Hier kun je zien welke berichten RealTom als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Big L - Return of the Devil's Son (2010)

3,0
0
geplaatst: 22 december 2010, 17:22 uur
Jammer dat dit zo tegenviel, maar was natuurlijk wel te verwachten. Heb mijn teleurstelling hier verwoord.
Black Milk - Tronic (2008)

3,5
0
geplaatst: 23 november 2008, 16:12 uur
Officieel op hiphopleeft verschenen:
De man die misschien wel zijn hele carrière met J Dilla vergeleken zal worden, laat dit jaar zien over een hoop werklust te beschikken. Zo nam Black Milk de productie van nagenoeg heel Elzhi’s The Preface voor zijn rekening, leverde hij wat strakke beats voor Guilty Simpson en GZA/The Genius en bracht hij een gratis instrumentale mixtape uit: Music from the Color Purple. Zijn soloalbum Tronic moet als klap op de vuurpijl fungeren, maar slaagt daar maar half in.
Allereerst de geslaagde kant: Black Milk bewijst op Tronic nog maar eens dat hij een erg degelijke producer is. Op missers zul je de uit Detroit afkomstige beatbakker die ook rapt niet betrappen en met enige regelmaat drukt en schuift hij een regelrechte topper uit zijn mixinstrumenten. Zijn stijl lijkt geëvolueerd te zijn, het organische lijkt plaats te hebben gemaakt voor iets meer mechanische instrumentaties, maar het zwoele en soulvolle geluid van Populair Demand (2007) is ook nog steeds ruimschoots aanwezig. Het grootste verschil is dat de beats op Tronic wat moderner klinken en ook een tikkeltje meer divers zijn dan op de voorganger.
Als rapper lijkt Black Milk iets gegroeid, al zijn de wat serieuzere teksten over zijn eigen carrière en de nummers waarin zijn visie op hiphop naar voren komt niet echt om over naar huis te schrijven. En in tegenstelling tot wat hij zelf beweert, is zijn flow helemaal niet zo spectaculair en kan hij niet tippen aan de meeste gastartiesten die hij heeft uitgenodigd. Op het monsterlijke (dit keer heel karakteristiek geproduceerd mét stemsample) Losing Out moet hij het bijvoorbeeld afleggen tegen een ontketende Royce Da 5’9” en Pharaohe Monch en Sean Prince stelen de show op het galactische The Matrix. Minder geslaagd is de bijdrage van Fat Ray, maar die blijft beperkt tot het refrein en wordt bovendien niet bepaald in het zadel geholpen door een van de weinige minpuntjes op Tronic: de te luide en schelle productie op Hell Yeah.
Zo zijn niet alle beats even jofel, maar het schiet nergens echt uit de bocht (ook niet als er een soort gabbertje aan de knapperig knallende beat van Give The Drummer Sum wordt toegevoegd). Het grootste euvel van Tronic is bij oppervlakkig luisteren te verwaarlozen, maar verhindert wel dat deze plaat lang zal beklijven: Black Milk weet zich niet voldoende te onderscheiden van de massa. Dat komt mede doordat hij veel productiewerk voor andere MC’s heeft geleverd, die daar vaak meer uit weten te halen dan Black Milk zelf. Black Milk is als rapper simpelweg te beperkt om echt te imponeren en als producer is hij net iets teveel degelijk en te weinig uniek of vernieuwend. Wat overigens niet wegneemt dat Tronic in navolging van Popular Demand een fijne plaat is, zoals er niet al te veel worden gemaakt.
Black Milk heeft namelijk wel een gevoel voor sfeervolle producties, die vaak een heldere klank hebben. Hij brengt zogezegd een positief geluid in de soms al afgeschreven hiphopscene. En het is dan wel zo dat Black Milk niet bepaald een shockerend effect heeft, een puike plaat is ook veel waard. En met name de ongegeneerd beukende nummers zijn zo dik, dat je mij niet eens zou horen klagen als die paar serieuzere tracks werden vervangen voor een paar ongelooflijke bangers.
De man die misschien wel zijn hele carrière met J Dilla vergeleken zal worden, laat dit jaar zien over een hoop werklust te beschikken. Zo nam Black Milk de productie van nagenoeg heel Elzhi’s The Preface voor zijn rekening, leverde hij wat strakke beats voor Guilty Simpson en GZA/The Genius en bracht hij een gratis instrumentale mixtape uit: Music from the Color Purple. Zijn soloalbum Tronic moet als klap op de vuurpijl fungeren, maar slaagt daar maar half in.
Allereerst de geslaagde kant: Black Milk bewijst op Tronic nog maar eens dat hij een erg degelijke producer is. Op missers zul je de uit Detroit afkomstige beatbakker die ook rapt niet betrappen en met enige regelmaat drukt en schuift hij een regelrechte topper uit zijn mixinstrumenten. Zijn stijl lijkt geëvolueerd te zijn, het organische lijkt plaats te hebben gemaakt voor iets meer mechanische instrumentaties, maar het zwoele en soulvolle geluid van Populair Demand (2007) is ook nog steeds ruimschoots aanwezig. Het grootste verschil is dat de beats op Tronic wat moderner klinken en ook een tikkeltje meer divers zijn dan op de voorganger.
Als rapper lijkt Black Milk iets gegroeid, al zijn de wat serieuzere teksten over zijn eigen carrière en de nummers waarin zijn visie op hiphop naar voren komt niet echt om over naar huis te schrijven. En in tegenstelling tot wat hij zelf beweert, is zijn flow helemaal niet zo spectaculair en kan hij niet tippen aan de meeste gastartiesten die hij heeft uitgenodigd. Op het monsterlijke (dit keer heel karakteristiek geproduceerd mét stemsample) Losing Out moet hij het bijvoorbeeld afleggen tegen een ontketende Royce Da 5’9” en Pharaohe Monch en Sean Prince stelen de show op het galactische The Matrix. Minder geslaagd is de bijdrage van Fat Ray, maar die blijft beperkt tot het refrein en wordt bovendien niet bepaald in het zadel geholpen door een van de weinige minpuntjes op Tronic: de te luide en schelle productie op Hell Yeah.
Zo zijn niet alle beats even jofel, maar het schiet nergens echt uit de bocht (ook niet als er een soort gabbertje aan de knapperig knallende beat van Give The Drummer Sum wordt toegevoegd). Het grootste euvel van Tronic is bij oppervlakkig luisteren te verwaarlozen, maar verhindert wel dat deze plaat lang zal beklijven: Black Milk weet zich niet voldoende te onderscheiden van de massa. Dat komt mede doordat hij veel productiewerk voor andere MC’s heeft geleverd, die daar vaak meer uit weten te halen dan Black Milk zelf. Black Milk is als rapper simpelweg te beperkt om echt te imponeren en als producer is hij net iets teveel degelijk en te weinig uniek of vernieuwend. Wat overigens niet wegneemt dat Tronic in navolging van Popular Demand een fijne plaat is, zoals er niet al te veel worden gemaakt.
Black Milk heeft namelijk wel een gevoel voor sfeervolle producties, die vaak een heldere klank hebben. Hij brengt zogezegd een positief geluid in de soms al afgeschreven hiphopscene. En het is dan wel zo dat Black Milk niet bepaald een shockerend effect heeft, een puike plaat is ook veel waard. En met name de ongegeneerd beukende nummers zijn zo dik, dat je mij niet eens zou horen klagen als die paar serieuzere tracks werden vervangen voor een paar ongelooflijke bangers.
El-P - Weareallgoingtoburninhellmegamixxx3 (2010)

3,5
0
geplaatst: 22 december 2010, 17:12 uur
Heerlijk project. Jammer dat er geen raps op staan, maar ook zonder is dit prima te genieten.
Heltah Skeltah - D.I.R.T. (Da Incredible Rap Team) (2008)

4,0
0
geplaatst: 9 oktober 2008, 20:55 uur
Heltah Skeltah brengt geweld, geweld en nog eens geweld. Ben je erg vredelievend, kun je niet tegen bloed of ben je gewoon in een hemelse bui? Dan moet je D.I.R.T. (Da Incredible Rap Team) vooral langs je heen laten gaan. Van het begin tot het eind staat dit album bol van het geweld. Of het nou is om een gevoel te beschrijven of gewoon de eigen prestaties te prijzen, Ruck en Rock uiten zich in geweldadige termen.
Ruck en Rock maken onderdeel uit van het grotere geheel Boot Camp Clik. Leden van deze crew begonnen vanaf 1993 albums uit te brengen, wat in 1996 en 1998 resulteerde in Nocturnal en Magnum Force van Heltah Skeltah. Rond het begin van het nieuwe millennium werd het allemaal wat stiller rondom de Clik, maar Ruck, nu onder zijn echte naam Sean Price, gaf in 2005 gestalte aan een heftige terugkeer. Met zijn album Monkey Barz, waar geweld verrassend genoeg een grote rol speelde, zette hij de rapwereld weer op scherp. Ook het tweede solo-uitstapje van Sean Price, Jesus Price Supastar, was succesvol. Dat riep de wens naar een Heltah Skeltah comeback op en wat bleek? De oude rauwdouwers waren niet te beroerd om aan de vraag te voldoen.
Ruck en Rock zijn op D.I.R.T. bij hun leest gebleven en dat blijkt te lonen. De beide heren doen namelijk een plaat lang alleen maar waar ze goed in zijn. Sean Price lijkt daar beter in te zijn dan zijn maatje, maar de rappers doen niet schokkend veel voor elkaar onder. Het verschil zit meer in de meer charismatische benadering van Sean Price en de net wat te schorre en schreeuwerige stem van Rock dan dat de tweede daadwerkelijk veel minder bedreven is in het rappen. Bovendien blijkt op dit album eens te meer dat Ruck en Rock gewoon een fantastisch duo vormen, want ze vullen elkaar uitstekend aan en de aanwezige gastrappers worden allemaal subtiel naar de achtergrond verwezen.
En dan heeft Heltah Skeltah ook nog eens grotendeels de juiste beats uitgekozen. Iedere track is geproduceerd door een andere producer, maar daar is niets negatiefs aan te merken. Natuurlijk variëren de beats in kwaliteit, maar ze sluiten zonder uitzondering aan op de brutale teksten van de monsterlijke rappers. Nergens overdreven, overbodige melancholie of lieflijk getingel; alles staat in het teken van helse bombast. Hier en daar wellicht een tikje overdreven en over de top, maar vaak doeltreffend en heerlijk ruig.
Dat levert een paar heerlijke anthems op. Tracks als Everything is Heltah Skeltah, The Art of Disrespekanization en Insane zijn schoolvoorbeelden van hoe smakelijk geweldsverheerlijking kan zijn. Waar Insane vooral profiteert van de paranoïde instrumentatie van Marco Polo, zit de charme van The Art of Disrespekanization hem vooral in de vuige humor van Ruck en Rock. Lines als “Mistletoe in my backpocket, nigga kiss my ass!” (-Rock) en “when I fuck Rihanna ain’t use no umbrella, bitch have twins Imma name ‘m both Ella, Ella” (-Ruck) toveren toch automatisch een scheinheilige glimlach om de lippen?
En zo weet Heltah Skeltah vijftig minuten aan muziek te vullen met de ene na de andere schunnige grap. De rappers vullen elkaar goed aan en weten elkaar elke keer weer tot een nieuwe grofheid te porren. De beats beuken helaas af en toe wat te wild, maar dat mag de pret niet drukken. D.I.R.T. (Da Incredible Rap Team) is goed te vergelijken met een oppervlakkige knokfilm en moet eigenlijk ook zo bekeken worden. Dan blijkt dat Ruck en Rock samen een heerlijke matpartij weten neer te zetten.
De review is ook hier te lezen.
Ruck en Rock maken onderdeel uit van het grotere geheel Boot Camp Clik. Leden van deze crew begonnen vanaf 1993 albums uit te brengen, wat in 1996 en 1998 resulteerde in Nocturnal en Magnum Force van Heltah Skeltah. Rond het begin van het nieuwe millennium werd het allemaal wat stiller rondom de Clik, maar Ruck, nu onder zijn echte naam Sean Price, gaf in 2005 gestalte aan een heftige terugkeer. Met zijn album Monkey Barz, waar geweld verrassend genoeg een grote rol speelde, zette hij de rapwereld weer op scherp. Ook het tweede solo-uitstapje van Sean Price, Jesus Price Supastar, was succesvol. Dat riep de wens naar een Heltah Skeltah comeback op en wat bleek? De oude rauwdouwers waren niet te beroerd om aan de vraag te voldoen.
Ruck en Rock zijn op D.I.R.T. bij hun leest gebleven en dat blijkt te lonen. De beide heren doen namelijk een plaat lang alleen maar waar ze goed in zijn. Sean Price lijkt daar beter in te zijn dan zijn maatje, maar de rappers doen niet schokkend veel voor elkaar onder. Het verschil zit meer in de meer charismatische benadering van Sean Price en de net wat te schorre en schreeuwerige stem van Rock dan dat de tweede daadwerkelijk veel minder bedreven is in het rappen. Bovendien blijkt op dit album eens te meer dat Ruck en Rock gewoon een fantastisch duo vormen, want ze vullen elkaar uitstekend aan en de aanwezige gastrappers worden allemaal subtiel naar de achtergrond verwezen.
En dan heeft Heltah Skeltah ook nog eens grotendeels de juiste beats uitgekozen. Iedere track is geproduceerd door een andere producer, maar daar is niets negatiefs aan te merken. Natuurlijk variëren de beats in kwaliteit, maar ze sluiten zonder uitzondering aan op de brutale teksten van de monsterlijke rappers. Nergens overdreven, overbodige melancholie of lieflijk getingel; alles staat in het teken van helse bombast. Hier en daar wellicht een tikje overdreven en over de top, maar vaak doeltreffend en heerlijk ruig.
Dat levert een paar heerlijke anthems op. Tracks als Everything is Heltah Skeltah, The Art of Disrespekanization en Insane zijn schoolvoorbeelden van hoe smakelijk geweldsverheerlijking kan zijn. Waar Insane vooral profiteert van de paranoïde instrumentatie van Marco Polo, zit de charme van The Art of Disrespekanization hem vooral in de vuige humor van Ruck en Rock. Lines als “Mistletoe in my backpocket, nigga kiss my ass!” (-Rock) en “when I fuck Rihanna ain’t use no umbrella, bitch have twins Imma name ‘m both Ella, Ella” (-Ruck) toveren toch automatisch een scheinheilige glimlach om de lippen?
En zo weet Heltah Skeltah vijftig minuten aan muziek te vullen met de ene na de andere schunnige grap. De rappers vullen elkaar goed aan en weten elkaar elke keer weer tot een nieuwe grofheid te porren. De beats beuken helaas af en toe wat te wild, maar dat mag de pret niet drukken. D.I.R.T. (Da Incredible Rap Team) is goed te vergelijken met een oppervlakkige knokfilm en moet eigenlijk ook zo bekeken worden. Dan blijkt dat Ruck en Rock samen een heerlijke matpartij weten neer te zetten.
De review is ook hier te lezen.
Jedi Mind Tricks - A History of Violence (2008)

2,5
0
geplaatst: 2 december 2008, 22:28 uur
De recensie is verschenen op hiphopleeft
In 2006 bracht Jedi Mind Tricks het betrekkelijk verrassend positief ontvangen Servants in Heaven Kings in Hell uit, waar strakke ruige tracks gepaard gingen met oprecht gevoelig klinkende openbaringen van de immer radicale Vinnie Paz. Op de nieuwe plaat, A History of Violence, krijgt de vredesstrijder hulp van zijn oude strijdmakker Jus Allah, een man die een aparte rol speelt op dit wisselvallige album.
A History of Violence begint met enkele seconden tijdloze muziek uit de Godfather-triologie, gevolgd door een fanatieke scratchsessie. Een uitstekende wijze om een album in te luiden en het enthousiasme wordt op Deathbed Doctrine goed opgepakt door de compromisloze rappers Vinnie Paz en Jus Allah. Helaas klinkt de beat wel erg happy voor de hongerig agressieve uitroepen van de dienstdoende vocalisten, van alle samples ligt alleen de quote van Big L (“I don’t have it all upstairs, but who the fuck cares?”) in het straatje van de raps, en daarnaast klinkt het huppelende deuntje van de beat veel te vrijblijvend.
Op het volgende nummer, Deadly Melody, is de sfeer veel dreigender. Daar draagt de zang van Block McCloud aan mee, maar ook Stoupe the Enemy of Mankind weet hier de juiste toon aan te slaan. Het zijn niet de geijkte vioolslagen, maar donker aangeslagen en vervaagde pianoklanken. Op dit soort grauwe beats komen rauwdouwers als de Jedi Mind Tricks-rappers het best tot hun recht, en dat blijken ze te weten. Ze bewegen zich als een vis in het water over de track, al valt er op de rapwijze van vooral Jus Allah best wat aan te merken.
Deze rebel uit zich namelijk bij voorkeur in zo kort mogelijke zinnen. Neem zijn openingsvers op Deadly Melody: “I’m sand and stone//I stand alone//I’m a candle blown//I’ve hands of bone//I’m smart and old//I’m dark and cold//[…]//I’ve a heart of gold…”. Het lang doorrijmen op één klank kan best leuk zijn (Big L bijvoorbeeld kon er wat van), maar het lijkt bij Jus Allah meer op gemakzucht dan op een werkelijke flexibelheid te duiden. Hij beweegt zich in ieder geval verre van fris en fruitig over dit album.
Gelukkig rapt Vinnie Paz meestal wel op het scherpst van de snede. Ook op zijn flow en teksten is altijd wel kritiek geweest, maar hij doet toch wel weer gewoon zijn eigen ding. Natuurlijk zijn er weer de gebruikelijke nummers over allerlei ongrijpbare en duistere onderwerpen, waar hij zich weer lekker ongeremd en gewelddadig kan uiten. Maar er zijn ook tracks waar de scheldkanonnades met gegronde redenen op de maatschappij worden gericht. Op Trials of Lies, met een dramatisch voortzingende vrouwensample en hier en daar tranentrekkende instrumentatie – dat kun je wel aan Stoupe overlaten – uit hij zich over de idealen die mensen via de media krijgen opgedrongen. Uitgemergelde meisjes, lelijke beroemdheden, bedriegende reclames, het komt allemaal aan bod. We wisten het natuurlijk al lang, maar het is mooi te zien dat iemand met overtuigingskracht in zijn stem ons nog eens wakker schudt.
Ook op Death Messiah stelt Vinnie Paz wereldse problemen aan de kaak, maar hier gaat hij wat meer in op zijn eigen leed. Zo legt hij vooral uit dat hij zich onbegrepen voelt en dat hij dus gevangen is in een wereld die hem niet begrijpt. Opnieuw wordt hij bijgestaan door een melancholiek voortslepende beat, wederom ondersteund door een vrouwensample, dit keer met wat meer opzwepende klanken.
Het zijn die serieuze nummers die het algemene niveau wat opkrikken, want het meeste, zeker als er gastartiesten in het geding zijn, klinkt toch erg gewoon en vaak zelfs matig. Rappers als Outerspace, Doap Nixon en Demoz voegen niets toe aan Vinnie Paz; niet op het gebied van inhoud, niet op dat van teksten en ook niet op het gebied van charisma. Vinnie is misschien iets te eentonig, maar is altijd nog boeiender dan de genoemde gastartiesten. Op Servants in Heaven Kings in Hell (en andere voorgaande albums) waren de hulptroepen vaak nog ware versterkingen, hier halen ze de tracks enkel naar beneden.
Maar de tegenvallende resultaten zijn niet altijd enkel en alleen aan de (gast)rappers te wijten. Ook Stoupe the Enemy of Mankind maakt zich er soms te gemakkelijk vanaf door een stemsampletje aan een viooltje, pianootje of Latijns-Amerikaans geluidje te koppelen en hier wat dreuntjes aan toe te voegen. Het is het beproefde recept van de voorgaande albums, maar dit keer minder florissant uitgevoerd. Misschien komt het omdat de toverspreuk is uitgewerkt, misschien heeft Stoupe te weinig tijd genomen.
Wat zeker is, is dat dit album nu nog niet had uit hoeven komen. Het extreem productieve label Babygrande heeft met deze release het zoveelste veelbelovende album op de markt gezet, maar imponeren konden maar weinige van de releases. De meeste albums hebben wel enkele dope tracks, halen vaak dankzij de kwaliteit van de artiesten ook nog wel een (ruime) voldoende, maar klinken toch hier en daar wat kitscherig, gemaakt en soms zelfs afgeraffeld. En vooral dat laatste gevoel heerst heel sterk bij A History of Violence, en waar het kitscherige natuurlijk altijd al een beetje op de loer lag bij de met drama overgoten instrumentaties van Stoupe the Enemy of Mankind, ligt het er nu heel erg bovenop. Hadden de mannen van Jedi Mind Tricks wat meer tijd genomen voor hun product, dan hadden ze best met iets meer indrukwekkends kunnen komen dan deze plaat.
Waarom dit album eigenlijk met zoveel haast uit moest komen is trouwens een raadsel. Want liep A History of Violence niet een groot risico ondergesneeuwd te raken, door al die andere releases op Babygrande? Het is niet zeker of die drukte dé oorzaak is van de teleurstellende verkoopresultaten, de kwaliteit van de muziek zal ongetwijfeld ook een rol spelen, maar het getuigt van weinig marktinzicht dat het album van een van je topacts maar vijfduizend exemplaren verkoopt in de eerste week. Laat deze mislukking een straf zijn voor het gemakzuchtige Babygrande en laat Jedi Mind Tricks er van leren, om na een tijdje bezinning keihard terug te komen. Dat zie ik nog wel gebeuren, met de opgewonden natuur van Vinnie Paz.
In 2006 bracht Jedi Mind Tricks het betrekkelijk verrassend positief ontvangen Servants in Heaven Kings in Hell uit, waar strakke ruige tracks gepaard gingen met oprecht gevoelig klinkende openbaringen van de immer radicale Vinnie Paz. Op de nieuwe plaat, A History of Violence, krijgt de vredesstrijder hulp van zijn oude strijdmakker Jus Allah, een man die een aparte rol speelt op dit wisselvallige album.
A History of Violence begint met enkele seconden tijdloze muziek uit de Godfather-triologie, gevolgd door een fanatieke scratchsessie. Een uitstekende wijze om een album in te luiden en het enthousiasme wordt op Deathbed Doctrine goed opgepakt door de compromisloze rappers Vinnie Paz en Jus Allah. Helaas klinkt de beat wel erg happy voor de hongerig agressieve uitroepen van de dienstdoende vocalisten, van alle samples ligt alleen de quote van Big L (“I don’t have it all upstairs, but who the fuck cares?”) in het straatje van de raps, en daarnaast klinkt het huppelende deuntje van de beat veel te vrijblijvend.
Op het volgende nummer, Deadly Melody, is de sfeer veel dreigender. Daar draagt de zang van Block McCloud aan mee, maar ook Stoupe the Enemy of Mankind weet hier de juiste toon aan te slaan. Het zijn niet de geijkte vioolslagen, maar donker aangeslagen en vervaagde pianoklanken. Op dit soort grauwe beats komen rauwdouwers als de Jedi Mind Tricks-rappers het best tot hun recht, en dat blijken ze te weten. Ze bewegen zich als een vis in het water over de track, al valt er op de rapwijze van vooral Jus Allah best wat aan te merken.
Deze rebel uit zich namelijk bij voorkeur in zo kort mogelijke zinnen. Neem zijn openingsvers op Deadly Melody: “I’m sand and stone//I stand alone//I’m a candle blown//I’ve hands of bone//I’m smart and old//I’m dark and cold//[…]//I’ve a heart of gold…”. Het lang doorrijmen op één klank kan best leuk zijn (Big L bijvoorbeeld kon er wat van), maar het lijkt bij Jus Allah meer op gemakzucht dan op een werkelijke flexibelheid te duiden. Hij beweegt zich in ieder geval verre van fris en fruitig over dit album.
Gelukkig rapt Vinnie Paz meestal wel op het scherpst van de snede. Ook op zijn flow en teksten is altijd wel kritiek geweest, maar hij doet toch wel weer gewoon zijn eigen ding. Natuurlijk zijn er weer de gebruikelijke nummers over allerlei ongrijpbare en duistere onderwerpen, waar hij zich weer lekker ongeremd en gewelddadig kan uiten. Maar er zijn ook tracks waar de scheldkanonnades met gegronde redenen op de maatschappij worden gericht. Op Trials of Lies, met een dramatisch voortzingende vrouwensample en hier en daar tranentrekkende instrumentatie – dat kun je wel aan Stoupe overlaten – uit hij zich over de idealen die mensen via de media krijgen opgedrongen. Uitgemergelde meisjes, lelijke beroemdheden, bedriegende reclames, het komt allemaal aan bod. We wisten het natuurlijk al lang, maar het is mooi te zien dat iemand met overtuigingskracht in zijn stem ons nog eens wakker schudt.
Ook op Death Messiah stelt Vinnie Paz wereldse problemen aan de kaak, maar hier gaat hij wat meer in op zijn eigen leed. Zo legt hij vooral uit dat hij zich onbegrepen voelt en dat hij dus gevangen is in een wereld die hem niet begrijpt. Opnieuw wordt hij bijgestaan door een melancholiek voortslepende beat, wederom ondersteund door een vrouwensample, dit keer met wat meer opzwepende klanken.
Het zijn die serieuze nummers die het algemene niveau wat opkrikken, want het meeste, zeker als er gastartiesten in het geding zijn, klinkt toch erg gewoon en vaak zelfs matig. Rappers als Outerspace, Doap Nixon en Demoz voegen niets toe aan Vinnie Paz; niet op het gebied van inhoud, niet op dat van teksten en ook niet op het gebied van charisma. Vinnie is misschien iets te eentonig, maar is altijd nog boeiender dan de genoemde gastartiesten. Op Servants in Heaven Kings in Hell (en andere voorgaande albums) waren de hulptroepen vaak nog ware versterkingen, hier halen ze de tracks enkel naar beneden.
Maar de tegenvallende resultaten zijn niet altijd enkel en alleen aan de (gast)rappers te wijten. Ook Stoupe the Enemy of Mankind maakt zich er soms te gemakkelijk vanaf door een stemsampletje aan een viooltje, pianootje of Latijns-Amerikaans geluidje te koppelen en hier wat dreuntjes aan toe te voegen. Het is het beproefde recept van de voorgaande albums, maar dit keer minder florissant uitgevoerd. Misschien komt het omdat de toverspreuk is uitgewerkt, misschien heeft Stoupe te weinig tijd genomen.
Wat zeker is, is dat dit album nu nog niet had uit hoeven komen. Het extreem productieve label Babygrande heeft met deze release het zoveelste veelbelovende album op de markt gezet, maar imponeren konden maar weinige van de releases. De meeste albums hebben wel enkele dope tracks, halen vaak dankzij de kwaliteit van de artiesten ook nog wel een (ruime) voldoende, maar klinken toch hier en daar wat kitscherig, gemaakt en soms zelfs afgeraffeld. En vooral dat laatste gevoel heerst heel sterk bij A History of Violence, en waar het kitscherige natuurlijk altijd al een beetje op de loer lag bij de met drama overgoten instrumentaties van Stoupe the Enemy of Mankind, ligt het er nu heel erg bovenop. Hadden de mannen van Jedi Mind Tricks wat meer tijd genomen voor hun product, dan hadden ze best met iets meer indrukwekkends kunnen komen dan deze plaat.
Waarom dit album eigenlijk met zoveel haast uit moest komen is trouwens een raadsel. Want liep A History of Violence niet een groot risico ondergesneeuwd te raken, door al die andere releases op Babygrande? Het is niet zeker of die drukte dé oorzaak is van de teleurstellende verkoopresultaten, de kwaliteit van de muziek zal ongetwijfeld ook een rol spelen, maar het getuigt van weinig marktinzicht dat het album van een van je topacts maar vijfduizend exemplaren verkoopt in de eerste week. Laat deze mislukking een straf zijn voor het gemakzuchtige Babygrande en laat Jedi Mind Tricks er van leren, om na een tijdje bezinning keihard terug te komen. Dat zie ik nog wel gebeuren, met de opgewonden natuur van Vinnie Paz.
Ludacris - Theater of the Mind (2008)

2,5
0
geplaatst: 8 december 2008, 23:12 uur
De volgende review is verschenen op hiphopleeft
Een deel van de hiphopminnende wereld viel van haar stoel bij het horen van Ludacris’ Release Therapy. De uit het Zuiden afkomstige clown ging namelijk deels op de serieuze toer en beweerde volwassen te zijn. Dat laatste valt wel mee, op Theater of the Mind is er in ieder geval weinig van over. Wel heeft the Ludameister een leuk concept verzorgd; we zijn als luisteraar uitgenodigd zijn show te volgen (samen met de achttien Luda’s die de cover sieren).
Theater of the Mind gaat ouderwets energiek en opzwepend van start met een smakelijke Intro. Uiteraard maakt Luda weer veelvuldig gebruik van zijn overdreven gearticuleerde flow, waardoor hij lekker gespierd voor de dag komt, maar tegelijkertijd duidelijk maakt dat hij niet de man is voor ingewikkelde zinsconstructies of sterk uitgewerkte teksten. Daar is weinig mis mee, want opschepraps gaan de vrolijke Frans simpelweg het beste af. Ook de met veel toeters en bellen versierde beat is luidruchtig en komt logischerwijs het best tot z’n recht op een hoog volume.
Na de intro stoomt de gastheer nog even door op het krachtpatsende Undisputed (“and the inconvenent truth is that the ozon is bad because I’m smoking all the threes!”), alvorens ‘verrassend’ ondersteund te worden door zijn voormalige rivaal T.I. Wish you would is in zijn soort een aardig nummer, maar is weinig bijzonders. De beat is dreigend, met donkere dreunen, begeleid door verwrongen uitgesproken toevoegingen van een anonieme stem. Ludacris strooit vrolijk met al dan niet voorspelbare punchlines en blijft T.I., die zich in lijkt te houden, de baas.
Het gaat pas fout als T-Pain in het geding komt. De instrumentatie van One More Drink is mierzoet en de vocalen van T-Pain doen daar niets voor onder. Ludacris past zich gewillig aan de flutthematiek aan komt zo niet bepaald tot zijn recht. De sarcastische uitsmijter is wel de moeite waard: “people too picky these days, damnit, too tall, too fat, too tall, too skinny, have a little more drinks and quit discriminating!”
Zo gaat Ludacris vaker op dit album mee in de stijl van zijn gast. Het vunzige Nasty girl ligt precies in het straatje van Plies, Call up the homies is de blauwdruk van een The Game-titel, What them girls like is een samenwerking met Chris Brown, die overduidelijk voor de jongere fans, van knappe en leuke jongens, bedoeld is. Waarschijnlijk zijn deze samenwerkingen ingegeven door het feit dat Ludacris altijd een welkome aanvulling is op de gemiddelde hit, maar op zijn eigen album zou hij zich beter kunnen inlaten met artiesten van een hogere orde (dan hijzelf).
Het lijkt er trouwens ook op dat Ludacris precies díe rappers heeft uitgenodigd die op dit moment populair zijn. Dus mag Lil Wayne niet ontbreken. Dit hitcanon weet zich zoals eigenlijk altijd volledig in de schijnwerpers te rappen, dit keer door te flowen alsof hij zijn laatste adem uitblaast, en dat wel in een ijlend hoog tempo. Erg lekker klinkt het niet, maar er is wel waardering op te brengen voor dit experiment. De triomfantelijk blazende beat is dik in orde en verleent de juiste stuwende kracht aan de vocale bodybuilders.
Op de immense gastenlijst prijken ook nog eens de namen van Nas en Jay-Z. Luda brengt samen met deze onbetwiste grootheden een ode aan zijn favoriete muziekgenre, maar I do it for hip hop komt, met name door de overdreven luie bijdrage van Jay-Z, niet goed van de grond. Ook Nas heeft zich er betrekkelijk gemakkelijk vanaf gemaakt, de enige die op dit nummer nog een beetje hongerig overkomt is Ludacris, maar ook hij maakt desondanks een wat uitgebluste indruk. Het verhaal ging dat DJ Premier deze track zou produceren, maar hij heeft alleen de instrumentatie van MVP geleverd. Dat doet hij op karakteristieke wijze (voicescratch in het refreintje en een gerepeteerd pianotoontje), maar de fijne creatie sluit niet aan bij de agressieve stijl van Luda. Hoewel het geen slecht nummer is, zijn er betere beats voor Ludacris te verzinnen, evenals er betere rappers zijn te vinden voor deze beat.
Ten slotte komt er nog een beetje van de eerder besproken volwassenheid terug op Theater of the Mind. Do the right thang, waarvoor de hulp van Common en Spike Lee (!) is ingeschakeld, bevat een rijtje wijze levenslessen en stuurt zodoende een positieve boodschap de wereld in. Het moge duidelijk zijn dat Common bedrevener is in concious rap, maar het gaat Ludacris niet echt slecht af.
Na het circus van Theater of the Mind kan er eigenlijk maar een conclusie getrokken worden en dat is dat Ludacris een clowneske kameleon is. Hij kleurt zich overwegend naar zijn gastartiesten, terwijl hij op de nummers waar hij dat niet doet laat zien dat hij genoeg in zijn mars heeft om te vermaken. Ludacris is te zien als een leuk en spontaan joch, dat een beetje irritant is omdat het allerlei mensen nadoet. Uiteindelijk moet je nog wel een beetje lachen, maar het leuke is er inmiddels wel af. De laatste constatering doet hij zelf ook al een beetje (“they give me 16 bars on another nigga’s song and imma fucking killll it!”), maar daar vergeet hij bij te zeggen dat hij op zijn eigen album te kort schiet.
Een deel van de hiphopminnende wereld viel van haar stoel bij het horen van Ludacris’ Release Therapy. De uit het Zuiden afkomstige clown ging namelijk deels op de serieuze toer en beweerde volwassen te zijn. Dat laatste valt wel mee, op Theater of the Mind is er in ieder geval weinig van over. Wel heeft the Ludameister een leuk concept verzorgd; we zijn als luisteraar uitgenodigd zijn show te volgen (samen met de achttien Luda’s die de cover sieren).
Theater of the Mind gaat ouderwets energiek en opzwepend van start met een smakelijke Intro. Uiteraard maakt Luda weer veelvuldig gebruik van zijn overdreven gearticuleerde flow, waardoor hij lekker gespierd voor de dag komt, maar tegelijkertijd duidelijk maakt dat hij niet de man is voor ingewikkelde zinsconstructies of sterk uitgewerkte teksten. Daar is weinig mis mee, want opschepraps gaan de vrolijke Frans simpelweg het beste af. Ook de met veel toeters en bellen versierde beat is luidruchtig en komt logischerwijs het best tot z’n recht op een hoog volume.
Na de intro stoomt de gastheer nog even door op het krachtpatsende Undisputed (“and the inconvenent truth is that the ozon is bad because I’m smoking all the threes!”), alvorens ‘verrassend’ ondersteund te worden door zijn voormalige rivaal T.I. Wish you would is in zijn soort een aardig nummer, maar is weinig bijzonders. De beat is dreigend, met donkere dreunen, begeleid door verwrongen uitgesproken toevoegingen van een anonieme stem. Ludacris strooit vrolijk met al dan niet voorspelbare punchlines en blijft T.I., die zich in lijkt te houden, de baas.
Het gaat pas fout als T-Pain in het geding komt. De instrumentatie van One More Drink is mierzoet en de vocalen van T-Pain doen daar niets voor onder. Ludacris past zich gewillig aan de flutthematiek aan komt zo niet bepaald tot zijn recht. De sarcastische uitsmijter is wel de moeite waard: “people too picky these days, damnit, too tall, too fat, too tall, too skinny, have a little more drinks and quit discriminating!”
Zo gaat Ludacris vaker op dit album mee in de stijl van zijn gast. Het vunzige Nasty girl ligt precies in het straatje van Plies, Call up the homies is de blauwdruk van een The Game-titel, What them girls like is een samenwerking met Chris Brown, die overduidelijk voor de jongere fans, van knappe en leuke jongens, bedoeld is. Waarschijnlijk zijn deze samenwerkingen ingegeven door het feit dat Ludacris altijd een welkome aanvulling is op de gemiddelde hit, maar op zijn eigen album zou hij zich beter kunnen inlaten met artiesten van een hogere orde (dan hijzelf).
Het lijkt er trouwens ook op dat Ludacris precies díe rappers heeft uitgenodigd die op dit moment populair zijn. Dus mag Lil Wayne niet ontbreken. Dit hitcanon weet zich zoals eigenlijk altijd volledig in de schijnwerpers te rappen, dit keer door te flowen alsof hij zijn laatste adem uitblaast, en dat wel in een ijlend hoog tempo. Erg lekker klinkt het niet, maar er is wel waardering op te brengen voor dit experiment. De triomfantelijk blazende beat is dik in orde en verleent de juiste stuwende kracht aan de vocale bodybuilders.
Op de immense gastenlijst prijken ook nog eens de namen van Nas en Jay-Z. Luda brengt samen met deze onbetwiste grootheden een ode aan zijn favoriete muziekgenre, maar I do it for hip hop komt, met name door de overdreven luie bijdrage van Jay-Z, niet goed van de grond. Ook Nas heeft zich er betrekkelijk gemakkelijk vanaf gemaakt, de enige die op dit nummer nog een beetje hongerig overkomt is Ludacris, maar ook hij maakt desondanks een wat uitgebluste indruk. Het verhaal ging dat DJ Premier deze track zou produceren, maar hij heeft alleen de instrumentatie van MVP geleverd. Dat doet hij op karakteristieke wijze (voicescratch in het refreintje en een gerepeteerd pianotoontje), maar de fijne creatie sluit niet aan bij de agressieve stijl van Luda. Hoewel het geen slecht nummer is, zijn er betere beats voor Ludacris te verzinnen, evenals er betere rappers zijn te vinden voor deze beat.
Ten slotte komt er nog een beetje van de eerder besproken volwassenheid terug op Theater of the Mind. Do the right thang, waarvoor de hulp van Common en Spike Lee (!) is ingeschakeld, bevat een rijtje wijze levenslessen en stuurt zodoende een positieve boodschap de wereld in. Het moge duidelijk zijn dat Common bedrevener is in concious rap, maar het gaat Ludacris niet echt slecht af.
Na het circus van Theater of the Mind kan er eigenlijk maar een conclusie getrokken worden en dat is dat Ludacris een clowneske kameleon is. Hij kleurt zich overwegend naar zijn gastartiesten, terwijl hij op de nummers waar hij dat niet doet laat zien dat hij genoeg in zijn mars heeft om te vermaken. Ludacris is te zien als een leuk en spontaan joch, dat een beetje irritant is omdat het allerlei mensen nadoet. Uiteindelijk moet je nog wel een beetje lachen, maar het leuke is er inmiddels wel af. De laatste constatering doet hij zelf ook al een beetje (“they give me 16 bars on another nigga’s song and imma fucking killll it!”), maar daar vergeet hij bij te zeggen dat hij op zijn eigen album te kort schiet.
Royce da 5'9" - Death Is Certain (2004)
The Black Eyed Peas - The Beginning (2010)

1,0
0
geplaatst: 22 december 2010, 17:19 uur
Wat een drama zeg...
Omdat will.i.am het ergens hiphop durft te noemen heb ik dit besproken voor Hiphopleeft, maar ook als pop of wat dan ook stelt het niets voor.
Omdat will.i.am het ergens hiphop durft te noemen heb ik dit besproken voor Hiphopleeft, maar ook als pop of wat dan ook stelt het niets voor.
Trick Trick - The Villain (2008)

0
geplaatst: 17 december 2008, 23:03 uur
Op hiphopleeft verschenen.
2008 is op hiphopgebied een goed jaar voor Detroit. Black Milk, Elzhi en Guilty Simpson brachten sterke albums uit en ook de overleden vaandeldrager J Dilla draagt op het positief ontvangen album van zijn broertje Illa J nog een steentje bij aan de degelijke reputatie van de industriestad. In navolging van al dit geweld krijgt ook Trick Trick, een schorre rapper die in het kamp van Eminem vertoeft, een kans zich te bewijzen. The Villain is het resultaat.
Helaas blijkt al gauw dat Trick Trick in zijn stoutste dromen niet zou kunnen aansluiten bij het hoge niveau van eerder genoemde artiesten. De intro (The Villain Intro) is nog wel sfeervol, maar daarna verzandt de weerbarstige Trick Trick al snel in schrikbarend geschreeuw. Het refrein van Trick Trick bestaat hoofdzakelijk uit het uitroepen van de naam van de artiest in crime, ondersteund door onvermijdelijke pistoolschoten en enige grootspraak. Dankzij de opzwepende en uitbundige instrumentatie zou dit nummer nog voor opwarmertje door kunnen gaan, maar het behelst verder weinig.
De schrale verwachting die ontstaat na het eerste nummer wordt grotendeels ingevuld door de immer enthousiaste Trick Trick. Er wordt zelden afgeweken van het stramien van zwaar bombastische beats, bestaande uit luide drums en donker slagwerk, en altijd schreeuwt Trick Trick het uit dat het een lieve lust is. De gewelddadige teksten kunnen door de beperkte uitdrukkingswijzen van de rapper niet bepaald imponeren, laat staan beklijven, ondanks dat ze met veel pit afgevuurd worden.
Trick Trick presenteert zich dus niet bepaald als een muzikaal wonder, hij heeft desalniettemin wel de nodige gastartiesten met grote naam weten te strikken. Deze lijken zich echter ook te beseffen dat er op The Villain weinig eer te behalen valt en houden zich in. Guilty Simpson weet zich op basis van zijn kenmerkende rauwe stemgeluid nog wel te redden op Can’t F with my City en ook Royce Da 5’9” leidt op All around the World geen gezichtsverlies, maar Eminem valt op Who want it andermaal door de mand. Meegesleept door de dertien-in-een-dozijn partybeat is hij geen schim van het tekstuele monster wat hij ooit was. En ook Ice Cube kan met zijn luie verse weinig redding brengen op het door Lil’ Jon op kenmerkende wijze geproduceerde Let it Fly. En dan is er nog het tenenkrommende 2getha 4 eva!!! - zegt de titel niet genoeg? – waar Trick Trick met Kid Rock en Esham met een ogenschijnlijk uit een freestyle afkomstige opname van Proof aan de haal gaan. Een kale beat is pas hinderlijk als de MC’s er niets van bakken, en dat is hier op vernederende wijze het geval.
Opvallend genoeg hebben de sterkere nummers op The Villain bijna allemaal een serieus randje. Allereerst is er het door Dr. Dre krachtig melancholiek in elkaar geschoven Hold On, waar Trick Trick rapt over zijn moeilijke jeugd waar – verrassend - geweld en armoede een grote rol speelden. Trick Trick toont zich geen genie, maar met behulp van de sfeervolle instrumentatie weet hij wel een voldoende te score. Hetzelfde is aan de hand op het door Eminem geproduceerde Crazy, waar tevens een aardige rol in de vorm van het gezongen refrein is weggelegd voor Throatslash. Eminem is als producer (eigenlijk ook als rapper) vaak afgeschreven de laatste jaren, hier bewijst hij dat hij het weldegelijk in zich heeft een meeslepend nummer te creëren. Hij slaat de juiste pianotonen aan, en weet zo een beperkt figuur als Trick Trick nog redelijk uit de verf te doen komen. Van hetzelfde slag is Let Go, waar het refrein is toevertrouwd aan The Mathis Family Choir. Opnieuw wordt duidelijk dat Trick Trick niet de kwaliteit heeft om een tranentrekkend verhaal te vertellen, zijn strubbelingen zijn ook allemaal al eens beter aangekaard, maar een mooi refrein doet wonderen.
The Villain leert dat niet alles wat in Detroit wordt uitgebracht dope is, zelfs als de gastartiesten van hoge allure zijn. Dat is hoofdzakelijk aan Trick Trick te wijten, die grof gezegd een beperkte brulaap is, die het vooral van zijn luidkeelse uitroepen moet hebben. Het energieke hiervan kan, in combinatie met de harde beats, soms aangenaam zijn, maar het best zijn toch de meer emotioneel getinte tracks. Wat dan weer met name aan de beats en de zang op de refreinen is te danken. Het is te hopen dat de succesvolle artiesten uit Detroit beseffen dat Trick Trick toch echt van een minder slag is en hem niet op hun album toelaten. Dan is er niets aan de hand en zal The Villain met zijn artiest snel uit het zicht verdwijnen.
2008 is op hiphopgebied een goed jaar voor Detroit. Black Milk, Elzhi en Guilty Simpson brachten sterke albums uit en ook de overleden vaandeldrager J Dilla draagt op het positief ontvangen album van zijn broertje Illa J nog een steentje bij aan de degelijke reputatie van de industriestad. In navolging van al dit geweld krijgt ook Trick Trick, een schorre rapper die in het kamp van Eminem vertoeft, een kans zich te bewijzen. The Villain is het resultaat.
Helaas blijkt al gauw dat Trick Trick in zijn stoutste dromen niet zou kunnen aansluiten bij het hoge niveau van eerder genoemde artiesten. De intro (The Villain Intro) is nog wel sfeervol, maar daarna verzandt de weerbarstige Trick Trick al snel in schrikbarend geschreeuw. Het refrein van Trick Trick bestaat hoofdzakelijk uit het uitroepen van de naam van de artiest in crime, ondersteund door onvermijdelijke pistoolschoten en enige grootspraak. Dankzij de opzwepende en uitbundige instrumentatie zou dit nummer nog voor opwarmertje door kunnen gaan, maar het behelst verder weinig.
De schrale verwachting die ontstaat na het eerste nummer wordt grotendeels ingevuld door de immer enthousiaste Trick Trick. Er wordt zelden afgeweken van het stramien van zwaar bombastische beats, bestaande uit luide drums en donker slagwerk, en altijd schreeuwt Trick Trick het uit dat het een lieve lust is. De gewelddadige teksten kunnen door de beperkte uitdrukkingswijzen van de rapper niet bepaald imponeren, laat staan beklijven, ondanks dat ze met veel pit afgevuurd worden.
Trick Trick presenteert zich dus niet bepaald als een muzikaal wonder, hij heeft desalniettemin wel de nodige gastartiesten met grote naam weten te strikken. Deze lijken zich echter ook te beseffen dat er op The Villain weinig eer te behalen valt en houden zich in. Guilty Simpson weet zich op basis van zijn kenmerkende rauwe stemgeluid nog wel te redden op Can’t F with my City en ook Royce Da 5’9” leidt op All around the World geen gezichtsverlies, maar Eminem valt op Who want it andermaal door de mand. Meegesleept door de dertien-in-een-dozijn partybeat is hij geen schim van het tekstuele monster wat hij ooit was. En ook Ice Cube kan met zijn luie verse weinig redding brengen op het door Lil’ Jon op kenmerkende wijze geproduceerde Let it Fly. En dan is er nog het tenenkrommende 2getha 4 eva!!! - zegt de titel niet genoeg? – waar Trick Trick met Kid Rock en Esham met een ogenschijnlijk uit een freestyle afkomstige opname van Proof aan de haal gaan. Een kale beat is pas hinderlijk als de MC’s er niets van bakken, en dat is hier op vernederende wijze het geval.
Opvallend genoeg hebben de sterkere nummers op The Villain bijna allemaal een serieus randje. Allereerst is er het door Dr. Dre krachtig melancholiek in elkaar geschoven Hold On, waar Trick Trick rapt over zijn moeilijke jeugd waar – verrassend - geweld en armoede een grote rol speelden. Trick Trick toont zich geen genie, maar met behulp van de sfeervolle instrumentatie weet hij wel een voldoende te score. Hetzelfde is aan de hand op het door Eminem geproduceerde Crazy, waar tevens een aardige rol in de vorm van het gezongen refrein is weggelegd voor Throatslash. Eminem is als producer (eigenlijk ook als rapper) vaak afgeschreven de laatste jaren, hier bewijst hij dat hij het weldegelijk in zich heeft een meeslepend nummer te creëren. Hij slaat de juiste pianotonen aan, en weet zo een beperkt figuur als Trick Trick nog redelijk uit de verf te doen komen. Van hetzelfde slag is Let Go, waar het refrein is toevertrouwd aan The Mathis Family Choir. Opnieuw wordt duidelijk dat Trick Trick niet de kwaliteit heeft om een tranentrekkend verhaal te vertellen, zijn strubbelingen zijn ook allemaal al eens beter aangekaard, maar een mooi refrein doet wonderen.
The Villain leert dat niet alles wat in Detroit wordt uitgebracht dope is, zelfs als de gastartiesten van hoge allure zijn. Dat is hoofdzakelijk aan Trick Trick te wijten, die grof gezegd een beperkte brulaap is, die het vooral van zijn luidkeelse uitroepen moet hebben. Het energieke hiervan kan, in combinatie met de harde beats, soms aangenaam zijn, maar het best zijn toch de meer emotioneel getinte tracks. Wat dan weer met name aan de beats en de zang op de refreinen is te danken. Het is te hopen dat de succesvolle artiesten uit Detroit beseffen dat Trick Trick toch echt van een minder slag is en hem niet op hun album toelaten. Dan is er niets aan de hand en zal The Villain met zijn artiest snel uit het zicht verdwijnen.

