‘So It Goes’ mede tot een van de meest interessante nummers op dit album.
Veel dichterbij huis laat Tamino zich hoorbaar inspireren door zijn collega’s en landgenoten van Balthazar. Invloeden van de aanstekelijke popmuziek van deze populaire band zijn het sterkst hoorbaar op ‘Chambers’, dat zo op Balthazars Rats had kunnen staan. Tamino’s veelzijdige stem komt wanneer hij nogal laag zingt en op lome wijze articuleert ook wel heel dichtbij de stem van Balthazar-bandlid Maarten Devoldere (tevens Warhaus), zoals het geval is in ‘Tummy’. Hoewel dit nummer een behoorlijk eenvoudige structuur heeft en, net als veel andere nummers op de plaat een klein arrangement, wordt het door de instrumentale details en vooral Tamino’s dromerige stem nergens saai. Daarnaast zorgt ‘Tummy’ net als ‘Verses’ – dat het meest afwijkt van de andere nummers – voor de juiste balans op het album. Deze twee liedjes hebben een veel lichter karakter dan de overige, wat zorgt voor een aangename afwisseling en de vijftig minuten-durende langspeelplaat makkelijk te behapstukken maken.
Hoewel stem en stijl te vergelijken zijn met Warhaus, weet Tamino met Amir zeker een eigen geluid te creëren. Tamino’s stem is door zijn enorme bereik en de emotie die hij erin weet te leggen intrigerender dan Devolderes stem, die op het tweede Warhaus-album de sensuele stem van zijn vriendin Sylvie Kreusch nodig heeft om de spanning erin te houden. Verder zijn ook de eerder genoemde Arabische invloeden onderscheidend voor Tamino’s geluid en doordat Amir de juiste balans kent en nergens verslapt, levert Tamino een debuut af waar bijzonder weinig op aan te merken valt.
The Vryll Society - Course of the Satellite (2018)

3,5
0
geplaatst: 21 augustus 2018, 20:13 uur
Recensie ROAR E-Zine:
The Vryll Society – Course Of The Satellite | ROAR E-Zine - roarezine.nl
In 2015 deed The Vryll Society met de ep Pangea voor het eerst van zich spreken. Pas drie jaar later ligt de eerste langspeelplaat, Course Of The Satellite, in de winkels: een interessant debuut dat zich door veel genres laat beïnvloeden.
Course Of The Satellite begint meteen met de titeltrack, dat misschien ook wel het beste nummer van de plaat is. Beginnend met het geluid van schelle synthesizers krijgt het album onmiddellijk de elektronische tint die bijna constant hoorbaar is. Het prettige popdeuntje vloeit na tweeëneenhalve minuut over in een sfeervolle ambient-track, die een minuut later nóg interessanter wordt door de inmenging van een scheurende gitaar. Door een laatste tempowisseling naar een subtiel einde sluit de band dit kleine kunstwerkje op fraaie wijze af.
The Vryll Society is een vijfkoppige formatie uit Liverpool, bestaande uit frontman Michael Ellis, gitaristen Ryan Ellis en Lewis McGuinness, bassist Lloyd Shearer en drummer Benjamin Robinson. De band heeft na de ep Pangea en verschillende tournees al een aardige fanschare, die nu eindelijk met het eerste studioalbum wordt beloond.
Naar eigen zeggen is het rijke geluid van The Vryll Society beïnvloed door een groot aantal artiesten, waarvan Funkadelic, Aphrodite’s Child en Air slechts enkele voorbeelden zijn. Maar de lijst van verwante artiesten en genres is er een die bij elke luisterbeurt blijft groeien; van krautrock tot funk en van Tame Impala tot Sigur Rós, Course Of The Satellite heeft het allemaal.
Zo is ‘A Perfect Rhythm’ een heerlijk up-tempo indierocknummer dat zijn naam eer aan doet, horen we in ‘Tears We Cry’ een heel klein beetje blues en komt de krautrock het meest naar voren in het verslavende ‘Shadow Of A Wave’, die in ‘Soft Glue’ zijn ideale vervolgnummer kent. Met het duistere discodeuntje ‘Inner Life’, dat wat aan Michael Jacksons ‘Thriller’ doet denken en het op synths gefundeerde ‘Give In To Me’, dat zowel aan de Pet Shop Boys als M83 doet denken, eindigt The Vryll Society hun indrukwekkende debuutplaat met hun eigen, typische mix van muziekstijlen.
Hoewel Course Of The Satellite veel interessante nummers bevat, is vooral het middengedeelte wat aan de veilige kant, waardoor het hoge niveau net niet constant genoeg is voor een topalbum. Vooral met de eerste drie en de laatste vier nummers brengen de mannen uit Liverpool een enorme bak aan potentie ten gehore, waardoor we in de toekomst nog veel van The Vryll Society kunnen verwachten.
The Vryll Society – Course Of The Satellite | ROAR E-Zine - roarezine.nl
In 2015 deed The Vryll Society met de ep Pangea voor het eerst van zich spreken. Pas drie jaar later ligt de eerste langspeelplaat, Course Of The Satellite, in de winkels: een interessant debuut dat zich door veel genres laat beïnvloeden.
Course Of The Satellite begint meteen met de titeltrack, dat misschien ook wel het beste nummer van de plaat is. Beginnend met het geluid van schelle synthesizers krijgt het album onmiddellijk de elektronische tint die bijna constant hoorbaar is. Het prettige popdeuntje vloeit na tweeëneenhalve minuut over in een sfeervolle ambient-track, die een minuut later nóg interessanter wordt door de inmenging van een scheurende gitaar. Door een laatste tempowisseling naar een subtiel einde sluit de band dit kleine kunstwerkje op fraaie wijze af.
The Vryll Society is een vijfkoppige formatie uit Liverpool, bestaande uit frontman Michael Ellis, gitaristen Ryan Ellis en Lewis McGuinness, bassist Lloyd Shearer en drummer Benjamin Robinson. De band heeft na de ep Pangea en verschillende tournees al een aardige fanschare, die nu eindelijk met het eerste studioalbum wordt beloond.
Naar eigen zeggen is het rijke geluid van The Vryll Society beïnvloed door een groot aantal artiesten, waarvan Funkadelic, Aphrodite’s Child en Air slechts enkele voorbeelden zijn. Maar de lijst van verwante artiesten en genres is er een die bij elke luisterbeurt blijft groeien; van krautrock tot funk en van Tame Impala tot Sigur Rós, Course Of The Satellite heeft het allemaal.
Zo is ‘A Perfect Rhythm’ een heerlijk up-tempo indierocknummer dat zijn naam eer aan doet, horen we in ‘Tears We Cry’ een heel klein beetje blues en komt de krautrock het meest naar voren in het verslavende ‘Shadow Of A Wave’, die in ‘Soft Glue’ zijn ideale vervolgnummer kent. Met het duistere discodeuntje ‘Inner Life’, dat wat aan Michael Jacksons ‘Thriller’ doet denken en het op synths gefundeerde ‘Give In To Me’, dat zowel aan de Pet Shop Boys als M83 doet denken, eindigt The Vryll Society hun indrukwekkende debuutplaat met hun eigen, typische mix van muziekstijlen.
Hoewel Course Of The Satellite veel interessante nummers bevat, is vooral het middengedeelte wat aan de veilige kant, waardoor het hoge niveau net niet constant genoeg is voor een topalbum. Vooral met de eerste drie en de laatste vier nummers brengen de mannen uit Liverpool een enorme bak aan potentie ten gehore, waardoor we in de toekomst nog veel van The Vryll Society kunnen verwachten.
Warhaus - Warhaus (2017)

3,5
0
geplaatst: 22 november 2017, 18:05 uur
Nieuwe Warhaus schreeuwt om hereniging Balthazar
Een jaar na debuutalbum We Fucked A Flame Into Being, ligt de titelloze opvolger van Warhaus al in de winkels. Warhaus, het soloproject van Balthazar-lid Maarten Devoldere, lijkt bij het opzetten van de plaat nog vast te willen houden aan zijn eigen stijl, maar werkt richting het eind van de plaat steeds meer toe naar de bekende stijl van Balthazar. Het gemis van Devolderes muziekvrienden is echter hoorbaar: op zijn tweede solo-album weet de Vlaming onvoldoende te boeien.
Ruim een jaar geleden lastte de populairste popband van België, Balthazar, na een uitgebreide (festival)tour een pauze voor onbepaalde tijd in. Het in 2015 uitgebrachte Thin Walls, dat maar liefst 93 weken in de Vlaamse Ultratop 200 Albums stond, was aanleiding voor een tour van twee jaar lang die door heel Europa leidde. Na een laatste concert op Appelpop (september 2016) ging de vijfkoppige formatie uit elkaar, zodat enkele leden zich op hun eigen muzikale projecten konden gaan richten.
Terwijl Balthazar nog met zijn (voorlopig) laatste optredens bezig was, lanceerde Maarten Devoldere zijn solo-debuutplaat We Fucked A Flame Into Being. Twee maanden later kwam bandlid Simon Casier met zijn soloalbum op de proppen. In november 2016 werd onder de naam Zimmerman het album The Afterglow uitgebracht, dat weinig aandacht naar zich toe wist te trekken. Ook Hinges Of Luck, het album dat Casier een maand geleden uitbracht met zijn band Douglas Firs, heeft het grote publiek nog niet weten te bereiken. Pas veel later, in de zomer van 2017, werd onder artiestennaam J. Bernardt (Jinte Deprez) het elektronische popalbum Running Days uitgebracht. Deprez, die zich net als Devoldere frontman van Balthazar mag noemen, wist deze zomer menig festivalbezoeker in vervoering te brengen met zijn elektronische sound en scoorde met Calm Down de grootste hit van de solerende Balthazar-leden.
Met We Fucked A Flame Into Being zet Warhaus onmiddellijk een kenmerkende stijl neer door telkens het geraamte van een nummer te voorzien van een sterke, repeterende baslijn en op de voorgrond percussie, die meteen de vaste cadans van het nummer laat horen. Vervolgens wordt elk nummer op verschillende wijze aangekleed: vaak door strijkers, maar ook door koperblazers en piano. De warm fluisterende stem van Devoldere, vaak vergeleken met Leonard Cohen, aangevuld door de sensuele stem van Sylvie Kreusch (die eerder lid was van Soldier’s Heart en tevens vriendin van Devoldere) maken de nummers af en geven deze een warm gevoel.
Dit warme gevoel ontbreekt op Warhaus’ titelloze opvolger. Het kenmerkende geraamte staat, vooral aan het begin van de plaat nog overeind, maar deze wordt veel schaarser gekleed. Het album begint als een naakte versie van het debuut: waar de kenmerkende baslijn en percussie weer hoorbaar zijn, is de rest van het arrangement veel minder rijk opgezet en blijft er weinig écht boeiends over. Slecht is het niet, maar de eerste helft van de plaat gaat vrij onopgemerkt voorbij. Eigenlijk weet vriendin Sylvie Kreusch, die ook nu haar medewerking verleent, dit deel van de plaat te redden door de koude, kleurloze composities af en toe licht te verwarmen met haar aangenaam zwoele stem.
Vanaf de tweede helft van de plaat, het nummer Bang Bang om precies te zijn, wordt het interessanter. Het geraamte wordt weer wat warmer aangekleed: een rijker arrangement, met af en toe ook subtiele toevoegingen van gitaar, doet steeds vaker denken aan het herkenbare geluid van Balthazar. De inspiratie voor het typische Warhaus-geluid lijkt hier te slinken en langzaam wordt weer duidelijk waar de dertigjarige Vlaming eigenlijk thuishoort. Dit deel van de plaat schreeuwt om een hereniging van Balthazar, want al komt Devoldere hier dichtbij, om de melodieën net zo pakkend en verslavend te krijgen als op Thin Walls en voorgangers Rats en Applause, heeft hij toch echt zijn vier muziekvrienden nodig.
Een jaar na debuutalbum We Fucked A Flame Into Being, ligt de titelloze opvolger van Warhaus al in de winkels. Warhaus, het soloproject van Balthazar-lid Maarten Devoldere, lijkt bij het opzetten van de plaat nog vast te willen houden aan zijn eigen stijl, maar werkt richting het eind van de plaat steeds meer toe naar de bekende stijl van Balthazar. Het gemis van Devolderes muziekvrienden is echter hoorbaar: op zijn tweede solo-album weet de Vlaming onvoldoende te boeien.
Ruim een jaar geleden lastte de populairste popband van België, Balthazar, na een uitgebreide (festival)tour een pauze voor onbepaalde tijd in. Het in 2015 uitgebrachte Thin Walls, dat maar liefst 93 weken in de Vlaamse Ultratop 200 Albums stond, was aanleiding voor een tour van twee jaar lang die door heel Europa leidde. Na een laatste concert op Appelpop (september 2016) ging de vijfkoppige formatie uit elkaar, zodat enkele leden zich op hun eigen muzikale projecten konden gaan richten.
Terwijl Balthazar nog met zijn (voorlopig) laatste optredens bezig was, lanceerde Maarten Devoldere zijn solo-debuutplaat We Fucked A Flame Into Being. Twee maanden later kwam bandlid Simon Casier met zijn soloalbum op de proppen. In november 2016 werd onder de naam Zimmerman het album The Afterglow uitgebracht, dat weinig aandacht naar zich toe wist te trekken. Ook Hinges Of Luck, het album dat Casier een maand geleden uitbracht met zijn band Douglas Firs, heeft het grote publiek nog niet weten te bereiken. Pas veel later, in de zomer van 2017, werd onder artiestennaam J. Bernardt (Jinte Deprez) het elektronische popalbum Running Days uitgebracht. Deprez, die zich net als Devoldere frontman van Balthazar mag noemen, wist deze zomer menig festivalbezoeker in vervoering te brengen met zijn elektronische sound en scoorde met Calm Down de grootste hit van de solerende Balthazar-leden.
Met We Fucked A Flame Into Being zet Warhaus onmiddellijk een kenmerkende stijl neer door telkens het geraamte van een nummer te voorzien van een sterke, repeterende baslijn en op de voorgrond percussie, die meteen de vaste cadans van het nummer laat horen. Vervolgens wordt elk nummer op verschillende wijze aangekleed: vaak door strijkers, maar ook door koperblazers en piano. De warm fluisterende stem van Devoldere, vaak vergeleken met Leonard Cohen, aangevuld door de sensuele stem van Sylvie Kreusch (die eerder lid was van Soldier’s Heart en tevens vriendin van Devoldere) maken de nummers af en geven deze een warm gevoel.
Dit warme gevoel ontbreekt op Warhaus’ titelloze opvolger. Het kenmerkende geraamte staat, vooral aan het begin van de plaat nog overeind, maar deze wordt veel schaarser gekleed. Het album begint als een naakte versie van het debuut: waar de kenmerkende baslijn en percussie weer hoorbaar zijn, is de rest van het arrangement veel minder rijk opgezet en blijft er weinig écht boeiends over. Slecht is het niet, maar de eerste helft van de plaat gaat vrij onopgemerkt voorbij. Eigenlijk weet vriendin Sylvie Kreusch, die ook nu haar medewerking verleent, dit deel van de plaat te redden door de koude, kleurloze composities af en toe licht te verwarmen met haar aangenaam zwoele stem.
Vanaf de tweede helft van de plaat, het nummer Bang Bang om precies te zijn, wordt het interessanter. Het geraamte wordt weer wat warmer aangekleed: een rijker arrangement, met af en toe ook subtiele toevoegingen van gitaar, doet steeds vaker denken aan het herkenbare geluid van Balthazar. De inspiratie voor het typische Warhaus-geluid lijkt hier te slinken en langzaam wordt weer duidelijk waar de dertigjarige Vlaming eigenlijk thuishoort. Dit deel van de plaat schreeuwt om een hereniging van Balthazar, want al komt Devoldere hier dichtbij, om de melodieën net zo pakkend en verslavend te krijgen als op Thin Walls en voorgangers Rats en Applause, heeft hij toch echt zijn vier muziekvrienden nodig.
