Een plaat van Sigur Rós beschrijven, het heeft meestal iets weg van een sprookje. Dit komt doordat de muziek die de band onder aanvoering van frontman Jónsi maakt, daadwerkelijk sprookjesachtig klinkt. Feeëriek. Waarom? Het is een combinatie van factoren, zoals die ook aan de hand van de nieuwe plaat, ‘Valtari’, kan worden uitgelegd.
De eerste, en misschien wel belangrijkste factor, is het stemgeluid van Jónsi. Het geluid dat hij produceert, lijkt wat op engelengezang, het komt op je af, bijzonder lieflijk en bekoorlijk, maar ook indringend en soms scherp. Op ‘Valtari’ wordt veeleer voor de rustige aanpak gekozen, maar het unieke stemgeluid blijft een sterkhouder; en zorgt er ook deze keer weer voor dat de IJslanders een geschikte plaat afleveren. Let wel, ik heb het over een geschikte plaat, en geen geweldige plaat; dat is ook zo, naar mijn gevoel zijn voorgangers als ‘()’ en ‘Ágætis Byrjun’ veel sterker, en veel beter gelukt in het opzet om magie over te brengen naar de luisteraar. Die platen hebben ook meer intensiteit, vind ik; op ‘Valtari’ heb je eerder ingehouden nummers, waarvan er ook wel enkele prachtig zijn, zoals het openingsduo, maar om de gehele rit uit te zitten, maakt dit er iets moeilijker op.
De stem van Jónsi leent zich hier, gelukkig, wel voor melancholische, droefgeestige muziek, want ik vind het persoonlijk wat minder passen bij hetgeen op het vorige album werd gedaan, of op het solo-uitstapje van de frontman. De stem tilt de muziek naar een hoger niveau.
De tweede factor: de muzikale omlijsting. Op ‘Valtari’ is een minder vol geluid te horen, en ook amper uitbarstingen, waar ze in het verleden zo goed in bleken te zijn. Toch klinkt ‘Valtari’ als een sprookje; de weemoedig klinkende pianoklanken, de ambient soundscapes; ze roepen een hele wereld op. Elke Sigur Rós plaat roept een nieuw universum op; ‘Valtari’ roept dat van een desolaat, groezelig landschap op, of van een schip dat boven de golven dobbert, in plaats van erop. Die inspiratie haal ik vooral uit de hoes.
En dan zijn we meteen bij factor drie aanbeland; de hoes. De hoes van zo’n plaat roept ook altijd heel wat vragen op, en is altijd net mysterieus genoeg om ze nooit allemaal te kunnen beantwoorden. Alles blijft daardoor een beetje vaag, laat de muziek maar spreken. Ook hier is dat weer het geval, we zien een schip boven de oceaan “vliegen”, het is een bijzonder schouwspel.
Ik heb al aangegeven dat ‘Valtari’ minder indruk maakt op mij. Dat is voor een groot deel te wijten aan het gebrek aan uitbarstingen, maar in principe is dat slechts schijn. Men speelt nu veel meer met “onzichtbare” uitbarstingen; bescheiden climaxen, die zich liever op de achtergrond bezighouden, zonder echt de algehele aandacht te trekken. ‘Varúð’ is daar een aardig voorbeeld van. De song trekt de aandacht niet echt binnen het geheel, maar er zit eigenlijk heel wat beweging in, en er gebeurt van alles. En de opbouw is zo geduldig, misschien net iets te geduldig. Daar wringt het schoentje wat mij betreft.
Toch kan Sigur Rós in mijn ogen amper iets slechts doen, zelfs een matig nummer heb ik nog nooit gehoord van hen. Dat alleen verdient al een applausje, maar het is ook nog eens niet de gemakkelijkste muziek die er is. Het vergt van de luisteraar fysieke en mentale inspanning om zich doorheen het complexe kluwen te manoeuvreren, en het etiket “groeiplaat” is dan ook van toepassing, ook op ‘Valtari’. Tegelijkertijd is het muziek die het enorm moet hebben van het gevoel, en daar ook op inspeelt, dus vanuit dat perspectief kan je ook weer zeggen dat het je ligt, of het ligt je niet. Laat het net die schijnbare tegenstelling zijn die me aantrekt in hun muziek.
‘Valtari’ is een goeie plaat, maar lang niet zo indrukwekkend als enkele van z’n voorgangers. Het is wel een dappere voortzetting in hun evolutieproces, en het maakt me gelijk benieuwd waar het met de volgende plaat alweer heengaat. In afwachting zal deze plaat zeker nog de revue passeren, maar toch wat minder vaak dan ‘Ágætis Byrjun’, ‘()’ en ‘Takk…’.
3,5 sterren