Hier kun je zien welke berichten unaej als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
J.F. Jenny Clark - "Unison" (1987)

3,5
0
geplaatst: 19 augustus 2008, 15:16 uur
“Unison”, het blijft één van de moeilijkste jazz-albums in mijn persoonlijke luister-geschiedenis. De bas floreert hier in al zijn aspecten, en het gevarieerde timbre openbaarde zich aanvankelijk als een wonder. Daar ben ik inmiddels aan gewend, nu is er nog slechts de muziek. Het echte wonder. 
Mijn interesse spreidt zich uit in vlagen. Aanvankelijk hield ik het voor gezien na de eerste nummers: voor de rest kwam er slechts meer van hetzelfde. In het huidige stadium geraak ik er echter niet meer “in”. Het ligt ongetwijfeld aan een afwijking in het ‘ik’, of is er “echt” sprake van een (quasi fysieke) barrière – speelt Jenny-Clark in een andere kamer die hem half aan het gehoor onttrekt? Echter, deze abstractie leidt ons nergens.
Logsiche vraag die hierop volgt: waar brengen de obscure (muzikale) contouren ons dan – ver weg, of juist diep in ons zelf? Het zijn ridicule vragen voor het individu dat niet tot de muziek kan doordringen, zelfs ietwat frustrerende frasen. En laat dat nu toevallig een ideale basis zijn om te blijven luisteren, ontdekken, verwonderen, ...

Mijn interesse spreidt zich uit in vlagen. Aanvankelijk hield ik het voor gezien na de eerste nummers: voor de rest kwam er slechts meer van hetzelfde. In het huidige stadium geraak ik er echter niet meer “in”. Het ligt ongetwijfeld aan een afwijking in het ‘ik’, of is er “echt” sprake van een (quasi fysieke) barrière – speelt Jenny-Clark in een andere kamer die hem half aan het gehoor onttrekt? Echter, deze abstractie leidt ons nergens.
Logsiche vraag die hierop volgt: waar brengen de obscure (muzikale) contouren ons dan – ver weg, of juist diep in ons zelf? Het zijn ridicule vragen voor het individu dat niet tot de muziek kan doordringen, zelfs ietwat frustrerende frasen. En laat dat nu toevallig een ideale basis zijn om te blijven luisteren, ontdekken, verwonderen, ...

Jacky Terrasson - Lover Man (2002)

3,5
0
geplaatst: 17 april 2009, 23:04 uur
Al rijdend doorheen het van landbouw- en zonnebloemvelden zwangere Frankrijk achtte ik de tijd rijp om Jacky Terrassons beste trio-werk nog maar eens boven te halen. Net als onze landgenoot Jef Neve heeft Terrasson een uitgebreide fanclub in Azië, en speciaal voor dat publiek nam hij ‘Lover Man’ op. Een gelegenheidstrio werd samengesteld, waarin de mij onbekende Leon Parker voor de steelse ritmes op de drums zorgt, terwijl de evenzeer illustere Ugonna Okegwo zich verloren tokkelt, en nergens echt positief op de voorgrond treedt met zijn spel. In se is ‘Lover Man’ bijgevolg weinig meer dan een verijdelde ‘one man’-show, waarin Terrasson zich van zijn meest virtuoze en geïnspireerde kant laat zien. Dat kan hij zich permitteren, gezien de beperkte oplage van de plaat (vandaar dat de Penguin Guide dit album niet eens vermeld?) en het exclusieve publiek waarvoor ze bedoeld is.
Wat meteen opvalt is de ongelofelijke hoeveelheid energie die van ‘Lover Man’ uit gaat. Terrasson en co vertrekken vanuit een funky idioom, dat de rode draad vormt doorheen deze sessie. Daarbij vormt het lyrische talent van Terrasson, wiens Franse bloed hier alleen maar in het voordeel speelt, een waardevolle aanvulling, die het geluid, binnen de strikte normen van de funk-jazz, heel rijk maakt.
Wie echter houdt van gecompliceerde jazz, die slaat dit album beter over – voor hen zijn de eenvoudige thema’s en de rock-ritmes misschien té voor de hand liggend. Idem voor diegenen die alleen maar cliché’s willen bevestigd zien en er niet tegen kunnen wanneer er even buiten de lijntjes wordt gekleurd - voor hen kunnen de korte intermezzi waarin Terrasson solo gaat, of de zware climaxen in bepaalde nummers een euvel vormen. Maar de borderliners onder ons, kunnen ‘Lover Man’ vast wel naar waarde schatten...in combinatie met het prachtige Franse landschap natuurlijk.
Wat meteen opvalt is de ongelofelijke hoeveelheid energie die van ‘Lover Man’ uit gaat. Terrasson en co vertrekken vanuit een funky idioom, dat de rode draad vormt doorheen deze sessie. Daarbij vormt het lyrische talent van Terrasson, wiens Franse bloed hier alleen maar in het voordeel speelt, een waardevolle aanvulling, die het geluid, binnen de strikte normen van de funk-jazz, heel rijk maakt.
Wie echter houdt van gecompliceerde jazz, die slaat dit album beter over – voor hen zijn de eenvoudige thema’s en de rock-ritmes misschien té voor de hand liggend. Idem voor diegenen die alleen maar cliché’s willen bevestigd zien en er niet tegen kunnen wanneer er even buiten de lijntjes wordt gekleurd - voor hen kunnen de korte intermezzi waarin Terrasson solo gaat, of de zware climaxen in bepaalde nummers een euvel vormen. Maar de borderliners onder ons, kunnen ‘Lover Man’ vast wel naar waarde schatten...in combinatie met het prachtige Franse landschap natuurlijk.

Jan Garbarek - Bobo Stenson Quartet - Witchi-Tai-To (1974)

4,0
0
geplaatst: 31 mei 2009, 15:34 uur
De meeste jazzfans vereenzelvigen Jan Garbarek met zweverige, ijle (en bijgevolg onpersoonlijke) saxofoongeluiden en muziek die zich eigenlijk niet ontwikkelt. Scandinavische landschappen en desolate vlaktes moeten het plaatje vervolledigen: Garbarek als verpersoonlijking van het (voor velen) oninteressante ECM-idioom.
Die preoccupatie gaat echter slechts gedeeltelijk op, met name voor het latere werk van Garbarek, waarin hij meer en meer vervreemde van de jazz en zich overleverde aan het maken van transcendente wereld-muziek. Ook dat is interessant (voor sommigen), maar mij gaat het hier om het intrinsieke jazz-karakter. Geïnspireerd op het indringende en zeer toonvaste geluid van Coltrane (of dat hoor ik er toch in) laat Garbarek zich op ‘Witchi-Tai-To’ volledig gaan; en al zijn de composities nogal simplistisch (ze zijn niet voor niets gebaseerd op volks-melodieën - hij heeft ze echter bijeen-gescharreld bij oa. Carla Bley en Charlie Haden), dat maakt de sobere kracht van de sessie alleen maar groter. Wie bijvoorbeeld ‘Kukka’ (wat een mierzoete ballade lijkt te gaan worden) of het titelnummer voor het eerst hoort, zou de term “supermarkt-jazz” in de mond durven nemen, maar wie de moeite neemt om de magistrale opbouw erbij te beluisteren, hoort eigenlijk meer nog min dan een prachtig nummer.
Een tweede reden waarom mijn keuze op dit album is gevallen, is de wel erg onderbelichte “huis-pianist” van het ECM-label: Bobo Stenson. Samen met bassist Palle Danielsson en drummer Jon Christensen speelden ze samen in allerhande ECM-albums van die tijd, oa. bij Keith Jarrett.
(En nu we het toch over laatstgenoemde hebben, deze heeft ook enkele albums met Garbarek opgenomen die erg vergelijkbaar zijn qua stijl. Wie zijn Garbarek-zoektocht straks wil verderzetten, weet dus waar te beginnen.
)
Maar waarom dan precies ‘Witchi-Tai-To’, en niet de opvolger ‘Dansere’? Enerzijds was dit Garbareks commerciële doorbraak (aldus de Penguin Guide), dus een volslagen gok is deze keuze langs de ene kant niet. Anderzijds is het samenspel binnen het quartet ongelofelijk "dens" – meer nog dan op het zachtere, duidelijk slappere ‘Dansere’. Er wordt ontzettend goed naar elkaar geluisterd, en vooral Stenson toont zich een meester in het vullen van de vele gaten, die door Garbareks sobere aanpak ontstaan.
Wie nog steeds twijfelt, kan misschien best beginnen bij ‘Hasta Siempre’ (kwestie van de Coltrane-vergelijking meteen te verduidelijken, cfr. eerste minuut), of met het lang uitgesponnen, meeslepende ‘Desireless’. Want voor wie er nog niet van overtuigd moge zijn: ECM heeft ook "hardere" albums die doodgewoon doorleefde jazz ademen. En is dat niet waar we allemaal naar op zoek zijn...bezieling?
Die preoccupatie gaat echter slechts gedeeltelijk op, met name voor het latere werk van Garbarek, waarin hij meer en meer vervreemde van de jazz en zich overleverde aan het maken van transcendente wereld-muziek. Ook dat is interessant (voor sommigen), maar mij gaat het hier om het intrinsieke jazz-karakter. Geïnspireerd op het indringende en zeer toonvaste geluid van Coltrane (of dat hoor ik er toch in) laat Garbarek zich op ‘Witchi-Tai-To’ volledig gaan; en al zijn de composities nogal simplistisch (ze zijn niet voor niets gebaseerd op volks-melodieën - hij heeft ze echter bijeen-gescharreld bij oa. Carla Bley en Charlie Haden), dat maakt de sobere kracht van de sessie alleen maar groter. Wie bijvoorbeeld ‘Kukka’ (wat een mierzoete ballade lijkt te gaan worden) of het titelnummer voor het eerst hoort, zou de term “supermarkt-jazz” in de mond durven nemen, maar wie de moeite neemt om de magistrale opbouw erbij te beluisteren, hoort eigenlijk meer nog min dan een prachtig nummer.
Een tweede reden waarom mijn keuze op dit album is gevallen, is de wel erg onderbelichte “huis-pianist” van het ECM-label: Bobo Stenson. Samen met bassist Palle Danielsson en drummer Jon Christensen speelden ze samen in allerhande ECM-albums van die tijd, oa. bij Keith Jarrett.
(En nu we het toch over laatstgenoemde hebben, deze heeft ook enkele albums met Garbarek opgenomen die erg vergelijkbaar zijn qua stijl. Wie zijn Garbarek-zoektocht straks wil verderzetten, weet dus waar te beginnen.
)Maar waarom dan precies ‘Witchi-Tai-To’, en niet de opvolger ‘Dansere’? Enerzijds was dit Garbareks commerciële doorbraak (aldus de Penguin Guide), dus een volslagen gok is deze keuze langs de ene kant niet. Anderzijds is het samenspel binnen het quartet ongelofelijk "dens" – meer nog dan op het zachtere, duidelijk slappere ‘Dansere’. Er wordt ontzettend goed naar elkaar geluisterd, en vooral Stenson toont zich een meester in het vullen van de vele gaten, die door Garbareks sobere aanpak ontstaan.
Wie nog steeds twijfelt, kan misschien best beginnen bij ‘Hasta Siempre’ (kwestie van de Coltrane-vergelijking meteen te verduidelijken, cfr. eerste minuut), of met het lang uitgesponnen, meeslepende ‘Desireless’. Want voor wie er nog niet van overtuigd moge zijn: ECM heeft ook "hardere" albums die doodgewoon doorleefde jazz ademen. En is dat niet waar we allemaal naar op zoek zijn...bezieling?

Jason Moran - Artist in Residence (2006)

4,0
0
geplaatst: 29 augustus 2008, 10:55 uur
Jason Moran, het is een naam die stilaan zijn plaatsje aan het veroveren is in het hedendaagse jazz-landschap. Op de nieuwste cd van Charles Lloyd mag hij het klavier besturen, en eerder al werkte hij samen met bescheiden grootheden à la Don Byron (op het schitterende ‘Ivey-Divey’, met de grote Jack DeJohnette aan de drums). Het kan niet anders of de man heeft, naar ik uit zijn indrukwekkende palmares afleidt, een uitgebreide keuzemogelijkheid uit drummers en bassisten, maar sedert enkele jaren kiest hij getrouw zijn eigen ‘bandwagon’ om het jazz-trio te vervolledigen. Drummer Nasheet Waits zit niet verlegen om een het zware spel van Moran verder op te blazen met stomende rock-ritmes, en Tarus Mateen mag zich aan de bas tussen al het virtuoze gewoel door laten opmerken. Een stevige basis, waar Moran vrij op kan laveren.
‘Artist in Residence’ is echter niet de plaat van het hechte triowerk, integendeel. Moran speelt hier en daar een nummer alleen (‘Cradle Song’, ‘Artists ought to be writing’, ‘He puts on his coat and leaves’), en voor nog andere nummers mag oa. Ralph Alessi komen meeblazen. Een ander pasklaar argument is dat de tijden van een ‘Gangsterism’ op elke cd (onversneden, hippe groeps-escapades) schijnbaar achter ons ligt, en Moran maakt het zichzelf extra moeilijk door in de trio-nummers een milde, avant-gardistische weg in te slaan. Luister bijvoorbeeld hoe ‘Refraction 1’ ontspoort, gestaag heen en weer zwalpt op een langzaam aanzwellend riedeltje, en uiteindelijk magnifiek uitbloeit.
Ook compositorisch kan men de nummers van ‘Artist in Residence’ onderscheiden van eerder werk. Een lichte, verheven tintje overheerst; een haast romantische dramatiek loopt doorheen de plaat, in de vorm van klassieke, doorzichtige structuren. Moran kiest echter niet uit gemakzucht voor die eenvoud, maar beoogt ofwel keiharde emotie (‘Milestone’, met een bloedmooie intro), ofwel zuivere complexiteit (‘RAIN’). Het mag ons dan ook niet verwonderen dat ‘Cradle Song’ rechtstreeks ontleent is aan Carl Maria von Weber: dat past perfect in het plaatje.
Ondanks zijn coherente eenheid, heeft ‘Artist in Residence’ toch ontzettend veel variatie te bieden. Zoals gezegd spelen de gastartiesten daar een belangrijke rol in, maar Moran heeft ook doorheen de jaren een idioom ontwikkelt dat men uit de duizend kan herkennen, zonder hem technisch te beperken. Hij doet wat hij wil, en toch blijft het "Jason Moran" – alleen de groten doen het hem na.
Deze stilistische breuk dwingt ons tot de vraag waar de man eigenlijk heen wil: ‘Same Mother’ was een explosie van bruut jazz-geweld, met ‘Artist in Residence’ keert hij op zijn schreden terug. Mag het weer wat zachter, of houdt hij nog steeds een hels vuur brandende? Op dinsdag 14 oktober komt hij met zijn Bandwagon in de Gentse Bijloke een feestje bouwen. Benieuwd wat dat zal geven.
‘Artist in Residence’ is echter niet de plaat van het hechte triowerk, integendeel. Moran speelt hier en daar een nummer alleen (‘Cradle Song’, ‘Artists ought to be writing’, ‘He puts on his coat and leaves’), en voor nog andere nummers mag oa. Ralph Alessi komen meeblazen. Een ander pasklaar argument is dat de tijden van een ‘Gangsterism’ op elke cd (onversneden, hippe groeps-escapades) schijnbaar achter ons ligt, en Moran maakt het zichzelf extra moeilijk door in de trio-nummers een milde, avant-gardistische weg in te slaan. Luister bijvoorbeeld hoe ‘Refraction 1’ ontspoort, gestaag heen en weer zwalpt op een langzaam aanzwellend riedeltje, en uiteindelijk magnifiek uitbloeit.
Ook compositorisch kan men de nummers van ‘Artist in Residence’ onderscheiden van eerder werk. Een lichte, verheven tintje overheerst; een haast romantische dramatiek loopt doorheen de plaat, in de vorm van klassieke, doorzichtige structuren. Moran kiest echter niet uit gemakzucht voor die eenvoud, maar beoogt ofwel keiharde emotie (‘Milestone’, met een bloedmooie intro), ofwel zuivere complexiteit (‘RAIN’). Het mag ons dan ook niet verwonderen dat ‘Cradle Song’ rechtstreeks ontleent is aan Carl Maria von Weber: dat past perfect in het plaatje.
Ondanks zijn coherente eenheid, heeft ‘Artist in Residence’ toch ontzettend veel variatie te bieden. Zoals gezegd spelen de gastartiesten daar een belangrijke rol in, maar Moran heeft ook doorheen de jaren een idioom ontwikkelt dat men uit de duizend kan herkennen, zonder hem technisch te beperken. Hij doet wat hij wil, en toch blijft het "Jason Moran" – alleen de groten doen het hem na.
Deze stilistische breuk dwingt ons tot de vraag waar de man eigenlijk heen wil: ‘Same Mother’ was een explosie van bruut jazz-geweld, met ‘Artist in Residence’ keert hij op zijn schreden terug. Mag het weer wat zachter, of houdt hij nog steeds een hels vuur brandende? Op dinsdag 14 oktober komt hij met zijn Bandwagon in de Gentse Bijloke een feestje bouwen. Benieuwd wat dat zal geven.

Jef Neve - De Helaasheid der Dingen / Dagen Zonder Lief (2009)
Jeroen van Herzeele Quartet - Da Mo (2009)

4,5
0
geplaatst: 6 februari 2010, 13:10 uur
Een must voor elke Coltrane-liefhebber. Hypnotiserend, overweldigend...weergaloos.
Uitgebreide review.
Uitgebreide review.
Jewels & Binoculars - Floater (2004)
Alternatieve titel: Jewels & Binoculars Play the Music of Bob Dylan

3,5
0
geplaatst: 25 december 2008, 20:44 uur
Op welke manier de muziek van Bob Dylan precies verwerkt zit in dit kleinood is mij niet geheel duidelijk, want in deze verzameling kleinschalige stukjes hoort men niet meteen pop-melodieën terug. ‘Floater’ is vooral een charmant album, waarop zweverige improvisaties met weinig noten en simpele ritmische vondsten de luisteraar in vervoering brengen. De muzikanten houden zichzelf hoorbaar in toom, waardoor de 11 nummers net zo goed bladmuziek hadden kunnen zijn. Dat wil echter niet zeggen dat de noten niet spontaan komen, integendeel. De musici ademen lucht in, maar wasemen eenvoudige lyriek (in de vorm van eindeloze muzikale verhalen) uit.
Jazz (als dit al onder de noemer jazz valt) hoeft niet complex te zijn, en dat heeft Michael Moore (ga eens met zo’n naam door het leven
) goed begrepen. ‘Floater’ zal niemand van zijn sokken blazen, maar wiegt ons langzaam het lang van de slaap binnen. Zalig…
Jazz (als dit al onder de noemer jazz valt) hoeft niet complex te zijn, en dat heeft Michael Moore (ga eens met zo’n naam door het leven
) goed begrepen. ‘Floater’ zal niemand van zijn sokken blazen, maar wiegt ons langzaam het lang van de slaap binnen. Zalig…Jim Black - AlasNoAxis (2000)

3,0
0
geplaatst: 18 december 2008, 20:55 uur
Ik heb 'AlasNoAxis' zopas voor de tweede keer beluisterd, en blijf me verwonderen over wat de muzikanten eigenlijk doen. De eerste nummers zijn haast impressionistisch qua opzet: men blaast wat voor zich uit, ontwikkelt een losse atmosfeer van klanken zonder echt een muzikaal verhaal te ontplooien. Het album is op dat moment interessant, doch niet bepaald spannend: iedereen kijkt namelijk dezelfde kant op, in plaats van elkaars grenzen af te tasten en zuiver te communiceren. sq vat perfect samen wat ik over dat eerste deel denk:
Vanaf 'Luxuriate' ligt de plaat me een pak beter: de musici werken toe naar bepaalde climaxen en er ontstaat een dialoog die daarvóór afwezig was. Jensson toont zich een heerlijk gitarist: met zijn melodische partijen ondersteunt hij de band, met zijn snoeiharde pieptonen omklemt hij als het ware de hele sound van de formatie. Het hoogtepunt uit 'Melize' zegt wat mij betreft genoeg.
Helaas moeten we nogal lang wachten op echte "kwaliteit", en in zijn geheel had 'AlasNoAxis' maar half zo lang mogen zijn. Toch heeft Jim Black iets in mij wakker gemaakt, via zijn avant-gardistisch experiment dat in geen enkel hokje thuishoort. Even verder neuzen naar wat artiest nog heeft uitgespookt is dus de boodschap.
sq schreef:
Prikkelend, maar wel met het gevoel dat het een tentoonsteling is met niet afgemaakte schilderijtjes.
Prikkelend, maar wel met het gevoel dat het een tentoonsteling is met niet afgemaakte schilderijtjes.
Vanaf 'Luxuriate' ligt de plaat me een pak beter: de musici werken toe naar bepaalde climaxen en er ontstaat een dialoog die daarvóór afwezig was. Jensson toont zich een heerlijk gitarist: met zijn melodische partijen ondersteunt hij de band, met zijn snoeiharde pieptonen omklemt hij als het ware de hele sound van de formatie. Het hoogtepunt uit 'Melize' zegt wat mij betreft genoeg.

Helaas moeten we nogal lang wachten op echte "kwaliteit", en in zijn geheel had 'AlasNoAxis' maar half zo lang mogen zijn. Toch heeft Jim Black iets in mij wakker gemaakt, via zijn avant-gardistisch experiment dat in geen enkel hokje thuishoort. Even verder neuzen naar wat artiest nog heeft uitgespookt is dus de boodschap.

Jim Black's AlasNoAxis - Houseplant (2009)
Joachim Kühn / Daniel Humair / J.F. Jenny-Clark - Live (1989)

3,5
0
geplaatst: 2 september 2008, 14:22 uur
J.F. Jenny-Clark was de naam die mij het meest deed uitkijken naar dit album, maar uiteindelijk is hij het die mij het meest ongoochelt. Kuhn (een vage bekende sedert ik een wereldmuziek-project van de man gehoord had) steelt de show met zijn verderlichte, sierlijke virtuositeit die hij op de juiste momenten in zuivere energie kan omzetten. Humair luistert goed en biedt zich als nederige begeleider aan, zodat de climax (op de drums) op de goede momenten analoog met de piano verloopt. En Jenny-Clark? Die staat er wat mij betreft plompverloren bij, gezapig aan zijn snaren plukkend, en niet in staat om het concept te verrijken.
Wat voor jazz maakt deze formatie eigenlijk? Het lijkt een standaard trio dat af en toe nog een tandje bij schakelt en zo het conventionele werk moeiteloos overstijgt. Kuhn geeft aan dat hij "verder" wil via hamerende passages, Humair laat (in één van zijn improvisaties) zijn cimbalen steels ruisen en het zuiver ritmische werk laat hij voor wat het is. Daar kan Jenny-Clark helaas niets tegenover stellen: bij hem blijven de solo’s gortdroog, en nagenoeg altijd halen ze de vaart uit de nummers.
Genoeg gezanikt echter, want deze live-performance blijft een hemelse ervaring. De variëteit aan jazz-geluiden die Kuhn uit zijn piano tovert zijn wat mij betreft ongehoord, en in tegenstelling tot menig ander trio-werk gaat dit niet vervelen. En wie de bas wegcijfert, heeft een topplaat.
Alweer bedankt, blabla.
Wat voor jazz maakt deze formatie eigenlijk? Het lijkt een standaard trio dat af en toe nog een tandje bij schakelt en zo het conventionele werk moeiteloos overstijgt. Kuhn geeft aan dat hij "verder" wil via hamerende passages, Humair laat (in één van zijn improvisaties) zijn cimbalen steels ruisen en het zuiver ritmische werk laat hij voor wat het is. Daar kan Jenny-Clark helaas niets tegenover stellen: bij hem blijven de solo’s gortdroog, en nagenoeg altijd halen ze de vaart uit de nummers.
Genoeg gezanikt echter, want deze live-performance blijft een hemelse ervaring. De variëteit aan jazz-geluiden die Kuhn uit zijn piano tovert zijn wat mij betreft ongehoord, en in tegenstelling tot menig ander trio-werk gaat dit niet vervelen. En wie de bas wegcijfert, heeft een topplaat.

Alweer bedankt, blabla.

John Coltrane - A Love Supreme (1965)

4,5
1
geplaatst: 27 augustus 2008, 21:13 uur
Jeugdherrinneringen, het zijn van de meest kostbare dingen die er zijn. Zo weet ik nog goed hoe ik als jonge knul, amper vertrouwd met de muziekwereld via een enkel Nirvana en meerdere Metallica-albums, reageerde op ‘A Love Supreme'. Verbaasd over de poging tot zingen van het stel serieuze heren in ‘Acknowledgement’, het thema van ‘Resolution’ al snel meeneuriënd, beangstigd door de ferme improvisatie van Coltrane in ‘Pursuance’ en wederom verbaasd over het bloedmooie ‘Psalm’. En ergens hangt rond ‘A Love Supreme’ nog steeds die zweem van verwondering, van herkenning en van beklemming - zij het op een ander niveau. Zoveel energie, is dat wat God met mensen kan doen? Of anders: zo’n immense ontlading, is dat wat jazzGod John Coltrane kan losweken bij mensen?
Dankzij de nieuwe ‘Impulse!’-uitgave kan iedereen ‘A Love Supreme’ (eindelijk) tegen betaalbare prijs in huis halen, en nu hij definitief in de kast staat komt hij er ook wat vaker uit. Een ogenschijnlijk vreemde vaststelling die ik, na hem opnieuw geluisterd te hebben, maak is dat ‘A Love Supreme’ niet het grote improvisatie-album is, geen bekroning is van een systeem dat John Coltrane ter harte nam – eigenschappen die ik het album vroeger wel eens durfde toeschrijven. Luisteren we naar de platen die voorafgaan aan dit meesterwerk, dan horen we nog steeds het elk-om-beurt geïmproviseer, een gegeven dat hier naar de achtergrond verdwijnt. ‘A Love Supreme’ geeft mij meer de indruk van een plechtstatige, enigszins beheerste John Coltrane die zijn band vrij laat om te begeleiden, en naar de voorgrond te treden indien gewenst. En misschien is dat ook de grote revolutie die schuilgaat in het album: de absolute noodzaak van een bepaalde collectieve verstandhouding, een blindelings aanvoelen, om iets als dit te kunnen scheppen. Zoals John Coltrane zelf God als een necessiteit ervaart, misschien...
Wie goed floreert in deze context (voor zover het als dusdanig beschouwd mag worden) is Elvin Jones, die ook eerder al bewees geen standaard ritmiek nodig te hebben om ‘juist’ te spelen. Ook Jimmy Garrison neemt ruimte, die hij voortreffelijk invult. Slechts de grote McCoy Tyner-fan in mij kan zich ergens “ontgoocheld” noemen, omdat de man een beetje verdrinkt in het intense strijd-gewoel.
Maar wat klagen we? We hebben stuk voor stuk briljante thema’s, we hebben een haast overbezielde Coltrane en interessant geluid daarom heen. We hebben een mijlpaal in de jazz-geschiedenis, een universele verstandhouding over hoe “goed” dit wel is. En als we de liner notes voor “waar” aanzien hebben we een God die om ons geeft. Als je het zo ziet opgesomd, zou je haast van het leven gaan houden...
Dankzij de nieuwe ‘Impulse!’-uitgave kan iedereen ‘A Love Supreme’ (eindelijk) tegen betaalbare prijs in huis halen, en nu hij definitief in de kast staat komt hij er ook wat vaker uit. Een ogenschijnlijk vreemde vaststelling die ik, na hem opnieuw geluisterd te hebben, maak is dat ‘A Love Supreme’ niet het grote improvisatie-album is, geen bekroning is van een systeem dat John Coltrane ter harte nam – eigenschappen die ik het album vroeger wel eens durfde toeschrijven. Luisteren we naar de platen die voorafgaan aan dit meesterwerk, dan horen we nog steeds het elk-om-beurt geïmproviseer, een gegeven dat hier naar de achtergrond verdwijnt. ‘A Love Supreme’ geeft mij meer de indruk van een plechtstatige, enigszins beheerste John Coltrane die zijn band vrij laat om te begeleiden, en naar de voorgrond te treden indien gewenst. En misschien is dat ook de grote revolutie die schuilgaat in het album: de absolute noodzaak van een bepaalde collectieve verstandhouding, een blindelings aanvoelen, om iets als dit te kunnen scheppen. Zoals John Coltrane zelf God als een necessiteit ervaart, misschien...
Wie goed floreert in deze context (voor zover het als dusdanig beschouwd mag worden) is Elvin Jones, die ook eerder al bewees geen standaard ritmiek nodig te hebben om ‘juist’ te spelen. Ook Jimmy Garrison neemt ruimte, die hij voortreffelijk invult. Slechts de grote McCoy Tyner-fan in mij kan zich ergens “ontgoocheld” noemen, omdat de man een beetje verdrinkt in het intense strijd-gewoel.
Maar wat klagen we? We hebben stuk voor stuk briljante thema’s, we hebben een haast overbezielde Coltrane en interessant geluid daarom heen. We hebben een mijlpaal in de jazz-geschiedenis, een universele verstandhouding over hoe “goed” dit wel is. En als we de liner notes voor “waar” aanzien hebben we een God die om ons geeft. Als je het zo ziet opgesomd, zou je haast van het leven gaan houden...

John Coltrane - My Favorite Things (1961)

3,5
0
geplaatst: 9 juli 2008, 21:58 uur
‘My Favorite Things’ is wat mij betreft de eerste plaat van Coltrane die zijn genialiteit boekstaaft. Voor dit opmerkelijke wapenfeit moesten we het stellen met een overenthousiast ‘Giant Steps’, dat ondanks zijn talloze briljante thema’s amper (hyper)gevoelige snaren wist te raken. Verder was Coltrane wel productief, maar bleef zijn idioom beperkt tot de toenheersende traditie. Wat deze plaat zo interessant maakt is juist de Coltrane die uit zijn eigen voetstappen treedt en samen met een heel geïnspireerde McCoy Tyner aan het werk gaat.
De eerste twee composities mogen dan ook zonder het minste greintje twijfel als “geniaal” worden afgedaan: de bedaarde solo van Tyner in het titelnummer zou hij nimmer nog zo intiem ten gehore brengen en ook voor Coltrane’s prestatie schieten woorden te kort. ‘Every Time We Say Goodbye’ heeft een melancholische opzet, en ook daar raakt de luisteraar doordrenkt van Colrane’s genie.
Met het tweede deel van de plaat krijgen we de meer vettige tenorklank van Coltrane te horen: onbehouwen en met zich zelf geen raad wetend speelt hij ‘Summertime’, met een unieke interpretatie, als het ware in de vernieling. Ook ‘But Not for Me’ heeft iets ontstuimig dat ik niet associeer met wat ‘My Favorite Things’ (als album) eigenlijk belichaamt: een man die lief heeft en dat alleen kwijt kan in de kunst. We horen een waanzinnig musicus, de kant van Coltrane waar ik het nog steeds ietwat moeilijk mee heb.
Een album dat meer consistent had kunnen zijn, maar dat hoe dan ook fantastische muziek bevat. Ondanks alle tegenwerpingen toch een meesterwerk dat er méér dan wezen mag. Coltrane is groot.
De eerste twee composities mogen dan ook zonder het minste greintje twijfel als “geniaal” worden afgedaan: de bedaarde solo van Tyner in het titelnummer zou hij nimmer nog zo intiem ten gehore brengen en ook voor Coltrane’s prestatie schieten woorden te kort. ‘Every Time We Say Goodbye’ heeft een melancholische opzet, en ook daar raakt de luisteraar doordrenkt van Colrane’s genie.
Met het tweede deel van de plaat krijgen we de meer vettige tenorklank van Coltrane te horen: onbehouwen en met zich zelf geen raad wetend speelt hij ‘Summertime’, met een unieke interpretatie, als het ware in de vernieling. Ook ‘But Not for Me’ heeft iets ontstuimig dat ik niet associeer met wat ‘My Favorite Things’ (als album) eigenlijk belichaamt: een man die lief heeft en dat alleen kwijt kan in de kunst. We horen een waanzinnig musicus, de kant van Coltrane waar ik het nog steeds ietwat moeilijk mee heb.
Een album dat meer consistent had kunnen zijn, maar dat hoe dan ook fantastische muziek bevat. Ondanks alle tegenwerpingen toch een meesterwerk dat er méér dan wezen mag. Coltrane is groot.

John Coltrane - Olé Coltrane (1961)

3,5
0
geplaatst: 24 juli 2008, 17:57 uur
Wat een dijk van een titelnummer, toch... Waar Miles Davis, als we de grootheden even aan wat wikken en wegen onderhevig maken, met 'Sketches of Spain' bleef steken bij voorzichtig geflirt met exotische roots, zit Coltrane er recht op. In een niet te stuiten spiraal komen de briljante solo's op ons af, maar - hoe kan het ook anders - de sax voert ten allen tijdje het hoogste woord!
Jammer is dat de plaat daarna geen evenwaardige nummers meer kan serveren: na het heftige 'Olé' zakt het langzaam maar zeker in elkaar, met 'To Her Ladyship' als zacht toetje. Slecht klinkt het niet, maar het is bijlange niet meer zo "revolutionair" eenmaal je het organische titelnummer achter de kiezen hebt.
Maar wat valt er te klagen: Coltrane heeft later toch nog meer dan genoeg grenzen verlegd?
Jammer is dat de plaat daarna geen evenwaardige nummers meer kan serveren: na het heftige 'Olé' zakt het langzaam maar zeker in elkaar, met 'To Her Ladyship' als zacht toetje. Slecht klinkt het niet, maar het is bijlange niet meer zo "revolutionair" eenmaal je het organische titelnummer achter de kiezen hebt.
Maar wat valt er te klagen: Coltrane heeft later toch nog meer dan genoeg grenzen verlegd?

John Coltrane - One Down, One Up (2005)
Alternatieve titel: Live at the Half Note

3,5
0
geplaatst: 1 januari 2009, 11:18 uur
De Penguin Guide bestempelt Coltrane’s meesterwerk ‘A Love Surpeme’ als het zwanenzang van een quartet in staat van ontbinding. Wie deze ‘Live at the Half Note’-sessie beluistert, van maar liefst een jaar later, kan niet anders dan het “stervende quartet” in twijfel trekken. Bij ‘A Love Supreme’ wordt op het scherp van de snee gespeeld, en gaat het quartet helemaal op in de escapades van de leider. Deze ‘One Down, One Up’ getuigt, wat mij betreft, veel meer van een formatie die aan zijn laatste stuiptrekkingen toe is – welke muziek ligt na dit geflirt met de modaliteit immers nog in het verschiet? Wonderbaar is dat het resultaat nog steeds doordrengd is van een onstuitbare levenslust, waar geen enkel quartet in de latere jazzgeschiedenis nog aan kan tippen.
Wil dat zeggen dat we ‘One Down, One Up’ unaniem moeten loven? Nee, want het eerste nummer is meteen al het soort exploot waarin Coltrane zich later wel vaker zou verliezen. Zelfs Garrison en Tyner houden het na een tijdje voor gezien, en de zwalpende sax van Coltrane wordt doodgewoon oninteressant.
‘Afro Blue’ is van een gans ander kaliber. Sedert het geniale ‘Afro Blue Impressions’ ben ik stiekem verliefd geworden op de machtige solo’s van McCoy Tyner, en ook hier staat hij weer garant voor een geweldige improvisatie met een dodelijke linkerhand. Daarna komt Coltrane ook binnen gevlamd, om de razende sound van het quartet naar ongeziene hoogtes te tillen. Dat de opname wordt afgebroken door de commentator is zuivere heiligschennis; en een grove teleurstelling voor de luisteraar.
Ook in de twee nummers van het volgende schijfje is het frappant hoe expressionistisch de solo’s van Tyner zijn. De bezetenheid waarmee hij zijn improvisatie in ‘My Favorite Things’ aanvuurt, is van een schrikwekkend Cecil Taylor-gehalte. Hier is de zinsnede “de laatste stuiptrekking van een quaret” totaal misplaast; ik slik mijn woorden dus beter terug in.
In zijn geheel het tweede deel van deze cd bovendien meer indrukwekkend dan het eerste. ‘Song of Praise’ klimt naar een hypnotiserend hoogtepunt, met de zwalkende begeleiding als stevig fundament.
In ‘My Favorite Things’ lijkt Coltrane het dan weer over een meer abstracte boeg te houden. De meer 'bezeten' inbreng van kort daarvoor maakt nu plaats voor een tastende rondrit doorheen het thema. Ook McCoy Tyner verleent het basismateriaal met wat chromatische wendingen een extra zwaarte, wat de bekende compositie alsnog een spannend tintje geeft.
Ook hier komt Alan Grant echter onverbiddelijk tussen beide, om met zijn dwaze “Stay beautiful!” een einde te maken aan bijna anderhalf uur onversneden energie.
Geen legendarische uitgave (zeker niet voor leken), maar een must voor de Coltrane-liefhebber.
Wil dat zeggen dat we ‘One Down, One Up’ unaniem moeten loven? Nee, want het eerste nummer is meteen al het soort exploot waarin Coltrane zich later wel vaker zou verliezen. Zelfs Garrison en Tyner houden het na een tijdje voor gezien, en de zwalpende sax van Coltrane wordt doodgewoon oninteressant.
‘Afro Blue’ is van een gans ander kaliber. Sedert het geniale ‘Afro Blue Impressions’ ben ik stiekem verliefd geworden op de machtige solo’s van McCoy Tyner, en ook hier staat hij weer garant voor een geweldige improvisatie met een dodelijke linkerhand. Daarna komt Coltrane ook binnen gevlamd, om de razende sound van het quartet naar ongeziene hoogtes te tillen. Dat de opname wordt afgebroken door de commentator is zuivere heiligschennis; en een grove teleurstelling voor de luisteraar.
Ook in de twee nummers van het volgende schijfje is het frappant hoe expressionistisch de solo’s van Tyner zijn. De bezetenheid waarmee hij zijn improvisatie in ‘My Favorite Things’ aanvuurt, is van een schrikwekkend Cecil Taylor-gehalte. Hier is de zinsnede “de laatste stuiptrekking van een quaret” totaal misplaast; ik slik mijn woorden dus beter terug in.

In zijn geheel het tweede deel van deze cd bovendien meer indrukwekkend dan het eerste. ‘Song of Praise’ klimt naar een hypnotiserend hoogtepunt, met de zwalkende begeleiding als stevig fundament.
In ‘My Favorite Things’ lijkt Coltrane het dan weer over een meer abstracte boeg te houden. De meer 'bezeten' inbreng van kort daarvoor maakt nu plaats voor een tastende rondrit doorheen het thema. Ook McCoy Tyner verleent het basismateriaal met wat chromatische wendingen een extra zwaarte, wat de bekende compositie alsnog een spannend tintje geeft.
Ook hier komt Alan Grant echter onverbiddelijk tussen beide, om met zijn dwaze “Stay beautiful!” een einde te maken aan bijna anderhalf uur onversneden energie.
Geen legendarische uitgave (zeker niet voor leken), maar een must voor de Coltrane-liefhebber.
John Lewis - Jazz Abstractions (1961)
Alternatieve titel: John Lewis Presents Contemporary Music 1: Jazz Abstractions: Compositions by Gunther Schuller & Jim Hall

2,5
0
geplaatst: 25 februari 2009, 17:57 uur
De grootste verdienste die we ‘Jazz Abstractions’ (van de mij vooralsnog onbekende John Lewis) kunnen toedichten, is dat hij een allegaartje aan jazz-stijlen in één album weet te gieten (van steelse, boppy drumpartijen tot regelrechte free-jazz); een plaat die qua stijl behoorlijk consistent overkomt.
Zoals ik al aangaf liggen de composities qua stijl zeker in elkaars verlengde, maar toch wringt het. De momenten waarop meerdere solisten tegelijk improviseren ondergraven het fundament van de nummers, en getuigen volgens mij van Lewis’ overdaad aan ambitie.
Bovendien kunnen alle grote namen die aan het project deelnemen (Dolphy en Coleman leven zich uit in de chaotische Monk-variaties, terwijl Hall in ‘Piece For Guitar And Strings’ zijn haast filmische stijl bovenhaalt) de muziek niet minder kil maken, een gevoel dat ik overigens vaak heb bij vroeg 20e-eeuwse klassieke muziek – alsof muziek niet langer draait om passie, maar om rede. De abstracties zijn namelijk zodanig ver doorgedreven dat de “jazz” niet langer aan het oppervlak voor het grijpen ligt, maar zich uit in spontane erupties van bijwijlen ijzingwekkende atonaliteit.
Echt slecht is ‘Jazz Abstractions’ niet, omdat er zo nu en dan een prachtig harmonisch gedicht ontstaat, boordevol suggestie. Anderzijds heb ik het gevoel dat de muzikanten zichzelf niet kunnen zijn, en teveel binnen de regels van de 'Third Stream' denken terwijl ze spelen. Coleman en Dolphy blijven voor mij altijd luidruchtige free-jazzers, terwijl Evans en Hall een intiemer spectrum bestrijken. Een poging tot het verzoenen van deze uitersten, levert voor mij de absolute middelmaat.
Zoals ik al aangaf liggen de composities qua stijl zeker in elkaars verlengde, maar toch wringt het. De momenten waarop meerdere solisten tegelijk improviseren ondergraven het fundament van de nummers, en getuigen volgens mij van Lewis’ overdaad aan ambitie.
Bovendien kunnen alle grote namen die aan het project deelnemen (Dolphy en Coleman leven zich uit in de chaotische Monk-variaties, terwijl Hall in ‘Piece For Guitar And Strings’ zijn haast filmische stijl bovenhaalt) de muziek niet minder kil maken, een gevoel dat ik overigens vaak heb bij vroeg 20e-eeuwse klassieke muziek – alsof muziek niet langer draait om passie, maar om rede. De abstracties zijn namelijk zodanig ver doorgedreven dat de “jazz” niet langer aan het oppervlak voor het grijpen ligt, maar zich uit in spontane erupties van bijwijlen ijzingwekkende atonaliteit.
Echt slecht is ‘Jazz Abstractions’ niet, omdat er zo nu en dan een prachtig harmonisch gedicht ontstaat, boordevol suggestie. Anderzijds heb ik het gevoel dat de muzikanten zichzelf niet kunnen zijn, en teveel binnen de regels van de 'Third Stream' denken terwijl ze spelen. Coleman en Dolphy blijven voor mij altijd luidruchtige free-jazzers, terwijl Evans en Hall een intiemer spectrum bestrijken. Een poging tot het verzoenen van deze uitersten, levert voor mij de absolute middelmaat.
John Surman - How Many Clouds Can You See? (1969)

4,0
0
geplaatst: 8 april 2009, 19:16 uur
De vroege albums van gelauwerd ECM-icoon John Surman zijn een interessant studie-object voor jazz-fanaten. Waar Surman doorheen de jaren een vast, herkenbaar idioom heeft ontwikkeld dat hij tot op heden nog verder exploreert, was er in de beginjaren geen sprake van een eigen sound. Eind jaren ’60 en nog even daarna, toen Surman naambekendheid maakte in allerhande formaties, deed hij verschillende projecten onder zijn eigen naam, die erg variëren qua inhoud. Hier en daar horen we muziek die al ruikt naar het latere ECM-werk, nog andere keren sluipt een stukje fusion zijn albums binnen (met vibrafoons en rhodes die aan ‘In a Silent Way’ doen denken), en nog andere keren gaat Surman zich te buiten aan energetische exploten die de Coltrane-traditie terug in het leven lijken te roepen.
‘How Many Clouds Can You See?’ is een voorbeeld van het laatstgenoemde type. Pianist John Taylor roept de geest van McCoy Tyner op, via een continue zware basondersteuning. De solo’s komen qua kwaliteit niet meteen in de beurt, maar de intensiteit, de snelheid en het timbre zijn dezelfde. Ook de drummers (Jackson of Oxley) hebben, net als Elvin Jones, de techniek in de vingers om het quartet in een mum van tijd naar een hoger niveau te schakelen.
Toch is Surman niet zomaar een copy-cat: de energie mag dan letterlijk overgeërfd zijn, dat geldt niet voor de stijl. Het openingsnummer ‘Galata Bridge’ (opgenomen met het octet dat Surman toen nog leidde) is bijvoorbeeld het soort experiment dat Coltrane niet zou geïnteresseerd hebben: de communicatie tussen de musici is hecht, maar komt pas halverwege (volgens Coltrane-standaarden ongetwijfeld “te laat”) echt op gang. Het Naimaëske ‘Caractacus’ is dan weer een zachte ballade, maar Surman houdt het nog iets killer dan zijn collega – wat evenzeer zijn charme heeft. En dan is het tijd voor 'Premonition', een monumentale compositie (van John Warren) waarin Surman langzaam maar zeker naar de hoge registers klimt en het verschroeiende einde afkondigt in heus getier. Naast de geest van Coltrane lijkt ook die van Pharoah Sanders plots rond te waren op deze plaat.
Surman zou Surman echter niet zijn mocht er niet iets vreemd aan de hand zijn met het album. Zo is het laatste nummer een gezellige miniatuur voor een bescheiden brass-band (die Surman in zijn ééntje opwekt via overdubbing), en lijkt het alsof de rest van de eerder zo hechte band (die bestaat uit 2 drummers en 2 bassisten, naast nog een heleboel blazers) plots met de noorderzon is verdwenen.
Hoe consistent is ‘How Many Clouds Can You See?’ dan eigenlijk? Wel, gevoelsmatig zit deze sessie in ieder geval op één en dezelfde golflengte, maar qua sound durft het album fluctueren...en dat maakt het geheel alleen maar interessanter, niet?
‘How Many Clouds Can You See?’ is een voorbeeld van het laatstgenoemde type. Pianist John Taylor roept de geest van McCoy Tyner op, via een continue zware basondersteuning. De solo’s komen qua kwaliteit niet meteen in de beurt, maar de intensiteit, de snelheid en het timbre zijn dezelfde. Ook de drummers (Jackson of Oxley) hebben, net als Elvin Jones, de techniek in de vingers om het quartet in een mum van tijd naar een hoger niveau te schakelen.
Toch is Surman niet zomaar een copy-cat: de energie mag dan letterlijk overgeërfd zijn, dat geldt niet voor de stijl. Het openingsnummer ‘Galata Bridge’ (opgenomen met het octet dat Surman toen nog leidde) is bijvoorbeeld het soort experiment dat Coltrane niet zou geïnteresseerd hebben: de communicatie tussen de musici is hecht, maar komt pas halverwege (volgens Coltrane-standaarden ongetwijfeld “te laat”) echt op gang. Het Naimaëske ‘Caractacus’ is dan weer een zachte ballade, maar Surman houdt het nog iets killer dan zijn collega – wat evenzeer zijn charme heeft. En dan is het tijd voor 'Premonition', een monumentale compositie (van John Warren) waarin Surman langzaam maar zeker naar de hoge registers klimt en het verschroeiende einde afkondigt in heus getier. Naast de geest van Coltrane lijkt ook die van Pharoah Sanders plots rond te waren op deze plaat.
Surman zou Surman echter niet zijn mocht er niet iets vreemd aan de hand zijn met het album. Zo is het laatste nummer een gezellige miniatuur voor een bescheiden brass-band (die Surman in zijn ééntje opwekt via overdubbing), en lijkt het alsof de rest van de eerder zo hechte band (die bestaat uit 2 drummers en 2 bassisten, naast nog een heleboel blazers) plots met de noorderzon is verdwenen.
Hoe consistent is ‘How Many Clouds Can You See?’ dan eigenlijk? Wel, gevoelsmatig zit deze sessie in ieder geval op één en dezelfde golflengte, maar qua sound durft het album fluctueren...en dat maakt het geheel alleen maar interessanter, niet?

John Surman - Road to Saint Ives (1990)

3,5
0
geplaatst: 3 januari 2009, 11:34 uur
De term “spiritueel” ligt uiteraard voor de hand als het gaat om een ECM-opname, waarin vluchtige klanken centraal staan, de nagalm van één of andere obscure kapel incluis. Wie daarenboven nog eens de naam John Surman ziet staan, mag er van op aan dat wat volgt zich laat classificeren onder “spiritueel”. Ik kende de man namelijk al van ‘The Amazing Adventures of Simon Simon’, een intieme, explorerende samenwerking met drummer Jack DeJohnette, en dit jazz-album van de week b(r)ouwt verder op hetzelfde stramien.
Surman heeft er zijn troef van gemaakt om heel contemplatief te musiceren, zonder oeverloos te gaan blazen en ijle Scandinavische steppemuziek te maken. Bij de sopraan van Jan Garbarek (ja, daar had ik het over
) denk ik steevast aan uitgestrekte landschappen waar nooit wat gebeurt, terwijl Surman vanuit dezelfde premisse heel pulserende, spontane muziek kan maken. Logisch natuurlijk dat velen niets kunnen met het zwevende karakter van deze fragiele poëzie, maar de transcenderende sfeer brengt unaej wel degelijk in hogere sferen. 
Vreemd is dat Surman ook hier het beste nummer meteen voor de leeuwen gooit. Waar ‘The Amazing Adventures of Simon Simon’ na ‘Part I’ al zijn hoogtepunt had bereikt, wordt ‘Road to St.-Ives’ tevens nergens beter dan in het formidabele ‘Tintagel’. De tragische begeleiding op het kerkorgel heeft tegelijk het pastorale karakter van Bach, als de puls van een Renaissance-werk. John Surman’s solo omarmt beide kenmerken tot een des te krachtiger synergie. Spiritueel is het resultaat des te meer (en een beetje zeemzoeterig, helaas).
Wat ik niet wil beweren is dat ‘Road to Saint Ives’ daarna inzakt, maar het vrij beperkte geluidsidioom maakt het niet altijd even eenvoudig om bij de les te blijven. Misschien moet men groeien in het geluid van Surman (hij is immers een genre op zich), waardoor ik in de toekomst zeker meer van deze meneer wil horen.
Ik begin met een bescheiden score, maar de toekomst heeft misschien nog iets mooiers in petto. 2009 is immers nog jong.
Surman heeft er zijn troef van gemaakt om heel contemplatief te musiceren, zonder oeverloos te gaan blazen en ijle Scandinavische steppemuziek te maken. Bij de sopraan van Jan Garbarek (ja, daar had ik het over
) denk ik steevast aan uitgestrekte landschappen waar nooit wat gebeurt, terwijl Surman vanuit dezelfde premisse heel pulserende, spontane muziek kan maken. Logisch natuurlijk dat velen niets kunnen met het zwevende karakter van deze fragiele poëzie, maar de transcenderende sfeer brengt unaej wel degelijk in hogere sferen. 
Vreemd is dat Surman ook hier het beste nummer meteen voor de leeuwen gooit. Waar ‘The Amazing Adventures of Simon Simon’ na ‘Part I’ al zijn hoogtepunt had bereikt, wordt ‘Road to St.-Ives’ tevens nergens beter dan in het formidabele ‘Tintagel’. De tragische begeleiding op het kerkorgel heeft tegelijk het pastorale karakter van Bach, als de puls van een Renaissance-werk. John Surman’s solo omarmt beide kenmerken tot een des te krachtiger synergie. Spiritueel is het resultaat des te meer (en een beetje zeemzoeterig, helaas).
Wat ik niet wil beweren is dat ‘Road to Saint Ives’ daarna inzakt, maar het vrij beperkte geluidsidioom maakt het niet altijd even eenvoudig om bij de les te blijven. Misschien moet men groeien in het geluid van Surman (hij is immers een genre op zich), waardoor ik in de toekomst zeker meer van deze meneer wil horen.
Ik begin met een bescheiden score, maar de toekomst heeft misschien nog iets mooiers in petto. 2009 is immers nog jong.

John Zorn - Filmworks 1986-1990 (1990)

3,5
0
geplaatst: 17 januari 2009, 17:26 uur
John Zorn is een klinkende naam binnen de annalen van de jazz-geschiedenis, maar waar de man eigenlijk voor staat, dat weet slechts een selecte groep mensen. Wie verwacht immers van deze eerste schakel uit de lange ‘Filmworks’-reeks een schreeuwerig album met de rockattitude van pakweg ‘X-Legged Sally’, funky arrangementen in ware seventies-stijl, John Williams-achtige soundscapes en andere avant-gardistische gek-doenerij? Juist, de mensen die weten waar Zorn zich zoal mee bezighoudt zullen zich wellicht niet verbazen, maar voor mij laat ‘Filmworks I’ de toch wel heel frivole kant zien van iemand die stilaan een veteraan in de jazz-wereld aan het worden is.
‘Filmworks I’ is een mengelmoes van soundtracks die Zorn tussen 1986 en 1990 componeerde. Het eerste deel van de cd leunt dicht aan bij punk-rock, maar dat schijnt overeen te stemmen met het karakter van de film in kwestie – ‘White and Lazy’ getiteld.
Vervolgens horen we een reeks nummers voor ‘The Golden Boat’, die in amper één opnamesessie tot stand zijn gekomen. Zorn verknipte het geluidsmateriaal en herwerkte het tot een chaotisch geheel van “flarden”-muziek. Het eclecticisme viert hoogtij, maar zelfrelativering en humor lopen als rode draad doorheen de stukken.
Meest coherent zijn de arrangementen voor ‘She Must Be Seeing Things’, die als een doorlopende stroom aanvoelen. De precieze reden daarvoor is niet geheel duidelijk, maar Zorn laat meer tot stand komen en geeft verschillende ideeën een kans, zonder hen (meteen) te verdrinken in oorverdovend kabaal.
Als één muzikant echter bewijst dat ogenschijnlijk willekeurig 'lawaai' ook ontzettend mooi kan zijn, dan is het wel John Zorn. Het plezier dat uit ‘Filmworks I’ te puren valt is niet zozeer esthetisch, maar inherent aan de hoeveelheid energie en de intensiteit van de musicerende kliek. Ik ben oprecht benieuw naar de volgende 25 delen die op me liggen te wachten…
‘Filmworks I’ is een mengelmoes van soundtracks die Zorn tussen 1986 en 1990 componeerde. Het eerste deel van de cd leunt dicht aan bij punk-rock, maar dat schijnt overeen te stemmen met het karakter van de film in kwestie – ‘White and Lazy’ getiteld.
Vervolgens horen we een reeks nummers voor ‘The Golden Boat’, die in amper één opnamesessie tot stand zijn gekomen. Zorn verknipte het geluidsmateriaal en herwerkte het tot een chaotisch geheel van “flarden”-muziek. Het eclecticisme viert hoogtij, maar zelfrelativering en humor lopen als rode draad doorheen de stukken.
Meest coherent zijn de arrangementen voor ‘She Must Be Seeing Things’, die als een doorlopende stroom aanvoelen. De precieze reden daarvoor is niet geheel duidelijk, maar Zorn laat meer tot stand komen en geeft verschillende ideeën een kans, zonder hen (meteen) te verdrinken in oorverdovend kabaal.
Als één muzikant echter bewijst dat ogenschijnlijk willekeurig 'lawaai' ook ontzettend mooi kan zijn, dan is het wel John Zorn. Het plezier dat uit ‘Filmworks I’ te puren valt is niet zozeer esthetisch, maar inherent aan de hoeveelheid energie en de intensiteit van de musicerende kliek. Ik ben oprecht benieuw naar de volgende 25 delen die op me liggen te wachten…

John Zorn - Filmworks II: Music for an Untitled Film by Walter Hill (1996)

2,5
0
geplaatst: 28 februari 2009, 18:22 uur
Op de website van Tzadik Records, het label van John Zorn, staat verrassend weinig te lezen over deze ‘Music For An Untitled Film By Walter Hill’. Ook bij de Penguin Guide trekken ze er maar een 4-tal lijntjes voor uit, met het commentaar dat we deze release beter kunnen skippen. En ook ik blijf achter met een vrij leeg gevoel na het horen van dit tweede deel uit de prestigieuze 'Filmworks'-serie.
Het opzwepende gewriemel van de voorganger uit de reeks, met een hoog ‘X-Legged Sally’-gehalte (om zo maar een band te noemen), ruimt hier plaats voor een lang uitgesponnen soundscape (zoals hier mooi wordt beschreven), waarop Zorn zelf niet eens meespeelt. Het mag daarom geen wonder heten dat spontaniteit ver te zoeken is, en dat jazz hier als genre niet zozeer op zijn plaats is. Zonder het beeldmateriaal blijft deze ‘Music For An Untitled Film By Walter Hill’ een ingestudeerd, avant-gardistisch experiment.
Bovendien oogt het nogal vreemd dat Zorn juist voor een Walter Hill-film de muziek wilde verzorgen, terwijl de man voornamelijk in Hollywood-actief is (zie Moviemeter). Soit...
Echter, laat ons volledig zijn. Werkelijk lelijk klinkt het allemaal namelijk niet, maar Zorn laat het geheel ontzettend snel evolueren en probeert met een handvol parameters enkele bevreemdende dingen uit. De humor, die ‘Filmworks I’ voor mij zo geslaagd maakte, blijft hier grotendeels afwezig, en dat is het grootste mankement. Wie ambitieus wil zijn, moet immers een welomlijnde compositie afleveren die ergens naartoe gaat. Of dat denk ik er toch van.
Het opzwepende gewriemel van de voorganger uit de reeks, met een hoog ‘X-Legged Sally’-gehalte (om zo maar een band te noemen), ruimt hier plaats voor een lang uitgesponnen soundscape (zoals hier mooi wordt beschreven), waarop Zorn zelf niet eens meespeelt. Het mag daarom geen wonder heten dat spontaniteit ver te zoeken is, en dat jazz hier als genre niet zozeer op zijn plaats is. Zonder het beeldmateriaal blijft deze ‘Music For An Untitled Film By Walter Hill’ een ingestudeerd, avant-gardistisch experiment.
Bovendien oogt het nogal vreemd dat Zorn juist voor een Walter Hill-film de muziek wilde verzorgen, terwijl de man voornamelijk in Hollywood-actief is (zie Moviemeter). Soit...
Echter, laat ons volledig zijn. Werkelijk lelijk klinkt het allemaal namelijk niet, maar Zorn laat het geheel ontzettend snel evolueren en probeert met een handvol parameters enkele bevreemdende dingen uit. De humor, die ‘Filmworks I’ voor mij zo geslaagd maakte, blijft hier grotendeels afwezig, en dat is het grootste mankement. Wie ambitieus wil zijn, moet immers een welomlijnde compositie afleveren die ergens naartoe gaat. Of dat denk ik er toch van.

José James - Blackmagic (2010)

3,5
0
geplaatst: 26 februari 2010, 23:00 uur
Een nieuwe richting voor José James, wat een verrassend fris album oplevert. Helaas kan 'Blackmagic' niet tippen aan 'The Dreamer'.
Uitgebreide recensie.
Uitgebreide recensie.
José James - The Dreamer (2008)

4,0
0
geplaatst: 18 april 2009, 09:48 uur
Ik ben absoluut niet vertrouwd met vocale jazz, en het nogal dandyeske uiterlijk van José James deed me een halve r&b-set verwachten met wat flauwe solo’s en afgezaagde arrangementen. Niets blijkt echter minder waar: het ware genie van James blijkt juist uit zijn intieme en eigenzinnige composities, die nu eens hun inspiratie puren uit de blues, maar een andere keer moeilijker harmonieën opzoeken die het ook voor de vocalist zelf een uitdaging maken om niet vals te zingen. Opener ‘The Dreamer’ is bijvoorbeeld een gevoelig lied dat opborrelt uit de onderbuik, waarin James zijn stem perfect meester is en de noten stuk voor stuk perfect plaatst waar ze moeten komen.
Een grote verdienste gaat echter ook naar de band die José James rond zich heeft verzameld. Doorheen het album horen we prachtige solo’s van trompet (Omar Abdulkarim), gitaar (Gal Ben Haim) en vooral piano (oa. Nori Ochiai), die zijn op zich al rijke universum nog extra in de verf weten te zetten.
Bovendien zorgen zij er mede voor dat het album geen cyclisch gegeven wordt (zoals zo vaak bij vocale jazz), maar dat het blijft pulseren en een steeds zwoeler en intiemer spectrum van de jazz bestrijkt. Meesterlijk!
Bijgevolg klinkt ‘The Dreamer’ nergens als een in scène gezette “one man”-show, maar juist voortdurend als een gezellige babbel op vertrouwelijke voet. En daar hou ik wel van…
Een grote verdienste gaat echter ook naar de band die José James rond zich heeft verzameld. Doorheen het album horen we prachtige solo’s van trompet (Omar Abdulkarim), gitaar (Gal Ben Haim) en vooral piano (oa. Nori Ochiai), die zijn op zich al rijke universum nog extra in de verf weten te zetten.
Bovendien zorgen zij er mede voor dat het album geen cyclisch gegeven wordt (zoals zo vaak bij vocale jazz), maar dat het blijft pulseren en een steeds zwoeler en intiemer spectrum van de jazz bestrijkt. Meesterlijk!
Bijgevolg klinkt ‘The Dreamer’ nergens als een in scène gezette “one man”-show, maar juist voortdurend als een gezellige babbel op vertrouwelijke voet. En daar hou ik wel van…

Joshua Redman - Back East (2007)

3,0
0
geplaatst: 10 maart 2009, 23:08 uur
Donderdag aanstaande komt Joshua Redman met het ‘Back East’-trio naar de Gentse Bijloke, en omdat ik nog niet helemaal zeker was of ik het concert zou meepikken of niet, besloot ik het album alvast een keertje te draaien. Ik ben in geen geval fan van een pianoloze bezetting, maar hier en daar duiken op het net lovende recensies op over Joshua Redman, evenals in onze jazzbijbel - de Penguin Guide.
Redman wordt vaak de kwaliteit toegeschreven dat hij met transparante structuren en een simpel idioom toch hele verhalen kan vertellen. Op ‘Back East’, waarbij hij louter omringd wordt door een ritmesectie, is daar echter niet zoveel van te horen. In navolging van wat Sonny Rollins in de jaren ’60 al deed, vult hij de vele gaten die in deze onorthodoxe bezetting vallen op met weliswaar evidente thema’s, versterkt door duetten met oa. Joe Lovano of vader Redman en aangevuld met huppelende, zwalpende, voornamelijk vreemde improvisaties.
Zoals gevreesd komt de bezetting over het algemeen nogal “eng” over, en noch de composities, noch de improvisaties grijpen echt naar de keel. Redman heeft een eigenzinnige manier van opbouwen (of helemaal geen), en de ritmesectie respecteert de heersende conventies. Op zich een nogal saaie bedoening, denkt u, maar dat is buiten Redmans bezieling gerekend, die de nummers af en toe volledig opentrekt.
Meest interessant zijn dan ook de tracks die daadwerkelijk hun oorsprong vinden in Oosterse harmonieën. Wanneer Redman de laagste en de hoogste registers van zijn sax bespeelt, terwijl de begeleiding heupwiegend mee-mijmert (en vooral niet teveel aandacht opeist), komt de lyriek naar boven en horen we spiritueel getinte improvisaties die uitmonden in geestdriftige jazz pur sang. Slechts 'Zarafah' en 'Mantra No. 5' wisten mij op die manier van mijn sokken te blazen, al bevatten ook andere nummers referenties naar de Oosterse muziekbeleving.
Het gevoel dat ik aan ‘Back East’ overhoudt is echter nogal dubbelzinnig: Joshua Redman trippelt op de grens met de Oosterse muziek, maar durft zich nooit ver weg van de geijkte paden begeven. Zelfs in eigen land hebben we iemand (Manuel Hermia), die doet waar Redman alleen maar van dromen kan: de vrije improvisatie uit de jazz vermengen met hindi-raga’s, met een diep geworteld eindresultaat.
Redman heeft in het afgelopen decennium misschien heel wat betekend voor de jazz, maar donderdag zal hij het zonder mij moeten stellen. ‘Back East’ is een onvermoeibaar sprankelend glas spuitwater, zonder de exquise smaak van een groepje meesters onder elkaar. Of maak ik het nu te bont...?
Redman wordt vaak de kwaliteit toegeschreven dat hij met transparante structuren en een simpel idioom toch hele verhalen kan vertellen. Op ‘Back East’, waarbij hij louter omringd wordt door een ritmesectie, is daar echter niet zoveel van te horen. In navolging van wat Sonny Rollins in de jaren ’60 al deed, vult hij de vele gaten die in deze onorthodoxe bezetting vallen op met weliswaar evidente thema’s, versterkt door duetten met oa. Joe Lovano of vader Redman en aangevuld met huppelende, zwalpende, voornamelijk vreemde improvisaties.
Zoals gevreesd komt de bezetting over het algemeen nogal “eng” over, en noch de composities, noch de improvisaties grijpen echt naar de keel. Redman heeft een eigenzinnige manier van opbouwen (of helemaal geen), en de ritmesectie respecteert de heersende conventies. Op zich een nogal saaie bedoening, denkt u, maar dat is buiten Redmans bezieling gerekend, die de nummers af en toe volledig opentrekt.
Meest interessant zijn dan ook de tracks die daadwerkelijk hun oorsprong vinden in Oosterse harmonieën. Wanneer Redman de laagste en de hoogste registers van zijn sax bespeelt, terwijl de begeleiding heupwiegend mee-mijmert (en vooral niet teveel aandacht opeist), komt de lyriek naar boven en horen we spiritueel getinte improvisaties die uitmonden in geestdriftige jazz pur sang. Slechts 'Zarafah' en 'Mantra No. 5' wisten mij op die manier van mijn sokken te blazen, al bevatten ook andere nummers referenties naar de Oosterse muziekbeleving.
Het gevoel dat ik aan ‘Back East’ overhoudt is echter nogal dubbelzinnig: Joshua Redman trippelt op de grens met de Oosterse muziek, maar durft zich nooit ver weg van de geijkte paden begeven. Zelfs in eigen land hebben we iemand (Manuel Hermia), die doet waar Redman alleen maar van dromen kan: de vrije improvisatie uit de jazz vermengen met hindi-raga’s, met een diep geworteld eindresultaat.
Redman heeft in het afgelopen decennium misschien heel wat betekend voor de jazz, maar donderdag zal hij het zonder mij moeten stellen. ‘Back East’ is een onvermoeibaar sprankelend glas spuitwater, zonder de exquise smaak van een groepje meesters onder elkaar. Of maak ik het nu te bont...?



