MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten L_T_B als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Barbara Dane - Barbara Dane and the Chambers Brothers (1966)

poster
4,0
Aan de vooravond van de Great Depression en in de nasleep van de ergste rassenrellen uit de Amerikaanse geschiedenis trokken de ouders van Barbara Dane in de jaren '20 van Arkansas naar Detroit, Michigan. Op 12 mei 1927 werd Barbara Dane daar geboren als Barbara Jean Spillman. Als kind zong en speelde ze piano op zondagsschool. Medio jaren '40 begon ze zich te interesseren voor burgerrechten en de feministische beweging. In 1949 verhuisde ze naar San Francisco alwaar ze begon op te treden met folk- en jazzsongs. Ze werkte samen met onder andere Pete Seeger, Kid Ory, George Lewis en Turk Murphy, trad op op diverse festivals en had zelfs een eigen tv-programma.

In 1966 ondernam Dane een opmerkelijke stap door een album op te nemen met de soulgroep The Chamber Brothers, die 3 jaar later nog een bescheiden hit scoorden met "Time Has Come Today". Het resultaat is een wonderlijke samensmelting van de folk-blues van Dane en de bluesy soul van The Chamber Brothers. Het album trapt af met "It Isn't Nice" en "You've Got to Reap What You Sow". Beide nummers zijn diep geworteld in de burgerrechtenbeweging en zijn tekstueel nog even sterk als 45 jaar geleden. Daarna volgt een cover van de in 1966 overleden singer/songwriter Richard Fariña; "Pack Up Your Sorrows". Het tweede deel van het album bevat bevat vooral negro spirituals waarop de samenzang van The Chamber Brothers geheel tot zijn recht komt met nummers als "Come By Here" ("Kumbaya"), "Freedom is a Constant Sorrow" en "Go Tell It on the Mountain".

Barbecue Bob - The Essential (2001)

poster
3,5
In het begin van de vorige eeuw werden zwarte muzikante dikwijls vernoemd naar hun uiterlijke kenmerken; Blind Willie McTell, Peg Leg Sam of Barbecue Bob. Bob's werkelijke naam was Robert Hicks, een blueszanger uit Georgia. Hicks werkte als kok in Tidwell's Barbecue Place, een restaurant in het noorden van Atlanta toen hij ontdekt werd door Dan Hornsby, een talentscout van Columbia Records. De maatschappij besloot Hicks' baan te gebruiken als gimmick en gaf hem zodoende de naam Barbecue Bob. Ook op publiciteitsfoto's was hij in kokskleding te zien zoals te zien is op een van de twee nog overgebleven foto's.

Hicks werd geboren op 11 september 1902 in Walnut Grove. Samen met zijn ouders en broer, Charley "Lincoln" Hicks, verhuisde hij op jonge leeftijd naar Newton County. Daar kwam hij in contact met Savannah "Dip" Weaver aan haar zoon Curley. Tezamen met de Weavers leerde de gebroeders Hicks gitaar spelen en vormde ze hun eigen muziekgroep. In 1922 voegde country blues harmonicaspeler Eddie Mapp zich ook bij de groep. Gedurende een aantal jaren in de vroege tot midden-jaren '20 speelde deze groep op feesten en dancings in en rondom Atlanta. Robert Hicks was het eerste lid van de groep die commercieel succes genoot nadat hij onder contract kwam te staan van Columbia Records. Tussen 1927 en 1930 nam hij in totaal 65 nummers op waarvan het merendeel op dit verzamelalbum te horen is. Praktisch alle nummers zijn opgenomen in Atlanta, met uitzondering van een korte opnamesessie (15 en 16 juni 1927) in New York. In december 1930 nam hij als lid van the Georgia Cotton Pickers (met onder meer Curley Weaver) verschillende nummers op. Het zouden zijn laatste opnames zijn. Hij stierf in 1931 op 29-jarige leeftijd aan de gevolgen van een combinatie van tuberculose en longontsteking, veroorzaakt door influenza. Eerder dat jaar was ook zijn vrouw aan een longontsteking bezweken.

Barbecue Bob is van grote invloed geweest op de latere Atlanta-bluesmuzikanten als Blind Willie McTell, Buddy Moss en Curley Weaver. Hij speelde op zijn opnames een 12-snarige Stella gitaar, maar hij kon evengoed overweg met een zes-snarige gitaar. Ook maakte hij al gebruik van een aantal bottleneck slide technieken. Een song van Hicks, "Motherless Child Blues", verscheen in 1974 op het album "461 Ocean Boulevard" van Eric Clapton.

Bob Dylan - Blonde on Blonde (1966)

poster
5,0
Alhoewel ik The Times They Are A-Changin' altijd gezien heb als mijn favoriete Dylan-plaat begin ik na een paar luisterbeurten van Blonde on Blonde serieus te twijfelen. Waar The Times They Are A-Changin' zich nog sterk richt op de folk-roots van Dylan is Blonde on Blonde is de start van een singer/songwriter die zich niet meer gebonden ziet aan één stijl of een bepaald genre. Na zijn memorabele optreden op het Newport Folk Festival evolueerde Dylan exponentieel, zowel muzikaal als tekstueel. Zo weet hij na het vermeende drugslied Rainy Day Women #12 & #35 moeiteloos om te schakelen naar prachtige quasi liefdesliedjes als Just Like a Woman. En zoals vaak het geval is bij Dylan weet je na het diverse malen beluisteren van een liedje nog steeds niet precies wat hij er werkelijk mee bedoelt heeft. Zo is mij nog steeds niet duidelijk of Just Like a Woman nu een lofzang of een neerbuigende sneer betreft. Dit ook de grote kracht van Dylan. Bij iedere luisterbeurt ontwaar je nieuwe connectie en stel je nieuwe theorieën op die bij de volgende luisterbeurt weer compleet van tafel worden geveegd. Ook het veelvuldig gebruik van een mondharmonica stemt mij meer dan gelukkig. Waar dit instrument op voorgaande albums nog erg op zich zelf staand instrument was weet Dylan het op dit album wonderschoon te verwerken in de overige instrumentatie zodat het gebruik ervan niet meer zo prominent op de voorgrond treedt. I Want You beschouwde ik altijd als mijn favoriete Dylan-song van dit album, maar na herbeluistering van dit sublieme album ben ik tot de conclusie gekomen dat het kiezen van je favoriete liedje ongeveer gelijk moet staan aan het kiezen van je favoriete kind. Een ondoenlijke en onmogelijke keuze. Zo is het epos aan zijn ex-vrouw Sara Lownds; Sad Eyed Lady of the Lowlands van dusdanige schoonheid dat ik heel goed kan begrijpen dat de tienermeisjes in die dagen compleet idolaat waren van deze nonchalante jongen uit Minnesota. En daarnaast zijn er nog de prachtig verhalende liedjes als Stuck Inside of Mobile with the Memphis Blues Again en 4th Time Around.
Voorlopig behoud ik The Times They Are A-Changin' nog als favoriete Dylan-album, maar wellicht weet de maestro mij na nog intensievere beluistering van dit album zo te overtuigen dat dit album de plaats van The Times They Are A-Changin' overneemt.

Bojoura - Night Flight Night Sight (1968)

poster
3,5
In tegenstelling tot veel jonge meisjes was het niet Bojoura’s (Raina van Melzen) droom om beroemd of überhaupt zangeres te worden. Het waren Frans Krassenburg en George Kooymans (Golden Earring), die zangles kregen van haar Bulgaarse moeder, die aan de wieg staan van haar carrière. Na een bevestigend antwoord op de praktische vraag; “kun je zingen?” kreeg Bojoura haar eerste liedje op een presenteerblaadje aangereikt. Ze was toen slechts 17 jaren jong. Op haar 20e levensjaar verscheen haar debuutsingle “Everybody’s Day”. Het nummer was een instant hit op de Nederlandse radio. Haar fraaie, feeërieke verschijning en het feit dat ze enkel mocht optreden in haar eigen tv-show “Vjoew”, creëert een mysterieus, bijna mystiek imago om de Haagse zangeres.

Het gros van de nummers op “Nightflight Nightsight” komt van de hand van George Kooymans en Rinus Gerritsen. Het album is verder opgevuld met enkele covers waaronder “Holiday” (Bee Gees) en “That’s How Strong My Love Is”, bekend van Otis Redding en the Rolling Stones. Bojoura’s kristalheldere doch breekbare stem doet bij tijd en wijle denken aan Marianne Faithfull of in mindere mate Joni Mitchell, maar heeft toch een compleet eigen klank. Het album is een fraai geheel van beatmuziek vermengd met de typische psychedelische pop-folkmuziek van eind jaren ‘60. Pas in 2010 wordt het album uitgebracht op cd door de Engelse platenfirma Rev-Ola.

Bonnie Dobson - Bonnie Dobson (1969)

poster
4,0
MuMe wordt de afgelopen tijd overspoeld met "oude" folkdames. Zo genieten onder andere Vashti Bunyan, Judee Sill en Linda Perhacs hier al redelijke bekendheid. Aan dat rijtje wilde ik graag Bonnie Dobson toevoegen. De uit Canada afkomstige Dobson was ook één van de artiesten die tot bloei kwam tijdens de folkrevival van de jaren '60. Ze was toen een redelijk onbekende zangeres tussen de Dylan's en de Baez's van die tijd. Daarentegen is zij wel de auteur van een folksong die bij velen bekend is. Morning Dew (ook wel eens Take Me for a Walk genoemd) was ook nog het eerste nummer dat ze ooit schreef. Dobson schreef dit nummer nadat ze de film On the Beach had gezien. Een film over het leven op aarde na een kernoorlog.

Voordat Dobson het nummer zelf opnam en het op dit titelloze debuut plaatste namen Vince Martin en Fred Neil het nummer al op voor een album Tear Down the Walls uit 1964. Een meer bekende versie, van een eveneens in vergetelheid geraakte songwriter, is die van Tim Rose. Zijn versie van Morning Dew stamt eveneens nog voordat Dobson het nummer zelf op de plaat zette. In 1967 kwam zijn album Morning Dew uit waarop het gelijknamige nummer te horen is. Enigszins opmerkelijk is dat daar Rose als mede-songwriter wordt vernoemd. In een interview met Randy Jackson uit 1993 antwoordde Dobson op dit voorval met: If anyone is going to be credited as co-writer or co-lyricist it should have been Fred Neil because all Tim Rose did was take Freddie Neil's changes. Maar de meeste bekendheid geniet dit nummer toch in de versie van Long John Baldry die het nummer omvormde van een klassieke folksong tot een gruizig bluesnummer.

Het album bevat naast een paar eigen nummers ook covers van de eerdergenoemde Fred Neil (Everybody's Talkin' (de versie van Nilsson is ook een cover)), Jackson Frank (You Never Wanted Me) en Dino Valente (Let's Get Together). Dobson heeft een mooie zuivere sopraanstem die schommelt tussen Joan Baez, Joni Mitchell en Kate Bush. Naast de standaard akoestische gitaar worden enkele nummers ook rijkelijk geïnstrumenteerd, af en toe zelfs met een sitar. Een album dat ik gelukkig heb ontdekt omdat het dit jaar, voor het eerst, heruitgebracht is op CD door Rev-Ola.

Bryan Ferry - Dylanesque (2007)

poster
3,0
Dylan-composities uitgesmeerd in een klein dozijn gladde popsongs. Compleet met een gelikt ingehuurd achtergrondkoortje. Op geen één nummer stijgt Ferry echt boven de middelmaat uit, maar de meeste nummers worden toch op een degelijke manier gecovered. De puurheid van Dylan is echter in zijn geheel niet terug te horen op dit strak geproduceerde album. Derhalve krijgt dit album van mij ook maar een krappe voldoende.

Buddy Holly - Buddy Holly (1958)

poster
4,5
Als klein jongentje was ik niet erg geïnteresseerd in popmuziek. Tot mijn tiende jaar heb ik dan ook bijna geen herinneringen aan muziek die gedraaid werd op de radio. Wat ik me wel herinner is een collectie rock ’n roll platen van mijn ouders. Deze bestond uit een twintigtal cd’s en bevatte zo’n beetje alle bekendere, maar ook mindere bekende, hits uit de jaren ’50. Urenlang heb ik geboeid geluisterd naar mensen als Neil Sedaka, Eddie Cochran, Fats Domino en Buddy Holly. Zonder het destijds te weten openbaarde zich voor mij een keur van diverse artiesten uit het vroege tijdperk van de popmuziek. Rock ’n roll is immers de eerste pop(ulaire) muziek van het vorig decennium.

Naast de gladde producties van crooners als Perry Como en Guy Mitchell was er ook een grote diversiteit aan echte rock ’n roll te horen zoals het werk van Billy Haley & his Comets, Jerry Lee Lewis en Chuck Berry. Er was echter één man wiens zangstem een dusdanig indruk op mij maakte dat ik compleet door hem gefascineerd werd. Pas jaren later bleek dit te gaan om jongenman genaamd Charles Hardin Holley, of zoals zijn artiestennaam luidt Buddy Holly. Zijn hikkende stem die duidelijk zijn roots heeft in de countrymuziek klonk verassend anders dan de meeste andere nummers die ik op die collectie hoorde. Het best kan ik me Peggy Sue nog voor de geest halen. In dit nummer is de typische stem van Holly goed te horen en schuwt hij niet om zijn stem af en toe helemaal te verdraaien. Het “rollende” drumintro van dit nummer vormt altijd een moment van herkenning en misschien ook wel weemoed. Het nummer heette in eerste instantie Cindy Lou en was genaamd naar de vrouw van Jerry Allison, de drummer van the Crickets, de begeleidingsband van Buddy Holly. Het was ook Allison die voorstelde om het nummer om te dopen in Peggy Sue en een soort van galopperende beat aan het nummer toe te voegen. Dit was een verstandige zet want het nummer schoot in 1957 door naar de derde plaats in de hitparade. Op de b-kant van deze single stond Everyday. Dit nummer laat een compleet andere kant van Buddy Holly zien. In tegenstelling tot het uitbundige Peggy Sue is Everyday een erg minimalistisch en ingetogen nummer. Door het gebruik van een celesta ademt dit nummer een sfeer uit die niet zou misstaan in de huidige indie-pop traditie. Allison weet dit gevoel nog te versterker door niet zijn drumstel maar zijn knieën als percussie-instrument te gebruiken. Zoals eerder genoemd vormde the Crickets de begeleidingsband van Buddy Holly. Naast drummer Jerry Allison maakte ook bassist Joe B. Mauldin deel uit van deze band. In het nummer I’m Gonna Love You Too is er zelfs een “echte” krekel (cricket) te horen. Aan het eind van dit catchy liefdesliedje hoor je het kleine beestje tsjirpen. De single van dit nummer kwam in begin 1958 uit. Net zoals het bijna belezende Listen to Me. In dit nummer wordt ook op een destijds zeer creatieve manier gebruik gemaakt van een overdub. Beide singles deden echter niks in de hitlijsten. Holly maakt op dit album ook een kort uitstapje naar de “zwarte” rock ’n roll. Ready Teddy is een nummer dat zijn bekendheid dankt aan de versie van Little Richard, maar ook Holly gooit zijn hele ziel en zaligheid in dit nummer. Zo is goed te horen dat hij niet alleen “witte” country roots heeft maar ook zeker het een en ander heeft meegekregen van de zwarte bluesshouters. Het (originele) album sluit af met Little Baby, een nummer waarop weer een andere kant van Holly te horen is. Dit nummer doet mij denken aan de bluespianisten van de vroegere jaren ’50 zoals de jammerlijk onbekende Fats Domino.

Deze veel te jong gestorven rockartiest heeft een schat aan muzikale historie achtergelaten op de twee volwaardige albums die hij tijdens zijn leven heeft uitgebracht. Alhoewel het nu moeilijk voor te stellen is, heeft hij een grote invloed gehad op de rock ’n roll generatie van de jaren ’50. Artiesten als Bobby Vee en Tommy Roe probeerde in zijn voetsporen te treden, maar kwamen vaak jammerlijk te kort. Na een intensieve beluistering de laatste week ben ik ook tot de conclusie gekomen dat Buddy Holly nog net iets beter is dan The “Chirping” Crickets. Mede daardoor is zijn titelloze plaat ook mijn top10 binnengekomen ter faveure van The “Chirping” Crickets.

Burl Ives - Favorites for Children (1974)

poster
3,0
De naam Burl Ives zal voor altijd verbonden zijn met Rudolph the Red-Nosed Reindeer, de NBC/CBS kerstmis special. Hij is namelijk de stem van Sam The Snowman, de verteller van het verhaal. Een rol die perfect bij zijn "vriendelijke grootvader" imago paste. Zijn overige werk is grotendeels onbekend bij het grote publiek. Zo ook zijn LP "Favorites for Children", een album voor de allerkleinsten. Het album bestaat uit vier verhaaltjes en vier bijbehorende liedjes. Ives' diepe, warme stem past perfect bij de door Barbara Hazen geschreven vertellingen en dat maakt het album een aangename luisterervaring voor zowel ouder als kind.