Via deze pagina blijf je op de hoogte van recente stemmen, meningen en recensies van henrie9. Standaard zie je de activiteiten in de huidige en vorige maand. Je kunt ook voor een van de volgende perioden kiezen: januari 2025, februari 2025, maart 2025, april 2025, mei 2025, juni 2025, juli 2025, augustus 2025, september 2025, oktober 2025, november 2025, december 2025, januari 2026, februari 2026, maart 2026
Whispering Sons - The Great Calm (2024) 4,0
29 februari 2024, 20:51 uur
Fans van Whispering Sons weten het onderhand wel. Dit Belgische vijftal is verantwoordelijk voor een heerlijk intense mix van galmend zwart experiment, van ooit vanuit de The Cure-gotiek komende hectische somberte, verpakt in nerveus stuiterende postpunk. In hun rangen hebben ze daarbovenop een weemoedige, kelderdiep androgyn klinkende parlandozangeres Fenne Kuppens, die zich met evenveel zingbabbelende emotie presenteert als de Vlaamse Kae Tempest of beter nog, Dry Cleaning's Florence Shaw of zelfs als Tindersticks' eeuwige treurwilg Stuart Staples. Fans van Whispering Sons houden in het bijzonder van dat aparte, want intens, dwingend stemgeluid, hoe weinig divers en dansend de melodieën op haar notenbalk soms ook op en neer walsen. Kuppens klinkt er niettemin zo combattief mee, stevig, assertief en vooral met heel veel flair. Net als die prachtige collega's bewijst Whispering Sons met hun nieuwe 'The Great Calm' zonder meer tot het gild van die internationale blijvers te zijn doorgegroeid.
Fans van Whispering Sons vragen het vervolgens misschien zelf niet, maar ogenschijnlijk mag er tegenwoordig al eens meer dan een streepje zon doorheen de mistbanken van hun duistere mangrovebos priemen en duikt er tussen al die bedrukte stemmingen zowaar in de lyrics van 'Oceanic' zelfs liefde als thema op. Maar hoe dan ook, alles blijft doorgaans vooral heel diep, zwartgallig fluisterend, met heel eventjes maar dus die flard aan meer licht. Net voldoende wel om er de plaattitel dubbelzinnig mee te bevestigen: 'The Great Calm', de sereniteit van het loslaten, het vinden van je gemoedsrust, de vrede en jezelf. Want hoe broos en onbehaaglijk alles echt is, bleek vooral nà het afwerken van het album, toen frontvrouw Fenne Kuppens toch maar eventjes voor verschillende maanden het zwarte gat indook. Het hele komende business-slameur na het inblikken van het album was er voor haar net dàt iets teveel aan. Ontgoocheling, leegheid, zwart en as en het innerlijk rustzoekend voertuig op de cover lelijk gitzwart uitgebrand, tegenover die liefde en groeiende hoop. 'The Great Calm', dus evenzeer de kroniek van een tussen de plooien van het album duidelijk aangekondigde, zelfs door haar eigen bandleden onopgemerkte instorting van hun leadsinging lady. Zo werd het even bewust afstand nemen alsnog zelfs een must voor het voortbestaan van de groep. Eerst een 'standstill' en herevalueren om daarna weer klaar te zien. Kàn muziek echt wel die gegeerde eerste plaats innemen in de levens van Whispering Sons? Ja, die twijfel knaagde.
In alle geval laten ze met 'The Great Calm' toch weer horen hoeveel variaties van dreigend geluid ze op één aantrekkelijk palet wel kunnen uitsmeren. Pure songs waarvan het cryptische verhaal in het tekstenboek zich niet altijd onmiddellijk zal prijsgeven, maar dat net als de muziek even inherent is en dan sowieso aan de ribben kleeft. Met 'The Great Calm' komt er hier een Whispering Sons dat nu denkt én danst.
Ik laat het allemaal achter
bij de volgende stop.
Ik zal dan met mijn hoofd naar voren duiken, naar een toekomst die nog onbekend is." - 'Standstill'
Baslijn, percussie en daar gaan ze door het door de synths onheilspellend grommende 'Standstill'. Een eenzame gitaar loopt als een tikkende tijdbom zijn lijn af, tot die dan ook snerpend uiteenspat tot ver tegen de intense keyboardsfinale. Kuppens' bangelijke autorit in haar hoofd, hier haar identiteitscrisis die er als een aneurisma explodeert. Heel vlug daarna, bij haar eerste stop, laat ze de groep dan ook effectief voor wat ie was. Een heel vergaande, heftige, hoogstpersoonlijke postpunker.
"Alle obstakels op mijn pad
duw ik naar het verleden,
voor het eerst sinds lange tijd.
Lopen, vliegen.
Alles is gewoon opgehelderd." - 'Walking, Flying'
Ook 'Walking, Flying' gaat recht door zee. Wat een positief uptemponummer, frisse rock vol levendig opverende gitaren en weer die warm buitelende bas. Het is ook hoopvol, de uitzichtloosheid lijkt verdwenen en betere dagen wenken. Dit wordt gegarandeerd een concertfavoriet.
"Een verhard lichaam tussen bevroren lakens. Mijn eerste rilling in jaren. Koude stad. " - 'Cold City'
Trage keyboards samen op weg met de barre bespiegelingen van Kuppens. Ondanks ijskoude verkramptheid mag 'Cold City' zich toch in volmaakte sereniteit helemaal ontplooien.
"Deze handen blijven doorgaan. Duwen en trekken mij in en uit eindeloze dagen." - Dragging'
'Dragging' met Whispering Sons' vertrouwde klasse gespeeld. Kuppens' uitzichtloosheid als leidraad voor de hooggillende gitaren, de vette baslijnen en de naar overal wentelende drums.
"Sommige dingen blijven maar aanslepen. Ik rookte ze uit. Maar zal hier iets goed uit voortkomen?" - 'Something Good'
'Something Good', Kuppens vertwijfeld scanderend in wat een fraaie popsong is met stijgende beat. Mooie ijle gitaren, zwierige gitaarsolo incluis.
"Wat er in één oogopslag voorbijgaat is slechts de schaduw van deze vreemde tijden." - 'Still, Disappearing'
'Still, Disappearing', Kuppens' lievelingssong en eerste pure full band piano ballad. Met de schoonheid dus van treurige piano-akkoorden en horen we daar ook iets als strijkers en sax? Jawel, ze komen er heel overtuigend mee weg. 'Still, Disappearing', perfect op maat gesneden sfeersong toch voor Stuart Staples en Tindersticks? Kuppens etaleert er de grootsheid van een Nick Cave.
'
"Ik heb een stapel identiteiten. Maar ik vind degene die jij me gaf het leukst." - 'The Talker'
Een nieuw gedurfd geluid, de rauwe postpunkenergie van het ijzersterke 'The Talker'. Song met een cynische ondertoon. Een rollercoaster van bijna tien jaar Whispering Sons valt volledig samen met de aan Kuppens' opgedrongen identiteit. Van al die intrinsieke 'Several Others' daar wil ze nu resoluut af. Op en top speels en dansbaar leunt dit Whispering Sons sterk aan bij het jumpende Dry Cleaning.
"Ik sluit mijn ogen en laat los. Ik zweef, oh ik zweef. Ik word geabsorbeerd door de grote rust." - 'Balm (After Violence)'
De melodramatische song die de albumtitel levert. Traag opgebouwd bevat het etherisch meeslepende 'Balm (After Violence)' net als in 'Still, Disappearing' weer die zalig kabbelende piano tegen hier een achtergrond van ruis en distortion, tot de beukende drums het overnemen.
"Ook al lijkt er niks van mij over te zijn. Ik heb deze vlam beschermd. Sinds ik mijn ontsnapping plande."- 'Poor Girl'
'Poor Girl', op Kuppens' fluistering op proggy inpingelende gitaarakkoorden volgt een switch naar volle ruigheid, een storm van wervelende percussie en schreeuwerig uitsluierend gitaargeweld. Hard, zacht, again and again.
"Door al die jaren heen heb ik mij gevormd tot een zwak wezen met vele gezichten." - 'Loose Ends'
Het bijtende 'Loose Ends' in snelheid aangedreven door kribbige gitaar waar een frontvrouw Fenne ten aanval zich dan ook volop 'loose' laat gaan.
"En ik vertel haar dat ik van haar hou. Ik heb dit nog nooit gevoeld. Ik houd haar vast. Zij is het wonder en ik hou van haar." - 'Oceanic'
'Oceanic', is ook dit een nieuwe weg voor Whispering Sons? Parlando, heartbeat en weidse piano. Geen poespas, hier open en bloot een optimistische lovesong van Kuppens dagdromend over haar lief.
"Ik wed dat je me nog nooit zo hebt gezien. Dit ben ik. Ik ben nu meer wie ik ben. En minder wie ik wilde zijn." "Tekenen van een verandering van tijden. Wel, ik sta in brand nu. Hier gaan we, ik vang deze klap graag op. Adem het verleden uit. Scheur de hele huid van mijn vlees en verander het allemaal in as." - 'Try Me Again'
Atypische afsluiter voor 'The Great Calm': het ongezuiverde 'Try Me Again' waar een brandende Kuppens voor een laatste maal losbreekt en haar vurige wil om bij zichzelf thuis mogen te komen brutaal uitschreeuwt. Regelrecht om zich heen slaande shoegaze andermaal voor de festivals.
Dit 'The Great Calm' of hoe het neerschrijven van innerlijke roerselen als therapie omgesmeed wordt tot een zichzelf overtreffende, vernieuwende plaat. Prima zelf geproducet bovendien onder leiding van Bert Vliegen, die daarenboven als bassist bij de groep inschoof.
Whispering Sons is met 'The Great Calm' minder theatraal, minder groots, minder minimalistisch. Maar als vanouds drijven ze nog steeds heel intens op energie en emotie en op een overkoepelend verhaal waar niks op zichzelf zal staan. Ze blijken ontvankelijk voor een vernieuwde sound. Ze zijn gegroeid in het verzinnen van verrassend passende songsstructuren en in het spannend opbouwen van songs naar hun extatische climax. Omgeven zijn die met hun vintage diepsnijdende gitaarriffs, constant sinister dansende bas en verbazend verspringende percussie.
Maar het samengaan van Kuppens' duistere reflectie met dansen lijkt ook wel een nieuw pad voor de komende jaren. Rocken als The National wel, maar dan evengoed een stap kunnen terugzetten en ineens andere sferen creëren, tot intieme pianoballades toe.
Vooral het perfectionisme en het leiderschap van de breekbare blonde Kuppens heerst en is zelfs na burn-out onaangetast gebleven. Met haar cool blijft deze zwarte apocalyptische podiumverschijning onvervangbare charismatische spil van het vijftal.
Whispering Sons zit dus helemaal niet meer in een 'standstill'. Ze zijn helemaal bij zichzelf thuisgekomen en zijn gretig in de aanloop naar hun komende concerten. België, Nederland, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Zwitserland, Oostenrijk, Tsjechië, Italië, Bulgarije, Roemenië, Griekenland, Estland... Europe, here they come (again).
De nieuwe bandsamenstelling:
Fenne Kuppens - zang
Kobe Lijnen - gitaar
Bert Vliegen - bas, producer
Sander Pelsmaekers - toetsen
Tuur Vandeborne - drums
» details » naar bericht » reageer
IDLES - TANGK (2024) 4,5
22 februari 2024, 17:07 uur
De nieuwe van IDLES. Explosie op de cover. Als met vijf frisgewassen snoeten schuiven de turbulente Bristollers weer aan op de rockscene. Dat eerste geluid. Zitten ze daarmee toch wel in gloednieuwe sferen? De minste IDLES-vreemde glinstering van hun postpunk, zeker weten dat her en der de messen der verdeeldheid zullen worden aangeslepen. Nochtans, het zijn zaken die er bijhoren wanneer artiesten met een zekere staat van dienst - 14 jaar zeker in hun geval - beslissen om zich iets uit hun bestaande hokjes weg te werken, om op zoek te gaan naar nieuwe muzikale uitdagingen. Nu, het weze met betrekking tot deze vurige nieuwe 'TANGK' duidelijk, in de monumentale hemelen waarin IDLES nu vertoeven groeit en landt draaibeurt na draaibeurt, ook na een eerst de argwanende verbazing, eenzelfde zalige IDLES-euforie.
Een altijd openhartige frontman Joe Talbot, het muzikale hart van de groep, kan er nog altijd een ferm stukje op affoeteren tegen zijn Engelse regering of de barbaarse maatschappij waarvan de muren blijkbaar op instorten staan, maar hier hebben ze - hij en gitarist Mark Bowen met name - in plaats van constant ziedend hun lyrics af te scanderen, er vooral ook de verantwoordelijke allures van het vaderschap in verweven. Ze releasen 'TANGK' bovendien in de Valentijnsmaand. Met een Talbot tegenwoordig bijna op melancholie zwelgend in zijn (nieuwe) liefde en expliciete dankbaarheid. Wat ze daarvoor extra hebben hebben opgedolven zijn - lieve god! - warempel een resem een en al lieve, kwetsbare, vaak zelfs melig gezongen lovesongs, aangeboden als de pennenvruchten van hun erkentelijkheid. Maar hier gelukkig overwegend nog zo vurig en atypisch rauw gebracht dat het toch enkel maar van IDLES kan zijn. Bekijk die songtitels, 'Grace', of 'Gratitude', waar Talbot's stem ook heel duidelijk het stormkracht 7-gehalte van 'Brutalism' verlaat. Al is er, neem 'Gift Horse', voor de brutaaltjes ook nog voldoende aan splijtende riffs, doodsmakbeats en adrenalinezang om er de koude voeten stampend mee warm te lopen.
Serieus medeverantwoordelijk voor die andere sound en de nieuwe texturen hier is, naast gouwe getrouwe gitarist Mark Bowen, een gedreven Nigel 'Radiohead' Godrich en Kenny Beats aan de knoppen. Wat al vanaf de opener een 'IDLES-fijngevoelige stijl' oplevert. 'Idea 01', het eerste 'idea' dat ze voor het album hadden en Talbot er in weemoed terugdenkend aan enkele dierbaren uit zijn geboortestreek Devon en over 'the things he lost in the fire'. Talbot hier op zijn zachtst croonend, op de onregelmatige hartslag van de percussie en omzwermd door zacht tollende belletjes, arpeggio-pianogepingel en atmosferisch gezoem.
In de funky topper 'Gift Horse', derde single, wordt vader Joe bij het aanschouwen van zijn dochter helemaal lyrisch: "My baby is beautiful/all is love and love is all". Als ferm antiroyalist wil hij dit dan meteen ook laten 'rijmen' op "fuck the king/he ain't the king, she's the king". IDLES klinkt hier evenwel zo onstuimig als de Engelse Peppers in een bos vol industrial en racende gitaren. Naar verluidt luisterden ze in de aanloop hiervoor duchtig naar techno en disco (!). Hoe dan ook, heerlijke groove hier en wat een geweldige song.
Het groezelige 'POP POP POP' dan, weer over zijn geluksroes een kind te hebben en tegelijk ook over 'Freudenfreude', iets wat recht tegenover wijdverbreid 'leedvermaak' zou staan, echt kunnen meegenieten van andermans geluk. Een met dreigende bas-stoomstoten doortrokken rapper op een grimmige beat uit de koker van Talbot. Met buitelende percussie rolt daarop 'Roy' in. Talbot haalt voor zijn verhaal over zijn vriendin vocaal nog maar eens alles uit de kast. Fraai opgesmukt, alsjeblieft, met Motown-soulgeluiden.
De intiem meeslepende breakup-song 'A Gospel' is een milde, bijna dankbare terugblik op een voorbije relatie, gekaderd in de rust van een simpele pianolijn en fijnbesnaarde strijkersbegeleiding.
Hoogtepunt op 'TANGK' is de al gekende zwiepende floorfiller en eerste single 'Dancer', met LCD Soundsytem in de achtergrond. Bijna dierlijk samen de dansvloer op. Met Joe Talbot de nacht in op de magie van het ritme.
Komt vervolgens de eenvoud zelve van tweede single 'Grace'. Of hoe Talbot, doormijmerend op zijn intussen gekende thema's, je op een pompend uitvloeiende bas en spaarzame percussie toch weer aan het dansen krijgt. Op liefde en anti-religieus en anti-royaal gevoel. "No God. No King. I said Love is the fing" (sic), dit wordt wel de leuze van 'TANGK'.
Een rammend en schurend 'Hall & Oates' doet opeens terugdenken aan de rockhoogdagen van 'The Eighties Matchbox B-line Disaster'. Krachtige compositie met machtige groove over Talbot's eerste bedwelmde vrijpartij die nadien als een Hall&Oats blijft rondfladderen in zijn hoofd. H&O, die twee songwriters die in hun songs als geen ander de kracht van vriendschap vertolkten. Tot je wrang constateerde hoe ze uiteindelijk met de rechtszaken tegen elkaar tot op het bot hun eigen magie sloopten. Juist vóór de song kriepend halttrekt duwt Talbot er zich nog even als ons aller eightiescrooner Simple Minds' Jim Kerr nostalgisch zwalpend door.
'Jungle' is Talbot's knarsende gevangenisdroom, een bedwelmende, stuiterende stammendans - komt 'Read The Room' van The Smile daar niet even opduiken, Nigel? - waarvan de riff uiteindelijk de akkoorden werden en het refrein een Caraïbische swing. 'Gratitude', gewoon een geweldig dansnummer met een aanstekelijke beat over Talbot dankbaar terugblikkend op waar hij vandaan komt. 'Monolith' en daarmee de laatste ontplooiing van Talbots vocaal talent, met riffs en muziekflarden die als monolieten op je af komen drijven en finaal transformeren in een eenzaam treurende Morphine-sax. Gewoon een heel eenvoudige manier van IDLES om een prachtalbum als 'TANGK' stemmig af te sluiten.
IDLES hoort immers op vandaag duidelijk thuis in het rijtje van de grote, creatieve postpunkbands die de ene belangrijke plaat na de andere bewijzen dat hun stomende genre zo springlevend blijft als zijzelf. Verkopen ze je hier dan wel niet meer als weleer de ene harde linkse na de andere meedogenloze rechtse, met het machtige volwassen totaalgeluid dat ze nu hebben gevonden presenteren ze zich hier als een gezwind ronddansende, durvende Mohammed Ali en wel net zo onvoorspelbaar en gedreven als voorheen. Ok ze hebben het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. Maar het resultaat is er, niks bestoft. Hier kijk je aan tegen een andere groep dan vroeger, minder gruizig, vol punch, subtiliteit en details. Verrassend evenwichtig in een complex geheel van aantrekkelijke muzikale kleuren, nieuwe toetsen van hiphop, soul, techno en verfijnde elektronica. Zelfs na toevoeging daarbij van een pak teder rondwarende rode hartjes in plaats van notoire somberte kunnen ze met behoud van hun overeind gebleven donderende stijl er opnieuw een heel end mee verder. Positiviteit, love and understanding dus, IDLES' huidige wapens. En toch is het een liefdesalbum om er ook alles weer eens mee van je af te schudden, af te schreeuwen. Kunnen bijgevolg ook de fans van de bonkende albums I tot IV probleemloos op het IDLES-schip blijven. 'TANGK'-you!
IDLES zijn:
Joe Talbot - leadzanger
Mark Bowen - gitaar, elektronica, keyboards
Lee Kiernon - rhythmgitaar
Adam Devonshire - bas
Jon Beavis - drums
» details » naar bericht » reageer
Meltheads - Decent Sex (2024) 4,0
15 februari 2024, 20:33 uur
Laatst waren ze nog de meest vreemde en allerhoogste nieuwkomer, op 55, in de Belpop 100, je weet wel, die ranking met muziekjes met Belgische eeuwigheidswaarde. Een tot voor kort onbekende bende garage-/postpunkers/coldwavers, Meltheads de naam, vielen er met hun Nederlandstalige toevalstreffer 'Naïef' zomaar stoemelings mee binnen. Een ongeplande instant klassieker. Vier Antwerpse snotneuzen die zich met een uitvergrote rauwe act à la 'Arme Joe' van Noordkaap bovendien ferm in de kijker werkten in De Nieuwe Lichting en de Rock Rally. Een 'Naïef' dat, terwijl hun debuut nog volop in de steigers stond, dus al lustig grijsgedraaid werd en door henzelf uiteindelijk gaandeweg zelfs al bijna uitgekotst. Want Meltheads timmerde, onder andere tijdens hun tour met stadsgenoten dEUS, liever onverzettelijk voort aan een stevige internationale live-reputatie met als hoger doel airplay in de wereld. Prequel van die jonge band-live-ervaringen zitten allemaal daar in hun video van 'I Want It All'...
Maar zijn we dan nu in Meltheads' echte jaar 'nul'. Na wat vooruitgestuurde singles, zijn we eindelijk bij hun coming of age, het volledige debuut 'Decent Sex'. En warempel dat atypische 'Naief' is er zelfs nergens meer op te bespeuren. De mannen zien Meltheads' toekomst momenteel dan ook resoluut en eigenzinnig door een donkere Engelse bril. Ja, knallen moet het daarbij, freaken en scheuren vanuit the underground. Met mitraillerende drums en dolgedraaide bassen, schroeiend harde hardcore, mathrock zelfs. Leve de moshpitten als bij Turnstile, de uppercuts als bij het vroege IDLES, Sons, Equal Idiots, Peuk of The Stooges. Een rusteloze roedel jonge wolven hier wegsnauwend in zoveel verschillende richtingen. Want 'Decent Sex' met zijn elf songs is los van de unieke Meltheads-sound die de rode lijn houdt, toch nummer na nummer een schitterende combinatie van met z'n allen opgezogen genresmaken.
Zo bijten ze dan af met de onhandelbaar kastijdende, explosieve titelsong 'Decent Sex'. Waar de hoekige ritmes en riffs je met wiskundige precisie rond de oren slaan en waar het stijgende krijsen van blonde adonis-frontman Sietse 'Kobain' Willems je ineens als in een onverlichte Amenra-séance regelrecht mee naar het nirvana sleurt. Bedenkingen van de jongelui over routine in leven en seks so far: na een nummertje ongeveer een keertje per week met een braaf iemand, fatsoenlijk en kuis, volgt ergens tussen geluk en ongeluk toch vlug de ontnuchterende 'is this it'-vaststelling. Worden er tijdens de shows wel vrolijk 'decent safe sex'-bedrukte condooms uitgedeeld. Immer creatief die merch-boys.
Het wilde 'Night Gym' kon van The Hives zijn, een volgepeperde song, zoals vaak bij het viertal, voorthossend op snelheden, hier eerst vurig headbangen op leuke hooks en vol voortgeselende riffs en dan heel even chillen op zijn Meltheads. Aan het woord 'dominee' Willems over een vuige Praagse striptent met die coole naam uit de titel. Waarom daar toch liefde en seks te koop stellen? "Why can't you love me for free?"
Tijd voor de zalige chaos van het ultrakort dissonant 'Vegan Leather Boots', zowel song over toxische mannelijkheid als een pure anti-'echte mannen eten vlees'-song die de 'meat is murder'-hypocrisie even hard aankaart als ons aller militante Morrissey. Perfect bas- en drumrushfeest à la IDLES overigens waarmee je gegarandeerd in een mum in de supergrote moshpit opgaat.
Ook het onstuitbare 'I Want It All' komt recht uit de garage. Eerst hijgend als een moeilijk opstartende diesel tot hij supersonisch, vurig meppend en uitzonderlijk riffend toch uit zijn startblokken schiet. Willems' diepzinnig vierwoordenrefein wordt onderweg goedkeurend ondersteund door het lief meekraaiend backing-meisje.
Het verrassende marslied 'White Lies', over jezelf als groter voorliegen dan je bent, is zo opzwepend als aanstormende British Grenadiers. Blijkt een echt nijdige psycho-killer met sinister solerende Millionaire-gitaren, Willems' dreigende mantra overslaand in een wit-hete psych-ritus met zowaar ook weer een medepriesteres in de vocals.
In de vette, grimmige topper 'Theodore' staat Sietse Willems, passend versterkt met pompende industrial, noise en IDLES-allures als op Munch's brug zijn existentiële angsten over eigenliefde uit te schreeuwen. Hoe mezelf leren accepteren, ik kan het niet, zij wel. I can't adore, 'they'adore'. Heb j'em? Ook de vertroebelde relatie met zijn vader passeert bezorgd de revue. Alles samen in een lekker zwaar aangezet jasje.
Full speed met de (bas)gitaren open dan naar 'No One Is Innocent', een verbeten, catchy punksong donker filosoferend over diepere kwesties als ongelijkheid, schuld en onschuld en hoe moeilijk het is om ieders aandeel daarin vast te stellen.
In het met z'n allen gescandeerde 'Arbeit' met andermaal die steeds weer heerlijke percussie en ook in het verhitte 'Gear' wordt het op het politieke af fulmineren tegen het zich uitzichtloos afjakkeren in derderangswerk versus zij die het wel zomaar fluitend goed hebben. Omgeven in een waas van drugs - gelukkig zijn ze zelf niet tot het niveau van de 'gesmolten hersenen' (meltheads) doorgegaan - 'Gear' met al zijn versnellingen is een postpunker van jewelste die zich onmiddellijk pingelend bovenin je zuchtige hersenpan ophangt.
Het bravere, harmonisch 'clean' gezongen 'Screwdrivers' keert dan verrassend ineens helemaal terug naar het soort rock'n'roll dat ook cokesnuivende Herman 'Dope Sucks' Brood er vlotjes indraaide, boogie-piano volstrekt incluis.
Het drugsgerelateerde 'Melvin' - subtiel hintje hier naar the postpunk-heavy metal van The Melvins? - is hoe dan ook Meltheads' laatste tollende droom, een minuut lang schuimend vervormde brulbrij, hardcore punk die er helemaal tot aan het gaatje wordt ingesmeerd.
Zongen Meltheads het dan in al hun bescheidenheid eerst ongeveer als: 'zijn we misschien niet de slimsten, we zijn toch niet naïef'... Geloof dit toch maar, ze zetten je op het verkeerde been. Werd 'Naief' intussen gewoon hun eigenste 'Creep', een voor hen uit onvoorzienigheid geboren hit, hun hele muzikale project is allerminst een one-hit-toevalsshot. Achter al die top klinkende catchy donkerte en waanzinnig energieke sets van hun Engelse postpunk zit een absoluut clevere, koppige band die met jeugdige Sturm und Drang uiteindelijk ook wel dat ietsje extra biedt. Met pep, vitaliteit en geen greintje amateurisme of cliché wordt hier het pak doem en demonen, inspiraties en fascinaties van weer een nieuwe generatie er groen uitgespuwd. Ze hebben daarvoor, naast een nu al constant zonder meer solide spelende band, ook een ziedende frontman met charisma en sexappeal, brains om het te bedenken en de Jagger-bek om het allemaal uit te schreeuwen. Is het hele debuut 'Decent Sex' dan nu nog geen regelrechte klassieker, ze hebben hier met dit spannende viersterrenalbum toch al onmiddellijk een ferme smoel aan het venster gezet.
En dus ja, in verband met die toch niet afgenomen vragen over een 'eventuele volgende vollédig Nederlandstalige plaat'. Ook bij Meltheads zegden ze tot op vandaag wel nog nooit nooit. Maar, wees eens beleefd, laat ze ons eerst maar eens op dit élan hun hemel zien. Geloof me, die belooft.
Meltheads zijn:
Sietse Willems, zang-gitaar
Tim Pensaert, bas
Simon de Geus, drums
Yunas de Proost, gitaar.
» details » naar bericht » reageer
The Last Dinner Party - Prelude to Ecstasy (2024) 4,5
8 februari 2024, 17:32 uur
Zie ze daar zitten, liggen, staan. In volle renaissancestijl wulps en hedonistisch ingelijst in corsetten op de cover van hun debuutplaat. Hoogst expressieve groepsfoto van de vijf bevallige Londense dametjes van The Last Dinner Party. Het gezelschap ziet zich al bij voorbaat op een ferme marmeren piëdestal geplaatst, omgeven door een en al adoratie. Massa's kaarsen, bloemetjes, kransen. Want inderdaad, al voorprogramma van Nick Cave en The Rolling Stones, Glastonbury, Tiktok laaiend, critici lyrisch, al direct een lekkere BBC Award 'Sound of 2024' en een zich vermenigvuldigende hype per nieuw uitgebrachte single. Begin 2023 oorwurm 'Nothing Matters', dan 'Sinner', 'My Lady of Mercy', 'On Your Side', tenslotte 'Caesar on a TV Screen'. Allen pal inslaand, hoogst clevere pop, con brio.
Net zo sierlijk ingekaderd staan al die atypische deuntjes van hen nu eindelijk op hun album 'Prelude To Extacy' en evenzo met klassieke ornamenten gelardeerd. In hun genre zo éclatant groots openen met een klassiek trompettende en strijkende titelsong als deze tot extase leidende 'Prelude to Ecstasy', het lijkt wel geleden van die onvolprezen Hollywood-intro op 'Jesus Lives' van The Bollock Brothers.
Om The Last Dinner Party onmiddellijk na dit sfeerzettertje wervelend op hun pootjes te zien terechtkomen met de barokke pathos van 'Burn Alive', een geweldige naargeestige gitaar. Een wild gothic eerbetoon aan Jeanne d'Arc. Volslagen herkenbaar als ware het een voor de Chess-musical schitterend georkestreerd ABBA-dansje.
Op deze plaat is alles groots en net als op een massief schilderij is een en al diversiteit er troef. Hun singles vallen daarin netjes op hun plaats, méér, ze komen er nog beter mee tot hun recht. Zoals de indrukwekkend glinsterende glamrocker 'Caesar on a TV Screen'. Een rustige opstap en dan barstend van gitaarspektakel en andere swingende energie. Met prachtige hooks en bruggen en Abigail Morris die er theatraal en dramatisch doorheen laveert als een machtswellustige Caesar. Of een bezwerende Anna Calvi als een net zo heftig evenbeeld. Opgepast, ook het met assertieve percussie aftrappende 'The Feminine Urge' is hevig bijtend. Er wordt naast de band tussen moeders en hun dochters, vooral complexloos 'vrouwelijke woede' geëtaleerd als een krachtige boodschap aan de door mannen gedomineerde wereld.
Dan wordt met de engelachtig tedere meisjesballade 'On Your Side' plots hypnotiserende indiepop geserveerd. Een wat langer nummer dat eenzaam als een bloem ineens ontluikt op een nevelige morgen. Een melancholische song die met de intrede van het hele The Last Dinner Party gaandeweg regelrecht de rockbasis in wordt getrokken. Strak spelend in de zowel zachte als hardere passages en dan mag het ook nog eens in diverse kosmische lagen mooi lang en episch uitdeinen. Vooral Morris in een absolute hoofdrol. Met een stem die, net als bij Florence and the Machine voortdurend in de hoogste regionen rondwaart.
Een sprookjeswereld daarmee vergeleken, 'Beautiful Boy', met die romantisch ingetogen startende fluit, wordt een prachtig ingehouden nummer vol geweldige samenzang.
'Gjuha', de tweede korte rustbrenger, is een sinister folknummer van toetseniste Aurora Nischevi, die onder meer ook de verbluffende klassieke prelude schreef. Hier in het Albanees gezongen, jawel, als zoenoffer voor het onvoldoende beheersen van haar moedertaal. Schoon. Met aanzwellend Bach-orgel vreugdevol uitmondend in hemelse Oost-Europese samenzang.
'Sinner', onvervalste rocktopper met talloze Sparks-pianostaccato's, zalige Queen-zangharmonieën. Verderop komen ook de verslavende riffs en de stijgende solo's van Emily Roberts erbij die er tot de laatste noot inhakken.
Opzwepend handgeklap bij 'My Lady of Mercy' leidt de switches in van fijne pop naar hardrock en terug, dolle rit door de pop- en rockgeschiedenis in amper drie minuten.
Repetitieve pianoakkoorden leiden vervolgens de complexiteit van 'Portrait of a Dead Girl' in. Met weer een hoofdrol voor de virtuoze Emily Roberts die haar kennis van de Brian May-gitaartechniek alle eer aandoet, daarbij bijgestaan door 'het zeer dure koor' dat het platenlabel hen toestond.
De vrolijk klinkende debuutsingle 'Nothing Matters' is het rechttoe rechtaan toegankelijkste popnummer. Hier mixt men schaamteloos weer ABBA met weer Sparks. Een stoer liefdeslied met een als Siouxie Sioux seksueel vuilbekkende Abigail Morris. In een impressionante video bovendien, geënt op The Virgin Suicides van Sofia Coppola.
Het op en top filmische 'Mirror' besluit het album. Een percussienummer met dramatische Morricone-pauken, rollende drums, strijkers en piano en een grootse herneming van de prelude. En niet in het minst een laatste sterke vocale performance van Morris.
Met 'Prelude To Ecstasy' komt daar dus ineens uit de lockdown, kant en klaar, een ambitieuze jonge showband die zich met veel stijl, elegantie en charisma opwerpt als een eigentijdse ABBA, als een handvol arty Spice Girls, selfmade en met een pak meer finesse. The Last Dinner Party grossiert in ideeën en een eclectisch geluid dat ze vrijelijk pikten daar waar ze het maar konden vinden. Bij ABBA dus, maar evengoed gaan ze ervoor overheen Pink Floyd, Nine Inch Nails en tot bij Moessorgski. In plaats van eenheidsworst maken ze met vanalles opwindende, hoogst melodieuze songs en ze verpakken ze in theatraliteit en heerlijk bombast. Klinken ze daardoor dan weelderig, decadent en grotesk, hun harmonieën, arrangementen en overgangen zijn telkens zonder meer perfect. Surreëel allemaal, waar ze tegenwoordig verschijnen wordt het telkens in plaats van een Last Dinner Party het begin van een heus spektakel. Straks dus ook in een euforische The Barn bijvoorbeeld, op zaterdag 6 juli op Rock Werchter.
Al is deze 'Prelude To Ecstasy' een traaggroeier, geef The Last Dinner Party maar de tijd om al zijn magie prijs te geven. Want dat ze heel goed zijn, da's een feit.
Abigail Morris - zang
Lizzie Mayland - zang, gitaar
Emily Roberts - leadgitaar, mandoline, fluit
Georgia Davies - bas
Aurora Nishevci - zang, toetsen
Geen permanente drummer, live Rebekah Reyner
» details » naar bericht » reageer
Loverman - Lovesongs (2023) 4,5
Alternatieve titel: Lovesongs and Some, 2 februari 2024, 08:13 uur
"Nice to meet you, I'm James but you can call me Loverman" zo introduceerde de Brusselse James de Graef zich in 2021 ineens op Gent Jazz. Kort voordien was hij alleen bij insiders bekend van zijn weirde spacerockgroep Shht of van zijn wilde experimentenduo Partners. Tot tijdens de lockdown de bliksem voor hem insloeg. Hij nam de Spaanse gitaar van zijn zus ter hand, veranderde van koers en van naam. Volgens de legende is toen Loverman - naar de song van Nick Cave? - als alter ego 'tot hem gekomen'. En sedertdien, wie had het verwacht, maakte hij een prachtdebuut vol melodische 'Lovesongs', treedt Loverman hoofdzakelijk op met akoestische gitaar of piano, als singer-songwriter pur-sang alsjeblieft, en draait de succestrein voor hem op volle toeren richting de wereld.
Loverman - Tinderly
Op 21 januari mocht hij zo ook in VRT-primetime in De Zevende Dag live zijn debuutalbum 'Lovesongs' voorstellen, waar hij met tedere stem, onverstoorde cool en geheel solitaire zijn 'Tinderly' en 'Nothings Ties' aan de vleugelpiano ten gehore bracht. Enkele dagen later opnieuw prachtig, tijdens De Toots Sessies. Loverman, een indrukwekkende crooner met een uitzonderlijk fraaie bariton wiens diepe stemtimbre zowel bij Adrian Crowley, Madrugada's Sivert Høyen, Lee Hazlewood of bij Leonard Cohen aanschurkt. Met deze twee laatsten, met Nick Drake ook en Nick Cave, heeft ook de muziekstijl veel gemeen. In eenvoud en met weinig middelen samengebracht hoeft er om uren nachtelijk ernaar te luisteren in essentie weinig meer te zijn dan die uitzonderlijke stem, wat akoestische snaren, pianoaanslagen, strijkers en her en der een mooie backing-'Nancy Sinatra'-vrouwenstem.
De naam Loverman zegt al bewust iets over de romantische James 'as a lover and as a man'. Zijn 'Lovesongs' zijn neerslag van een muzikale ontdekkingsreis met gekneusde liefde en hartepijn als vertrekpunt. Ooit maakte hij een thesis over het ontmaskeren van schadelijke patronen in de liefde, bij songs schrijvende, witte cismannen als Cohen en Cave notabene en hun omgang met vrouwen. Om te ontdekken dat hij er zelf ook wel problematische gedragsvormen op nahield. 'Lovesongs' is daarenboven ook een breakup-plaat, testament van een voorbije liefde, zijn vriendin Daisy van het voormalige duo Partners die nog bij de hele making-of van het album betrokken was. Pas in eenzaamheid en rust teruggetrokken, het thema ook van 'Another Place', vond hij de ruimte om alles te verwerken, te laten helen, om weer te groeien.
'Lovesongs' zijn elf oertraditionele 'songs of love', in taalgevoelige lyrics, in het foutloze Engels dat hem met de pap mee werd ingelepeld door zijn Britse mama en papa-prof Engelse letterkunde aan de KU Leuven. Op muziek die onmiddellijk snaren raakt en universeel resoneert. James inspireerde hierbij James. Tijdens zijn studie voor muziekproductie in Liverpool raakte hij verslingerd op James Blake, maar evengoed op Burial en Mount Kimbie. Het spelen met de emotie van de ruimte, het isoleren van klanken om sferen ermee op te roepen, je hoort het helemaal terug in de sound van 'Lovesongs'.
Een hele plaat pure, eerlijke, intieme songs in een badje van ruis, daarmee heeft geweldige performer James de Graef zijn entrée als Loverman niet gemist. Een uitzonderlijk debuut met een achtbaan aan onvervalste toppers. Het schitterende akoestische 'Another Place' met als figuranten de zee en de krijsende meeuwen. De diepduistere Nosferatu-song 'Into the Night'. De indringende broken-heartsong 'Who's Going to Love You', met zus Rebecca in de achtergrond, met de kapitale vraag van de plaat: "What will you leave behind?" Het huppelende 'Tinderly', over de virtuele liefde op bestelling. Het gevoelige katerliedje 'Differences Aside' dat regelrecht een hit werd. Met de idee erin vervat van de universele liefde, te bereiken door verschillen te overbruggen. 'Candyman', met hemelse zang, pure akoestische gitaar en strijkers. 'Limbo (We'll Meet Again)', uitgepuurde Kings of Convenience wel. De opzwepende hitsingle 'Would (Right in Front of Your Eyes)' met Daisy Ray. 'Nothing Ties', net zoveel kippenvel als Adrian Crowley's onvolprezen 'The Magpie Song'. 'Call Me Your Loverman', gepassioneerde oproep aan Daisy tussen de vele pakkende Cohen-referenties. De krakkemikkige blues 'Ballad of the Songbirds' als eigenzinnige afsluiter.
Met zijn apart melancholisch stemgebruik, de wat obscure vertolking en zijn expressieve lyrics geeft Loverman zijn eigen draai aan de singer-songwriterstraditie. Na de al uitverkochte zalen treedt hij vanaf 2024 pas echt met 'Lovesongs' in de spotlights.
Een muzikale persoonlijkheid met puur charisma die de luisteraar niet alleen liefkozend charmeert, warm omhelst, maar die als antithese in zich ook de ingehouden ruwe woede heeft van de hyperkinetisch rammende punker. Noem het die soms razende Grinderman, om nog even bij Nick Cave te blijven. In De Tootssessies kwam dit er tijdens zijn krijsende vertolking van 'En toen was er niets meer' van De Brassers nog eens helemaal uit.
Loverman, straks moeten we hem dankbaar zijn voor zijn moeilijke momenten. Want met 'Lovesongs' levert hij het visitekaartje af van een meer dan belovende singer-songwriter.
Loverman - Into The Night
» details » naar bericht » reageer
