Mogen we stilaan van een trend spreken in de Belgische, zoniet Europese, jazz-scène, dat klassieke werken meer en meer worden geherinterpreteerd? Fabrizio Cassol is namelijk lang niet de enige die in de oude meesters (hier de Vespers van Claudio Monteverdi, in zijn jongste project
‘pitié!’ niets minder dan de Mattheuspassie van der Johann) inspiratie vindt om eigen composities rond op te bouwen. Een andere Belg die met soortgelijke dingen bezig is, en tevens als boezemvriend van Cassol mag beschouwd worden (ze studeerden immers samen aan het conservatorium van Luik), is Kris Defoort. Terwijl ze een decennium geleden nog samen variaties schreven rond het magnum opus van de jazz,
‘ A Love Supreme’, zijn ze het nieuwe millennium binnengestapt met een oogje op Monteverdi. Bij Defoort leidde dat tot een macabere compositie die is terug te vinden op
‘ConVerSations / ConSerVations’ (een al even obscure plaat), en Cassol maakte er meteen een langspeler van.
Toch is de manier van aanpakken bij onze landgenoten absoluut verschillend. Defoort beschouw ik als een eclecticus in hart en nieren, die de oude muziek gebruikt als kapstok om atonale muzikale poëzie rond te fantaseren. Improvisatie, botsende klanken, stilte, ...het krijgt allemaal een kans. Cassol blijft echter trouw aan de typische cadens-vorming van de Renaissance, aan de schrijnende melodieën en bijhorende smachtende ondertoon. De context wordt uiteraard verruimd, via een onconventionele bezetting die inherent voor een spanningsveld zorgt. Zangeres Claron McFadden benadert de authentieke Monteverdi nog het meest, terwijl Cassol de jazz-traditie her en der verwerkt. Hijzelf wringt zijn sax in de raarste bochten, terwijl Tcha Limberger moeiteloos de ene gypsy-melodie na de andere uit zijn viool tovert. Wonderlijk is deze symbiose tussen Renaissance en jazz, juist omdat het resultaat niet klinkt als het zoveelste surrogaat cross-over-project zonder karakter.
Toch vind ik Defoort een interessanter arrangeur, al ligt zijn muziek minder goed in het gehoor. Cassol heeft immers de vreselijke gewoonte om nogal snel terug te vallen op ritmische bas- en drumpartijen die een solide fundament zijn om experiment op te bouwen. Daarom is
‘VSPRS’ niet de meest spannende plaat die u in uw leven zult horen – de luisteraar heeft namelijk altijd houvast-, en dat is ergens ook jammer. Waarom zou experiment immers moeten uitgaan van een bestaande, en bovendien clichématige premisse?