Hier kun je zien welke berichten L_T_B als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Acousticats - Down at Evangelina's (1992)

3,0
0
geplaatst: 2 januari 2009, 00:49 uur
The Acousticats bestaan uit Cyrus Clarke, Mike Mullins, Phil Salazar, Charl Ann Gastineau en Rick Borella. "Down at Evangelina's" is hun debuutalbum en gevuld met nummers die voornamelijk geschreven zijn door de mannelijke leden van de groep. Qua genre ligt het erg dicht bij de traditionele folk met een groot aantal instrumentals. Het album bevat een cajun song "Hey Hey Evangelina", een Frans-Canadees fiddlenummer "The Ballad of St. Anne's Reel" en een instrumentale versie van "Come to the Mardi Gras" welke is geïnspireerd door een opname uit 1954 van Oscar Peterson, Ray Brown en Herb Ellis. De meeste nummers liggen aangenaam in het gehoor maar klinken naar verloop van tijd wel erg in het verlengde van elkaar.
The Almanac Singers - Talking Union (1941)
Alternatieve titel: Talking Union & Other Union Songs

3,5
0
geplaatst: 31 mei 2010, 21:28 uur
Eind jaren '80 vormden George Harrison, Jeff Lynne, Bob Dylan, Tom Petty en Roy Orbison de Traveling Wilburys. Een supergroep met enkel fenomenale singer/songwriters. Dit was echter niet de eerste maal dat een dergelijk collectief het levenslicht zag. Al in de vroege jaren '40 waren het Pete Seeger, Lee Hays, Woody Guthrie en Millard Lampell die een van de eerste folkgroepen formeerden. De groep bestond maar 2 jaar waarin zo'n 40 nummers werden opgenomen. De muziek van The Almanac Singers werd in het vroege Koude Oorlog-tijdperk in Amerika beschouwd als radicaal links werk en was enkel in communistische boekhandels verkrijgbaar. Het album "Talking Union", dat uitkwam in juni 1941, was het eerste Almanac Singers-album dat vrij verkrijgbaar was. De muziek is - zoals de albumtitel al doet vermoeden - sterk anti-kapitalistisch en pro-vakbond. Na het uiteen vallen van de band vormde Lee Hays en Pete Seeger een tiental jaar later samen met Fred Hellerman en Ronnie Gilbert The Weavers.
The Ballachulish Hellhounds - Songs from the Great Atlantic Ocean (2010)

4,0
0
geplaatst: 25 februari 2012, 21:23 uur
Vanaf het midden van de 19e eeuw tot pakweg de jaren ’20 van de vorige eeuw emigreerden miljoenen en miljoenen Europeanen naar Amerika. Sommigen vertrokken uit religieuze overwegingen, maar het merendeel hoopte op betere economische omstandigheden. Vanuit de diverse Europese havens voeren schepen vol gelukzoekers naar het voor hen beloofde land. Ook veel Britten en Ieren maakten de oversteek. Zo namen in totaliteit meer dan een miljoen Schotten de oversteek naar Amerika. Daarbij maakten ze gebruik van stoomschepen die ze zelf grotendeels ontworpen hadden.
De grote overtocht is al vaker een inspiratiebron geweest voor diverse muzikanten. Zo verscheen in 2005 het album “De Andere Kust” van Kadril en ook Neil Diamond (“America”) en Neil Sedaka (“The Immigrant”) hebben een migratiesong op hun repertoire staan. Ook de uit Glasgow afkomstige Ballachulish Hellhounds brachten in 2010 een album uit waarbij de emigratie naar Amerika centraal staat. Veel van de nummers, zoals “Shady Grove” en “Worried Man Blues”, zijn eeuwenoude traditionals. Enkel “Sweet Molly” komt van de hand van frontman Dochan MacMillan. De overige nummers zijn (behoudens het intro en het outro) allen covers. Al met al resulteert dit in een feilloos gespeeld en gezongen country-blues album. Jammer genoeg strookt de albumtitel niet met de opgenomen nummers aangezien geen enkel nummer daadwerkelijk verhaalt over de grote overtocht.
De grote overtocht is al vaker een inspiratiebron geweest voor diverse muzikanten. Zo verscheen in 2005 het album “De Andere Kust” van Kadril en ook Neil Diamond (“America”) en Neil Sedaka (“The Immigrant”) hebben een migratiesong op hun repertoire staan. Ook de uit Glasgow afkomstige Ballachulish Hellhounds brachten in 2010 een album uit waarbij de emigratie naar Amerika centraal staat. Veel van de nummers, zoals “Shady Grove” en “Worried Man Blues”, zijn eeuwenoude traditionals. Enkel “Sweet Molly” komt van de hand van frontman Dochan MacMillan. De overige nummers zijn (behoudens het intro en het outro) allen covers. Al met al resulteert dit in een feilloos gespeeld en gezongen country-blues album. Jammer genoeg strookt de albumtitel niet met de opgenomen nummers aangezien geen enkel nummer daadwerkelijk verhaalt over de grote overtocht.
The Barmitzvah Brothers - The Century of Invention (2006)

3,5
0
geplaatst: 30 augustus 2006, 23:25 uur
The Barmitzvah Brothers zijn een band Guelph, Canada. De kern van de band bestaat, sinds een aantal jaar, uit Geordie Gordon, Jenny Mitchell en John Merritt. En voor dit album hebben ook Sylvie Smith en Tristan O'Malley zich bij de band gevoegd. Het geluid van de band is zeer eclectisch te noemen. De liedjes variëren van opgewekt zoals Car #7 en El Ranchito tot zwaar melancholish zoals Little Jack en Wedding Song. De band is tot op zekere hoogte wel te vergelijken met Wussy of the New Pornographers. Zo gebruiken the Barmitzvah Brothers ook elementen uit alternatieve rock, punk rock, bluegrass en af en toe vleugje polka. Ze willen zich niet beperken tot één genre, maar worden liever geassocieerd met een aangename, vrolijke sfeer.
The Boswell Sisters - Shout Sisters Shout! (2004)
Alternatieve titel: 1925-1936

4,0
0
geplaatst: 16 september 2006, 23:59 uur
Toch wel frappant dat er 50 mixtapes (overdrijven is een kunst) van 50 Cent en aanverwanten op MuMe staan en nog geen enkel album van the Boswell Sisters. Zeker aangezien the Boswell Sisters worden gezien als de beste vocal jazz band ooit. Niet alleen beheersen ze het close harmony zingen tot in de perfectie, maar daarnaast hebben ze een enorme stembeheersing en daarmee brengen ze soms zeer ingewikkelde stembuigingen ten gehore.
De groep bestaat uit drie zussen, Connee (soms ook Connie genoemd), Helvetia (Vet) en Martha Boswell. De drie zusters zijn geboren aan het begin van de vorige eeuw in New Orleans. In hun jonge jaren zongen ze al samen en deden ze invloeden op uit de zuidelijke gospel en blues door middel van contacten met de zwarte gemeenschap aldaar. Ze begonnen met optreden in kleine lokale theaters in de omgeving van New Orleans. In 1925 waren ze voor het eerst te horen op de lokale radio. Toentertijd speelde ze alleen nog maar instrumentaal. Connee bespeelde de cello, saxofoon en gitaar, Martha bespeelde de piano en Vet bespeelde de viool, banjo en ook gitaar. Al met al zeer muzikale dames en dat was, zeker voor die tijd, iets heel aparts. Later namen ze ook liedjes op met vocalen voor hetzelfde radiostation. Connee nam veel van de leadvocalen voor haar rekening, ondanks het feit dat ze door een ongeluk in haar jeugd aan een rolstoel gekluisterd was. Hun geweldige vocale talent leidde ze naar optredens in Chicago en New York.
In 1930 kregen ze een platencontract aangeboden door Victor. Een jaar later stapte ze echter alweer over naar Brunswick en bereikte de hitparade met When I Take My Sugar to Tea, welke ook gebruikt werd in de Marx Borthers film Monkey Business. Dit nummer werd opgenomen samen met the Dorsey Brothers Orchestra. Een van de meest voornaamste jazzorkesten van die tijd. De jaren daarop bleven de zusters samenwerken met de grote namen in de jazzwereld waaronder Eddie Lang, Joe Venuti en Bunny Berigan. In 1932 waren ze zelf ook op het witte doek te zien in de film The Big Broadcast. Ze deelde daar het podium met de toentertijd immens populaire Bing Crosby en Cab Calloway. Ondanks hun grote populariteit en een redelijk uitgebreide oeuvre slaagde de zussen er maar één keer in om de toppositie van de hitparade te halen. The Objects of My Affection uit de film Times Square Lady was in 1935 hun enige nummer 1 hit. Een jaar later echter stapte zowel Martha als Vet uit de groep omdat ze beide reeds getrouwd waren en het in die dagen not done was om als getrouwde vrouw, eigenlijk als vrouw in het algemeen, te werken. Connee ging daarna verder met een solo carrière. Deze was eigenlijk al een paar jaar eerder begonnen. In 1932 had ze namelijk al een paar solo nummers opgenomen voor Brunswick. Connee slaagde er in om tweemaal de bovenste positie van de hitparade te veroveren. In de late jaren '30 scoorde ze met Bob White (Watcha Gonna Swing Tonight?) en Alexander's Ragtime Band twee nummer 1 hits. Ze bleef albums opnemen tot in de jaren '60.
Aangezien het reeds zeer lang geleden is (zo'n 70 jaar) dat the Boswell Sisters optraden is er bijna geen videomateriaal van hun voorradig. Toevallig vond ik op Youtube een clip van Heebie Jeebies in nagenoeg perfecte kwaliteit. Dit nummer is ook op dit album te vinden en geeft een goede indicatie voor de rest van het werk van zussen. Bij het beoordelen van dit album laat ik mij enigszins leiden door de cultuurhistorische waarde van dames, maar desalniettemin vind ik het ook zeer aangenaam om de dames te horen zingen.
De groep bestaat uit drie zussen, Connee (soms ook Connie genoemd), Helvetia (Vet) en Martha Boswell. De drie zusters zijn geboren aan het begin van de vorige eeuw in New Orleans. In hun jonge jaren zongen ze al samen en deden ze invloeden op uit de zuidelijke gospel en blues door middel van contacten met de zwarte gemeenschap aldaar. Ze begonnen met optreden in kleine lokale theaters in de omgeving van New Orleans. In 1925 waren ze voor het eerst te horen op de lokale radio. Toentertijd speelde ze alleen nog maar instrumentaal. Connee bespeelde de cello, saxofoon en gitaar, Martha bespeelde de piano en Vet bespeelde de viool, banjo en ook gitaar. Al met al zeer muzikale dames en dat was, zeker voor die tijd, iets heel aparts. Later namen ze ook liedjes op met vocalen voor hetzelfde radiostation. Connee nam veel van de leadvocalen voor haar rekening, ondanks het feit dat ze door een ongeluk in haar jeugd aan een rolstoel gekluisterd was. Hun geweldige vocale talent leidde ze naar optredens in Chicago en New York.
In 1930 kregen ze een platencontract aangeboden door Victor. Een jaar later stapte ze echter alweer over naar Brunswick en bereikte de hitparade met When I Take My Sugar to Tea, welke ook gebruikt werd in de Marx Borthers film Monkey Business. Dit nummer werd opgenomen samen met the Dorsey Brothers Orchestra. Een van de meest voornaamste jazzorkesten van die tijd. De jaren daarop bleven de zusters samenwerken met de grote namen in de jazzwereld waaronder Eddie Lang, Joe Venuti en Bunny Berigan. In 1932 waren ze zelf ook op het witte doek te zien in de film The Big Broadcast. Ze deelde daar het podium met de toentertijd immens populaire Bing Crosby en Cab Calloway. Ondanks hun grote populariteit en een redelijk uitgebreide oeuvre slaagde de zussen er maar één keer in om de toppositie van de hitparade te halen. The Objects of My Affection uit de film Times Square Lady was in 1935 hun enige nummer 1 hit. Een jaar later echter stapte zowel Martha als Vet uit de groep omdat ze beide reeds getrouwd waren en het in die dagen not done was om als getrouwde vrouw, eigenlijk als vrouw in het algemeen, te werken. Connee ging daarna verder met een solo carrière. Deze was eigenlijk al een paar jaar eerder begonnen. In 1932 had ze namelijk al een paar solo nummers opgenomen voor Brunswick. Connee slaagde er in om tweemaal de bovenste positie van de hitparade te veroveren. In de late jaren '30 scoorde ze met Bob White (Watcha Gonna Swing Tonight?) en Alexander's Ragtime Band twee nummer 1 hits. Ze bleef albums opnemen tot in de jaren '60.
Aangezien het reeds zeer lang geleden is (zo'n 70 jaar) dat the Boswell Sisters optraden is er bijna geen videomateriaal van hun voorradig. Toevallig vond ik op Youtube een clip van Heebie Jeebies in nagenoeg perfecte kwaliteit. Dit nummer is ook op dit album te vinden en geeft een goede indicatie voor de rest van het werk van zussen. Bij het beoordelen van dit album laat ik mij enigszins leiden door de cultuurhistorische waarde van dames, maar desalniettemin vind ik het ook zeer aangenaam om de dames te horen zingen.
The Kossoy Sisters with Erik Darling - Bowling Green (1956)

4,0
0
geplaatst: 22 september 2006, 22:49 uur
Het is 1953, de tweelingzusjes Irene en Ellen Kossoy vertoeven op een zomerkamp in de omgeving van New York. De zusjes zijn op dat moment pas 15 jaren jong, maar zijn al vanaf jonge tijd muzikaal actief. Ever since we were able to talk, we were singing. Our mother’s sister lived with us and the two of them were always singing together in harmony, so we kind of figured that out fairly quickly when were about six or so. Het zomerkamp was niet ver verwijderd van het huis van Pete Seeger. En hij kwam dan ook regelmatig langs om de kinderen zijn muziek te laten horen en bracht dan een willekeur aan uiteenlopende artiesten met zich mee. Hierdoor raakte de beide zussen ook geïnteresseerd in de folk muziek. In vroegere jaren hadden ze met hun oudere zus al enkele hootenannies bezocht, maar de muziek van Pete Seeger bracht het besef naar boven dat ze zichzelf ook verder muzikaal wilden ontwikkelen. Ze werden, ondanks hun jeugdige leeftijd, frequente bezoekers van Washington Square in Greenwich Village. The Village was in de jaren ’50 en begin jaren ’60 een hotspot van schrijvers, muzikanten en linkse politieke activisten. De zussen brachten elke zondag door in The Village, luisterend naar nieuwe muziek. Ze ontmoette daar ook veel musici die reeds al een grote naam hadden in de folkscene; Dave Van Ronk, Ralph Rinzler, Mike Seeger, John Cohen en Mary Travers waren enkele van de vele, vele muzikanten waarmee de dames in contact kwamen. Een andere muzikant die hun pad kruiste was Erik Darling. Darling was reeds een gevestigde naam in The Village en zou in 1958 Pete Seeger vervangen in the Weavers en samen met the Rooftop Singers een bescheiden hitje scoren met Walk Right In in 1962. We were hanging around Washington Square, and a woman named Lucia Walker came over to us and asked us if we would like to do some concerts. After the off-Broadway theatres would go dark, they would have midnight concerts. So we started doing a number of these concerts, some with Erik Darling. De reeks concerten trok de aandacht van Paddy Clancy, één van the Clancy Brothers. Hij had net een eigen platenmaatschappij, Tradition Records, opgezet en was zeer geïnteresseerd om een plaat op te nemen met the Kossoy Sisters (de naam die ze zichzelf aangemeten hadden) met Erik Darling als gitarist.
De muziek van the Kossoy Sisters is sterk gericht op the mountain music uit het zuiden van Amerika. Het stemgeluid van de zussen doet dan ook meer denken aan zuidelijke schonen dan aan New Yorkse tieners. Want ten tijden van dit album waren de zussen nog maar 18 jaren jong. Het album bestaat dan ook compleet uit traditionals. Zoals het door O Brother Where Art Thou bekend geworden I’ll Fly Away, Single Girl dat reeds in de jaren ’30 werd opgenomen door the Carter Family en The Banks of the Ohio later ook nog op de plaat gezet door Olivia Newton-John. Het lied dat ooit mijn aandacht trok naar dit album is What Will We Do With the Baby-O. Het lied stelt een niet-alledaagse opvoeding voor. Every time the baby cries, stick my finger in the babies eyes. [..] Every time he starts to grin, give the baby a bottle of gin. Deze absurde tekst in combinatie met de jeugdige stemmen van the Kossoy Sisters geeft een uitermate humoristische kijk op de opvoeding.
Kort na de opname van dit album scheidde de wegen van Irene en Ellen Kossoy. Beide dames trouwden op jonge leeftijd en schikten zich in de rol van huisvrouw. Over de jaren heen hebben ze als the Kossoy Sisters nog een aantal spaarzame optredens verzorgd, maar het zou tot 2002 duren voordat ze wederom een album zouden opnemen.
Voor iemand die, als ikzelf, een voorkeur heeft voor folk en vrouwenstemmen en zichzelf niet laat afschrikken door de enigszins “oud” klinkende muziek is dit een zeer aan te raden album.
De muziek van the Kossoy Sisters is sterk gericht op the mountain music uit het zuiden van Amerika. Het stemgeluid van de zussen doet dan ook meer denken aan zuidelijke schonen dan aan New Yorkse tieners. Want ten tijden van dit album waren de zussen nog maar 18 jaren jong. Het album bestaat dan ook compleet uit traditionals. Zoals het door O Brother Where Art Thou bekend geworden I’ll Fly Away, Single Girl dat reeds in de jaren ’30 werd opgenomen door the Carter Family en The Banks of the Ohio later ook nog op de plaat gezet door Olivia Newton-John. Het lied dat ooit mijn aandacht trok naar dit album is What Will We Do With the Baby-O. Het lied stelt een niet-alledaagse opvoeding voor. Every time the baby cries, stick my finger in the babies eyes. [..] Every time he starts to grin, give the baby a bottle of gin. Deze absurde tekst in combinatie met de jeugdige stemmen van the Kossoy Sisters geeft een uitermate humoristische kijk op de opvoeding.
Kort na de opname van dit album scheidde de wegen van Irene en Ellen Kossoy. Beide dames trouwden op jonge leeftijd en schikten zich in de rol van huisvrouw. Over de jaren heen hebben ze als the Kossoy Sisters nog een aantal spaarzame optredens verzorgd, maar het zou tot 2002 duren voordat ze wederom een album zouden opnemen.
Voor iemand die, als ikzelf, een voorkeur heeft voor folk en vrouwenstemmen en zichzelf niet laat afschrikken door de enigszins “oud” klinkende muziek is dit een zeer aan te raden album.
The Original Brothers and Sisters of Love - The Legende of Jeb Minor (1999)

4,5
0
geplaatst: 1 december 2009, 04:01 uur
Na het horen van de scheepsbel en het wassende water is het al snel duidelijk het dat het hier niet om een alledaags album gaat. "The Legende of Jeb Minor" vertelt het verhaal van de gelijknamige fictieve zeeman. Jeb voer als handelaar op de meren van Michigan. Na thuiskomst van zijn zoveelste bootreis komt hij in contact met smokkelaar waarna het snel bergafwaarts gaat met zijn leven. In het titelnummer wordt het leven van Jeb bezongen waarna een album volgt met nummers die het midden houden tussen folk, psychedelica, prog-rock en zeemansliederen. De muziek en teksten zijn geschreven door de broers James en Timothy Monger, de harde kern van de band, maar klinken als liederen die al jaren gemeengoed zijn van de zeevaarders van de Great Lakes. Met name het titelnummer en "The Bird Song" zijn prachtige hedendaagse, authentiek klinkende zeevaardersballades. Tijd en stijl lijken te vervagen in de muziek van de Mongers en gedurende een uur waan je je in het Michigan van de 19e eeuws.
Na twee voortreffelijke albums verlaat violiste (en enige Sister of Love) Liz Auchinvole in 2003 de band, waarna de broers Monger de band omdopen tot de Great Lakes Myth Society.
Na twee voortreffelijke albums verlaat violiste (en enige Sister of Love) Liz Auchinvole in 2003 de band, waarna de broers Monger de band omdopen tot de Great Lakes Myth Society.
The Penny Black Remedy - No One's Fault But Your Own (2009)

4,0
0
geplaatst: 13 december 2009, 03:07 uur
Is het ska? Zijn het balkan beats? Is het gypsy punk? Het is dit alles en toch weer compleet iets anders. Gooi The Pogues, Gogol Bordello en Hank Williams in een Songfestival-blender en The Penny Black Remedy is het resultaat. De band springt in het rond en vliegt van hot naar her. Dit olijke internationale viertal bestaat uit de Schotse Keith M. Thomson, de Kroatische Marijana Hajdarhodzic, de Engelse Steve Nelson en de Nederlandse drummer Wilco van Eijk. Hun debuutalbum "No One’s Fault But Your Own" trapt af met de hoogst energieke single "95 Charing Cross Road" en met speels gemak dendert de PBR-trein een goed half uur door. Een eervolle vermelding verdient ook "Bring Back Brando". Een honky tonk ballad waarin Thomson en de klassiek geschoolde Hajdarhodzic weinig onderdoen voor een Cash/Carter duet. De leden van The Penny Black Remedy zijn zeer bedreven in het maken van aanstekelijke pret-punk maar bewijzen tegelijkertijd dat hun muziek uit meer bestaat dan enkel dat.
The Roches - Will You Be My Friend? (1994)

2,0
0
geplaatst: 25 december 2008, 15:12 uur
Blijkbaar is het niet alles goud wat er blinkt in mijn platenkast. Alhoewel ik de zusjes Roche (Suzzy, Terre en Maggie) toch best wel hoog heb zitten is dit een van de slechtste kinder cd's die ik in tijden heb gehoord. De mooie harmoniën die ik ken van hun debuutalbum maken plaats voor bijna irritante samenzang. Het leukste nummer op het album "Uncle Dave" is dan ook gezongen door het kinderkoor The Misbehavers (Lucy Roche, Shelley Gladwin, Frances Geller en Zac Posen). The Roches doen er goed aan hun oor eens te luister te leggen bij Dan Zanes (The Del Fuegos) of Elizabeth Mitchell (Ida).
The Wreckers - Stand Still, Look Pretty (2006)

2,0
0
geplaatst: 25 december 2006, 14:08 uur
saske schreef:
wauw meer kan ik hier niet over zeggen...
wauw meer kan ik hier niet over zeggen...
Ik wel. Wauw, wat is het toch treurig om te zien dat twee niet onaardige songwriters zich verlagen tot dit soort treurige Nashville troep. Zeker van Michelle Branch had ik wel het een en ander verwacht. Nadat ze tired of sucking ***** to get my music heard was besloot ze om na 3 solo-platen samen te gaan werken met haar vriendin Jessica Harp. Het resultaat is een superstrak geproduceerde plaat vol met gladde harmonieën en voorspelbare refreintjes. Dit is muziek die voorbij komt op CMT en dus ook helemaal niks meer met echte countrymuziek te maken heeft. Hun succes is letterlijk veelal te danken aan Stand Still, Look Pretty. Per nummer daalt mijn waardering voor dit album en ik kom uiteindelijk op een magere 2* uit.
Thomas Hine - Forgive My Future (2013)

4,0
0
geplaatst: 24 juli 2013, 17:18 uur
Zo heel af en toe gebeurd het. Een album dat al bij de eerste tonen je interesse wekt. Vorige week gebeurde dat gelukkig weer eens. De gelukkige was ditmaal de voor mij onbekende singer/songwriter Thomas Hine met zijn album “Forgive My Future”. En niet alleen voor mij is Hine de grote onbekende. Het lijkt wel of heel muziekminnend internet pas dit jaar kennis maakt met deze muzikant uit Colorado. Hine lijkt een van dé nieuwkomers van 2013 te worden. En dat voor iemand met inmiddels al vijf albums achter zijn naam.
Het album opent met rustig gitaarspel en de lieflijke klanken van een xylofoon waarmee Hine in “Dance for Days” een gemoedelijke sfeer weet te creëren die het gehele album voortduurt. Een sfeer die bij tijd en wijle lijkt terug te grijpen op de grote singer/songwriters van begin jaren ’70. Artiesten zoals Crosby, Stills, Nash & Young en Iain Matthews. Zijn eigen stijl houdt het midden tussen americana, folk en popmuziek en hij weet daar een alleraardigst geheel van te maken. Bijvoorbeeld het intermezzo “Old Troubles” wat met zijn vocal harmony uitblinkt in eenvoud en schoonheid. Het album vervolgt met “Bright Shining Mountains”, het kwetsbare liefdesliedje “Tomorrow I Have My Doubts” en “Dance Harder”.
Bijna de gehele instrumentatie op “Forgive My Future” komt voor rekening van Thomas Hine. Daarnaast wordt hij op “Conquistadores (Lucky Boy Seven)” vocaal ondersteund door zuslief Sadie en is “Ploughman” een duet met niemand minder dan Thomas Denver Jonnson. Het album eindigt (de demo van “Dance Harder” buiten beschouwing gelaten) met het ruim zeven minuten durende “Should Have Stayed at Home”. In dit nummer wordt de hedendaagse kritische maatschappij mijns inziens treffend omschreven (“think I’m not …... enough”). Het enige puntje van kritiek dat ik bedenken is het feit dat dit album soms wel erg lo-fi en “home made” klinkt. Desalniettemin een van de leukste ontdekkingen van dit jaar.
Het album opent met rustig gitaarspel en de lieflijke klanken van een xylofoon waarmee Hine in “Dance for Days” een gemoedelijke sfeer weet te creëren die het gehele album voortduurt. Een sfeer die bij tijd en wijle lijkt terug te grijpen op de grote singer/songwriters van begin jaren ’70. Artiesten zoals Crosby, Stills, Nash & Young en Iain Matthews. Zijn eigen stijl houdt het midden tussen americana, folk en popmuziek en hij weet daar een alleraardigst geheel van te maken. Bijvoorbeeld het intermezzo “Old Troubles” wat met zijn vocal harmony uitblinkt in eenvoud en schoonheid. Het album vervolgt met “Bright Shining Mountains”, het kwetsbare liefdesliedje “Tomorrow I Have My Doubts” en “Dance Harder”.
Bijna de gehele instrumentatie op “Forgive My Future” komt voor rekening van Thomas Hine. Daarnaast wordt hij op “Conquistadores (Lucky Boy Seven)” vocaal ondersteund door zuslief Sadie en is “Ploughman” een duet met niemand minder dan Thomas Denver Jonnson. Het album eindigt (de demo van “Dance Harder” buiten beschouwing gelaten) met het ruim zeven minuten durende “Should Have Stayed at Home”. In dit nummer wordt de hedendaagse kritische maatschappij mijns inziens treffend omschreven (“think I’m not …... enough”). Het enige puntje van kritiek dat ik bedenken is het feit dat dit album soms wel erg lo-fi en “home made” klinkt. Desalniettemin een van de leukste ontdekkingen van dit jaar.
