Hier kun je zien welke berichten James Douglas als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Blind Melon - Blind Melon (1992)

2
geplaatst: 3 december 2016, 08:34 uur
Of Blind Melon ondergewaardeerd is weet ik niet. Soms wat onbegrepen - zeker in hun eigen tijd - lijkt meer de kern te raken. Natuurlijk hadden ze een monsterhit met No Rain, maar zoals wel vaker is de hit niet bepaald representatief voor het gehele oeuvre - Kent u die mensen nog die Angel Dust kochten omdat ze Easy zo'n leuk nummer vonden? No Rain was zelfs voor de band een beetje een gimmick, een geintje en wie er latere live-uitvoeringen - periode 94/95 - bekijkt en beluistert kan de indruk krijgen dat de band dat nummer helemaal beu was. Maar het moest op de setlist, want..
Muzikaal gezien was Blind Melon binnen het Amerikaanse rocklandschap een beetje een buitenbeentje. Geen affiliatie met de donkere sound uit Seattle - een voorliefde voor hardcore punk of Black Sabbath leek absent - maar meer de connectie met The Grateful Dead en The Band. Dat de band überhaupt al aan de oppervlakte kwam is deels te danken aan een zekere W. Axl Rose. De Guns N' Roses-frontman was namelijk evenals zanger Shannon Hoon afkomstig uit het Amerikaanse Midwesten - Lafayete, Indiana - en omdat Rose een tijdje bevriend was geweest met diens zus nam hij Hoon onder zijn hoede. Je kunt Shannon Hoon namelijk horen op het aantal nummers van de Use Your Illusion kroniek. Het meest prominent in Don't Cry - Hoon is zelfs in de videoclip te zien - maar ook op bijvoorbeeld You Ain't the First en The Garden. De buzz rondom Hoon's bijdragen aan Use Your Illusion zorgde voor een platendeal voor zijn eigen band Blind Melon.
Zoals eerder gesteld, muzikaal week Blind Melon nogal af van de norm van toentertijd. De door jazz en funk beïnvloedde ritmesectie, de melodische wisselwerking van de gitaartandem Roger Stevens / Christopher Thorn en daar bovenop het songwriterstalent en de sirene zang van Shannon Hoon . - 'Die niet alleen zingt.. maar ziii-iiingt.' aldus Jan Douwe Kroeske in een aflevering van de Twee Metersessies. Dat zijn zang door merg en been gaat demonstreert Hoon hier in bijvoorbeeld Soak the Sin - Don't even say a wóóó-óóórd aaah.. it confuses me.. - en I Wonder - They are watching everything I do and they are watching everything I say.. - Een soort mannelijke uitvoering van Janis Joplin.
Dit debuut laat de belofte - die Blind Melon zeker was - goed horen. De liefde voor 60's psychedelica en rootsy rock was nooit ver weg maar wel voorzien van een eigen smoel door het excentrieke stemgeluid van Shannon Hoon. Een belofte dus. Want niet alle songs hebben de finesse van met name de eerste helft van de plaat. Na No Rain haalt eigenlijk alleen afsluiter Time dat niveau. Opvolger Soup overklast wat mij betreft dit sympathieke debuut op alle fronten en wellicht had er nog wel meer in het vat gezeten. We zullen het helaas nooit weten. Ultratripper Hoon was een ultieme hedonist en heeft de prijs daarvoor helaas met zijn leven moeten betalen.
Muzikaal gezien was Blind Melon binnen het Amerikaanse rocklandschap een beetje een buitenbeentje. Geen affiliatie met de donkere sound uit Seattle - een voorliefde voor hardcore punk of Black Sabbath leek absent - maar meer de connectie met The Grateful Dead en The Band. Dat de band überhaupt al aan de oppervlakte kwam is deels te danken aan een zekere W. Axl Rose. De Guns N' Roses-frontman was namelijk evenals zanger Shannon Hoon afkomstig uit het Amerikaanse Midwesten - Lafayete, Indiana - en omdat Rose een tijdje bevriend was geweest met diens zus nam hij Hoon onder zijn hoede. Je kunt Shannon Hoon namelijk horen op het aantal nummers van de Use Your Illusion kroniek. Het meest prominent in Don't Cry - Hoon is zelfs in de videoclip te zien - maar ook op bijvoorbeeld You Ain't the First en The Garden. De buzz rondom Hoon's bijdragen aan Use Your Illusion zorgde voor een platendeal voor zijn eigen band Blind Melon.
Zoals eerder gesteld, muzikaal week Blind Melon nogal af van de norm van toentertijd. De door jazz en funk beïnvloedde ritmesectie, de melodische wisselwerking van de gitaartandem Roger Stevens / Christopher Thorn en daar bovenop het songwriterstalent en de sirene zang van Shannon Hoon . - 'Die niet alleen zingt.. maar ziii-iiingt.' aldus Jan Douwe Kroeske in een aflevering van de Twee Metersessies. Dat zijn zang door merg en been gaat demonstreert Hoon hier in bijvoorbeeld Soak the Sin - Don't even say a wóóó-óóórd aaah.. it confuses me.. - en I Wonder - They are watching everything I do and they are watching everything I say.. - Een soort mannelijke uitvoering van Janis Joplin.
Dit debuut laat de belofte - die Blind Melon zeker was - goed horen. De liefde voor 60's psychedelica en rootsy rock was nooit ver weg maar wel voorzien van een eigen smoel door het excentrieke stemgeluid van Shannon Hoon. Een belofte dus. Want niet alle songs hebben de finesse van met name de eerste helft van de plaat. Na No Rain haalt eigenlijk alleen afsluiter Time dat niveau. Opvolger Soup overklast wat mij betreft dit sympathieke debuut op alle fronten en wellicht had er nog wel meer in het vat gezeten. We zullen het helaas nooit weten. Ultratripper Hoon was een ultieme hedonist en heeft de prijs daarvoor helaas met zijn leven moeten betalen.
Bruce Springsteen - Greetings from Asbury Park, N.J. (1973)

0
geplaatst: 9 juli 2010, 22:25 uur
Bruce loopt door de straten van zijn Asbury Park. Datzelfde Asbury Park waar hij in Born to Run van wil wegvluchten. Op de straathoek houdt hij zijn pas in en vertrouwt zijn aanblik toe aan het papier terwijl de duister valt en het nachtleven haar licht opent.
Mama always told me not to look into the sights of the sun
Oh but mama that's where the fun is
De stijgende hormonenspiegel blijkt om meer papier te vragen. Het universele opgroeien als onstuimige tiener.
And I swear I found the key to the universe in the engine of an old parked car
I hid in the mother breast of the crowd but when they said "Pull down" I pulled up
Bruce neemt de bus naar de kroegen waar de Vietnam veteranen samendrommen. Het leven heroppakken blijkt voor velen een veel groter gevecht dan die ene missie.
And I said "Hey, gunner man, that's quicksand, that's quicksand that ain't mud
Have you thrown your senses to the war or did you lose them in the flood?"
In diezelfde kroegen pakt hij weer zijn pen en papier te voorschijn en pent neer wat hij haar, de engel, niet in haar gezicht kan zeggen. Hij bestelt zijn laatste biertje, rekent af en loopt terug naar de busstop. Ter plekke bij de busstop is hij getuige van een broeiende uiting van de etnische spanningen die Asbury Park te verduren krijgt. In Asbury Park krijg je eigenlijk wel meer te verduren.
It's so hard to be a saint in the city..
Mama always told me not to look into the sights of the sun
Oh but mama that's where the fun is
De stijgende hormonenspiegel blijkt om meer papier te vragen. Het universele opgroeien als onstuimige tiener.
And I swear I found the key to the universe in the engine of an old parked car
I hid in the mother breast of the crowd but when they said "Pull down" I pulled up
Bruce neemt de bus naar de kroegen waar de Vietnam veteranen samendrommen. Het leven heroppakken blijkt voor velen een veel groter gevecht dan die ene missie.
And I said "Hey, gunner man, that's quicksand, that's quicksand that ain't mud
Have you thrown your senses to the war or did you lose them in the flood?"
In diezelfde kroegen pakt hij weer zijn pen en papier te voorschijn en pent neer wat hij haar, de engel, niet in haar gezicht kan zeggen. Hij bestelt zijn laatste biertje, rekent af en loopt terug naar de busstop. Ter plekke bij de busstop is hij getuige van een broeiende uiting van de etnische spanningen die Asbury Park te verduren krijgt. In Asbury Park krijg je eigenlijk wel meer te verduren.
It's so hard to be a saint in the city..
Bruce Springsteen - Nebraska (1982)

0
geplaatst: 18 maart 2010, 22:28 uur
In eerste instanties nam Springsteen demos voor dit album thuis op met een 4-sporen casetterecorder. Deze waren sober van aard met enkel Bruce die zelf alle instrumenten inspeelde en de songs van zang voorzag. Het doel was om dit materiaal uiteindelijk ook met The E Street Band op te nemen maar het rauwe beklemmende folk karakter van de demos ging verloren tijdens de bandsessies waarna Bruce in overleg met producers en engineers besloot om de demos als een album te releasen. Met hulp van allerlei voorhande technieken werd de ruis gereduceerd en het volume naar acceptabele maatstaven gebracht.
Het is de vraag of Electric Nebraska zoals het onder de harde kern Bruce liefhebbers bekend staat ooit het levenslicht zal zien. Opvallend genoeg bevatte deze demos van de thuissessie ook al versies van Born in the U.S.A en Working on the Highway.
Nebraska wat in 1982 het grijze levenslicht zag brengt een sinister karakter met zich mee. Er hangt een sfeer van moord en wanhoop om dit album heen. Dat begint al met de huiveringwekkende harmonica klanken van het titelnummer tesamen met de tekst.
From the town of Lincoln Nebraska with a sawed off .410 on my lap
Through to the badlands of Wyoming I killed everything in my path.
Vervolgens komt één van mijn favoriete songs van Bruce te weten Atlantic City aan bod.
Now I been lookin' for a job but it's hard to find
Down here it's just winners and losers and don't get caught on the wrong side of that line
Ik ken weinig songs die zo scherp de barricades van het leven weten te schetsen.
Well they blew up the chicken man in Philly last night now they blew up his house too.
De openingregels in deze song handelen over het oplaaiende maffia geweld in Philadelphia. In maart 1981 kwam Philip Testa een maffia baas genaamd "The chicken man" om het leven door een bom die was gëinstalleerd bij zijn huis.
Johnny 99, het aangrijpende verhaal van een werkloze automonteur die een winkelbediende doodschiet en veroordeeld wordt tot 99 jaar durende gevangenisstraf maar daarentegen vraagt om gëexecuteerd te worden.
Je kan nog meer over Nebraska zeggen maar ik verkies het luisteren. Met extra aandacht voor State Trooper die wat mij betreft 2 a 3 minuten te kort duurt. Die kreten van wanhoop die Bruce in die song slaakt mogen van mij ellenlang duren.
Het is de vraag of Electric Nebraska zoals het onder de harde kern Bruce liefhebbers bekend staat ooit het levenslicht zal zien. Opvallend genoeg bevatte deze demos van de thuissessie ook al versies van Born in the U.S.A en Working on the Highway.
Nebraska wat in 1982 het grijze levenslicht zag brengt een sinister karakter met zich mee. Er hangt een sfeer van moord en wanhoop om dit album heen. Dat begint al met de huiveringwekkende harmonica klanken van het titelnummer tesamen met de tekst.
From the town of Lincoln Nebraska with a sawed off .410 on my lap
Through to the badlands of Wyoming I killed everything in my path.
Vervolgens komt één van mijn favoriete songs van Bruce te weten Atlantic City aan bod.
Now I been lookin' for a job but it's hard to find
Down here it's just winners and losers and don't get caught on the wrong side of that line
Ik ken weinig songs die zo scherp de barricades van het leven weten te schetsen.
Well they blew up the chicken man in Philly last night now they blew up his house too.
De openingregels in deze song handelen over het oplaaiende maffia geweld in Philadelphia. In maart 1981 kwam Philip Testa een maffia baas genaamd "The chicken man" om het leven door een bom die was gëinstalleerd bij zijn huis.
Johnny 99, het aangrijpende verhaal van een werkloze automonteur die een winkelbediende doodschiet en veroordeeld wordt tot 99 jaar durende gevangenisstraf maar daarentegen vraagt om gëexecuteerd te worden.
Je kan nog meer over Nebraska zeggen maar ik verkies het luisteren. Met extra aandacht voor State Trooper die wat mij betreft 2 a 3 minuten te kort duurt. Die kreten van wanhoop die Bruce in die song slaakt mogen van mij ellenlang duren.
Mark Lanegan - The Winding Sheet (1990)

0
geplaatst: 3 november 2010, 21:22 uur
Een lijkkleed om de littekens te verdoezelen. Een man die zich verschuilt tot de dag is afgelopen. Een man die niet lijkt te breken omdat hij al gebroken is. Enkel rood vocht biedt hem nog troost en alleen water kan hem nog vergeven. Alleen gelaten in zijn diepste en duistere krochten. Een man met spijt maar niet in staat zijn daden ongedaan te maken. Hij omschrijft zijn geest als een leeg huis met een open deur. Een man die alleen zijn meisje wil omhelzen en geen pijn meer wil voelen. En dan is het weer zondagochtend..
I'm drunk, half blind and it's an ugly Sunday morning..
Dave Grohl deed ooit uit de doeken dat Kurt Cobain enorm opkeek tegen deze eerste Lanegan plaat. Volgens Cobain’s naaste bandlid was dit album van grote waarde in de totstandkoming van het Unplugged optreden van Nirvana. Gezien de sobere benadering van deze littekenliedjes schetst dat geen verbazing. Ironisch genoeg doen de bijdragen met Cobain het minst denken aan dat legendarische optreden, al werd Where Did You Sleep Last Night 3 jaar later natuurlijk wel de ultieme climax. Ook Grohl luidde de loftrompet over deze eerste Lanegan. Naar eigen zeggen de soundtrack van zijn eerste zes maanden in Olympia, Washington. Geconsumeerd door eenzaamheid was dit de troost als de zon te vroeg neerging of gewoonweg niet kwam opdagen. Koud en regenachtig, zo zou hij The Winding Sheet kenmerken.
I'm drunk, half blind and it's an ugly Sunday morning..
Dave Grohl deed ooit uit de doeken dat Kurt Cobain enorm opkeek tegen deze eerste Lanegan plaat. Volgens Cobain’s naaste bandlid was dit album van grote waarde in de totstandkoming van het Unplugged optreden van Nirvana. Gezien de sobere benadering van deze littekenliedjes schetst dat geen verbazing. Ironisch genoeg doen de bijdragen met Cobain het minst denken aan dat legendarische optreden, al werd Where Did You Sleep Last Night 3 jaar later natuurlijk wel de ultieme climax. Ook Grohl luidde de loftrompet over deze eerste Lanegan. Naar eigen zeggen de soundtrack van zijn eerste zes maanden in Olympia, Washington. Geconsumeerd door eenzaamheid was dit de troost als de zon te vroeg neerging of gewoonweg niet kwam opdagen. Koud en regenachtig, zo zou hij The Winding Sheet kenmerken.
Mark Lanegan - Whiskey for the Holy Ghost (1994)

0
geplaatst: 5 augustus 2010, 13:00 uur
Een gruizige flirt met de meest donkere laag uit het menselijke bestaan. Daar waar de zon geen toevlucht kan zoeken. Meer aangeraakt door het duivelse dan het goddelijke. In de rook begeeft de gevallen engel zich onder de mensen. hij sluipt naar binnen, kijkt dwars door je heen en geeft een rondje.
Hij legt zijn oor te luister. De geesten zijn blank en vermoeid. Menig Judas bezet een kruk. De klepel naast de donkere bar slingert voor de zoveelste alcoholische verdoving. De geesten mijmeren over de littekens van het leven. Het leven heeft een prijs en die prijs is verlies.
Oh my Lord don't you bother me, I'm as tired as a man can be..
De opnamesessies van deze Whiskey for the Holy Ghost waren een langdurige verschrikking. De liedjes vonden maar langzaam haar vorm. Gebukt onder frustratie en een groeiende afhankelijkheid aan verdovende middelen dreef het Lanegan tot waanzin. Volgens de overlevering moest hij tegengehouden worden door producer Jack Endino toen hij de master tapes in een rivier wilde laten verdwijnen.
Upon the river rise, she's a mile high..
Een profetisch ouverture over het naderende noodlot van zijn vriend Kurt Cobain. Het lijden is lang.
Hij legt zijn oor te luister. De geesten zijn blank en vermoeid. Menig Judas bezet een kruk. De klepel naast de donkere bar slingert voor de zoveelste alcoholische verdoving. De geesten mijmeren over de littekens van het leven. Het leven heeft een prijs en die prijs is verlies.
Oh my Lord don't you bother me, I'm as tired as a man can be..
De opnamesessies van deze Whiskey for the Holy Ghost waren een langdurige verschrikking. De liedjes vonden maar langzaam haar vorm. Gebukt onder frustratie en een groeiende afhankelijkheid aan verdovende middelen dreef het Lanegan tot waanzin. Volgens de overlevering moest hij tegengehouden worden door producer Jack Endino toen hij de master tapes in een rivier wilde laten verdwijnen.
Upon the river rise, she's a mile high..
Een profetisch ouverture over het naderende noodlot van zijn vriend Kurt Cobain. Het lijden is lang.
Stone Temple Pilots - No. 4 (1999)

0
geplaatst: 9 mei 2017, 15:03 uur
Falling farther with a flaming hand
I knew the question but I lost the answers.. (Pruno)
Er zijn van die platen waarvan het een godswonder mag heten dat zij ooit het levenslicht hebben gezien. Stone Temple Pilots vierde langspeler getiteld No. 4 valt in die categorie. Korte synopsis: In 1997 valt STP, geplaagd door geannuleerde tournees als gevolg van zanger Scott Weiland’s heroïneverslaving, uit elkaar. De gebroeders DeLeo en drummer Eric Kretz brachten vervolgens een album uit onder de banier Talk Show en Weiland zelf werkte aan zijn chaotische en bij vlagen schitterende solodebuut 12 Bar Blues (1998) en zakte daarnaast verder weg in zijn miserabele junkiebestaan. Gedurende zijn tournee voor 12 Bar Blues maakte hij naar verluid van zijn tourbus een zogenaamde ‘shooting gallery’ en werd hij bijna slachtoffer van een steekpartij omdat Weiland op eigen houtje bepaalde wijken inging voor zijn ‘fix’.
Begin 1999 ondernam STP een nieuwe poging om weer een band te zijn. Weiland was op dat moment sober en de eerste repetities leverde songs als Down, Sour Girl en Church On Tuesday op. Maar wederom hadden de haken der verslaving zich diep in het lichaam van Weiland geketend en de opnames voor No. 4 werden regelmatig onderbroken en vervolgens weer hervat omwille van de staat van de gezondheid van de frontman. Die zomer werd hij opgenomen in een ziekenhuis in Los Angeles na een bijna-fatale overdosis. De overdosis betekende tevens zijn derde drugs-gerelateerde proeftijdschending en als gevolg hiervan moest hij enkele maanden zitten. Dat hij het daar toentertijd uithield was eveneens een klein wonder – een lid van de Mexicaanse maffia in het zelfde cellenblok wist namelijk wie hij was en bood Weiland aan om hem te voorzien van genotsmiddelen die zijn voorkeur genoten. Na zestig dagen zou hij de gevangenis verlaten.
No. 4 zag uiteindelijk het levenslicht op 26 oktober 1999. Stilistisch gezien waren enkele songs een ‘return to form’ in vergelijking met de muzikale lappendeken van voorganger Tiny Music. Openers Down en Heaven & Hot Rods zijn STP op haar stevigst met Weiland’s artsy vocale twists. Daarnaast geven Pruno en No Way Out duidelijk blijk van erkenning voor bands als Deftones en andere namen uit het toentertijd populaire Nu-metal genre. Het zijn hierbij wederom de vocalen die de songs naar een hoger niveau tillen. Maar de hoogtepunten op No. 4 vormen de songs waarbij STP blijk geeft van hun kunde voor melodie. Het Beatle-esque Sour Girl – voorzien van schitterende clip met Sarah Michelle Gellar –, het rootsy I Got You – It's the craving for the good life / That sees me through troubled times / When the mind begins to wander to the spoon.. – en afsluiter Atlanta alwaar de geest van Jim Morrison zich in Weiland lijkt te nestelen terwijl deze zijn scheiding bezingt.
No. 4 was en is - zoals eigenlijk elke Stone Temple Pilots plaat - een beetje grillige release. Dat lag in de aard van de band. De invloeden komen uit zoveel hoeken dat voor sommige liefhebbers de coherentie binnen het album een beetje wordt gemist. Daarnaast blijft er productioneel ook nog wel het een en ander te mopperen. Bij deze vierde STP is de sound weliswaar stevig maar hier en daar ook wat blikkerig. Dat heeft opvolger Shangri-La Dee Da dan weer voor op No. 4. Het lot van Stone Temple Pilots – en het bijzonder dat van Scott Weiland – is nagenoeg bekend. Dat doet niets af aan de rehabilitatie die de band in mijn ogen verdient en waar dit stukje een kleine bijdrage aan tracht te leveren.
I knew the question but I lost the answers.. (Pruno)
Er zijn van die platen waarvan het een godswonder mag heten dat zij ooit het levenslicht hebben gezien. Stone Temple Pilots vierde langspeler getiteld No. 4 valt in die categorie. Korte synopsis: In 1997 valt STP, geplaagd door geannuleerde tournees als gevolg van zanger Scott Weiland’s heroïneverslaving, uit elkaar. De gebroeders DeLeo en drummer Eric Kretz brachten vervolgens een album uit onder de banier Talk Show en Weiland zelf werkte aan zijn chaotische en bij vlagen schitterende solodebuut 12 Bar Blues (1998) en zakte daarnaast verder weg in zijn miserabele junkiebestaan. Gedurende zijn tournee voor 12 Bar Blues maakte hij naar verluid van zijn tourbus een zogenaamde ‘shooting gallery’ en werd hij bijna slachtoffer van een steekpartij omdat Weiland op eigen houtje bepaalde wijken inging voor zijn ‘fix’.
Begin 1999 ondernam STP een nieuwe poging om weer een band te zijn. Weiland was op dat moment sober en de eerste repetities leverde songs als Down, Sour Girl en Church On Tuesday op. Maar wederom hadden de haken der verslaving zich diep in het lichaam van Weiland geketend en de opnames voor No. 4 werden regelmatig onderbroken en vervolgens weer hervat omwille van de staat van de gezondheid van de frontman. Die zomer werd hij opgenomen in een ziekenhuis in Los Angeles na een bijna-fatale overdosis. De overdosis betekende tevens zijn derde drugs-gerelateerde proeftijdschending en als gevolg hiervan moest hij enkele maanden zitten. Dat hij het daar toentertijd uithield was eveneens een klein wonder – een lid van de Mexicaanse maffia in het zelfde cellenblok wist namelijk wie hij was en bood Weiland aan om hem te voorzien van genotsmiddelen die zijn voorkeur genoten. Na zestig dagen zou hij de gevangenis verlaten.
No. 4 zag uiteindelijk het levenslicht op 26 oktober 1999. Stilistisch gezien waren enkele songs een ‘return to form’ in vergelijking met de muzikale lappendeken van voorganger Tiny Music. Openers Down en Heaven & Hot Rods zijn STP op haar stevigst met Weiland’s artsy vocale twists. Daarnaast geven Pruno en No Way Out duidelijk blijk van erkenning voor bands als Deftones en andere namen uit het toentertijd populaire Nu-metal genre. Het zijn hierbij wederom de vocalen die de songs naar een hoger niveau tillen. Maar de hoogtepunten op No. 4 vormen de songs waarbij STP blijk geeft van hun kunde voor melodie. Het Beatle-esque Sour Girl – voorzien van schitterende clip met Sarah Michelle Gellar –, het rootsy I Got You – It's the craving for the good life / That sees me through troubled times / When the mind begins to wander to the spoon.. – en afsluiter Atlanta alwaar de geest van Jim Morrison zich in Weiland lijkt te nestelen terwijl deze zijn scheiding bezingt.
No. 4 was en is - zoals eigenlijk elke Stone Temple Pilots plaat - een beetje grillige release. Dat lag in de aard van de band. De invloeden komen uit zoveel hoeken dat voor sommige liefhebbers de coherentie binnen het album een beetje wordt gemist. Daarnaast blijft er productioneel ook nog wel het een en ander te mopperen. Bij deze vierde STP is de sound weliswaar stevig maar hier en daar ook wat blikkerig. Dat heeft opvolger Shangri-La Dee Da dan weer voor op No. 4. Het lot van Stone Temple Pilots – en het bijzonder dat van Scott Weiland – is nagenoeg bekend. Dat doet niets af aan de rehabilitatie die de band in mijn ogen verdient en waar dit stukje een kleine bijdrage aan tracht te leveren.
Stone Temple Pilots - Shangri-La Dee Da (2001)

0
geplaatst: 20 november 2016, 16:34 uur
Shangri-La is het utopische toevluchtsoord dat wordt beschreven in de jaren dertig roman Lost Horizon van de Britse schrijver James Hilton. Een mythische, harmonieuze doch geïsoleerde gemeenschap of plek die huist hoog in de bergen. Een vredig aards paradijs dat aan het wereldlijke verval onttrokken lijkt.
Nu waren Stone Temple Pilots zeker niet de eerste popartiesten die speelden met dit concept. Zo was er bijvoorbeeld in de jaren zestig de Amerikaanse meidengroep The Shangri-Las. En schreef Ray Davies van The Kinks datzelfde decennium de albumtrack Shangri-La naar aanleiding van de vlucht van diens zus Rosie en zwager Arthur van het Naoorlogse Engeland naar het zogenaamd beloofde land Australië. Daarnaast betitelde Andrew Wood van Mother Love Bone de bühne, het podium als zijn enige echte thuis (This is Shangri-La).
Met Andrew Wood hebben we de directe connectie met deze vijfde langspeler van STP. Het oorspronkelijke idee van de gebroeders DeLeo en de zijnen was om een dubbelalbum ter nagedachtenis aan de vroeg ontvallen Wood op te nemen. Daar stak platenmaatschappij Atlantic echter een stokje voor. Daarnaast was er het streven om – gelijke The Beatles begin 1969 te Twickenham Film Studios – het gehele opnameproces door een bevriende fotograaf te laten filmen en deze documentaire als een soort moderne Let it Be op te voeren. Zoals bij wel meer plannen van STP lijkt ook dit voornemen niet volledig gerealiseerd te zijn. De documentaire kwam er weliswaar niet, Shangri-La Dee Da zag echter wel het levenslicht. Het gegeven dat de studio-opnames grotendeels plaatsvonden in een luxe villa in het noorden van Californië geeft de albumtitel een misschien nog grotere Lost Horizon-connotatie mee.
Evenals de voorgaande STP-platen vanaf Purple is ook hun vijfde langspeler een soort bizarre clash tussen enerzijds de klassieke rockinvloeden van gitarist Dean DeLeo en het compositorische vernuft van diens jongere bassende broer Robert, en anderzijds de eclectische, arty – sommige boze tongen zouden beweren pretentieuze – invulling van de kant van zanger Scott Weiland. Dat levert een bij tijd en wijlen schizofrene mix aan stijlen op die de gehele tracklist doorkruisen. Van de flirt met metal (Dumb Love, Coma) naar pure pop (Days of the Week, Too Cool Queenie) en meer experimentele klanken (Regeneration, Bi-Polar Bear, Transmissions..) en tot slot als afsluiter pure Led Zeppelin verafgoding. Ondertussen vliegt men ook nog eens twee maal volledig uit de bocht door iets te willen doen met R&B, hetgeen resulteert in twee weeïge miskleunen (Wonderful, A Song for Sleeping).
Hoewel ditmaal niet gehinderd door detentieverplichtingen of afkickkliniek perikelen blijft het tumultueuze leven van Weiland de tekstuele leidraad. “Couldn't get outta bed.. Ten ton bricks layin' on my head.” [Dumb Love] – “Your appetite’s insatiable.. Devouring one thousand souls.”[Coma] – “Left my meds on the sink today. My head will be racing by lunchtime. [Bi-Polar Bear]. En dan laten we de bespiegelingen over zijn tête-a-tête’s met weduwe Courtney Love of de wat misplaatste lofzang op het vaderschap maar even inhoudelijk achterwege.
Toch behelzen al deze elementen ook juist de charme van Shangri-La Dee Da en eigenlijk de gehele STP-erfenis – moeten we waarschijnlijk concluderen na het overlijden van Scott Weiland afgelopen jaar. De plaat knalt er genadeloos in, en na één of twee tikken op de Fast Foward-knop – suggestie rondom track#5 – valt er na het einde toe weer genoeg te genieten. Daar waar het gogme van beide Deleo’s, wat betreft interessante songstructuren en hooks, het melodisch talent van Weiland ontmoeten.
Voor Stone Temple Pilots zou Shangri-La Dee Da geen hoopvol vergezicht of zelfs een nieuw harmonieus vertrekpunt betekenen. Binnen twee jaar zou de band uit elkaar komen te vallen, dit wederom omdat Scott Weiland in de klauwen van zijn demonen verstrikt raakte. Alwaar hij eigenlijk sindsdien nooit meer aan heeft kunnen ontsnappen.
Nu waren Stone Temple Pilots zeker niet de eerste popartiesten die speelden met dit concept. Zo was er bijvoorbeeld in de jaren zestig de Amerikaanse meidengroep The Shangri-Las. En schreef Ray Davies van The Kinks datzelfde decennium de albumtrack Shangri-La naar aanleiding van de vlucht van diens zus Rosie en zwager Arthur van het Naoorlogse Engeland naar het zogenaamd beloofde land Australië. Daarnaast betitelde Andrew Wood van Mother Love Bone de bühne, het podium als zijn enige echte thuis (This is Shangri-La).
Met Andrew Wood hebben we de directe connectie met deze vijfde langspeler van STP. Het oorspronkelijke idee van de gebroeders DeLeo en de zijnen was om een dubbelalbum ter nagedachtenis aan de vroeg ontvallen Wood op te nemen. Daar stak platenmaatschappij Atlantic echter een stokje voor. Daarnaast was er het streven om – gelijke The Beatles begin 1969 te Twickenham Film Studios – het gehele opnameproces door een bevriende fotograaf te laten filmen en deze documentaire als een soort moderne Let it Be op te voeren. Zoals bij wel meer plannen van STP lijkt ook dit voornemen niet volledig gerealiseerd te zijn. De documentaire kwam er weliswaar niet, Shangri-La Dee Da zag echter wel het levenslicht. Het gegeven dat de studio-opnames grotendeels plaatsvonden in een luxe villa in het noorden van Californië geeft de albumtitel een misschien nog grotere Lost Horizon-connotatie mee.
Evenals de voorgaande STP-platen vanaf Purple is ook hun vijfde langspeler een soort bizarre clash tussen enerzijds de klassieke rockinvloeden van gitarist Dean DeLeo en het compositorische vernuft van diens jongere bassende broer Robert, en anderzijds de eclectische, arty – sommige boze tongen zouden beweren pretentieuze – invulling van de kant van zanger Scott Weiland. Dat levert een bij tijd en wijlen schizofrene mix aan stijlen op die de gehele tracklist doorkruisen. Van de flirt met metal (Dumb Love, Coma) naar pure pop (Days of the Week, Too Cool Queenie) en meer experimentele klanken (Regeneration, Bi-Polar Bear, Transmissions..) en tot slot als afsluiter pure Led Zeppelin verafgoding. Ondertussen vliegt men ook nog eens twee maal volledig uit de bocht door iets te willen doen met R&B, hetgeen resulteert in twee weeïge miskleunen (Wonderful, A Song for Sleeping).
Hoewel ditmaal niet gehinderd door detentieverplichtingen of afkickkliniek perikelen blijft het tumultueuze leven van Weiland de tekstuele leidraad. “Couldn't get outta bed.. Ten ton bricks layin' on my head.” [Dumb Love] – “Your appetite’s insatiable.. Devouring one thousand souls.”[Coma] – “Left my meds on the sink today. My head will be racing by lunchtime. [Bi-Polar Bear]. En dan laten we de bespiegelingen over zijn tête-a-tête’s met weduwe Courtney Love of de wat misplaatste lofzang op het vaderschap maar even inhoudelijk achterwege.
Toch behelzen al deze elementen ook juist de charme van Shangri-La Dee Da en eigenlijk de gehele STP-erfenis – moeten we waarschijnlijk concluderen na het overlijden van Scott Weiland afgelopen jaar. De plaat knalt er genadeloos in, en na één of twee tikken op de Fast Foward-knop – suggestie rondom track#5 – valt er na het einde toe weer genoeg te genieten. Daar waar het gogme van beide Deleo’s, wat betreft interessante songstructuren en hooks, het melodisch talent van Weiland ontmoeten.
Voor Stone Temple Pilots zou Shangri-La Dee Da geen hoopvol vergezicht of zelfs een nieuw harmonieus vertrekpunt betekenen. Binnen twee jaar zou de band uit elkaar komen te vallen, dit wederom omdat Scott Weiland in de klauwen van zijn demonen verstrikt raakte. Alwaar hij eigenlijk sindsdien nooit meer aan heeft kunnen ontsnappen.
Suede - Coming Up (1996)

3
geplaatst: 22 november 2017, 14:58 uur
De viering van leegte, roekeloos hedonisme en de zelfkant van celebrity-culture. Popsongs die handelen over doodverveelde yuppies, verslaafde modellen en schimmige ‘hangers-on’. Het nachtelijke Londen als speeltuin. De mooie mensen.
“Drag acts, drug acts, suicides, in your dad's suits you hide
staining his name again,
Cracked up, stacked up, 22, psycho for sex and glue
lost it to Bostik, yeah,
Shaved heads, rave heads, on the pill, got too much time to kill
get into bands and gangs..”
Waar voorganger Dog Man Star een grotesk, verontrustend en bovenal bombastisch epos betreft - dat daarnaast onder barre interpersoonlijke omstandigheden tot stand kwam. Daar is Coming Up zijn antitheses. Een album in de ‘all killer no filler’-traditie, waarbij de T-Rex platen The Slider en Tanx als uitgangspunten gegolden zouden hebben. De decadentie ditmaal omlijst middels kordate aanstekelijkheid. Alle tien composities hadden – wellicht met uitzondering van het zeven minuten-klokkende The Chemistry Between Us – als single uitgebracht kunnen worden. Dat ervoor gekozen is om dit met hoogtepunten als Trash en Beautiful Ones te doen pleit voor Brett Anderson en co. Toenmalige nieuwkomer Richard Oakes mag dan niet zo’n eclectisch en verfijnd gitaarspel hebben als Bernard Butler, zijn sound is wel puntgaaf en lekker dik aangezet.
Eerlijkheid gebiedt te vermelden dat Coming Up niet ophoudt bij de selectie van de tien cuts die Suede hier op een album heeft gezet. Wie de echte hoogstaande songsmederij van de band wil proeven moet worden verwezen naar de singles. De B-kanten van die singles welteverstaan. Ik schreef het al eerder bij Sci-Fi Lullabies maar Coming Up heeft een soort van schaduwplaat. Want wie songs als Europe is Our Playground, Young Men en Every Monday Morning Comes links laat liggen doet zichzelf ernstig tekort.
En ook daarom is Coming Up een beetje mijn favoriete Suede. Want ik reken die B-kanten stiekem tot het totale pakket. Toegegeven, het debuut en Dog Man Star staan even hoog in mijn achting maar soms is het gewoon leuk om een ambassadeur te zijn van een lichtelijk over het hoofd geziene prachtplaat. Die hebben het soms nodig.
“Drag acts, drug acts, suicides, in your dad's suits you hide
staining his name again,
Cracked up, stacked up, 22, psycho for sex and glue
lost it to Bostik, yeah,
Shaved heads, rave heads, on the pill, got too much time to kill
get into bands and gangs..”
Waar voorganger Dog Man Star een grotesk, verontrustend en bovenal bombastisch epos betreft - dat daarnaast onder barre interpersoonlijke omstandigheden tot stand kwam. Daar is Coming Up zijn antitheses. Een album in de ‘all killer no filler’-traditie, waarbij de T-Rex platen The Slider en Tanx als uitgangspunten gegolden zouden hebben. De decadentie ditmaal omlijst middels kordate aanstekelijkheid. Alle tien composities hadden – wellicht met uitzondering van het zeven minuten-klokkende The Chemistry Between Us – als single uitgebracht kunnen worden. Dat ervoor gekozen is om dit met hoogtepunten als Trash en Beautiful Ones te doen pleit voor Brett Anderson en co. Toenmalige nieuwkomer Richard Oakes mag dan niet zo’n eclectisch en verfijnd gitaarspel hebben als Bernard Butler, zijn sound is wel puntgaaf en lekker dik aangezet.
Eerlijkheid gebiedt te vermelden dat Coming Up niet ophoudt bij de selectie van de tien cuts die Suede hier op een album heeft gezet. Wie de echte hoogstaande songsmederij van de band wil proeven moet worden verwezen naar de singles. De B-kanten van die singles welteverstaan. Ik schreef het al eerder bij Sci-Fi Lullabies maar Coming Up heeft een soort van schaduwplaat. Want wie songs als Europe is Our Playground, Young Men en Every Monday Morning Comes links laat liggen doet zichzelf ernstig tekort.
En ook daarom is Coming Up een beetje mijn favoriete Suede. Want ik reken die B-kanten stiekem tot het totale pakket. Toegegeven, het debuut en Dog Man Star staan even hoog in mijn achting maar soms is het gewoon leuk om een ambassadeur te zijn van een lichtelijk over het hoofd geziene prachtplaat. Die hebben het soms nodig.
Suede - Head Music (1999)

0
geplaatst: 1 december 2016, 16:03 uur
So give me head.. Give me head.. Give me Head Music instead.
De meest gewaagde plaat uit de Suede catalogus. Natuurlijk zijn Dog Man Star en de laatste worp Night Thoughts op eigen gronden terecht als gewaagd of misschien zelfs avontuurlijk te kwalificeren. Maar Head Music durft misschien wel het meest van de muzikaal vertrouwde paden af te wijken. Tikkeltje experimenteel, vleugje electronica en dit alles bijeengehouden door de welbekende Brett Anderson-thematiek over een wereld die geen daglicht kan of mag verdragen. Anderson zelf nam het er toentertijd waarschijnlijk gretig van.
She’s cooking the crack giving us heart attack.. [Savoir Faire] - We get our love from the white, white lines.. [Electricity] - So give me this and give me that smother me and give me some of that bad stuff.. [Can’t Get Enough]
De interessante aspecten van Head Music vormen direct ook zijn achilleshiel. Het is namelijk nogal een onevenwichtig geheel. De plaat komt – gelijke Coming Up – lekker uit de startblokken met drie uptempo songs en Everything Will Flow als de ballade vol dramatiek in welbekende Suede-stijl. Daarna ligt het tempo lange tijd relatief laag. Down is zeker niet het beste nummer van de plaat, duurt te lang en doet de impact van de twee daaropvolgende songs teniet . Verderop is de titeltrack lekker provocatief maar muzikaal nogal eenvormig; dat deed en doet men in het verleden en heden scherper. En ik kan best meegaan in de opinie van Brett Anderson himself dat Elephant Man en Crack in the Union Jack beter niet op de tracklist hadden kunnen staan.
Maar dat is slechts één kant van het verhaal. She’s in Fashion is een klassieker in de maak en Asbestos krijgt een vinkje als mijn favoriete track. In laatstgenoemde song balanceert Suede succesvol op het randje van een soort sensuele R&B vibe – ik moet gevoelsmatig ergens denken aan Freak Me van Another Level – en maakt het tot een soort broeierige, bijna vieze hymne over ondeugende vrouwen in de bedstee. En die lome sfeer komt tegen het einde tevens mooi tot uiting [Hi-Fi, Indian Strings, He’s Gone]. Hier en daar doet Head Music als album wat fragmentarisch aan, maar daar hebben ze de programmeerfunctie of skiptoets voor uitgevonden – voor wie dat nodig acht. Wellicht dat ik juist door de incoherentie deze plaat graag mag horen.
De meest gewaagde plaat uit de Suede catalogus. Natuurlijk zijn Dog Man Star en de laatste worp Night Thoughts op eigen gronden terecht als gewaagd of misschien zelfs avontuurlijk te kwalificeren. Maar Head Music durft misschien wel het meest van de muzikaal vertrouwde paden af te wijken. Tikkeltje experimenteel, vleugje electronica en dit alles bijeengehouden door de welbekende Brett Anderson-thematiek over een wereld die geen daglicht kan of mag verdragen. Anderson zelf nam het er toentertijd waarschijnlijk gretig van.
She’s cooking the crack giving us heart attack.. [Savoir Faire] - We get our love from the white, white lines.. [Electricity] - So give me this and give me that smother me and give me some of that bad stuff.. [Can’t Get Enough]
De interessante aspecten van Head Music vormen direct ook zijn achilleshiel. Het is namelijk nogal een onevenwichtig geheel. De plaat komt – gelijke Coming Up – lekker uit de startblokken met drie uptempo songs en Everything Will Flow als de ballade vol dramatiek in welbekende Suede-stijl. Daarna ligt het tempo lange tijd relatief laag. Down is zeker niet het beste nummer van de plaat, duurt te lang en doet de impact van de twee daaropvolgende songs teniet . Verderop is de titeltrack lekker provocatief maar muzikaal nogal eenvormig; dat deed en doet men in het verleden en heden scherper. En ik kan best meegaan in de opinie van Brett Anderson himself dat Elephant Man en Crack in the Union Jack beter niet op de tracklist hadden kunnen staan.
Maar dat is slechts één kant van het verhaal. She’s in Fashion is een klassieker in de maak en Asbestos krijgt een vinkje als mijn favoriete track. In laatstgenoemde song balanceert Suede succesvol op het randje van een soort sensuele R&B vibe – ik moet gevoelsmatig ergens denken aan Freak Me van Another Level – en maakt het tot een soort broeierige, bijna vieze hymne over ondeugende vrouwen in de bedstee. En die lome sfeer komt tegen het einde tevens mooi tot uiting [Hi-Fi, Indian Strings, He’s Gone]. Hier en daar doet Head Music als album wat fragmentarisch aan, maar daar hebben ze de programmeerfunctie of skiptoets voor uitgevonden – voor wie dat nodig acht. Wellicht dat ik juist door de incoherentie deze plaat graag mag horen.
Suede - Sci-fi Lullabies (1997)

5
geplaatst: 1 december 2016, 12:51 uur
The Masterplan van Oasis waarschijnlijk. Pisces Iscariot van The Smashing Pumpkins wellicht. En Louder Than Bombs van The Smiths zonder twijfel. Dit zijn titels die je tegen kan komen in lijstjes met briljante bundelingen B-kanten. Nu zijn volgens mij de twee laatstgenoemde compilaties ook geen verzameling B-sides in absolute zin. Maar dit geheel terzijde. De winnaar van deze uitverkiezing is in mijn boek de dubbelaar Sci-Fi Lullabies van Suede. Sterker nog, deze compilatie is misschien wel het absolute hoogtepunt in hun toch al niet misselijke oeuvre. Brett Anderson zou het zowaar met mij eens kunnen zijn.
Ik kocht deze Sci-Fi Lullabies aan het eind van een stedentrip naar de Letse hoofdstad Riga en omdat ik toentertijd nog van mijn overgebleven chartale Lati af moest, spendeerde ik die aan deze dubbelaar. Enkele maanden eerder maakte ik kennis met Suede’s debuut en die hield mij weken in zijn greep. De grandeur van Brett Anderson’s vocalen, het rafelige doch melodieuze gitaarspel van Bernard Butler, de subversieve teksten - she's fucking with a slip of a man while the engine ran.. – en bovenal de songs. Ik denk dat ik Pantomime Horse in die tijd misschien vijf keer achter elkaar heb opgezet. Daarnaast had ik gelezen dat de singles van Suede een hoop moois herbergden en dat een groot deel hiervan was ondergebracht op Sci-Fi Lullabies. Die aanschaf was dus een no-brainer. En toen ik ‘m thuisgekomen in de lader stopte bleek daar geen woord van gelogen te zijn. Je zou je bijna gaan afvragen waarom Anderson en Butler schitteringen zoals To The Birds, The Big Time of My Insatiable One – Morrissey wist er wel raad mee.. – niet meer prominent op het debuut meenamen. Maar hier schuilt ook direct de charme. Een aantal van Suede’s B-kanten zijn pilaren in hun discografie. Ga maar na hoe vaak Killing of a Flashboy op de setlist prijkt.
Over het algemeen wordt de periode tot en met Dog Man Star als het hoogtepunt van Suede ervaren en in sommige kringen heeft Bernard Butler de status van een halfgod. Ik wil echter een lans breken voor het materiaal met zijn opvolger Richard Oakes, ook geen onverdienstelijke snarenplukker. Wie inplugt vanaf Together en doortrekt tot aan het einde van cd2 krijgt een soort schaduwplaat van Coming Up voor zijn kiezen. De status van Europe is Our Playground moge duidelijk zijn. Maar ook bijvoorbeeld Every Monday Morning Comes, Sadie en Young Men behoren tot het beste werk van Brett en co. Persvers decadente popsongs in de buitencategorie. En dan staat nog niet eens al het B-materiaal op deze dubbelaar. Voor wie nog verder wil grasduinen in de Suede spelonken zijn Feel en Sam nog wel de moeite om eens op te snorren. Laat onverlet dat deze verzameling nagenoeg perfect is, tot en met het J.G. Ballard – Concrete Island-achtige artwork aan toe. Droom luid.
Ik kocht deze Sci-Fi Lullabies aan het eind van een stedentrip naar de Letse hoofdstad Riga en omdat ik toentertijd nog van mijn overgebleven chartale Lati af moest, spendeerde ik die aan deze dubbelaar. Enkele maanden eerder maakte ik kennis met Suede’s debuut en die hield mij weken in zijn greep. De grandeur van Brett Anderson’s vocalen, het rafelige doch melodieuze gitaarspel van Bernard Butler, de subversieve teksten - she's fucking with a slip of a man while the engine ran.. – en bovenal de songs. Ik denk dat ik Pantomime Horse in die tijd misschien vijf keer achter elkaar heb opgezet. Daarnaast had ik gelezen dat de singles van Suede een hoop moois herbergden en dat een groot deel hiervan was ondergebracht op Sci-Fi Lullabies. Die aanschaf was dus een no-brainer. En toen ik ‘m thuisgekomen in de lader stopte bleek daar geen woord van gelogen te zijn. Je zou je bijna gaan afvragen waarom Anderson en Butler schitteringen zoals To The Birds, The Big Time of My Insatiable One – Morrissey wist er wel raad mee.. – niet meer prominent op het debuut meenamen. Maar hier schuilt ook direct de charme. Een aantal van Suede’s B-kanten zijn pilaren in hun discografie. Ga maar na hoe vaak Killing of a Flashboy op de setlist prijkt.
Over het algemeen wordt de periode tot en met Dog Man Star als het hoogtepunt van Suede ervaren en in sommige kringen heeft Bernard Butler de status van een halfgod. Ik wil echter een lans breken voor het materiaal met zijn opvolger Richard Oakes, ook geen onverdienstelijke snarenplukker. Wie inplugt vanaf Together en doortrekt tot aan het einde van cd2 krijgt een soort schaduwplaat van Coming Up voor zijn kiezen. De status van Europe is Our Playground moge duidelijk zijn. Maar ook bijvoorbeeld Every Monday Morning Comes, Sadie en Young Men behoren tot het beste werk van Brett en co. Persvers decadente popsongs in de buitencategorie. En dan staat nog niet eens al het B-materiaal op deze dubbelaar. Voor wie nog verder wil grasduinen in de Suede spelonken zijn Feel en Sam nog wel de moeite om eens op te snorren. Laat onverlet dat deze verzameling nagenoeg perfect is, tot en met het J.G. Ballard – Concrete Island-achtige artwork aan toe. Droom luid.
The Replacements - Let It Be (1984)

0
geplaatst: 10 juni 2011, 10:38 uur
Als je je plaat naar een Beatle album vernoemt is er niets meer heilig. Gefrustreerd door alle Punk etiquette werd met Let it Be de koerswijziging voor The Replacements ingezet. Voor het eerst werden er liedjes gearrangeerd, in plaats van gitaarriffs titels mee te geven.
Als geen ander is Paul Westerberg in staat om de context te schetsen van de verwarde jongeman. De jongeman die onaangepast, ontheemd en onmogelijk met het fenomeen vrouwen is.
Brag about things you don't understand
A girl a woman, a boy a man
Everything is sexually vague
Now you're wondering to yourself
If you might be gay
Deze onrustgevoelens komen bij elkaar in elf popliedjes die werkelijk muzikaal alle hoeken van het spectrum opzoeken. De tonque-in-cheek flirt met de derde sekse in de pianoballad Androgynous, de wanhoop in het machtige Unsatisfied en de klaagzang over onbereikbare vrouwen in Answering Machine. Het kon allemaal, het mag allemaal en het klopt allemaal. Er zijn geen regels, er is enkel verwarring. Met Let it Be maakten The Replacements de soundtrack voor hopeloze zielen als ondergetekende.
Als geen ander is Paul Westerberg in staat om de context te schetsen van de verwarde jongeman. De jongeman die onaangepast, ontheemd en onmogelijk met het fenomeen vrouwen is.
Brag about things you don't understand
A girl a woman, a boy a man
Everything is sexually vague
Now you're wondering to yourself
If you might be gay
Deze onrustgevoelens komen bij elkaar in elf popliedjes die werkelijk muzikaal alle hoeken van het spectrum opzoeken. De tonque-in-cheek flirt met de derde sekse in de pianoballad Androgynous, de wanhoop in het machtige Unsatisfied en de klaagzang over onbereikbare vrouwen in Answering Machine. Het kon allemaal, het mag allemaal en het klopt allemaal. Er zijn geen regels, er is enkel verwarring. Met Let it Be maakten The Replacements de soundtrack voor hopeloze zielen als ondergetekende.
The Smiths - Meat Is Murder (1985)

0
geplaatst: 13 november 2010, 09:59 uur
‘Anyone dumb enough to join the military should be allowed in’ (Bill Hicks)
Dedovsjtsjina; Russisch: дедовщина; "bewind van de grootvaders") is een Russisch begrip dat de mishandeling van jonge rekruten door ouderen (дéды; dedy) in het Russische leger aanduidt. In feite komt het neer op een zeer harde variant op de ontgroening.
Ik zag ooit een aflevering uit de serie ‘van Moskou tot Moermansk’ van Jelle Brandt Corstius over de werkelijk mentale en fysieke terreur die jonge Russische soldaten moeten ondergaan. Voor een aantal blijkt de intimiderende ballast van deze lichamelijke vernedering een te grote, en men maakt een einde aan het leven nog voordat er gediend mag worden in de desolate spelonken van Grozny.
Wanneer ik The Headmaster Ritual dan opzet schieten die beelden altijd over mijn netvlies. Een soundtrack met blauwe plekken.
Echter, bij de tweede song van deze Meat is Murder zie ik Britse industriesteden voor mij opdoemen. Ellende, maar van een andere categorie. Naoorlogse grijze wijken vol geknakte zielen, niet in de laatste plaats door het bewind van ‘The Iron Lady’. That Joke Isn't Funny Anymore; naar verluid handelt het over een relatie die Morrisey had met een journalist. De journalist in kwestie weigert tot op de dag van vandaag ‘subject Morrisey’ aan te snijden. Desalniettemin, een innemende song met die voortschrijdende gitaarklanken van Johnny Marr en het klaaglijke..
I've seen this happen in other people's lives
And now it's happening in mine..
Dedovsjtsjina.
Dedovsjtsjina; Russisch: дедовщина; "bewind van de grootvaders") is een Russisch begrip dat de mishandeling van jonge rekruten door ouderen (дéды; dedy) in het Russische leger aanduidt. In feite komt het neer op een zeer harde variant op de ontgroening.
Ik zag ooit een aflevering uit de serie ‘van Moskou tot Moermansk’ van Jelle Brandt Corstius over de werkelijk mentale en fysieke terreur die jonge Russische soldaten moeten ondergaan. Voor een aantal blijkt de intimiderende ballast van deze lichamelijke vernedering een te grote, en men maakt een einde aan het leven nog voordat er gediend mag worden in de desolate spelonken van Grozny.
Wanneer ik The Headmaster Ritual dan opzet schieten die beelden altijd over mijn netvlies. Een soundtrack met blauwe plekken.
Echter, bij de tweede song van deze Meat is Murder zie ik Britse industriesteden voor mij opdoemen. Ellende, maar van een andere categorie. Naoorlogse grijze wijken vol geknakte zielen, niet in de laatste plaats door het bewind van ‘The Iron Lady’. That Joke Isn't Funny Anymore; naar verluid handelt het over een relatie die Morrisey had met een journalist. De journalist in kwestie weigert tot op de dag van vandaag ‘subject Morrisey’ aan te snijden. Desalniettemin, een innemende song met die voortschrijdende gitaarklanken van Johnny Marr en het klaaglijke..
I've seen this happen in other people's lives
And now it's happening in mine..
Dedovsjtsjina.
The Verve - A Northern Soul (1995)

1
geplaatst: 29 november 2016, 21:37 uur
All farewells should be sudden..
Dat stond te lezen op de hoes van de single History. Daarnaast waren er ook uitgaven met het citaat ‘Life is not a rehearsal’ – die was ook niet mis. Ergens is het ook een schitterend verhaal. Je brengt als band net een popsong uit met de grandeur om de oversteek naar het grote publiek te maken en vervolgens knalt de groep van vier licht ontvlambare persoonlijkheden uit elkaar. Klaar, punt.. behorende tot het verleden; geschiedenis. Ironisch genoeg is History ook één de eerste Verve-composities waarin de songwriting van Richard Ashcroft duidelijk de overhand heeft. Stemmig, melancholiek en groots aan gezet door memorabele strijkpartijen. Geinige voetnoot; in History zou een muzikale knipoog naar John Lennon’s Mind Games te horen zijn. En in tegenstelling tot het duo Jagger/Richards inzake Bitter Sweet Symphony, hebben de erven Ono/Lennon blijkbaar niet de urgentie ervaren om die rechten voor zich op te eisen. Enfin, de eerste bandsplit van The Verve zou slechts enkele maanden duren. En Ashcroft zou in de jaren die daarop volgden met zijn signatuur een grote stempel gaan drukken op de Britse popmuziek.
In retroperspectief is A Northern Soul wellicht wel de complete plaat van The Verve. Het is in ieder geval lichtjes mijn favoriet. Het combineert het dromerige gitaarspel van Nick McCabe – dat het debuut zo grandioos domineert – en de kunde van de liedjesschrijver Richard Ashcroft. Naast History is natuurlijk On Your Own ook zo’n mooie voorbode. Bovenal is de sound wat puntiger; de productie heeft wat meer punch. Maar zoals gezegd, dat laat ook de gitaargolven in bijvoorbeeld Drive You Home, So it Goes en het furieuze Brainstorm Interlude meer op de voorgrond klinken.
Maar het absolute hoogtepunt is wat mij betreft het titelnummer, die wederom de brille van beide heren weet te bundelen. Ashcroft’s ode aan de zwarte muzikale beweging in het noorden van Engeland eind jaren zestig. 'Keizers sterven niet in bed'. Maar of dit ook geldt voor koning Richard? Hij droeg dit in psychedelica gedoopte stukje swagger op aan de zelfgekroonde keizer van de Britse popmuziek Noel Gallagher - die zijn Cast No Shadow vervolgens weer opdroeg aan het genie Ashcroft. - I'm gonna die alone in bed.. - declameert Ashcroft meermaals om er vervolgens toch aan toe te voegen dat hij het zelf wel uitzingt. - Too busy stayin' alive.. - Groots, megalomaan en ontwapenend. Muziek uit asgrijze industriesteden. Liedjes voor de verloren ziel.
Dat stond te lezen op de hoes van de single History. Daarnaast waren er ook uitgaven met het citaat ‘Life is not a rehearsal’ – die was ook niet mis. Ergens is het ook een schitterend verhaal. Je brengt als band net een popsong uit met de grandeur om de oversteek naar het grote publiek te maken en vervolgens knalt de groep van vier licht ontvlambare persoonlijkheden uit elkaar. Klaar, punt.. behorende tot het verleden; geschiedenis. Ironisch genoeg is History ook één de eerste Verve-composities waarin de songwriting van Richard Ashcroft duidelijk de overhand heeft. Stemmig, melancholiek en groots aan gezet door memorabele strijkpartijen. Geinige voetnoot; in History zou een muzikale knipoog naar John Lennon’s Mind Games te horen zijn. En in tegenstelling tot het duo Jagger/Richards inzake Bitter Sweet Symphony, hebben de erven Ono/Lennon blijkbaar niet de urgentie ervaren om die rechten voor zich op te eisen. Enfin, de eerste bandsplit van The Verve zou slechts enkele maanden duren. En Ashcroft zou in de jaren die daarop volgden met zijn signatuur een grote stempel gaan drukken op de Britse popmuziek.
In retroperspectief is A Northern Soul wellicht wel de complete plaat van The Verve. Het is in ieder geval lichtjes mijn favoriet. Het combineert het dromerige gitaarspel van Nick McCabe – dat het debuut zo grandioos domineert – en de kunde van de liedjesschrijver Richard Ashcroft. Naast History is natuurlijk On Your Own ook zo’n mooie voorbode. Bovenal is de sound wat puntiger; de productie heeft wat meer punch. Maar zoals gezegd, dat laat ook de gitaargolven in bijvoorbeeld Drive You Home, So it Goes en het furieuze Brainstorm Interlude meer op de voorgrond klinken.
Maar het absolute hoogtepunt is wat mij betreft het titelnummer, die wederom de brille van beide heren weet te bundelen. Ashcroft’s ode aan de zwarte muzikale beweging in het noorden van Engeland eind jaren zestig. 'Keizers sterven niet in bed'. Maar of dit ook geldt voor koning Richard? Hij droeg dit in psychedelica gedoopte stukje swagger op aan de zelfgekroonde keizer van de Britse popmuziek Noel Gallagher - die zijn Cast No Shadow vervolgens weer opdroeg aan het genie Ashcroft. - I'm gonna die alone in bed.. - declameert Ashcroft meermaals om er vervolgens toch aan toe te voegen dat hij het zelf wel uitzingt. - Too busy stayin' alive.. - Groots, megalomaan en ontwapenend. Muziek uit asgrijze industriesteden. Liedjes voor de verloren ziel.
Van Morrison - Astral Weeks (1968)

0
geplaatst: 2 mei 2010, 08:42 uur
Het leven in de stad is als met opzet je hoofd tegen een muur beuken.
Je raakt er zo in opgesloten dat je alle waanzin binnen enkele momenten als de norm gaat beschouwen. Je staat voornamelijk in rijen. Maar eigenlijk moet je de stad verlaten en in de bossen toevlucht zoeken. De wind in je gezicht voelen zonder uitlaatgassen te consumeren. Tussen de bomen een gemoedstoestand van rust of meditatie vangen. Nu ben ik iemand die waanzin bij eer en geweten wil ervaren en soms de confrontatie met die muur waar ik eerder aan refereerde soms nog te fluweel gaat vinden. Op een verkenningsjacht naar de aorta van het broeierige stadsgevoel. Maar op een gegeven moment is het genoeg. Het 'ik wil weg!' verlangen spreekt dan luider dan de honger voor onrust.
To lay me down, in silence easy.. to be born again.
De geest van zichzelf bevrijden. Je eigen reset-knop zoeken en hopelijk vinden.
Astral Weeks is mijn zucht naar meditatie. Van Morrison openbaart zichzelf hier als een soort minstreel. Al zingend wegnemende de pijn.
I'm nothing but a stranger in this world.
Als een dissident van het saamhorigheidsgevoel. Van voelt zich de vreemdeling en ik twijfel. Want misschien ben ik het zelf ook wel.. net als iedereen.
And I will walk and talk in gardens all wet with rain.
De regen als symboliek voor levensgeluk. Het zoete van een lenteregen. Soms is die geur van natte bladeren dat kleine druppeltje levenselixer. Sweet Thing des levens.
Je raakt er zo in opgesloten dat je alle waanzin binnen enkele momenten als de norm gaat beschouwen. Je staat voornamelijk in rijen. Maar eigenlijk moet je de stad verlaten en in de bossen toevlucht zoeken. De wind in je gezicht voelen zonder uitlaatgassen te consumeren. Tussen de bomen een gemoedstoestand van rust of meditatie vangen. Nu ben ik iemand die waanzin bij eer en geweten wil ervaren en soms de confrontatie met die muur waar ik eerder aan refereerde soms nog te fluweel gaat vinden. Op een verkenningsjacht naar de aorta van het broeierige stadsgevoel. Maar op een gegeven moment is het genoeg. Het 'ik wil weg!' verlangen spreekt dan luider dan de honger voor onrust.
To lay me down, in silence easy.. to be born again.
De geest van zichzelf bevrijden. Je eigen reset-knop zoeken en hopelijk vinden.
Astral Weeks is mijn zucht naar meditatie. Van Morrison openbaart zichzelf hier als een soort minstreel. Al zingend wegnemende de pijn.
I'm nothing but a stranger in this world.
Als een dissident van het saamhorigheidsgevoel. Van voelt zich de vreemdeling en ik twijfel. Want misschien ben ik het zelf ook wel.. net als iedereen.
And I will walk and talk in gardens all wet with rain.
De regen als symboliek voor levensgeluk. Het zoete van een lenteregen. Soms is die geur van natte bladeren dat kleine druppeltje levenselixer. Sweet Thing des levens.
