Hier kun je zien welke berichten unaej als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Gary Peacock / Bill Frisell - Just So Happens (1994)

2,5
0
geplaatst: 5 april 2009, 19:48 uur
Niettegenstaande het feit dat de lyricus in mij bij een album als ‘Just So Happens’ niet bepaald aan zijn trekken komt, vind ik deze samenwerking tussen de grootheden Frisell en Peacock best intrigerend. Zoals sq al aangeeft klinkt de sessie op geregelde tijdstippen alsof ze zomaar ontstaat, zonder bijzondere composities, grote terugkerende thema’s of andere cyclische gegevens. Peacock begint zomaar te tokkelen, en Frisell valt in wanneer het hem zint…in de praktijk kan de theoretische idee achter jazz niet zuiverder worden uitgevoerd. ‘Just So Happens’ is een soort zoektocht naar nieuwe technieken, naar nieuwe communicatievormen binnen het genre, zonder veel analyse vóór of tijdens het spelen.
Daar houdt het boeiende aan dit album echter ook op. Peacock komt slechts zelden snedig uit de hoek, en vertelt (naar mijn bescheiden mening) niet de meest meeslepende verhalen op zijn bas. Frisell hoor ik gelukkig liever bezig, met zijn zachte getokkel, nooit te beroerd om een stukje blues-scale tussen zijn improvisatie te zwieren. Ook hij loopt echter vast in het beperkte idioom van deze plaat: uiteindelijk zijn ze “maar met z’n tweeën”, en de leemtes die her en der vallen worden (doelbewust?) niet opgevuld.
Mijn gevoel bij dit album blijft heel ambigu: enerzijds lijkt het een intieme, onvoorbereide opname (vandaar de leemtes misschien), anderzijds wordt er op een soort ongrijpbaar, transcendent niveau gecommuniceerd dat het haast “musica reservata” lijkt - jazz voor een stelletje intellectuele ingewijden. Of praten Frisell en Peacock gewoon langs elkaar heen, zoals in een gesprekje dat zomaar plaatsvindt (“just so happens”)?
Daar houdt het boeiende aan dit album echter ook op. Peacock komt slechts zelden snedig uit de hoek, en vertelt (naar mijn bescheiden mening) niet de meest meeslepende verhalen op zijn bas. Frisell hoor ik gelukkig liever bezig, met zijn zachte getokkel, nooit te beroerd om een stukje blues-scale tussen zijn improvisatie te zwieren. Ook hij loopt echter vast in het beperkte idioom van deze plaat: uiteindelijk zijn ze “maar met z’n tweeën”, en de leemtes die her en der vallen worden (doelbewust?) niet opgevuld.
Mijn gevoel bij dit album blijft heel ambigu: enerzijds lijkt het een intieme, onvoorbereide opname (vandaar de leemtes misschien), anderzijds wordt er op een soort ongrijpbaar, transcendent niveau gecommuniceerd dat het haast “musica reservata” lijkt - jazz voor een stelletje intellectuele ingewijden. Of praten Frisell en Peacock gewoon langs elkaar heen, zoals in een gesprekje dat zomaar plaatsvindt (“just so happens”)?

Gato Barbieri & Dollar Brand - Confluence (1968)
Alternatieve titel: Hamba Khale!

3,5
0
geplaatst: 27 juli 2008, 19:04 uur
Ondanks het zonnige weer en de hoge temperaturen, of misschien juist daardoor, achtte ik de tijd rijp om me nog eens aan 'Confluence' te wagen, een plaat die me al bezighield vanaf de eerste keer dat ik ze hoorde (uiterlijk dinsdag
). Ze heeft iets magisch over zich, zo intiem is het tastende "samenvloeien" van de musici. Waarnaar zijn ze op zoek? Geen mens die het kan zeggen, het doet er ook niet toe. Voor deze graad van abstractie, voor "free jazz met tonale gronden", lijken de middelen tot musiceren haast ontworpen. Woorden bevuilen alleen maar het mysterie, zinnen bevlekken het magische raadsel dat Gato Barbieri en Dollar Brand geschapen hebben. Laat ik het dus kort houden. 
Zeer zeker blijft '81st Street' hét nummer van 'Confluence': de bezwerende pianopartij is een draaikolk op open zee, Barbieri het bootje dat mee onder duikt. Welke emoties plakt men hier op? Geen, of ten hoogste gevoelens die zich niet in woorden laten omzetten. De zinloosheid van etiquettering wordt hierbij ten spits gedreven.
Poëtisch misschien eens proberen? Muziek die snijdt in de ziel. Het doet geen pijn, ook geen deugd. Maar iets dat niets doet, is dat wel? Waar vloeien Barbieri en Brand uiteindelijk samen? Ergens op oneindig, in een niets, op het snijpunt van twee envenwijdige rechten?
We zijn afgedwaald. Wat te zeggen over het openingsnummer? Niets.
'Hamba Khale!' daarentegen is eenvoudig, en ook enigszins misplaatst in deze context: een kort riedeltje wordt eindeloos herhaald – wie had het onlangs ook weer over het eeuwige gezoem? – en wat zou dat...? Zijn Barbieri en Ibrahim dan toch iets als slangenbezweerders, maar dan...ten gunste van de mens?
Ook hier is echter sprake van een bepaalde samenvloeiing, in de meest conventionele zin van het woord - wie gaat immers ontkennen dat piano en sax keurig samen gaan?
En 'To Elsa'?, de magistrale aanloop naar straat 81? Ook hier schiet alle vocabularium te kort.
Hoe ijdel deze poging om ook maar iets over 'Confluence' te zeggen. Mogen de woorden mij vergeven zijn – het raadsel is gelukkig niet ontrafeld...
). Ze heeft iets magisch over zich, zo intiem is het tastende "samenvloeien" van de musici. Waarnaar zijn ze op zoek? Geen mens die het kan zeggen, het doet er ook niet toe. Voor deze graad van abstractie, voor "free jazz met tonale gronden", lijken de middelen tot musiceren haast ontworpen. Woorden bevuilen alleen maar het mysterie, zinnen bevlekken het magische raadsel dat Gato Barbieri en Dollar Brand geschapen hebben. Laat ik het dus kort houden. 
Zeer zeker blijft '81st Street' hét nummer van 'Confluence': de bezwerende pianopartij is een draaikolk op open zee, Barbieri het bootje dat mee onder duikt. Welke emoties plakt men hier op? Geen, of ten hoogste gevoelens die zich niet in woorden laten omzetten. De zinloosheid van etiquettering wordt hierbij ten spits gedreven.
Poëtisch misschien eens proberen? Muziek die snijdt in de ziel. Het doet geen pijn, ook geen deugd. Maar iets dat niets doet, is dat wel? Waar vloeien Barbieri en Brand uiteindelijk samen? Ergens op oneindig, in een niets, op het snijpunt van twee envenwijdige rechten?
We zijn afgedwaald. Wat te zeggen over het openingsnummer? Niets.
'Hamba Khale!' daarentegen is eenvoudig, en ook enigszins misplaatst in deze context: een kort riedeltje wordt eindeloos herhaald – wie had het onlangs ook weer over het eeuwige gezoem? – en wat zou dat...? Zijn Barbieri en Ibrahim dan toch iets als slangenbezweerders, maar dan...ten gunste van de mens?
Ook hier is echter sprake van een bepaalde samenvloeiing, in de meest conventionele zin van het woord - wie gaat immers ontkennen dat piano en sax keurig samen gaan?
En 'To Elsa'?, de magistrale aanloop naar straat 81? Ook hier schiet alle vocabularium te kort.
Hoe ijdel deze poging om ook maar iets over 'Confluence' te zeggen. Mogen de woorden mij vergeven zijn – het raadsel is gelukkig niet ontrafeld...
George Lewis - Chicago Slow Dance (1981)

2,0
0
geplaatst: 10 april 2009, 11:24 uur
Hier is 'ie dan (er komt altijde en recensie hoor, korenbloem
):
Alle gekheid op een stokje…en mag muziek nu nog ergens over gaan ook? Waar ik bij ‘Episteme’ het evenwicht tussen compositie en improvisatie al moeilijk vond, wordt dat hier nog moeilijker. Het geheel lijkt spontaan gemusiceerd, maar er wordt zodanig weinig naar elkaar geluisterd en tegelijk zo hard geprobeerd naar bepaalde clusters toe te werken dat je je gaat afvragen hoe een dergelijke experiment eigenlijk op het moment zelf kan ontstaan.
We mogen ons niet blindstaren op het enigszins verwante ‘Episteme’, maar ik trek de vergelijking toch even door: waar Anthony Davis op een repetitief fundament een soort trance trachtte op te wekken, waarna dit fundament te larderen met min of meer harmonische improvisaties, haalt George E. Lewis die grondslag uit zijn muziek.
Daardoor ontstaat heel bewust een soort flarden-gedicht, “poëzie” die in het eerste deel nog uitmondt in een mooie saxsolo. Doorheen het tweede deel wordt het echter volstrekt onmogelijk om de aandacht erbij te houden, en na half ingedut te zijn eindigt het album met een absurde “dialoog” tussen Lewis en Ewart (of is het Parran?) – een moment dat symbool staat voor alle kleine ‘miniaturen’ die ‘Chicago Slow Dance’ interessant zouden moeten maken.
Niet bevorderlijk voor het geheel is bovendien de afgrijselijke geluidskwaliteit (of ligt dat aan mijn opname?). In een sessie waarbij de “breekbare geluiden” van tel zijn hoor je het doffe geruis van een plaat te vermijden…maar het is helaas niet anders.
Om kort te gaan: niet door en door lelijk, maar gewoon té vergezocht en bijgevolg té oninteressant om mij als jazz-fan of als modern-klassiek estheet te boeien.
):Alle gekheid op een stokje…en mag muziek nu nog ergens over gaan ook? Waar ik bij ‘Episteme’ het evenwicht tussen compositie en improvisatie al moeilijk vond, wordt dat hier nog moeilijker. Het geheel lijkt spontaan gemusiceerd, maar er wordt zodanig weinig naar elkaar geluisterd en tegelijk zo hard geprobeerd naar bepaalde clusters toe te werken dat je je gaat afvragen hoe een dergelijke experiment eigenlijk op het moment zelf kan ontstaan.
We mogen ons niet blindstaren op het enigszins verwante ‘Episteme’, maar ik trek de vergelijking toch even door: waar Anthony Davis op een repetitief fundament een soort trance trachtte op te wekken, waarna dit fundament te larderen met min of meer harmonische improvisaties, haalt George E. Lewis die grondslag uit zijn muziek.
Daardoor ontstaat heel bewust een soort flarden-gedicht, “poëzie” die in het eerste deel nog uitmondt in een mooie saxsolo. Doorheen het tweede deel wordt het echter volstrekt onmogelijk om de aandacht erbij te houden, en na half ingedut te zijn eindigt het album met een absurde “dialoog” tussen Lewis en Ewart (of is het Parran?) – een moment dat symbool staat voor alle kleine ‘miniaturen’ die ‘Chicago Slow Dance’ interessant zouden moeten maken.
Niet bevorderlijk voor het geheel is bovendien de afgrijselijke geluidskwaliteit (of ligt dat aan mijn opname?). In een sessie waarbij de “breekbare geluiden” van tel zijn hoor je het doffe geruis van een plaat te vermijden…maar het is helaas niet anders.
Om kort te gaan: niet door en door lelijk, maar gewoon té vergezocht en bijgevolg té oninteressant om mij als jazz-fan of als modern-klassiek estheet te boeien.
