Hier kun je zien welke berichten thomzi50 als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Samon Kawamura - Unfold (2008)

4,0
0
geplaatst: 13 september 2008, 21:11 uur
Een in Berlijn wonende Japanner die niet kan of in ieder geval niet wil rappen. Het is niet bepaald de basis voor een glanzende carrière in de hiphopindustrie Toch zou het meer dan zonde zijn om Samon Kawamura's Unfold ongemerkt aan ons voorbij te laten gaan.
Kawamura valt niet alleen wat zijn profiel betreft, maar ook qua sound volledig buiten de huidige hiphopwereld. In tijden waar kletterende drums en beukende bassen meer regel dan uitzondering zijn, doet Unfold wat bleekjes aan. De plaat overrompelt namelijk geen seconde en geen enkel nummer knalt uit de speakers. Unfold is een meer een oase van rust, die de luisteraar ondanks haar weinige explosiviteit weet mee te sleuren in een andere wereld. Daarin schuilt de kracht van Kawamura, die aangezien hij niet rapt uiteraard alle producties voor zijn rekening neemt. Niet alleen voor zijn beats zelf maar ook voor de doordachte tracklist verdient de Japanner lof, want dit tweede album van zijn hand schommelt perfect tussen instrumentals en tracks met een gastrapper.
Unfold heeft met Sugar Hill, een samenwerking met Om’Mas, een nogal vreemde start. Dat komt omdat Om’Mas met een zwoel stemgeluid uit volle borst zingt, er nauwelijks een drum te horen is en het nummer al met al eigenlijk bar weinig met hiphop te maken heeft. Op zich geen probleem, maar er komen onmiddellijk vragen naar boven: heeft Kawamura misschien gekozen allerlei verschillende stijlen te verenigen op zijn plaat, of is hij zelfs zover gedaan dat hij de hiphop in haar geheel heeft afgezworen?
Niets van dat alles. Het openingsnummer lijkt enkel te dienen als signaal dat de producer zich niet in een hokje wil laten stoppen, want verder is het, op het Spaanse Te Puedo Ver na, enkel hiphop dat wordt voorgeschoteld. Voor zijn solotracks gebruikt Kawamura vaak niet meer dan een paar instrumenten. Een rustig drumloopje met een gitaarrifje of dromerige pianotonen, met daarbovenop soms nog een laag van bevreemdende computergeluiden uitgesmeerd. Het is niet ingewikkeld, maar het werk bijzonder goed.
De instrumentale nummers voldoen vrijwel immer aan de bovenstaande regels, al wordt er wel gevarieerd. Op 0804-005 bijvoorbeeld is de gitaar plotseling vervangen voor droevige belletjes en op Let’s Do It wordt er een harp gebruikt. Om het feest nog compleet te maken worden ook nog eens schijnbaar moeiteloos soulstukjes of old school-scratches toegevoegd. Door vrijwel continue aan hetzelfde, lome en toch niet slome tempo vast te houden, realiseert Kawamura dat de verschillende nummers een onmisbare onderlinge verbinding hebben.
Dit instrumentale werk neemt je mee op een trip naar een ver buitenland, waar plaats is voor dromen en alle zorgen van thuis snel vergeten worden. Maar op den duur gaat, hoe fijn deze muziek ook mag zijn, een dergelijk reisje vervelen, en daar is Kawamura zich maar al te goed bewust van. Daarom zijn er tussen het instrumentale werk door zes hiphopnummers verweven, die wanneer het nodig is de luisteraar weer bij de les roepen, zonder te overheersen.
Hoogtepunt van deze gastrappers is de gretige Oh No. Op Right Here vertelt deze broer van Madlib over een opzwepende productie van alles en nog wat en komt hij leuk voor de dag (“the world is yours? I’ma need the universe//I control the sun, I can make the fire burst”) zonder ergens ook maar een punt te willen maken. Voor eigenlijk alle nummers met een gastartiest geldt dit verhaal: over sterke instrumentaties wordt er enthousiast gerapt, terwijl het tekstueel niet verder komt dan zelfverheerlijking en ongerichte punchlines. Gelukkig maar, want als er ineens tussen alle kalme en uiterst sfeervolle instrumentals een opgedrongen boodschap was gestopt, hadden deze ongetwijfeld veel aan kracht moeten inleveren.
De boodschap van Unfold zit niet in de woorden, maar in de muziek. Die lijkt te zeggen dat er ook in ongelukkige tijden is geen reden is tot verdriet, en bedaart zo tot rust. Unfold is daarmee een ruimschoots geslaagd album. Het voelt als een mooi en strak geheel aan en biedt ondertussen ook nog genoeg variatie. Het allerknapste is dat de plaat kalmeert, maar nergens bedwelmt. Unfold is een doordachte en uitgebalanceerde samensmelting van dromerige rust en prominente raps, van onbekend en vertrouwd, van new school en old school. Kortom, allerlei verschillende uitersten bij elkaar gegooid, die er toch als één uitkomen. Petje af.
Bron: State
Kawamura valt niet alleen wat zijn profiel betreft, maar ook qua sound volledig buiten de huidige hiphopwereld. In tijden waar kletterende drums en beukende bassen meer regel dan uitzondering zijn, doet Unfold wat bleekjes aan. De plaat overrompelt namelijk geen seconde en geen enkel nummer knalt uit de speakers. Unfold is een meer een oase van rust, die de luisteraar ondanks haar weinige explosiviteit weet mee te sleuren in een andere wereld. Daarin schuilt de kracht van Kawamura, die aangezien hij niet rapt uiteraard alle producties voor zijn rekening neemt. Niet alleen voor zijn beats zelf maar ook voor de doordachte tracklist verdient de Japanner lof, want dit tweede album van zijn hand schommelt perfect tussen instrumentals en tracks met een gastrapper.
Unfold heeft met Sugar Hill, een samenwerking met Om’Mas, een nogal vreemde start. Dat komt omdat Om’Mas met een zwoel stemgeluid uit volle borst zingt, er nauwelijks een drum te horen is en het nummer al met al eigenlijk bar weinig met hiphop te maken heeft. Op zich geen probleem, maar er komen onmiddellijk vragen naar boven: heeft Kawamura misschien gekozen allerlei verschillende stijlen te verenigen op zijn plaat, of is hij zelfs zover gedaan dat hij de hiphop in haar geheel heeft afgezworen?
Niets van dat alles. Het openingsnummer lijkt enkel te dienen als signaal dat de producer zich niet in een hokje wil laten stoppen, want verder is het, op het Spaanse Te Puedo Ver na, enkel hiphop dat wordt voorgeschoteld. Voor zijn solotracks gebruikt Kawamura vaak niet meer dan een paar instrumenten. Een rustig drumloopje met een gitaarrifje of dromerige pianotonen, met daarbovenop soms nog een laag van bevreemdende computergeluiden uitgesmeerd. Het is niet ingewikkeld, maar het werk bijzonder goed.
De instrumentale nummers voldoen vrijwel immer aan de bovenstaande regels, al wordt er wel gevarieerd. Op 0804-005 bijvoorbeeld is de gitaar plotseling vervangen voor droevige belletjes en op Let’s Do It wordt er een harp gebruikt. Om het feest nog compleet te maken worden ook nog eens schijnbaar moeiteloos soulstukjes of old school-scratches toegevoegd. Door vrijwel continue aan hetzelfde, lome en toch niet slome tempo vast te houden, realiseert Kawamura dat de verschillende nummers een onmisbare onderlinge verbinding hebben.
Dit instrumentale werk neemt je mee op een trip naar een ver buitenland, waar plaats is voor dromen en alle zorgen van thuis snel vergeten worden. Maar op den duur gaat, hoe fijn deze muziek ook mag zijn, een dergelijk reisje vervelen, en daar is Kawamura zich maar al te goed bewust van. Daarom zijn er tussen het instrumentale werk door zes hiphopnummers verweven, die wanneer het nodig is de luisteraar weer bij de les roepen, zonder te overheersen.
Hoogtepunt van deze gastrappers is de gretige Oh No. Op Right Here vertelt deze broer van Madlib over een opzwepende productie van alles en nog wat en komt hij leuk voor de dag (“the world is yours? I’ma need the universe//I control the sun, I can make the fire burst”) zonder ergens ook maar een punt te willen maken. Voor eigenlijk alle nummers met een gastartiest geldt dit verhaal: over sterke instrumentaties wordt er enthousiast gerapt, terwijl het tekstueel niet verder komt dan zelfverheerlijking en ongerichte punchlines. Gelukkig maar, want als er ineens tussen alle kalme en uiterst sfeervolle instrumentals een opgedrongen boodschap was gestopt, hadden deze ongetwijfeld veel aan kracht moeten inleveren.
De boodschap van Unfold zit niet in de woorden, maar in de muziek. Die lijkt te zeggen dat er ook in ongelukkige tijden is geen reden is tot verdriet, en bedaart zo tot rust. Unfold is daarmee een ruimschoots geslaagd album. Het voelt als een mooi en strak geheel aan en biedt ondertussen ook nog genoeg variatie. Het allerknapste is dat de plaat kalmeert, maar nergens bedwelmt. Unfold is een doordachte en uitgebalanceerde samensmelting van dromerige rust en prominente raps, van onbekend en vertrouwd, van new school en old school. Kortom, allerlei verschillende uitersten bij elkaar gegooid, die er toch als één uitkomen. Petje af.
Bron: State
Scarface - Emeritus (2008)

2,5
0
geplaatst: 25 januari 2009, 11:45 uur
De meeste rappers van de oude garde zijn niet van plan de scene via de achterdeur te verlaten om de fakkel geruisloos over te dragen aan de nieuwelingen. Integendeel: dit jaar dropten onder meer Ice Cube, LL Cool J, Diamond D, KRS-One en Del Tha Funkee Homosapien nieuw materiaal. Opvallend aan al deze albums was dat ze op deze site allemaal een dikke onvoldoende scoorden, doodeenvoudig wegens gebrek aan kwaliteit. Het was niet zo dat alle artiesten bleven hangen in het verleden, nee, maar de pogingen van de desbetreffende MC's om mee te gaan met de tijd of zichzelf in ieder geval te vernieuwen, waren veelal krampachtig en onovertuigend. Dat gegeven belooft natuurlijk weinig goeds voor Scarface’ Emeritus.
Scarface valt tenslotte ontegenzeggelijk ook onder die categorie: je kan niet anders dan hem als een absolute veteraan zien. De rapper heeft in totaal meer dan tien soloalbums uitgebracht en The Geto Boys, waar hij het bekendste lid van is, al acht. Verwacht van ‘Face dan ook geen uitgedachte concepten, maar een rechtdoorzee album waarop de luisteraar precies krijgt wat hij hoort.
Voordat we de muziek op Emeritus bespreken even een kritische noot: de intro. Bij intro’s en outro’s bekruipt je als luisteraar van dergelijke inhoudelijk niet al te serieuze of zware albums gewoonlijk het gevoel dat ze er wat plichtmatig bij worden gezet, maar dergelijke intro’s zijn gelukkig vaak voorbij eer je er erg in hebt. Hier is de intro echter een bijna vier minuten durend relaas van J. Prince, gericht aan Scarface. Het is een erg stroeve start van het vijftig minuten durende schijfje, maar als de rit eenmaal begint, is er tot de outro (wederom van J. Prince, dit keer gelukkig minder lang) geen houden meer aan.
Want de bassen en synthesizers knallen van begin tot eind de speakers uit, en met een gastenlijst waar onder andere de namen Lil Wayne (waarom ook niet, hij verzorgde immers zo’n twintig gastoptredens en bracht een soloalbum uit dit jaar), Bun B en Slim Thug op prijken. Een duidelijke poging van Scarface om mee te gaan met de tijd, net zoals onder meer Ice Cube eerder dit jaar al probeerde.
Op zich gaat deze nieuwe aanpak Scarface niet zo slecht af, getuige de aftrap High Powered. Over rustige drums en drukke synthesizers houdt Scarface zijn straatwaarde op peil (“I got a problem with a nigger, I gon’ squeeze ‘em out//And what the fuck am I going to talk with the police about?//I’m from the streets doin’ the type of shit you read about”), om zich vervolgens op Forgout About Me te meten met Bun B en Lil Wayne. Kwalitatief zit er tussen de drie MC’s uit het zuiden overigens weinig verschil, ze brengen allemaal weinig nieuws onder de zon zonder echt door het ijs te zakken – al lijkt het er wel op dat Lil Wayne per gastcouplet aanstelleriger gaat rappen.
Als we na deze amusante maar wel erg voorspelbare banger (geproduceerd door Cool & Dre) vervolgens met Can’t Get Right (met Bilal), wéér een volledig gelikte en pakkende instrumentatie krijgen voorgeschoteld, waarover Scarface vrijwel uit het niets een serieus verhaal vertelt, krijgen we al snel de indruk hoe laat het is: Emeritus is een album dat zich in elk opzicht houdt aan de ongeschreven regels van commerciële hiphop.
Het resultaat: gelikte en voorspelbare producties waar voornamelijk opscheppraatjes overheen worden gerapt – die geheel volgens verwachting soms plotseling door een zware vertelling of serieuze boodschap worden onderbroken. Klinkt niet als iets waar anno 2008 veel mensen op zitten te wachten, maar echt bont maakt ‘Face het ook weer niet. Hij is en blijft namelijk een unieke rapper, die altijd terug kan vallen op zijn zeldzaam rauwe stemgeluid, wat hem vrijwel altijd geloofwaardig maakt. Daarmee komt hij met veel van zijn clichés weg, en derhalve is de inhoudelijke armoede niet eens zo’n probleem op het album.
Sterker nog, de raps op Emeritus zijn vaak alleraardigst. Op sommige momenten is weliswaar plotseling te horen dat ook Scarface de jongste niet meer is, maar veelal levert hij oerdegelijk werk af. Jammer is alleen dat hij zijn stem niet gebruikt als basis voor experimenten, maar als tegengif van inspiratieloosheid. Het lijkt pure gemakzucht, want als een rapper van zijn kaliber iets meer zou durven en niet een dergelijke weg zou volgen, had zijn zoveelste comebackalbum best wat kunnen worden. Nu zijn we het album waarschijnlijk alweer ruim vergeten voordat het volgende verschijnt.
Bron: Hiphopleeft
Scarface valt tenslotte ontegenzeggelijk ook onder die categorie: je kan niet anders dan hem als een absolute veteraan zien. De rapper heeft in totaal meer dan tien soloalbums uitgebracht en The Geto Boys, waar hij het bekendste lid van is, al acht. Verwacht van ‘Face dan ook geen uitgedachte concepten, maar een rechtdoorzee album waarop de luisteraar precies krijgt wat hij hoort.
Voordat we de muziek op Emeritus bespreken even een kritische noot: de intro. Bij intro’s en outro’s bekruipt je als luisteraar van dergelijke inhoudelijk niet al te serieuze of zware albums gewoonlijk het gevoel dat ze er wat plichtmatig bij worden gezet, maar dergelijke intro’s zijn gelukkig vaak voorbij eer je er erg in hebt. Hier is de intro echter een bijna vier minuten durend relaas van J. Prince, gericht aan Scarface. Het is een erg stroeve start van het vijftig minuten durende schijfje, maar als de rit eenmaal begint, is er tot de outro (wederom van J. Prince, dit keer gelukkig minder lang) geen houden meer aan.
Want de bassen en synthesizers knallen van begin tot eind de speakers uit, en met een gastenlijst waar onder andere de namen Lil Wayne (waarom ook niet, hij verzorgde immers zo’n twintig gastoptredens en bracht een soloalbum uit dit jaar), Bun B en Slim Thug op prijken. Een duidelijke poging van Scarface om mee te gaan met de tijd, net zoals onder meer Ice Cube eerder dit jaar al probeerde.
Op zich gaat deze nieuwe aanpak Scarface niet zo slecht af, getuige de aftrap High Powered. Over rustige drums en drukke synthesizers houdt Scarface zijn straatwaarde op peil (“I got a problem with a nigger, I gon’ squeeze ‘em out//And what the fuck am I going to talk with the police about?//I’m from the streets doin’ the type of shit you read about”), om zich vervolgens op Forgout About Me te meten met Bun B en Lil Wayne. Kwalitatief zit er tussen de drie MC’s uit het zuiden overigens weinig verschil, ze brengen allemaal weinig nieuws onder de zon zonder echt door het ijs te zakken – al lijkt het er wel op dat Lil Wayne per gastcouplet aanstelleriger gaat rappen.
Als we na deze amusante maar wel erg voorspelbare banger (geproduceerd door Cool & Dre) vervolgens met Can’t Get Right (met Bilal), wéér een volledig gelikte en pakkende instrumentatie krijgen voorgeschoteld, waarover Scarface vrijwel uit het niets een serieus verhaal vertelt, krijgen we al snel de indruk hoe laat het is: Emeritus is een album dat zich in elk opzicht houdt aan de ongeschreven regels van commerciële hiphop.
Het resultaat: gelikte en voorspelbare producties waar voornamelijk opscheppraatjes overheen worden gerapt – die geheel volgens verwachting soms plotseling door een zware vertelling of serieuze boodschap worden onderbroken. Klinkt niet als iets waar anno 2008 veel mensen op zitten te wachten, maar echt bont maakt ‘Face het ook weer niet. Hij is en blijft namelijk een unieke rapper, die altijd terug kan vallen op zijn zeldzaam rauwe stemgeluid, wat hem vrijwel altijd geloofwaardig maakt. Daarmee komt hij met veel van zijn clichés weg, en derhalve is de inhoudelijke armoede niet eens zo’n probleem op het album.
Sterker nog, de raps op Emeritus zijn vaak alleraardigst. Op sommige momenten is weliswaar plotseling te horen dat ook Scarface de jongste niet meer is, maar veelal levert hij oerdegelijk werk af. Jammer is alleen dat hij zijn stem niet gebruikt als basis voor experimenten, maar als tegengif van inspiratieloosheid. Het lijkt pure gemakzucht, want als een rapper van zijn kaliber iets meer zou durven en niet een dergelijke weg zou volgen, had zijn zoveelste comebackalbum best wat kunnen worden. Nu zijn we het album waarschijnlijk alweer ruim vergeten voordat het volgende verschijnt.
Bron: Hiphopleeft
Sheek Louch - Silverback Gorilla (2008)

3,0
0
geplaatst: 4 april 2008, 19:19 uur
In Nederland zullen weinig mensen echt zitten te wachten op Silverback Gorilla. Sheek Louch is typisch zo’n rapper die in Amerika een behoorlijke staat van dienst heeft, maar over de grens geen voet aan de grond weet te krijgen. Als lid van het trio Lox, dat verantwoordelijk was voor de succesvolle albums Money, Power & Respect (1998) en We Are The Streets (2000), wist hij een plekje in de Amerikaanse hiphopscène te veroveren, maar groeide hij niet uit tot een echte ster zoals zijn kameraad en groepsgenoot Jadakiss dat wel deed. Sheek’s soloalbums Walk Witt Me (2003) en After Taxes (2005) waren geen commerciële hoogvliegers maar verkochten in de States samen toch zo’n honderdvijftigduizend exemplaren.
Dat aantal is eigenlijk wat te groot voor een undergroundrapper, maar te klein voor een populaire commerciële artiest. Dat brengt ons meteen bij de vraag: wat voor soort rapper is Sheek Louch? Het is van alles een beetje en Silverback Gorilla is dan ook geen eenzijdig album geworden. Good Love is een ouderwetse feelgoodtrack over de liefde, die met een opgewekte pianoriedel en wat vrolijke belletjes als begeleiding best wat charme heeft. Dit staat in flink contrast met Think We Got A Problem, een onvervalste banger. Kletterende drums, een chopped & screwed refrein en tekstueel getrommel op de eigen borst kenmerken dit nummer, dat het moet hebben van de gastoptredens van The Game en met name Bun B (“The streets is like the MBA, I love this game”). Muziek die valt in deze categorie, kort samengevat als stoere zelfverheerlijking, komt veelvuldig langs op Silverback Gorilla.
En dan zijn er ook nog de eerlijke en tamelijk basale hiphoptracks, waar Sheek het meest tot zijn recht komt. 2 Turntables & A Mic is, zoals de titel al zegt, behoorlijk rechttoe rechtaan; krachtige opschepraps en een eenvoudige instrumentatie die het moet hebben van het harde slagwerk; dit is Sheek Louch op zijn best.
Gelukkig is Silverback Gorilla tekstueel niet alleen maar Sheek Louch die zichzelf de hemel in prijst. Neem Mic Check, het hoogtepunt van het album. Op een melancholische pianobeat van de onbekende Vinny Idol vertelt Louch op een opvallend eerlijke en slimme manier over de hiphopwereld. Enkele quotes die dit illustreren zijn: “Yo, cars, fashion, jewellery, drippin’//What colour you wearin’, what drink you sippin’//It’s a new generation of hiphop//Now it’s more money involved, so it’s hippop” en “I know well that I can sell more with Usher on the hook//Instead I made something to do a jook, look” Eenvoudig, maar scherp. Op dit nummer snoert Sheek met de regel “And they say that rap is the devil’s play//But it was cool when them boys made walk this way” criticasters ook nog eens kwiek de mond. Een nummer van een verrassend hoog niveau.
Nog zo’n simpele en effectieve track is Don’t Be Them. Hier raadt Louch aan je niet te gedragen als 50 Cent, Lil’ Wayne of wie-dan-ook, maar gewoon als jezelf. Helaas is niet alles inhoudelijk zo doelgericht als deze voorbeelden. Zoals gezegd staat het merendeel van Silverback Gorilla in het teken van zelfreclame en dat begint op den duur lichtelijk te vervelen. Het album bevat net wat te veel nietszeggende tracks die de middelmaat nauwelijks ontstijgen. Daardoor wordt het een wat lange zit. Sheek Louch is daarnaast zeker een kundige rapper, maar hij is helaas niet zo goed als hij zelf vindt. Hij is tot weinig uitzonderlijks in staat, maar gebruikt zijn beperkingen als een wapen. Door zijn eenvoud komt hij over als een ouderwetse rapper die het moet hebben van zijn ambitie, zonder veel poespas om de muziek heen.
Productioneel is Silverback Gorilla redelijk gevarieerd, maar niet vooruitstrevend. Het zijn oerdegelijke, veelal pakkende en enthousiaste beats die leunen op prominente synthesizers, harde bassen en fiere pianotonen.
Dit is een van de redenen waarom het album in positieve zin verrast. Silverback Gorilla heeft weliswaar een paar luisterbeurten nodig voordat het overtuigend klinkt en Sheek Louch heeft geen feilloze reputatie, maar er staat gewoon behoorlijk wat leuk materiaal op de plaat.
Silverback Gorilla is dus duidelijk beter dan verwacht. Wie op een innovatief meesterwerk rekent, komt van een koude kermis thuis, maar wie denkt dat Sheek Louch niks meer is dan een inhoudsloze b-rapper, moet zijn mening allicht herzien. De verwachtingen voor het aankomende album van Lox (Live, Suffer, Celebrate) zijn weer wat opgeschroefd.
Bron: Hiphopleeft
Dat aantal is eigenlijk wat te groot voor een undergroundrapper, maar te klein voor een populaire commerciële artiest. Dat brengt ons meteen bij de vraag: wat voor soort rapper is Sheek Louch? Het is van alles een beetje en Silverback Gorilla is dan ook geen eenzijdig album geworden. Good Love is een ouderwetse feelgoodtrack over de liefde, die met een opgewekte pianoriedel en wat vrolijke belletjes als begeleiding best wat charme heeft. Dit staat in flink contrast met Think We Got A Problem, een onvervalste banger. Kletterende drums, een chopped & screwed refrein en tekstueel getrommel op de eigen borst kenmerken dit nummer, dat het moet hebben van de gastoptredens van The Game en met name Bun B (“The streets is like the MBA, I love this game”). Muziek die valt in deze categorie, kort samengevat als stoere zelfverheerlijking, komt veelvuldig langs op Silverback Gorilla.
En dan zijn er ook nog de eerlijke en tamelijk basale hiphoptracks, waar Sheek het meest tot zijn recht komt. 2 Turntables & A Mic is, zoals de titel al zegt, behoorlijk rechttoe rechtaan; krachtige opschepraps en een eenvoudige instrumentatie die het moet hebben van het harde slagwerk; dit is Sheek Louch op zijn best.
Gelukkig is Silverback Gorilla tekstueel niet alleen maar Sheek Louch die zichzelf de hemel in prijst. Neem Mic Check, het hoogtepunt van het album. Op een melancholische pianobeat van de onbekende Vinny Idol vertelt Louch op een opvallend eerlijke en slimme manier over de hiphopwereld. Enkele quotes die dit illustreren zijn: “Yo, cars, fashion, jewellery, drippin’//What colour you wearin’, what drink you sippin’//It’s a new generation of hiphop//Now it’s more money involved, so it’s hippop” en “I know well that I can sell more with Usher on the hook//Instead I made something to do a jook, look” Eenvoudig, maar scherp. Op dit nummer snoert Sheek met de regel “And they say that rap is the devil’s play//But it was cool when them boys made walk this way” criticasters ook nog eens kwiek de mond. Een nummer van een verrassend hoog niveau.
Nog zo’n simpele en effectieve track is Don’t Be Them. Hier raadt Louch aan je niet te gedragen als 50 Cent, Lil’ Wayne of wie-dan-ook, maar gewoon als jezelf. Helaas is niet alles inhoudelijk zo doelgericht als deze voorbeelden. Zoals gezegd staat het merendeel van Silverback Gorilla in het teken van zelfreclame en dat begint op den duur lichtelijk te vervelen. Het album bevat net wat te veel nietszeggende tracks die de middelmaat nauwelijks ontstijgen. Daardoor wordt het een wat lange zit. Sheek Louch is daarnaast zeker een kundige rapper, maar hij is helaas niet zo goed als hij zelf vindt. Hij is tot weinig uitzonderlijks in staat, maar gebruikt zijn beperkingen als een wapen. Door zijn eenvoud komt hij over als een ouderwetse rapper die het moet hebben van zijn ambitie, zonder veel poespas om de muziek heen.
Productioneel is Silverback Gorilla redelijk gevarieerd, maar niet vooruitstrevend. Het zijn oerdegelijke, veelal pakkende en enthousiaste beats die leunen op prominente synthesizers, harde bassen en fiere pianotonen.
Dit is een van de redenen waarom het album in positieve zin verrast. Silverback Gorilla heeft weliswaar een paar luisterbeurten nodig voordat het overtuigend klinkt en Sheek Louch heeft geen feilloze reputatie, maar er staat gewoon behoorlijk wat leuk materiaal op de plaat.
Silverback Gorilla is dus duidelijk beter dan verwacht. Wie op een innovatief meesterwerk rekent, komt van een koude kermis thuis, maar wie denkt dat Sheek Louch niks meer is dan een inhoudsloze b-rapper, moet zijn mening allicht herzien. De verwachtingen voor het aankomende album van Lox (Live, Suffer, Celebrate) zijn weer wat opgeschroefd.
Bron: Hiphopleeft
