MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten L_T_B als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Dan Bern - My Country II (2004)

Alternatieve titel: Music to Beat Bush By

poster
4,0
Met de release van zijn naamloze debuut in 1997 schaarde Dan Bern zich in het rijtje John Prine, Elliott Murphy, Steve Forbert, Loudon Wainwright III, oftewel de nieuwe Dylan’s. Maar waar Dylan zich kenmerkt door cryptische, poëtische nummers is Bern recht door zee en niet bang om het beestje bij de naam te noemen. Zo laat de tekst van Bush Must Be Defeated weinig te raden over. Bern rijmt defeated op ongeveer 30 woorden die nadelig uitpakken voor de president. His evil gang unseated, his base of power deleted. Daarbij moet wel gezegd worden dat deze cd niet gezien moet worden als een persoonlijke sneer richting president Bush. Met die opmerking zou je de songwriter Dan Bern toch echt te kort doen. Zo opent de cd met President een ruim 7 minuten lang durend epos over wat Bern zou doen in zijn eerste 10 dagen in het Oval Office. There were limos, bands and speeches, parties to go to. I said that will have to wait, there’s so much to do. Hij weet door middel van karakteristieke overdrijving zijn standpunt goed te verkondigen. Hij zou mijn stem in ieder geval krijgen. Na dit nummer neemt de cd echter een radicale wending. Van de grappen en grollen van President schakelt Bern moeiteloos over naar maatschappijkritische liedjes als Sammy’s Bat, Tyranny en Ostrich Town. Het nummer After the Parade deed mij erg denken aan Officer Dan uit Forrest Gump. In dit nummer vertelt Bern namelijk over een soldaat die gewond is geraakt tijdens de oorlog en bij thuiskomst als held wordt ontvangen. Maar hij maakt zich ernstige zorgen over zijn leven na deze parade van pracht en praal, wanneer hij weer in de bittere realiteit terugkeert. But who do you think will push my chair after the parade is over. Op My Country II laat Bern zich uit over de vervreemding die hij ervaart met het huidige Amerika. Sweet land of liberty. If I say it enough times, maybe I’ll remember what it means. In The Torn Flag vergelijkt Bern de Amerikaanse samenleving met de Amerikaanse vlag. We’ll also need some stars of deep rich brown, and some of tan and black, then all around. En de cd eindigt met het al eerder genoemde, zeer aanstekelijke Bush Must Be Defeated.

Met een stem die mij van tijd tot tijd aan Elvis Costello doet denken, weet Dan Bern door middel van scherpe kritiek met een vleugje humor een goede observatie te geven van de misstanden in Amerika. Ik begrijp dat dit soort cd’s sommige mensen danig tegen de borst stuiten, maar zoals eerder gezegd, mijn stem heeft hij gewonnen.

Dave Keener - The Easy Way (2011)

poster
3,5
Kent u Dave Keener? Niet? Tot vorige week had ik ook nog nooit van de beste man gehoord. Totdat ik een aantal dagen geleden geheel onverwachts zijn debuutalbum in mijn brievenbus vond. Verwonderd door deze vorm van zelfpromotie besloot ik het album direct aan een luisterbeurt te onderwerpen. En ik moet zeggen dat dit vervroegde sinterklaascadeautje mij goed is bevallen.

Naast het album is mijnheer Keener ook zo vriendelijk geweest om een uitgeprinte biografie/press release toe te voegen. Hierin is te lezen dat hij al jaren actief is in de muziekindustrie. Eind jaren ’90 werkte hij samen met zijn broer Tom als Them Keener Boys. Specialisten in de humoristische anti-folk muziek. Op “The Easy Way” heeft Dave zijn grenzen verlegd. Hij klinkt nu als een volwassen muzikant. Albumopener “Walkin’ Around” zou zomaar een nummer van Elvis Costello kunnen zijn en ook de rustigere folky nummers zoals “Ask” en “Feels Like” liggen goed in het gehoor. Daar ligt ook enigszins het manco van dit album. Het album mist een bite, een scherp randje, maar ik wil een gegeven paard niet al te veel in de bek kijken. Al met al een degelijk debuutalbum met genoeg potentieel voor een veelbelovend vervolg.

David Ackles - American Gothic (1972)

poster
4,0
Toen dit album in 1972 uitkwam bereikte het slechts de 167e positie in de American Billboard Charts. Decennia later is dit album uitgegroeid tot een cultklassieker onder muziekliefhebbers.

Ackles schreef al vanaf de jaren '60 nummers voor Elektra. Later kreeg hij ook de mogelijkheid om zelf zijn nummers op te nemen. "American Gothic" is zijn derde album en is geproduceerd door Elton John's songwriter partner Bernie Taupin. Ackles en Taupin ontmoeten elkaar in 1970 waar Ackles opent voor Elton John in de Troubadour Club in Los Angeles. Om zijn stelling "in order to get a perspective of you country, you have to leave it" kracht bij te zetten woont hij van september 1971 tot mid 1972 in Engeland waar hij ook dit album omneemt.

De nummers op op "American Gothic" hebben wel iets weg van kleine toneelstukjes. Ze zijn rijkt georkestreerd en bevatten soms cabaresque melodieën, maar zijn toch gebaseerd op de verhalende folkstijl zoals die van Woody Guthrie. Bij tijd en wijle heeft zijn stem wel iets weg van die van Neil Diamond. En dat is in deze echt geen negatief punt. Vele grote hedendaagse artiesten zoals Elvis Costello, Tom Waits en Frank Zappa verklaren schatplichtig te zijn aan het werk van de in 1999 aan deze kanker overleden singer/songwriter.

Dock Boggs - His Folkways Years 1963-1968 (1998)

poster
Halverwege de jaren '20 van de vorige eeuw stuurde veel platenmaatschappijen vertegenwoordigers naar de Appalachen om daar op zoek te gaan naar nieuw talent. In 1927 werd er een auditie gehouden in het Norton Hotel in Norton, Virginia door Brunswick Records. Spelend om een geleende banjo en zichzelf kalmerend met whiskey was het de jonge Dock Boggs die aldaar een contract in de wacht sleepte. Tijdens deze auditie troefde hij niemand minder dan A.P. Carter af. Later datzelfde jaar kreeg Boggs al de mogelijkheid om in New York een aantal nummers op te nemen.

Boggs was de jongste van tien kinderen en al vanaf zijn twaalfde jaar werkzaam in de mijnbouw. In zijn schaarse vrije tijd bespeelde hij de banjo. Niet in de destijds gangbare clawhammer stijl, maar meer als een bluesgitaar. Boggs' muzikale carrière verliep dermate voorspoedig dat hij zich in 1928 een fulltime muzikant kon noemen en dat hij zodoende niet meer in het mijnwezen hoefde te werken. Op een gegeven moment verdiende hij wel 300 à 400 dollar per week. Maar de depressie van de jaren '30 maakt aan dat alles een eind. Boggs zei zijn muzikale avontuur - onder dwang van zijn vrouw - vaarwel en ging weer aan het werk in de mijnbouw.

Jaren later, in 1963, trok folkorist Mike Seeger naar Norton om Boggs te overreden om zijn muzikale carrière voort te zetten. Blijkbaar was Seeger een goede prater want enkele weken later stond Boggs alweer op het podium tijdens het American Folk Festival in Asheville, New York. Ook dook hij de studio in om voor het fameuze Smithsonian Folkways Recordings label een aantal albums op te nemen. In de volgende jaren verschenen "Legendary Singer & Banjo Player" (1963), "Vol. 2" (1965) en "Vol. 3" (1970). Deze drie albums zijn gebundeld op dit verzamelalbum. In het bijgevoegde boekwerk is tevens van elk nummer beschreven waar en van wie Boggs het geleerd heeft.

De stem en het banjospel van Dock Boggs zal niet voor iedereen zijn weggelegd, maar zijn muziek geeft wel een mooi tijdsbeeld van de Appalachen aan het begin van de vorige eeuw.