menu

Hier kun je zien welke berichten Near als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

At the Drive-In - Relationship of Command (2000)

3,5
Het gebeurt niet vaak, maar af en toe, eens om de zoveel tijd, ontdek ik een plaat die mijn muzikale spectrum opnieuw een stukje uitbreidt. ‘Low’ van David Bowie was er zo één, ‘Loveless’ van My Bloody Valentine, ‘The Milk Eyed Mender’ van Joanna, ‘Endless Summer’ van Fennesz, en de laatste in het rijtje, ‘Sister’ van Sonic Youth. Dergelijke ontdekkingen zijn natuurlijk even zeldzaam als nuchtere momenten in het leven van Amy Winehouse, of concerten van Pete Doherty/Babyshambles die níet op het laatste moment worden afgelast. Mijn laatste (Sister) dateert al van meer dan een jaar geleden, en ik zit sindsdien op een droogje. Gelukkig dient zich heden ten dage een opvolger aan, die ik tot mijn grote vreugde kan toevoegen aan mijn quasi heilige lijstje. ‘Relationship of Command’ van At the Drive-In, oftewel: mijn introductie tot de sound van American Hardcore.

Het begon allemaal met een video, waarop ik nog geen twee weken geleden – oja, ik heb deze band véél te laat leren kennen – botste tijdens een poosje ‘youtube’-en. ‘One Armed Scissor’. Werd ik toen even weggeblazen door de energie die haast letterlijk van het scherm afspatte; het ging zelfs zo ver dat ik ogenblikken later al door mijn kamer meestuiterde met de charismatische zanger Cedric Bixler-Zavala, zijn haast spastische stapjes en tics zo goed mogelijk imiterend. Het was liefde op het eerste gezicht (ik heb het nu weer over de video hé, voor alle duidelijkheid), dus dacht ik bij mezelf, “laat ik maar eens een plaatje van die mannen beluisteren”. Ver moest ik niet zoeken, een vriend van me had alle albums van At the Drive-In een jaar of twee geleden op m’n pc gezet, tegelijk met een stuk of 500 andere albums (vandaar dat ik dit niet eerder luisterde) – ik besloot eerst maar eens ‘Relationship of Command’ te luisteren, mijn keuze baserend op de positieve beoordelingen van quasi elke muziekwebsite op het net. Op dit punt kreeg ik echter een kleine dégoût van de band: want zoals het een zelfverklaarde elitarist betaamt voelde ik me natuurlijk té goed om iets dat door praktisch iedereen de lucht wordt ingeprezen in mijn armen te sluiten. Desalniettemin – en gelukkig maar – besloot ik te luisteren. At the Drive-In kwam, zag en overwon.

Donderende trommels en wat lijkt op honderden simultaan pulserende basgitaren (denk The Cure, ‘The Hanging Garden’), vergezeld van SY-esque, dissonante gitaaruitspattingen, worden na 40 seconden overmeesterd door een zero-sum baslijntje dat het speelveld weer ontruimt, waarna een heerlijk schel gitaarakkoord de opgebouwde spanningsboog versplintert als een twijgje. Cedric krijst de amandelen uit zijn keel, in een soort van energetische manie die hij de volledige speelduur van het nummer blijft aanhouden, en die uiteindelijk culmineert in 20 verpletterende seconden van haast voorhistorisch oergeschreeuw. Met zo’n opener belooft het een rit te worden tijdens dewelke de veiligheidsgordel best omblijft. Even energiek, maar eerder neigend naar de sound die bandjes als The Libertines later zouden uitwerken, is ‘Pattern Against User’; een vette knipoog naar vergankelijkheid? Wie zal het zeggen. Heerlijk overigens, de manier waarop ‘ie “Please lift the way out of this/It takes the way out of living” uit zijn strot duwt.

Het derde nummer vermeldde ik hierboven reeds: de catchy energiebom (oja, ik besef net dat ik mij blijf bedienen van variaties op het woord ‘energie’ om elk nummer te beschrijven, dus laat ik daarmee ophouden – ga er maar gewoon van uit dat elk nummer ‘energiek’ is, tenzij ik expliciet het tegengestelde neerpen) ‘One Armed Scissor’. Wat dit nummer ietsje verheft boven de meeste andere nummers op ‘Relationship of Command’, zijn de vocalen in de tweede strofe: “Unknown origin/Is this the comfort of being afraid? Enz enz”. Cedric’s stem lijkt daar haast ongrijpbaar, volledig losgekoppeld van alle instrumentatie, een solovlucht die enerzijds volledig arbitrair lijkt, soms gewoon vals klinkt, maar al bij al volledig op zijn plaats is. Voor mij een van de hoogtepunten van de plaat, die vijftien seconden. Dat gezegd zijnde, is het verder ook gewoon een uitstekend nummer, en zoals ik u hierboven reeds trachtte te verduidelijken: catchy as hell!
‘Sleepwalk Capsules’: u weet wel..

‘Invalid Litter Dept.’ doet mijn respect voor deze band enkel groeien. Het nummer raakt een andere snaar dan de vier voorafgaande klassebeestjes; voor de eerste keer is het voornaamste kenmerk niet ‘energie’ – neen, dit neigt meer naar ‘sfeer’. Een enerzijds dreigende, anderzijds melancholische gitaarlick, begeleid door gemoedelijk pianospel vormt de introductie tot deze andere zijde van At the Drive-In. Qua dynamiek zit dit nummer zeer strak in elkaar, en net op het moment dat de opeenvolging van rustpauzes en energiestoten haar verzadigingsniveau heeft bereikt, ontpopt het nummer zich tot een bulderend monster van Kyuss-ian riffage en schurende kreten. Briljant.
Hierop volgt het makkelijker verteerbare ‘Mannequin Republic’, dat zich bedient van een bijzonder leuk baslijntje, en opnieuw die verschroeiende vocale uitbarstingen. Zelfde verhaal voor ‘Rolodex Propaganda’ – cu-cu-cu-cu-cut it!! – en het majestueuze ‘Quarantined’, één van de pronkstukken op ‘Relationship of Command’. Psychedelisch gitaarlawaai ruimt plaats voor een haast wanhopige gitaarriff, waarna Cedric weer uitbarst in een krachtige klaagzang; het is een nummer dat enorm beklijvend is – het doet allemaal zeer echt aan - en de lyrics worden met zoveel overtuiging gezongen dat die laatste paar uitbarstingen (“a single spark can start a spectral fire”) mij haast de stuipen op het lijf jagen.

Maar At the Drive-In bouwde blijkbaar ergens naartoe, een climax, die finale kers op de taart, iets waar ik zelfs niet meer op durfde te hopen – het zou gewoon teveel gevraagd zijn na die eerste 40 minuten van schitterende muziek: een afsluiter die alle voorafgaande pracht overschouwt vanop een ivoren toren. ‘Non-Zero Possibility’ ís die afsluiter. Een ware wervelwind van emotie, van pure wanhoop, van haast onontkoombaar fatalisme, een ware opeenvolging van kippenvelmomenten, een soort maalstroom van genialiteit. Het punky elan van de rest van de plaat wordt afgezworen, en maakt plaats voor een hoogst emotionele smeekbede, een downtempo ballad die aan je hele lichaam blijft plakken (Jezus, ik ben hier weer een eind aan het doordraven besef ik net). Soit, een zéér sterke afsluiter…

…als het een afsluiter was geweest. Maar waarom deze beste heren de onverklaarbare nood hadden het nummer ‘Catacombs’ nog achter het ultieme hoogtepunt van de plaat te plakken, is mij een raadsel. Niet dat het een slecht nummer is, alleen vind ik de plaatsing ervan een grote misser. Een schoonheidsfoutje, maar het bepalen van de volgorde van de nummers kan natuurlijk ook veel bijdragen aan/afdoen van het muzikale geheel. Maar bon, da’s dan ook het enige wat mij ervan weerhoudt de volle mep te geven – misschien verandert dit ooit nog, maar vooralsnog hou ik het bij 4.5 sterren, en het ongelooflijk prettige gevoel dat ik na meer dan een jaar zoeken opnieuw op een album ben gestuit dat me zoveel doet..

Cat Power - Moon Pix (1998)

5,0
Deze plaat heeft enkele dagen geleden de hoogste positie in mijn top-10 veroverd, een formaliteit die natuurlijk nietszeggend is gezien geen enkel instrument gehanteerd kan worden om te achterhalen of “Moon Pix” nu, dan wel drie maanden geleden, een plaats in mijn hart heeft veroverd die – op dit moment alleszins – onbereikbaar lijkt voor gelijk welk ander muzikaal werkje. Nu, het uitvoeren van deze formaliteit – hoe nietszeggend ze ook mag zijn – deed het onverklaarbare verlangen ontspruiten in mijn binnenste om deze “kersverse” liefde van de daken te schreeuwen; een weerzinwekkende zin om anderen “te overtuigen van mijn gelijk”, zoekend naar bevestiging, zoekend naar iemand die 46 minuten “Moon Pix” op dezelfde manier beleeft, zoekend naar iemand die zich in dezelfde mate verwant voelt met deze verzameling uitstekende nummers. Ik benoem de 11 muzikale werkjes als “nummers” (en als “muzikale werkjes”) bij gebrek aan een beter woord – want het betreft hier een verzameling zich langzaamaan ontvouwende schetsen van Chan Marshall’s ziel: heel persoonlijk, heel breekbaar, heel naakt….... Chan legt haar ziel bloot, geeft ons inkijk in haar diepste (en donkerste) hersenspinsels. Er is geen bullshit te vinden op deze plaat: ze zingt haar angsten van zich af, een moedige onderneming die haar kwetsbaar achterliet.

In de jaren na “Moon Pix” zou ze ook steeds meer wegzinken in een neerwaartse spiraal van alcohol en depressie. Ik stel me de volgende vragen: is “Moon Pix” hiervoor de oorzaak geweest, of is de plaat het begin geweest van een helingsproces? Zijn deze 11 nummers het resultaat van Chan’s eerste blik in de spiegel, waar ze zichzelf zag, volledig zoals ze is, ontdaan van alle maskers, angsten en leugens? Werd ze die gezegende nacht in South-Carolina, toen ze gewekt werd door bulderende donderslagen die over de vlaktes rolden en ze vijf nummers van de plaat die later “Moon Pix” zou gaan heten schreef, getroffen door een visioen, een oude man, die haar vertelde dat er geen reden was om bang te zijn, die haar aanmaande om haar angsten onder ogen te zien en van zich af te werpen? Enkel Chan weet het. Eén ding is echter zeker: wat er gebeurd is die nacht moet een immense impact hebben gehad op Chan – een impact die zich muzikaal heeft gemanifesteerd in de grote kloof tussen de pre- en post-“Moon Pix” periode in haar discografie.

Het product van deze openheid, deze eerlijkheid, deze nieuwe aanpak, is een schaars geïnstrumenteerde brok emotie. Zoals eerder gezegd is er geen bullshit te vinden op deze plaat: er staat geen woord, geen noot en geen drumaanslag te veel op. Oprechte boodschappen die het diepste van mijn ziel roeren worden gedragen door Chan’s delicate, soms stemloze fluisterstem (daarbij moet echter gezegd dat Chan ook op deze plaat de verste uithoeken van haar stembereik functioneel aanwendt waar nodig).

Chan gaat de strijd aan met God,

“It's not me I am pretending
I'm not saved, He turned me down” (“He Turns Down”)

met de demonen die haar tot in haar dromen achtervolgen,

“How selfish of you
to believe in the meaning of all the bad dreaming” (“Metal Heart”)

en met haar verleden.

“Oh come child
In a cross bones style
Oh come child
Come and rescue me
Cause you have seen some unbelievable things” (“Cross Bones Style”)

De meest introspectieve observaties komen echter uit het met dondergerommel overladen “Say”, dat zich van een breekbare klaagzang ontvouwt tot een troostende schouder:

“When no one is around love will always love you”

De begeleiding van Dirty Three-leden Mick Turner en Jim White ondersteunt de breekbare stem van Chan, maar draagt anderzijds ook bij tot de creatie van een uniek parallel universum – iets waar enkel de groten dezer aarde in slagen. Voornamelijk het schijnbaar willekeurige karakter van de begeleiding (de gitaar die soms net iets te vroeg of te laat invalt maar op die manier de emotionele voordracht nog breekbaarder maakt, de drums die soms even helemaal het noorden lijken te verliezen om vervolgens het geheel weer voort te stuwen) mist zijn doel niet, en cementeert het uitmuntende songwriter-talent van Chan des te meer.

Daarenboven draagt elk nummer zo’n sfeer in zich, dat ik uiteindelijk heb moeten zwichten: deze plaat is alles wat ik verlang van muziek, meer kan ik niet vragen. Een meesterwerk dat zijn gelijke niet kent – althans, ik heb ‘m nog niet gevonden. Tevens een plaat die niet altijd de aandacht krijgt die ze verdient, en die maar al te gauw aan de kant wordt gelegd. Een volledig begrijpelijke reactie, gezien dit een groeidiamant is. Dit is te intens, te diep, te hermetisch om zomaar na drie à vier luisterbeurten te kunnen doorgronden. Ik hoop echter dat dit niemand zal ontmoedigen de moeite alsnog te nemen, want eens “Moon Pix” zich in al haar pracht toonbaar heeft gemaakt, blijft er enkel dankbaarheid over.

Deerhunter - Halcyon Digest (2010)

4,0
Hier staan toch een aantal serieus sterke nummers op hoor... en hoe goed Microcastle ook was, dit lijkt mij toch de overtreffende trap.

Waar Microcastle nog iets teveel gefocust was op een vast keurslijf waarbinnen de songs moesten passen (typische pop/rock arrangementen, een gitaarmuurtje, bij tijd en wijlen een uitbarsting,...), voelt Halcyon Digest vrijer aan. Alles mag, alles kan. En alles staat in het teken van sfeer. Dit wil zeker niet zeggen dat de poppy hooks en catchy melodieën plaats hebben geruimd voor etherisch new-age geneuzel. Integendeel, ik geloof dat mijn speakers de prachtige melodieën op Halcyon Digest amper kunnen bevatten. Nummers als 'Desire Lines', of 'Revival' doen mijn ogen tranen (die backingvocals in 'Desire Lines' zijn werkelijk hemeltergend mooi..) - dergelijk hemels melodisch vernuft, het stemt me zo gelukkig...

Anderzijds openen Bradford Cox en de zijnen de poortjes voor invloeden uit de ambient en de dream-pop (die waren reeds hoorbaar op hun voorganger, maar hier wagen ze zich een stapje verder). 'Earthquake' (mogelijks het beste nummer uit 2010) en 'Helicopter' zijn geornamenteerd met fijne laagjes elektronica - glitch-pop heet dat zeker?

En dit allemaal zonder hun roots te verloochenen: ook op dit album strooien de mannen van Deerhunter de noise-pop-pareltjes rijkelijk in het rond ('Fountain Stairs', 'Don't Cry').

Conclusie: beter dan zijn voorganger. Stukken subtieler, frisser, dromeriger, en vooral vrijer. Volledig losgekoppeld van het aardse - Deerhunter is flying!
Mijn eerste 4.5 voor een album uit 2010. En ik sluit een verdere verhoging niet uit. Hij heeft me echt wel beet, deze.

Oja, saxofoon op 'Coronado'! En... het werkt!

Joanna Newsom - Have One on Me (2010)

4,0
Joanna Newsom is gul geweest, en heeft ons zo'n toren aan nieuw materiaal geschonken, dat ik er eerst wat van terugschrok - 2 uur aan muziek, is dat immers niet wat teveel van het goede?

Niets blijkt minder waar. Elk nummer staat als een huis, heeft een eigen karakter, is onmisbaar - skippen is géén mogelijkheid (alhoewel, ik doe dat in feite sowieso al nooit). Oh, en zoals hierboven al vermeld werd: dit is een echte luisterplaat. Je mag Joanna inderdaad geen enkel moment uit het oog (oor?) verliezen, of de plaat verliest tegelijk haar pracht compleet. Blijf je echter 2 uur geconcentreerd luisteren, is de beloning groots - Joanna ís gul geweest..

Ik ben ondertussen aan mijn 5e luisterbeurt toe, en het is nog steeds moeilijk te zeggen wélke nummers nu dé toppers zijn - wat mijns inziens het beste bewijs is van constante hoge kwaliteit. Telkens weer komen nieuwe subtiele wendingen opborrelen, die zich bij de vorige luisterbeurt nog verstopt hielden onder het dikke gras van het bloeiende bloemenveld 'Have One On Me'.

Er is hier al vrij veel gezegd over het stemgebruik dat 'anders' zou zijn - nu, in feite, ik vind dat het Joanna-kwaliteitslabel nog steeds stevig zit vastplakt aan de vocale prestaties op 'Have One On Me'. Ietsje minder snedig dan op "The Milk-Eyed Mender", maar dat was op "Ys" eigenlijk ook al het geval. Met zever over "poppier" of "toegankelijker" moet je niet afkomen vind ik - ze is in de eerste plaats haar eigen excentrieke zelf gebleven, en doet - naar mijn gehoor - nog steeds waar ze zin in heeft (en goed in is): vrije folknummers met haast sprookjesachtig poëtische teksten, voortgestuwd door schitterend harpspel en bij tijd en wijle prachtige orkestrale arrangementen. Wat nu, "poppy"?

Het is nog te vroeg om de luidste loftrompetten op te steken, maar het valt me toch op dat dit zo één van die platen is, waarvan ik seconde na seconde geniet, ook al ken ik de nummers in feite totaal nog niet goed. Het is een groeiplaat, maar de oppervlakte is al zodanig mooi, dat er zelfs geen sprake is van zogenaamde "groeipijnen". Nu al topfavoriet voor mijn 2010-eindejaarslijstje..

Hier ga ik nog veel plezier aan beleven - maar van Joanna had ik niets minder verwacht .

My Bloody Valentine - Tremolo E.P. (1991)

4,5
Echt wel het beste product van My Bloody Valentine, dit EP'tje. Jammer dat hij maar 18 minuten duurt. Maar in feite als geheel nog een stuk beter dan Loveless, élk nummer is een magnum opus an sich.

To Here Knows When mag dan wel een staaltje pure gelukzaligheid zijn, het is hier geenszins het prijsnummer (dat is het wel op Loveless, samen met Soon en Only Shallow).

Nummer twee lijkt al de overtreffende trap te zijn van de opener. Oosterse arrangementen voeden de zwoele dansbaarheid van 'Swallow', een sensuele eruptie van liefde (seks eigenlijk), dat volledig gedragen wordt door de hemeltergend mooie stem van Bilinda Butcher. Zij weet een mens nog eens naar hogere sferen op te tillen (blijkt ook uit de lyrics).

'Honey Power' is een betere versie van (het op zich al schitterende) 'What You Want', en raast aan sneltrein-tempo voorbij op de klanken van gierende gitaren, die vooral op 2:40 bijzonder lekker scheuren. Tel daar nog eens de outro bij op, waarin Shields een melodie uit zijn gitaar weet te puren die ongetwijfeld tot het mooiste van de MBV-catalogus behoort, en je hebt het hoogtepunt van deze EP.

'Moon Song' is (lijkt? ik weet niet echt waar 'ie over zingt) een ode aan de nacht, de duisternis, tja, de maan dus (duh). Bulderend lawaai overspoelt een akoestische melodie die een en al mysterie uitwasemt. Schaarse tabla-aanslagen ondersteunen dit logge, brommende monster, en vergezellen het naar de oneindigheid in de wegstervende slotseconden van 'Tremolo' - dé sterkste prestatie van de beste band ter wereld (geen discussie mogelijk! ).

5 sterren, en ja, ik zet 'm maar op 1 in mijn top 10, ter vervanging van 'Loveless' (ookal is het een beetje onnozel, gezien ie maar een dikke 18 minuten duurt...)

Portishead - Third (2008)

4,5
Portishead. Een band die me nooit echt heeft weten overtuigen, en altijd een soort vieze nasmaak met zich meebracht. Hun debuut wist me amper te boeien, en raakte gauw in de vergetelheid, ten voordele van de – naar mijn mening – betere 'trip-hop'-albums (denk dan vooral Massive Attack). En hun self-titled heb ik zelfs nooit uitgezeten – had er werkelijk geen zin in. Toen leek het mij duidelijk: Portishead zou nooit mijn band worden - wat ik best jammer vond, want de stem van Beth Gibbons kon mij ten zeerste bekoren.

Voor een lange periode heerste er stilte in Portishead-land - Third had ik bij de release immers volledig links laten liggen -, tot voor een maand of 2, toen Third me werd aangeraden door een vriend. Ik heb zijn advies toen volledig in de wind geslagen, ervan uitgaande dat ik – met mijn superieure smaak – die band al lang was voorbij gegroeid, dat het een band was die mij niets meer te bieden had, dat ík het licht had gezien betreffende Portishead.
Maar vreemd genoeg was de kous daarmee niet af. Het album leek me te achtervolgen, want nauwelijks een week later werd de plaat me door iemand anders aangeraden, en kort daarop door nog iemand.. en eventjes.. heb ik gedacht.. dit moet een complot zijn, zo'n complot als in 'The Game'. Ik geloofde dat men het op mijn mentale gezondheid gemunt had, dat men mij op de proef stelde, daarbij gebruik makend van ‘Third’ – Portishead; ik kon er immers niet bij dat 3 volledig onafhankelijke bronnen me in zo'n korte periode hetzelfde album aanprezen.

Nu, ik besloot dan maar alle waanzinnige complottheorieën achterwege te laten, en gewoon mijn lot tegemoet te treden door dit album een kans te geven. Was dat een eerlijke kans? Helemaal niet! Nog voor ik begon met luisteren had ik immers al lang besloten dat ik dit zootje na een drietal nummers zou stopzetten, en mijn oren zou uitspoelen met wat lekkere Sonic Youth ofzo. Zo is het uiteindelijk niet gelopen.. drie maal heb ik 'm gespeeld.. na elkaar. Ik kon het zelfs amper geloven, maar Portishead had me vastgegrepen. Van de opzwepende ritmes die Silence openen tot de wegdeinende klanken van Threads, 50 minuten lang was mijn aandacht gevangen genomen door Gibbons stem, de hypnotiserende electronica, de mysterieuze melodieën en de catchy hooks.

De plaat houdt de volledige speelduur een hoog niveau aan. Silence is een sfeervolle opener die een klein energiebommetje dropt in de kamer (die drums..), en voor een volledige verrassing zorgt naar het einde toe. Ik dacht werkelijk dat mijn cd bescha.. – who am I kidding – dat ik de verkeerde versie had gedownload. Maar neen! Dat bleek niet het geval, en op die manier hadden de leden van Portishead met dat ene nummer hun vorige werk reeds overtroffen: ze hadden verrast! Wonderschoon. Da’s dan weer het kernwoord dat het tweede nummer ‘Hunter’ samenvat, een mysterieuze, sfeervolle ballad, een middernachtwandeling in een geheimzinnig woud. Weer compleet anders gaat het eraan toe op Nylon Smile, dat zich op het ritme van een ‘gebacktrackte’ baslijn sloom voortsleept naar de smeekbede ‘I don’t know what I’ve done to deserve you’. Briljant.

The Rip is de eerste uitschieter, de eerste échte hoogvlieger. Het nummer opent met een watervalletje van getokkeld gitaarspel, en weet een sfeertje te creëren dat haast sprookjesachtig aandoet, op het moment dat dat herhalend keyboardje het nummer binnentreedt. We Carry On is het tweede nummer dat ik als ‘hoogvlieger wil bestempelen’. Het nummer gooit het weer over een compleet andere boeg – beetje kenmerkend aan deze plaat: elk nummer heeft haar eigen sfeer, haar eigen identiteit, haar eigen kracht, elk nummer zou in feite een single kunnen zijn, maar toch bestaat er een soort mysterieuze eenheid tussen de 11 nummers die Third rijk is - en schept beelden die doen denken aan spookkastelen en angstaanjagende Stephen King-clowns. Bevrijding van deze spookachtige projecties komt er dan uiteindelijk wanneer die herhalende gitaarlick het elektronisch klanktapijt van beats en baspartijen doorklieft en het nummer een heel andere lading meegeeft.

Het is echter Machine Gun dat met de grootste pluim gaat lopen: de rijke arrangementen die de andere nummers typeren maken hier plaats voor een kaal minimalisme, gekenmerkt door verwoestende beats die in de leegte worden afgevuurd. Gibbons weet het nummer te binden met haar onthechte, etherische vocalen, maar naar het einde van het nummer toe lijkt het zichzelf op te blazen, te vernietigen met een adembenemende opeenvolging van vervormde dreunen en beats. Het keyboard dat aan het einde van het nummer opduikt, lijkt de vernietiging te overschouwen, het is als een geest die dwaalt door de lege straten van een verlaten spookstad..

Ten slotte wil ik ook nog de ijzige afsluiter Threads aanhalen: een nummer dat neigt naar de oude Portishead, van Dummy, maar qua niveau amper onderdoet voor Machine Gun en The Rip. Tevens hét beste bewijs dat Portishead’s vroege sound zéker niet slecht is, maar gewoon iets te mager om een heel album lang te boeien. Op Third lijkt de band dit beseft te hebben, en hebben ze gekozen voor afwisseling, voor een divers palet van klankkleuren, van stijlen, van aanpakken. Maar elk nummer draagt het herkenbare ‘Third’-kwaliteitslabel, en hóórt op het album – de samenhang is hallucinant, gezien de verscheidenheid.

Maar goed, ik laat het hier maar eens bij, en besluit met mijn cijfer: 4* (misschien moet ik toch maar eens verhogen..)

Radical Slave - Damascus (2010)

3,0
Onversneden noise-rock in de Sonic Youth-traditie, met hier en daar een knipoog naar de No Wave scène (maar dan wel een opgeschoonde variant, 't blijft gecontroleerde gekte - geen DNA-toestanden of dergelijke). In de eerste plaats een zeer energiek en opzwepend album, dat voornamelijk steunt op experimenten met dissonantie en alternatieve tunings.

Het album begint relatief vriendelijk, maar na de twee "hitgevoeligere" (wat een loze term in de bespreking van dit soort muziek) nummers, "Before We Got Rich" en "Devil In A Box", barst de hel werkelijk los. De laatste drie nummers zijn een en al furie, razernij en tegen elkaar opboksend digitaal- en gitaargeweld.

Radical Slave is de verwezenlijking van een hoop die ik al jaren - onbewust - koesterde: Mauro die de vroege Sonic Youth (ik heb het hier wel degelijk over de "Kill Yr Idols"-periode) omarmt. Ik heb dit eigenlijk nog maar net ontdekt - gemist in 2010, wat ik wel jammer vind, want dit had mijn plaat van het jaar moeten zijn..

Slowdive - Pygmalion (1995)

4,5
'Pygmalion', Slowdive's zwanenzang, is ongetwijfeld het meest kleurrijke en abstracte album dat het tijdperk der shoegazers heeft voortgebracht. Het meesterbrein achter dit album, Neil Halstead, blijft trouw aan zijn achtergrond, maar incorporeert elementen van de ambient, de electronica, de opkomende post-rock, en grote voorbeelden Talk Talk. Op het grenspunt van al deze genres, ergens ver ver weg van hier, staat een oude draaitafel met 'Pygmalion' op endless repeat..

Edoch, ik wil daaraan toevoegen dat 'Pygmalion’ draait om subtiliteit, nuance, en een product is dat zich nog het best laat omschrijven als 'less is more'. Want vergis u niet, dit album is geen eclectische kakafonie van alle hierboven vermelde invloeden. Eenvoud en soberheid zijn de kernwoorden die het meest van toepassing zijn. Maar de schaarse instrumentatie en kale invulling van de nummers herbergt veel meer dan een eerste luisterbeurt prijsgeeft.

Postrockstructuren zoals in 'Rutti' bijvoorbeeld, worden volgens het gewoonlijke protocol gehanteerd - althans zo lijkt het in eerste instantie. Maar na 10 minuten van toenemende spanning, toenemende verwachtingen, toenemende nood aan een allesomvattende climax, kabbelt het nummer onverstoorbaar voort in een tergend trage fade-out. Van uitbarstingen is er geen sprake, noch van onverwachte wendingen, of van aanwellende strijkers en overdadige instrumentatie – met andere woorden: alle pretenties en al te simpele (lees: 'flauwe') trucjes die eigen zijn aan de ‘post-rock’ zijn overboord gegooid. Wat is overgebleven zijn de constante spanningsboog, en de prestatie dat dit 10 minuten durende monotone gedram toch geen seconde verveelt (en tevens een hóóp spannender is dan nummers van bijvoorbeeld Explosions of Mogwai).
Een van de, zo niet dé beste post-rocksong die ik ooit hoorde. Geheel in de traditie van Talk Talk, maar net nog een tikkeltje abstracter, kaler, en dromeriger.

Op deze grootse ouverture volgt de geluidscollage ‘Crazy For You’. Sterk vibrerende en vertraagde gitaarmelodieën vermengen zich met verknipte samples van Halsteads stem, en voelen aan als een kolkende tornado van wolken en dromen. ‘Miranda’ is angstaanjagend, en mijn favoriet. Rustig gitaargetokkel ondersteunt de beschuldigende (en tevens onverstaanbare) klaagzang van Rachel Goswell, die ter tijd en stond wordt onderbroken door spookachtige stemmen. Opnieuw eenvoud troef overigens – alles blijft maar monotoon voortkabbelen, de basis van het nummer verandert niet. Wel worden steeds opnieuw samples toegevoegd en weggenomen, waardoor een zekere dynamiek gegarandeerd blijft. Ongetwijfeld onder invloed van elektronische muziek.

‘Trellisaze’ zet in met een vervreemdend deuntje, dat even later wordt vervoegd door een hamerend ritme, en voelt eerder ongemakkelijk aan. Aangenaam is het allerminst, hypnotiserend des te meer. Via het interludum ‘Cello’ en het dromerige ‘J’s Heaven’, die perfect de algemene sfeer van de plaat ondersteunen maar op zichzelf net iets minder te bieden hebben, komen we aan bij Goswell’s pareltje ‘Visions of LA’. Enkel vergezeld van akoestische begeleiding (die weliswaar gedrenkt is in zalvende delay), reciteert Goswell een prachtig abstract stukje poëzie. Opnieuw heel etherisch, maar ergens sijpelen hartepijn en verdriet door, en voelt dit aan als een terugkeer naar de grijze, eenzame wereld. Twee hartverscheurende minuten.

‘Visions of LA’s ‘down to earth’-esthetiek wordt echter briljant opgevolgd door het weemoedig extatische ‘Blue Skied an’ Clear’, dat alle mogelijke grijze wolken verdrijft in het refrein, en je in een opwaartse spiraal meeneemt naar helderblauwe hemelen. Zelden is zoveel schoonheid in één nummer gevat, zelden voelde een nummer zo aan als de essentie van geluk. Ik lul hier natuurlijk maar wat pretentieus verder, maar ik weet niet hoe ik mijzelf anders kan uitdrukken… Afsluiter ‘All of Us’ voert je, na de voorafgaande extase, op een wolkenbed mee naar oneindige gebergtes, spiralen van dromen en herinneringen, en een mogelijke god. Euh…

Mogelijks de mooiste plaat die ik ooit hoorde.

Sunset Rubdown - Shut Up I Am Dreaming (2006)

4,5
Sunset Rubdown - Shut Up I Am Dreaming: een excessief lange bespreking.

Soms stuit je, in de onverzadigbare zoektocht naar schoonheid, op een parel waarvan je jezelf afvraagt of je zulk een pracht wel verdient in dit leven. Het is een pracht die enkel voor jou lijkt weggelegd - niemand kan haar op dezelfde manier ervaren -, en het voelt aan alsof ze altijd al verborgen lag in de diepste krochten van je ziel maar je haar pas kan ontketenen na over een sleutel in de vorm van een kunstwerk, een boek, een album,.. te beschikken.

'Shut Up I Am Dreaming' is zo'n sleutel, een lichtgevende diamant die je toelaat in je eigen ziel te kijken - althans, dat is het voor mij. Elk nummer snijdt een ander soort van overtollig vet weg, totdat enkel de essentie overblijft. Ontwapend blijf ik achter, elke keer opnieuw, en elke keer opnieuw tracht ik te achterhalen op welke manier Sunset Rubdown hierin slaagt. De teksten? Spencer Krug's stem? De speelse instrumentatie? Het avontuurlijke en onvoorspelbare verloop van de nummers? De sfeer die het album uitwasemt? Geen en alle van voorgenoemde in feite. Al deze elementen spelen een vitale rol, maar in hun hoedanigheid van een vervliegend moment. Hmm.. Hoe zal ik dit uitleggen.. Sommige nummers slagen erin om op één bepaald moment, waar je met gemak je vinger op kan leggen, je ziel te beroeren. Dit wil niet zeggen dat de rest van het nummer overbodig is, maar hetgeen waar je het meest naar verlangt wanneer je het nummer luistert is die éne vocale uitspatting, of die éne perfecte noot in de solo, of die éne fractie van een seconde waarop alles perfect op zijn plaats valt en het niet langer muziek is die uit je speakers knalt, maar iets meer, iets hoger; gelukzaligheid ofzoiets. Het zijn de momenten waarop een koude rilling over je rug loopt, en het haar op je arm gaat rechtstaan.
Om maar eventjes een voorbeeldje aan te halen: wanneer ik luister naar 'Silver Soul' van Beach House, dan valt dit moment op de 46e seconde (meer bepaald op het woord 'fool'). Nog een voorbeeldje: in het nummer 'Honey Power' van My Bloody Valentine valt dit moment op 2 minuten en 40 seconden (het moment waarop de gitaren de hoogte in schieten). Nu, versta me niet verkeerd, het is niet alsof de rest van het nummer kan worden weggesneden, en ik dag in dag uit naar die drie seconden van het nummer Honey Power zit te luisteren - de rest van het nummer werkt deze 'persoonlijke mini-climax' natuurlijk in de hand, en zonder de rest van het nummer, bestaat de 'persoonlijke mini-climax' ook niet. Nu hoop ik dat iemand hier weet wat ik daarmee bedoel, anders is deze hele uiteenzetting best wel een verspilling van zowel mijn als jullie tijd geweest. Bij voorbaat: mijn excuses.

Nu, om de draad terug op te pikken, 'Shut Up I Am Dreaming', bevat meerdere dergelijke momenten in elk nummer. In élk nummer (ja, zelfs Q-Chord weet me meerdere keren te ontroeren)! Dit album is een rollercoaster van kippenvelmomenten! De reden hiervoor is het ongedwongen, meanderende karakter van deze nummers. Het zijn levende organismen, die groeien, evolueren. Lange afstanden worden afgelegd in deze liedjes, vandaar dat ze allen zo episch aandoen: praktisch elk nummer bevat genoeg ideeën om een volledig album op te baseren. Er zijn geen grenzen, geen richtingen, geen verplichtingen: 't is alsof de nummers, en niet Spencer Krug en kornuiten, de leiding hebben. En dit is net de schoonheid van dit album: elke keer wanneer een idee wordt geïntroduceerd kan de luisteraar er enkele momenten van genieten, vooraleer het volgende wordt aangedragen. Op die manier is het album zeer vluchtig, en is het noodzakelijk bij elke seconde stil te staan, want enkel op die manier openbaart 'Shut Up I Am Dreaming' haar ware schoonheid.

Daarnaast is dit een zeer visueel album voor mij - elk nummer weet op zo'n sterke manier een sfeertje te creëren dat het album mij in staat stelt onontdekte werelden te bewandelen vanuit mijn luie zetel. Een excursie:

'Stadium and Shrines' is een abrupte opener, en vergt meteen de volledige aandacht van de luisteraar - dit zet je niet op de achtergrond aan mensen, dit is muziek die je geconcentreerd moet luisteren, anders mis je gewoon zoveel! Een kakafonie van keyboards, cymbalen en gitaren opent de magische poorten van Spencer Krug's wereld. Vanop een hoge rots aanschouwen we de omvang van deze wereld - wijdse vlakten, een continent doorbloed met sprankelende rivieren, weelderige bossen en duizelingwekkende kliffen en hellingen.

'They Took A Vote..' is het meest gestructureerde nummer op deze plaat, en had feitelijk evengoed van Wolf Parade kunnen zijn - het is alleszins een beetje de zwakke broeder op dit meesterwerkje. Zeer genietbaar, dat wel, maar het mist wat edge, en dat geheime ingrediënt dat de andere nummers wel bevatten.
Echter, de middelmaat van dit wat makkelijke tussendoortje wordt ruimschoots gecompenseerd met het pareltje 'Us Ones In Between' - "I've heard of pious men, I've heard of dirty fiends, but you don't often hear, of us ones in between".. Ik huil haast; en dit is slechts één voorbeeld van de tekstuele genialiteit die dit nummer herbergt.. Ik kan het eigenlijk amper onder woorden brengen hoeveel ik van dit nummer houd.. Na een hele resem van prachtige lyrische uitlatingen moet het beste echter nog komen: op 2 minuten 8 seconden valt een keyboard (is het een keyboard? of een melodica ofzo?) in dat de betekenis van schoonheid herdefinieert.. tweede maal dat de tranen in mijn ogen staan. Beelden van een verlaten vuurtoren op een eenzaam strand, golven die rustig tegen een steiger klotsen, een arm vissersdorp ietsje verderop, en de intrinsieke goedheid van de mensen die het dorp bewonen.. Vervolgens, hemelse tweestemmigheid: 'For I have never seen a sun/that did not bury it's head in the side of the World when the day is done'.. De opgebouwde spanningsboog wordt gekanaliseerd en mondt uit in een iets snellere instrumentale outro. Sunset Rubdown schakelt hier meer dan één tandje bij.

'I'm Sorry I Sang On Your Hands' heeft een morbide karakter; het voelt aan als een middernachtswandeling op een verlaten kerkhof. In de bossen nabij de graven passeert een parade van jonglerende skeletten, je kan nog net hun silhouetten onderscheiden, en volgt hen naar een afgelegen poel, die verborgen ligt in de diepste kilte van het door nevelslierten omarmde woud. Wordt vervolgd..

'Snake's Got A Leg' dan; Krug's capaciteiten als zanger worden nogmaals bevestigd in de openingsseconden van dit nummer. Wanhoop en waanzin ontsnappen zijn keelgat, en wurgen de openingsregels, om vervolgens plaats te maken voor een afbouwende piano die twijfel en vrees begeleidt. Na een goeie twee minuten verandert het beestje opnieuw van richting, en wordt de ontsnapping van honderden slangen bezongen.. Slangen. 'The Empty Threats of Little Lord' bouwt verder op dit thema.. Echter, waar wanhoop slechts aangeraakt werd in het voorafgaande nummer, is het hier Leitmotif nummer 1. 'No I'm not That Kind of Whore' spuwt Krug uit, vergezeld van het passief-agressieve 'If I ever hurt you, it will be in self-defense'. In het Engels heet dit dan 'haunting'.. laten we het daar maar op houden. Het venijn van dit fenomenale nummer zit echter in de staart - een vaarwel aan een reeds verzopen liefde; haatvol, cynisch, desolaat:

'I wish you the best, you snake,
you are self-professed, you snake,
my heart's in my chest, you snake,
you can have the rest, you snake.'

Laat ons dit maar het beste nummer van de plaat noemen.

Aansluitend: het morbide aandoende walsje 'Swimming'. Laat ons terugkeren naar die afgelegen poel, die verborgen ligt in de diepste kilte van het door nevelslierten omarmde woud, nietwaar? De dame van het meer ( een geest natuurlijk), danst met verdronken lichamen, riviernimfen en krakkemikkige skeletten. Het gaat er allemaal nogal zwierig aan toe eigenlijk - best een mooi zicht, mocht het niet zo macaber zijn. De outro van het nummer gaat weer een heel andere richting uit, maar luistert u zelf eens anders.

De wijdse atmosfeer die het nummer 'The Men Are Called Horsemen There' genereert is haast onvatbaar voor de luisteraar; uitgestrekt maar toch verstikkend, zo voelt het nummer. Als een mistige vlakte. De ochtendzon verlicht het hemelfirmament zwakjes, en een gezelschap van vreemde, veelkleurige, ongelukkige wezens baant zich een weg door de dichte nevelslierten. Ze lopen in een lange colonne, onbestemd, volledig doelloos, op zoek naar God weet wat. De grasvlakte is oneindig groot, dus wat hun doel ook moge zijn, het is onbereikbaar. In de verte zien ze kuddes centauren draven; neerslachtig kijken ze toe op de majestueuze mythische creaturen. Een openingstafereel, vooraleer deze beweeglijke parel uitmondt in een venijnige recitatie van waarheden als bevroren asfaltwegen: 'When someone says 'fuck me', someone else says 'ok''.

'Q-Chord' is instrumentaal, en wordt vaak afgedaan als niemendalletje - onterecht! Dit nummer is de essentie van een climax. In die zin dat het enkel een climax is, zonder het nummer dat er volgens de conventie rondgedrapeerd moet zijn. Briljant.
De afsluiter is een staaltje songschrijverschap in de traditie van bijvoorbeeld een Sufjan Stevens. Hij opent met zacht gitaargetokkel dat de grootse outro reeds voorbereidt. Als een kapstok hangt het pulserende middenstuk (met schitterende gitaarsolo) aan deze structuur, die in de slotminuten uitbarst in een sneltrein van keyboards en verstoorde gitaarsignalen..

'Don't make a sound..'

The Cars - The Cars (1978)

4,5
geplaatst:
Wat een laag gemiddelde

Dit is wat mij betreft verplichte kost voor elke pop/rock-liefhebber. Beetje een synthese van de late jaren '70 ook: er zit wat powerpop in, wat punk, hardrock-allures, wat new wave keyboardjes en Queen harmonieën om af te peperen.

Na het ij-zer-sterke openingssalvo ("Good Times Roll"!! , "Just What I Needed"!!) is er even een dipje - "Don't Cha Stop" had er voor mij eigenlijk niet op gehoeven. Maar daarna schiet het meteen weer pijlsnel de hoogte in. "Moving in Stereo" heeft een heerlijk broeierig, onheilspellend sfeertje. En afsluiter "All Mixed Up" is weer zo'n explosie van harmonieën en hooks.
Heel wat fantastische songs hier op dit debuut van de Cars.. en het klinkt allemaal zo effortless.

The Fall - Hex Enduction Hour (1982)

4,5
“There is no culture is my brag”. Met deze onheilspellende leuze trapt Mark E. Smith een audio-trip die haast uit elkaar spat door een overdosis aan rauwe onversneden energie af. Beukende drums stuwen opener ‘The Classical’ verder naar eenzame besneeuwde hoogten; “where are the obligatory niggers?!” – een scherpere zin dan dit ben ik nauwelijks tevoren tegengekomen in een liedjestekst. Een spervuur aan rake observaties en allesvernietigend nihilisme nagelen mij vast, en smeken om een druk op de ‘repeat’-knop.

Neen! Niet doen; vooruit is de enige juiste weg – een leuze die mij nauwelijks afgaat in het dagelijkse leven, maar des te meer op deze plaat van toepassing is. Smith laat je als luisteraar ook geen keuze – met gelijkaardig geweld trapt hij de luisteraar een tweede keer in het gezicht op ‘Jawbone and the Air-Rifle’. Het voelt allemaal wat aan als vallen op door ijs bedekt asfalt. Nogmaals!

‘Hip Priest’ opent rustiger, maar is een dolk in de rug. De ‘Hip Priest’ wordt geïntroduceerd; alter ego? Laat ons maar geloven van wel. Frustratie leeft ook in de harten van de groten, zo blijkt. Na enkele smerige uitbarstingen sterft de ‘Hip Priest’ langzaam weg, en leidt ons het ‘Fortress’ binnen. Meer classic ‘Fall’-lawaai, maar de werkelijke grootsheid van het nummer toont zich pas in het tweede deel, ‘Deer Park’ – een rollercoaster die dreigt te ontsporen.

“Mere Pseud Mag. Ed.” is haast catchy, en een stuk toegankelijker dan al het voorafgaande geweld – wat niets afdoet aan het feit dat deze shot verslavende noise-rock (tegendraadse gitaren, de vergelijking met Sonic Youth lijkt mij niet zo ver gezocht) alle aandacht opeist. Nodig, want de aandacht kan makkelijk gaan wandelen tijdens het hieropvolgende ‘Winter’, een slepende post-punker in twee actes. Ook dit nummer getuigt een geschikte grasmat voor Smith’s giftige situatie- en karakterschetsen.

Via het tussendoortje ‘Just Step S’ways’ komen we aan bij het hoogtepunt van ‘Hex Enduction Hour’. ‘Who Makes the Nazis?’, een mantra die zich als een oorworm nestelt in de diepste krochten van je oren, drukkend tegen je brein. Een heerlijk onaangenaam nummer – een pluim voor de ritmesectie die dit nummer in ‘high gear’ schakelen. Ook een heerlijke pig-squeal zo ergens rond 2 minuten 20 seconden. ‘Iceland’ is – zoals hierboven reeds werd opgemerkt - profetisch, en dat maakt me een beetje bang. Smith lijkt mij nu niet de kerel waarvan je wil dat zijn toekomstbeelden in werkelijkheid worden omgezet.

‘And This Day’ blijkt de ontknoping te zijn van dit meesterwerkje, een apotheose die kan tellen. Een meer dan 10 minuten durend circus van orgeltjes, post-punk madness, en herhaling. Soit, om een lang verhaal kort te maken: luisteren die handel!

Wilco - Yankee Hotel Foxtrot (2002)

4,0
Het moet ondertussen twee jaar geleden zijn dat ik voor het eerst mijn oor te luister legde bij ‘Yankee Hotel Foxtrot’, Wilco’s vermeende meesterwerk. Waarom de vonk toen uitbleef, is me een mysterie; alleszins, dit zijn de feiten: na twee luisterbeurten verbande ik het album naar de achterste regionen van de CD-kast, en besloot met een schamele 2.5 sterren. Meer dan een jaar en een half heeft dat album stof staan vergaren, maar op een gezegende dag heb ik dan toch maar de moeite genomen dit eens te herbeluisteren. En het loonde.. Ik vind het jammer dat ik al die tijd blind was voor de subtiele breekbaarheid van dit album, maar ik kan u verklappen, ik geniet er nu des te meer van.

‘I Am Trying To Break Your Heart’ is meteen een eerste hoogtepunt. Een goede minuut onbestemd (maar sfeervol) geneuzel wordt plotsklaps doorbroken met die schitterende regel ‘I am an American aquarium-drinker, I assassin down the avenue’. Prachtig. Net als alle nummers op dit album een zeer warm liedje, dat na elke luisterbeurt steeds dierbaarder wordt. Lichtjes onconventionele instrumentatie vormt de achtergrond waartegen het nummer geplakt is, en voorziet het van een scherp randje. Na één vals en één echt einde, rolt ‘Kamera’ over de luisteraar heen – pop zoals pop hoort te zijn: aanstekelijk, eenvoudig betekenisvolle lyrics, en een melodie die je van je leven niet meer vergeten zal. Ik kan niet genoeg benadrukken dat deze plaat eigenlijk gewoon bol staat van de pop-pareltjes die een wat apart jasje aangetrokken kregen.

‘Radio Cure’ sleept zich moeizaam verder, en is opnieuw voldoende opgesmukt om de hele speelduur lang interessant te blijven – er valt altijd wel iets nieuws te ontdekken, ookal oogt het nummer op het eerste zicht heel eenvoudig. ‘War on War’ en ‘Jesus, Etc.’ gaan opnieuw verder op het elan van ‘Kamera’: pure, onversneden pop, maar o zo vakkundig uitgevoerd. ‘Ashes of American Flags’ zorgt opnieuw voor een rustpunt, en gaat de confrontatie met het experiment aan. Een tweede onmiskenbaar hoogtepunt, dat meteen opgevolgd wordt door een derde: ‘Heavy Metal Drummer’, dat zelfs de Beatles jaloers had kunnen maken.

De volgende twee nummers zijn leuk, maar niet veel meer dan dat – ze weten niet in dezelfde mate onder mijn huid te kruipen, en zijn bijgevolg niet meer dan fijne tussendoortjes. Wat absoluut niet opgaat voor ‘Poor Places’, naar mijn mening de hoogste piek op dit album. Enerzijds is het simpelweg de sterkste song die ‘Yankee Hotel Foxtrot’ rijk is, anderzijds bezorgt het einde me keer op keer kippenvel: schijnbaar willekeurig gierende gitaren, en een vervormde vrouwenstem die een haast apocalyptisch sfeertje weet op te wekken door haar constante herhaling van drie simpele woorden:

Yankee. Hotel. Foxtrot.

Over het laatste nummer kan ik me maar moeilijk een mening vormen. Niet omwille van het nummer zelf, want dat is zeker genietbaar, en komt kwalitatief gezien best wel in de buurt van ‘Poor Places’. Alleen had ik ergens wel graag gehad dat het album afsloot met die profetische herhaling van haar titel. ‘Reservations’ had misschien beter van plaats gewisseld met ‘Poor Places’.. hoewel het kabbelende van dit nummer de luisteraar een soort berusting schenkt die de schoonheid van het album wel versterkt.. Hmm.. laat ons zeggen dat ik er nog niet uit ben of de keuze van afsluiter wel de beste was .

Afgezien daarvan is ‘Yankee Hotel Foxtrot’ een klasse-album dat ik iedereen wil aanraden.