Via deze pagina blijf je op de hoogte van recente stemmen, meningen en recensies van Kaaasgaaf.
Standaard zie je de activiteiten in de huidige en vorige maand. Je kunt ook voor een van de volgende perioden kiezen:
januari 2025, februari 2025, maart 2025, april 2025, mei 2025, juni 2025, juli 2025, augustus 2025, september 2025, oktober 2025, november 2025, december 2025, januari 2026, februari 2026, maart 2026, april 2026, mei 2026, juni 2026, juli 2026
Boards of Canada - Inferno (2026)
»
details
Altın Gün - Garip (2026)
»
details
Paul McCartney - The Boys of Dungeon Lane (2026)
De aankondiging van een nieuwe Macca vormt voor mij altijd een haribo-mix aan emoties.
De hoop op een werkje waarin zijn legendarische genialiteit van begin tot eind doorklinkt (en zulke werkjes heeft hij op z'n oude dag nog wel gemaakt, zie een Chaos & Creation of McCartney III)) en de angst voor gênante pogingen hip te klinken (een nummer als Fuh You, brrrr...) gaan constant met elkaar de strijd aan. En dan is er nog de alles relativerende maar ook wat nikszeggende constatering dat het toch bijzonder genoeg is dat die man überhaupt nog wat aan zijn oeuvre toevoegt.
The Boys Of Dungeon Lane blijkt zelf ook zo'n soort mix te zijn. Er zijn spaarzame momenten waarop hij nog verrassend uit de hoek probeert te komen, zoals in het even creepy als bipolaire openingsnummer, en ook al voelt het eindresultaat enigszins geforceerd roept het toch ook wel een soort vertederende bewondering op dat hij zichzelf nog steeds wil blijven bewijzen.
Aan de andere kant van het spectrum staat een nummer als Days We Left Behind, waar dan juist weer niks verrassends aan is en de sentimentele tekst ook een invuloefening lijkt. Toch raakt het me wel een beetje, net als het nóg oubolligere Home to Us waar Ringo klinkt als de gangmaker op een kringverjaardag.
Echt gênant wordt 't gelukkig nooit, al dreigt dat gevaar wel wanneer Ome Paul paddo-herinneringen op gaat zitten halen in Mountain Top, dat zo graag spiegedelisch zou willen zijn maar eerder klinkt als een humorloze muppet-versie van The Rutles.
De laatste twee nummers vind ik verreweg het best. Zowel de lamlendige folkpop van Salesman Saint als het kitchensink-drama van Momma Gets By (verre She's Leaving Home-echo's) passen waardig bij Pauls huidige stemgeluid. Ik vind 't sterk dat hij de broosheid van die stem niet verbergt, maar juist voor zich laat spreken, en de momenten dat hij dan nog wel een bijzondere noot haalt maken daar des te meer indruk mee. Ik hoop dat hij op een dag nog een album maakt waarop de muziek ook oud mag klinken, en dan bedoel ik oud ipv oubollig, met teksten die het 'je had erbij moeten zijn' overstijgen.
Dit is niet een plaat die ik vaak op zal zetten, maar ik ben blij dat-ie er is.
»
details
» naar bericht » reageer
Ed O'Brien - Blue Morpho (2026)
Edje, ach Edje. Ongetwijfeld het gezelligste en meest goedlachse Radiohead-lid, ook al schijnt hij nu uit een lange depressieve periode te komen en doen zijn recente interviews een beetje new-agey aan.
Hij werd vroeger zo nu en dan liefdevol belachelijk gemaakt, omdat niet altijd even duidelijk was wat hij precies aan de band toevoegde. Maar de laatste jaren lijkt die teneur gelukkig veranderd en worden het belang van zijn bijdragen onderkend en opgehemeld.
Solo heeft hij echter nog het nodige te bewijzen. Zijn vorige plaat, onder het irritante pseudoniem EOB, kende mooie momenten maar was ook wat middle-of-the-road.
Grootste valkuil leek toch wel zijn stem. Technisch dik in orde, wat ook niet anders kan als je decennia lang avond aan avond voor duizenden mensen tweede stem voor misschien wel dé stem van je generatie hebt mogen zingen. Maar daar zat nu, wat mij betreft althans, ook het probleem: Ed klinkt als iemand die zijn leven lang tweede stem heeft gezongen, er mist karakter en overtuigingskracht.
Op Blue Morpho wordt dat probleem opgelost, of beter gezegd verhuld, door die stem - naast lange instrumentale stukken - heel diep in de mix te begraven. En dat werkt hier op zich prima, want dit is sowieso een vrij hypnotiserend koptelefoonalbum. Een totaal ander soort album dan de voorganger dus, Radiohead-achtiger ook wel, en hoe dan ook meer mijn smaak.
Met name de eerst helft houdt mij in haar greep, met een bijzondere mix van krautrock-achtige ritmes, Nick Drake-achtige folk en overwéldigende orkestraties (bijna alsof Ed een beetje indruk op 'die andere gitarist' wilde maken). De tweede helft is zeker niet onaangenaam, best fijn om bij weg te dromen, maar het Floydiaanse gegalm bevat net wat te weinig onderscheidende elementen naar mijn smaak.
Het grootste probleem van deze plaat is voor mij dat met hoeveel liefde en zorg het overduidelijk ook gebrouwen is, het ergens iets anoniems blijft houden. Ja, deze muzikant is uiteraard essentieel voor de belangrijkste band van de afgelopen veertig jaar, dat mag inmiddels toch wel duidelijk zijn. Hij behoort tot dat DNA, dus voor elke liefhebber van die band valt hier genoeg in te ontdekken om dolgelukkig van te raken, maar uiteindelijk beklijft er toch te weinig voor mij. Dat zit 'm denk ik in de combinatie van stijlen die allemaal zo vaag vertrouwd voelen maar waar nooit echt een duidelijke keuze in wordt gemaakt die de spielerei overstijgt. Maar nog veel meer dan dat zit het 'm toch wel in die afwezig-aanwezige stem. Juist omdat dit (voor het eerst onder zijn volledige naam, met een bijbehorende film over zijn innerlijke zoektocht en alle ontboezemingen in interview eromheen) als zo'n in- en in-persoonlijk project wordt gepresenteerd, wringt dat een beetje.
De sprong van zijn vorige naar dit album is echter wel zo imponerend te noemen, dat het zeker nieuwsgierig maakt waar deze man in de toekomst verder buiten 'het moederschip' mee op de proppen zal komen...
»
details
» naar bericht » reageer
Daughn Gibson - Lake Mary Not Mysterious (2026)
Van sommige artiesten zou je haast gaan vermoeden dat ze niet bekend wíllen worden. Gibson is er zo eentje, want sinds zijn debuut uit 2012 heeft hij eigenlijk geen slechte plaat gemaakt, met als belangrijkste ingrediënt altijd die bizarre bromstem (even bronstig als desolaat, even griezelig als wonderschoon) en muziek die je tijdloos zou kunnen noemen, maar dan zo tijdloos als een Lynchiaanse koortsdroom: niet boven elk tijdperk verheven, maar buiten iedere tijdsbeleving geisoleerd. Je zou eigenlijk alles van hem willen volgen, maar constant verschijnt en verdwijnt z'n muziek van de streamingdiensten, blijkt hij een EP te hebben uitgebracht die dan weer nergens te verkrijgen is, etcetera. Ik verwacht, ook gezien de stemmen hier, dat Lake Mary Not Mysterious weinig aan zijn populariteit zal veranderen. Maar wat een heerlijk album is dit zeg, grotendeels een stuk luchtiger dan zijn eerdere werken, maar uiteraard betreft dat luchtigheid van een bedrieglijke aard en is daarmee des te gevaarlijker. Een plaat die in je ziel blijft rondspoken en waarvan je zelf ook gaat rondspoken, toch steeds weer gevaarlijk verlangend naar meer.
»
details
» naar bericht » reageer
Aldous Harding - Train on the Island (2026)
Aldous Harding is een artiest van wie ik graag wil houden, maar wat me niet altijd makkelijk afgaat.
Haar bevreemdende teksten, haar veelzijdige stem, de melodieën die je bij de hand pakken en dan laten verdwalen, de kenmerkende droge sound die ruimte biedt voor flonkerende details... Het klinkt bij elkaar als het recept voor een muzikaal maal dat mij zou moeten laten jubelen. Waarom voel ik er dan, enkele momenten daargelaten, zo weinig bij?
Het probleem (en dit komt name op haar laatste paar platen naar voren) is dat ze me net iets te graag ongrijpbaar wil zijn. Ik houd van ongrijpbaarheid, maar ik denk dat Harding er geen moeite voor zou hoeven doen. Ze is bijzonder genoeg zonder zulke fratsen. Niet dat deze plaat nou zo raar is, maar in elk nummer zit wel een momentje (al is het maar het 'gekkig' uitspreken van een woord) dat lijkt voort te komen uit een wanhopige en ietwat puberale angst om gewoontjes gevonden te worden. Toch blijf ik 't proberen. En dan blijf ik er toch ook weer fantastische dingen in ontdekken. Dingen die me naar deze plaat blijven verleiden en dan heeft ze me verdomme toch weer even volledig in haar ban.
Echt van haar houden lukt me dan wel niet, toch blijf ik naar haar luisteren.
»
details
» naar bericht » reageer
Future Islands - From a Hole in the Floor to a Fountain of Youth (2026)
Het is een vaak gehoorde, haast clichématige, reactie na verschijning van een dubbelalbum:
'Als ze de beste nummers hiervan nou op een enkel schijfje hadden gezet, was het resultaat vele malen beter geweest.'
Die opmerking komt op mij altijd een beetje dommig over, want het mist dat een album méér is dan een verzameling vermeende hoogtepunten; er zit een zekere visie achter het geheel en wanneer een band beluit een dubbelaar te brouwen zal dat toch al helemaal het geval zijn. Ik ga er vanuit dat dit dus ook voor dit Future Islands-album zak gelden, maar toch moet ik bekennen dat bij elke luisterbeurt die 'dommige' uitspraak tot mijn grote schaamte bij mij naar boven komt drijven.
De makke is vrees ik domweg dat die unieke en heerlijke maar toch vrij beperkte stijl van deze band - die zich hiervoor zes albums lang nauwelijks ontwikkelde maar elke keer opnieuw wist te overtuigen - vrij ongeschikt blijkt om zo lang de aandacht vast te houden. Zelfs hun belangrijkste en meest onderscheidende ingrediënt, die bizarre Stem van mister Herring (onmogelijk om te horen zonder zijn legendarische podium-capriolen voor je te zien) gaat op zeker moment vermoeien.
Natuurlijk blijven er genoeg parels in de pap te vinden. Zeker de helft van de nummers is sterk tot ijzersterk te noemen en de rest is verre van slecht. Maar bij elkaar is 't gewoon too much, het wordt gewoonweg een saaie brij.
Je zou bijna geneigd raken om van die beste nummers een playlistje te destilleren, voor de duur van een enkel album.
Maar natuurlijk doen we dat niet, zo zijn wij niet. Écht niet.
»
details
» naar bericht » reageer
Alela Diane - Who's Keeping Time? (2026)
Ach ach Alela... Waarschijnlijk als zij het telefoonboek zou voorlezen, zou ze me nog volledig in katzwijm laten vallen. Ze lijkt me overigens een type dat dat nog doodleuk in huis heeft, een telefoonboek. Net als zo'n telefoon met een grote draaischijf. Ja, haar kenmerkende snikstem en weemoedig wiegende folky liederen brengen me altijd naar een andere tijd, een vroegere wereld. Een wereld die in vele opzichten simpeler lijkt, maar waar tijdloze pijn altijd aan blijft kloppen.
Diane's platen roepen nostalgie op zonder zelf ook maar een spatje nostalgisch te zijn. Haar kracht is nou juist hoe direct ze in contact lijkt te staan met datgene wat ze bezingt. Zeker als je haar live ziet - doe dat mensen, magie gegarandeerd! - merk je dat volledig.
Deze plaat voegt weliswaar niks verrassends toe aan dit prachtoeuvre, maar wel weer een aantal onweerstaanbaar mooie liederen zoals ze die zo schijnbaar uit haar mouw blijft schudden. In de tweede helft van het album houdt ze mijn aandacht net iets minder vast dan ik van haar gewend ben, ze klinkt op momenten net wat te opgeruimd, soms zelfs gelukkig. Wat ik haar uiteraard meer dan gun, maar dat is niet waarvoor ik bij haar op de koffie kom. Zo'n antieke houten koffiemolen heeft ze trouwens vast ook.
»
details
» naar bericht » reageer
Kevin Morby - Little Wide Open (2026)
Kevin Morby is zo'n artiest van wie ik makkelijk van kan vergeten hoeveel ik van 'm houd. Ik haakte aan bij Singing Saw en die plaat blijft wel mijn favoriet, omdat er - net als op voorgangers Still Life en Harlem River - een zeker mysterie in zit, een intrigerende ongrijpbaarheid. Alle platen sindsdien zijn veel rechtlijniger, meer bestudeerd, en komen op mij vaak over alsof Morby net iets te graag zijn genialiteit semi-nonchalant aan je op wil dringen. Nieuw Morby-werk is daarmee nooit echt liefde op het eerste gehoor voor mij, eerder een vage ergernis die toch ook wel aangenaam voelt en waar ik blijkbaar elke keer weer doorheen wil gaan, vermoedelijk omdat ik weet dat die ergernis op zeker moment om zal slaan en ik dan weer begin te horen hoe oprecht geniaal dit mannetje toch daadwerkelijk is en blijft.
Het voorgaande tweeluik This Is A Photograph / More Photograps veranderde dit een klein beetje voor mij, misschien omdat ik geen mysterie meer verwachtte maar wel meeslepend vakmanschap en dit dubbel en dwars kreeg opgediend. Daarnaast verraste hij met soulvolle arrangementen en ontroerende observaties. Op Little Wide Open wordt deze lijn doorgezet en voor het eerst in lange tijd ben ik bij een eerste Morby-luisterbeurt al helemaal om.
Op Little Wide Open klinkt Kevin nóg Amerikaanser dan hij altijd al deed, haast als een statement nu het landschap van zijn herinneringen en zijn dromen steeds verder de afgrond in drijft. Geen moment wordt daar letterlijk naar gerefereerd, maar je voelt de bitterzoete weemoed constant door de weelderige folkanthems heen klinken. Weemoed, troost en ondanks alles altijd hoop. Morby is een onversneden romanticus, daar heeft hij nou nooit een mysterie van gemaakt, dus natúúrlijk houdt de hoop dan het laatste woord. Dat is een eigenschap die niet voor iedereen is weggelegd, misschien kwam die vage ergernis er voorheen wel uit voort dat ik iets te cynisch elkaar steek.
Voor de duur van een klein klokuur aan prachtklanken - even traditioneel als wat nú gemaakt moest worden - weet Morby zijn luisteraars volledig in de ban te houden. Of nou ja, laat ik ieder geval voor mezelf spreken: míj blijft hij bij elke draaibeurt in zijn ban houden, het laatste zuchtje cynisme als een duivel uit me drijven. En vervolgens kan ik er dan potdomme weer even tegenaan!
»
details
» naar bericht » reageer
Kurt Vile - Philadelphia's Been Good to Me (2026)
Er zijn van die artiesten die je bij de aankondiging van elke release nieuwsgierig maken hoe ze zichzelf nu weer opnieuw hebben uitgevonden, of op z'n minst welke kant ze ditmaal van zichzelf laten zien. Er zijn ook artiesten waar je dat allerminst van verwacht en die ook volledig gepermitteerd zijn om elke keer hetzelfde liedje te brengen. Waarom? Omdat het hún liedje is en niemand anders dat maken kan.
Kurt Vile valt overduidelijk in die tweede categorie, en elke toevoeging aan zijn oeuvre voelt voor mij bij de eerste paar luisterbeurten als een spannende balanceeract. Enerzijds het hartverwarmende gevoel dat zijn stem en gitaarspel vanaf de eerste tonen bij mij teweegbrengen. Anderzijds de vraag hoe lang dat stand blijft houden, omdat het risico van té vertrouwd toch altijd op de loer ligt. Maar toch flikt-ie het elke keer weer om niet sleets te klinken, geen schaduw van zichzelf te worden, maar haast alsof-ie tot z'n eigen verwondering z'n eigen stijl opnieuw blijft ontdekken. En misschien ligt dáár ook wel het geheim: zolang Kurt zichzelf oprecht vermaakt met het steeds dieper onderzoeken van dat wat zo vertrouwd lijkt, zullen z'n luisteraars ook onmogelijk verveeld kunnen raken. En wellicht speelt ook wel mee dat Kurt de verveling bewust opzoekt, als een creatieve bron die daarmee paradoxaal genoeg juist zo spannend blijft.
Daarmee wil ik zeker niet beweren dat elk KV-album inwisselbaar is. Hoe direct herkenbaar elke seconde van Philadelphia's... ook moge klinken, deze plaat is een meer dan volwaardige toevoeging aan dat wonderschone oeuvre. Enerzijds vind ik Kurts geestige observaties nog net iets geestiger dan voorheen, vol verwijzingen die eerst willekeurig kunnen klinken maar dan steeds logischer samenvallen. Maar wat deze plaat voor mij pas echt onderscheidend maakt is hoe zeer hij weet te ontroeren. Hoe ouder hij wordt, hoe meer Kurt overkomt als iemand die in de vreemde enge wereld waarin we leven alle mooie dingen voorzichtig tegen zich aan wil drukken, omdat alles van waarde zo weerloos blijkt.
En dan is er nog Chance to Bleed, een single die niet bepaald representatief voor het album genoemd kan worden, maar wel de boel lichtelijk opschudt net wanneer deze heerlijk lome trip dat zo goed gebruiken kan. Hier toont Kurt weer eens als geen ander de kracht van repetitie, zoals deze onwaarschijnlijke oorwurm wel bewijst. Soms blijft-ie dagenlang zalig door m'n kop klinken, m'n gezin wordt wel een beetje gek hoe ik zonder het door te hebben dan constant 'rock and roll NÍGHTS' zing. Wat een topclip ook.
Stiekem hoopte ik wel op nog een paar van zulke knallers, maar je vergeeft 't hem al gauw aangezien zijn dromerige gefröbel (met hier en daar een gezellig valsig synthje zoals op zijn allervroegste lo-fi-werken) minstens zo onweerstaanbaar meeslepend blijft. Al met al: toch best wel een typische Kurt-plaat, zoals alleen hij dat maken kan, want íemand moet het doen.
»
details
» naar bericht » reageer
Bill Callahan - My Days of 58 (2026)
Hé, had ik hier nog geen recensie geplaatst? De laatste tijd ben ik weliswaar een stuk minder actief op dit forum, er blijven toch altijd wel van die artiesten waar ik met elk nieuw album mijn eerste indrukken over wil delen. Callahan is er zo eentje, maar aangezien zijn platen doorgaans alleen maar beter worden na een rijping-proces zou het alleen maar goed moeten zijn hier een aantal maanden later op terug te komen.
Hoewel, het blijkt ook de andere kant op te kunnen gaan... Ik zie namelijk dat ik wel al een beoordeling had gegeven, een 4,5, maar ik ga dit toch met een half puntje naar beneden bijstellen. Voor wat het waard is natuurlijk, het uitdelen van die sterren is nooit een al te afgewogen proces. Maar Callahans lat ligt nu eenmaal torenhoog, daarom moet ik streng zijn.
De tweede helft van dit album (kant C en D) zijn me iets te zoekend. Op voorganger YTI⅃AƎЯ was hij dat zoekende pad al ingeslagen, na een aantal albums waarop hij juist een bijzonder comfortabele rust gevonden had. En ook al vind ik het prijzenswaardig dat een artiest met zo'n herkenbare stijl en zo'n enorm oeuvre achter zich, toch ook nog wil blijven ontwikkelen, resulteerde dat in nummers die me soms wat te langdradig waren. Op dit album is dat ook het geval, met name wat betreft de laatste twee tracks, die als een soort koortsachtige bonustracks klinken na de schijnbaar zo logische conclusie van Highway Born.
Begrijp me niet verkeerd: ik vind die nummers verre van slecht, ze zijn muzikaal, origineel en brengen een lekker ongrijkbaar sfeertje. Maar voor een artiest met zoveel platen die van begin tot eind de aandacht vasthouden, zijn deze nummers me toch net iets te weinig beklijvend.
En dan is er Computer, een nummer waar ik elke keer intens van moet grijnzen en mijn gedachten erover eerder in dit stukje verwerkte. Het is verfrissend dat Bill zo schaamteloos moralistisch wil klinken en natuurlijk doet hij dat met de nodige zelfspot, maar het is uiteindelijk toch wel een stuk minder tot de verbeelding sprekend dan de ambigue stijl die we zo van hem gewend zijn.
Dit album valt voor mij overduidelijk in twee helften uiteen. Want hoe wisselvallig die tweede helft voor mij ook is (nogmaals: naar Callahan-standaarden dus), zo consistent wonderschoon zijn de eerste zes tracks. Nummers die zeer vertrouwd voelen, maar toch echt weer iets toevoegen aan dat imposante oeuvre. Geheime klassiekers die enkel door Ome Bill gemaakt hadden kunnen zijn. Met name Empathy - klonk hij ooit eerder zó persoonlijk? - weet mij tot tranen te roeren. En dat hij de kracht van herhaling als geen ander beheerst, bewijst Bill op openingsnummer Why Do Men Sing, waar een opeenstapeling van traditionele elementen ons in een steeds vreugdevollere hypnose brengen. De vier nummers daartussen zijn stuk voor stuk even geestig en ontroerend als dromerig-meeslepend, allemaal typisch Bill en toch zo onvoorspelbaar.
Ik zie uit naar alle platen die Callahan nog voor ons in petto heeft. Onevenwichtig of niet, ze zullen altijd meer dan genoeg te bieden hebben om al onze aandacht te verdienen.
»
details
» naar bericht » reageer
Courtney Barnett - Creature of Habit (2026)
Courtney Barnett is zo'n artiest die altijd net iets te makkelijk van mijn radar kan verdwijnen en dat terwijl ik haar platen stuk voor stuk supergoed vind. Dat zit 'm wellicht in de schijnbare vanzelfsprekendheid die steevast in haar stem, haar gitaarspel, haar teksten en liedjes doorklinkt. Liedjes die niet zonodig hoeven te overdonderen, maar die zich wel onmiddellijk aan je ziel hechten en daarna voelen als vrienden die je wat vaker zou moeten opzoeken, die je dat ook wel even plagend laten weten maar vervolgens direct vergeven. Creature Of Habit is misschien wel de meest Barnettesque Barnett-plaat, waarmee ik niet wil zeggen dat dit een sleetse invuloefening betreft. Het bijzondere is nou juist dat zij zo fris blijft klinken, haast alsof ze opnieuw debuteert, terwijl elk van deze tien tracks onderstreept wat haar van begin af aan zo onweerstaanbaar maakte. Liedjes als een weemoedig lentebriesje, met gortdroge observaties gebracht alsof ze even met je wil hangen om de dingen des levens door te nemen. Wat mij betreft mag ze van mijn radar blijven verdwijnen, om haar steeds weer opnieuw te kunnen ontdekken.
»
details
» naar bericht » reageer
Buck Meek - The Mirror (2026)
Zo'n plaat die ik te weinig draai, aangezien ik vrij klein woon en de rest van het gezin slecht tegen deze stem kan. Ik snap dat wel, het is ook een apart stemgeluid, maar daar kan ik op z'n tijd nou juist enorm van genieten. Het is een aandoenlijke en hartverwarmende stem, als iemand die op een feestje nét iets te lang tegen je staat te praten maar van wie je toch dolgraag wil horen hoe dat rare verhaal nou afloopt.
En uiteraard kunnen Bucks liedjes niet in de schaduw staan van die van zijn ex-vrouw/medebandlid, die hier ergens op de achtergrond ook soms te horen schijnt. De productie van deze plaat is dan weer verzorgd door het derde bandlid van die band die tegenwoordig een trio is, alles blijft dus gezellig op elkaar betrokken.
De liedjes weten dat natuurlijk zelf ook, van die schaduw. Maar zij laten zich daar niet door uit het veld slaan. Daarvoor zijn ze in al hun openhartige weemoed veel te goedgeluimd.
Als geheel is dit veruit Bucks sterkste solo-album, ondanks de kleine smet die het voor mij heel even dreigde te krijgen door het optreden dat ik van hem zag. Hij en zijn begeleidingsband - het voorprogramma rond zijn Nederlandse geliefde, waar hij zelf dan ook weer onderdeel van uitmaakt, dus eigenlijk kon bijna iedereen gewoon blijven staan waar die stond - hadden zich duidelijk voorgenomen om deze kabbelliedjes in de hoogste versnelling af te raffelen. Zoiets kan in theorie best interessant uitpakken en ze hadden het duidelijk enorm naar hun zin, maar mij deed het al gauw alle aandacht verliezen.
Zo'n drie weken later zag ik hem opnieuw op een podium, maar dan een podium van een paar formaatjes groter, met 'die andere band'. Dat was grandioos zoals altijd, die kunnen het zich permitteren om maar lekker te doen waar ze op dat moment zin in hebben. De liedjes (inclusief de vele songs die niemand nog kent, want daar blijven ze hun setlists toch ook doodleuk mee vullen en alleen maar tot groot genoegen van hun trouwe fans) staan toch altijd wel als een huis.
Zoveel vrijheid gun ik Buck solo toch ook zeker wel op een dag, maar tot die tijd blijf ik van de perfecte imperfecties op zijn platen - en dan met name deze plaat - volop genieten. Of nou ja, tenminste, wanneer niemand thuis is dus.
»
details
» naar bericht » reageer