Als we de vertelsels van de geschiedschrijvers der jazz mogen geloven, is deze Kind Of Bleu best een ironisch gegeven. Hoeveel verhalen bestaan er immers niet waarin Davis als een losgeslagen wildebras overkomt? Mensen als hij, Baker of Parker doen de vraag oprijzen waarom er nooit sprake is geweest van een spreuk als 'Seks, Drugs & Jazz' in plek van de Rock & Roll variant.
En toch was deze Davis een meester in het maken van verstilde jazz, rustige muziek die zelfs brave huismoeders niet op de zenuwen zal gaan werken. Neem nu de manier waarop hij zijn spel brengt, als groot liefhebber van het woord toeteren kom ik hier bedrogen uit want Davis... tja die doet iets meer dan gewoon toeteren. Hij lijkt te fluisteren in die trompet van hem, het is haast met dezelfde tederheid waarmee je een schouderklopje geeft dat hij blaast. Gevoelig, een beetje hees en vooral intens, die trompet klinkt exact zoals ze hoort te klinken.
Ook de rest van zijn groep lijkt me maar al te goed te beseffen wat Miles met deze Kind Of Blue bereiken wil. Evans bijvoorbeeld doet weer waar hij zo goed in is, de muziek doen veranderen in iets meer, de sfeer van het moment vatten en daar op inspelen, eigenlijk gewoon meegaan in de mood van Miles.
Die mood komt ook weer erg filmisch over moet ik zeggen, hij bewees het al met Ascenseur pour l'échafaud maar ook hier opnieuw weet hij beelden op te wekken. Een half opgerookte sigaret die verder puft in een asbak, zacht klinkende glazen wijn, donkere kroegen waar melancholie door de lucht galmt... het passeert allemaal de reveu wanneer ik de ogen sluit.
Overigens is het maar al te normaal dat dit plaatje iets magisch is gebleken, als je zowel Adderly, Coltrane als Evans bij elkaar weet te schraren en je zelf nog eens Miles Davis heet... falen was geen optie met deze verzameling aan talent me dunkt.
Hoe dan ook een meesterwerk van het zuiverste water waar ik waarschijnlijk tot het einde mijner dagen van zal smullen
