menu

Hier kun je zien welke berichten unaej als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Adam Pieroñczyk Trio - Live in Berlin (2007)

3,0
Adam Pieroñczyk is geen bekende saxofonist in onze streken, noch de muzikanten die hem omringen. Reden te meer om hen de aandacht die Jesse hen heeft willen geven, te gunnen. Drummer Krzysztof Dziedzic speelt enorm geïnspireerd en zit niet verlegen om enkele zware, funky grooves neer te leggen. Anderzijds kan hij ook heel teder begeleiden of ongeremd de vrijheid in duiken, het hangt er vanaf hoe het hem uitkomt. Bassist Ed Schuller heeft niet zo’n breed scala aan kwaliteiten, maar laat prachtige melodische solo’s horen. Het droge getokkel waarin vele van zijn lotgenoten verzeild raken, overstijgt hij moeiteloos. Adam Pieroñczyk zelf vervolledigt het trio en tekent voor zowel het leeuwendeel van de solo’s als voor de composities.

Die zware verantwoordelijkheid gaat Pieroñczyk helaas niet bijster goed af. De composities zijn humoristisch en origineel, dus daar ligt het niet aan. Zijn instrument beheerst hij meer dan goed, maar af en toe klinken zijn improvisaties nogal zoutloos. Dziedzic lijkt de enige te zijn die wat vuur in de sessie wil steken, maar Schuller en Pieroñczyck worden op den duur nogal vlak. De klank van het trio gaat bijna vervelen, tot een grappige vocale intro of het explosieve slotnummer ons alsnog even wakker komen schudden.

Interessante formatie, dat zeker, met getalenteerde en vooral ondergewaardeerde musici die elkaar duidelijk inspireren. Alleen valt deze “intieme” set (zoals het album op verschillende sites lovend wordt bezongen) nogal eentonig uit.

Aka Moon, Baba Sissoko & Black Machine - Culture Griot (2009)

2,0
Jazz met een werelds tintje, of was het net andersom...?

Uitgebreide review.

Albert Ayler Quartet - The Hilversum Session (1964)

3,0
Mijn eerste Ayler, en meteen al een moeilijk album. Ofwel is het de vermoeidheid, ofwel scheelt er wat met de mixage (bas en drums zitten teveel naar de voorgrond, terwijl trompet en sax in de diepte verdwijnen), ofwel is ‘The Hilversum Session’ gewoon een heel hermetische set. Let wel, dat bedoel ik niet slecht: de muzikanten spelen niet elk op hun eigen eiland, en zoals Ik Doe Moeilijk al zei zitten de dialogen tussen Cherry en Ayler als gegoten. Alleen lijkt het alsof er verder niets meer bij kan, wat een behoorlijk “eng” effect met zich mee brengt.

Verder kan ik mijn gevoelens niet zo goed uitdrukken - genoeg dus over mijn psychologische ervaringen. Stilistisch sluit het album (denk ik) aan bij de vroege Ornette Coleman-albums. Ook hier zijn de composities immers opgebouwd via vraag en antwoord tussen sax en trompet, waarna één van beide instrumenten spectaculair een solo intuimelt.
Wat opvalt is dat noch Ayler, noch Cherry de drang voelen om het harmonisch materiaal "kapot te maken", en ze houden hun solo’s (ondanks alle expressie) behoorlijk verzorgd. Dat maakt ‘The Hilversum Session’ enerzijds heftig, maar tegelijk nog net
(ver)dragelijk.

Verder denk ik dat de tijd voor mij nog steeds niet rijp is wat betreft Coleman of Ayler. Doe mij maar een barokker album - al heeft sobere emotie ook zijn charme. Volgens mij is het slechts een kwestie van tijd vooraleer ‘The Hilversum Session’ me al zijn geheimen zal prijs geven.

Alexander von Schlippenbach - Twelve Tone Tales, Vol. 1 (2005)

3,0
Het moet ergens midden in de nacht geweest zijn, toen een stuk uit de ‘Twelve Tone Tales’ van deze Alexander von Schlippenbach op Radio Klara passeerde. Mijn interesse was meteen gewekt, omdat Von Schlippenbach binnen het gewaagde conceptuele systeem (cfr. infra) toch zijn scherpte wist te bewaren en een duidelijk afgelijnd nummer neerzette – of dat was mijn indruk toendertijd.
Dit toch wel bijzonder concept hoeft misschien een beetje uitleg? Wat von Schlippenbach doet is – zoals de titel al doet vermoeden – de dodecafonische principes van de Tweede Weense School toepassen, volgens welke geen enkele noot belangrijker mag zijn dan een andere. De heel strikte navolging van de theorie vereist dat geen enkele noot màg voorkomen vooraleer de overige 11 de revue zijn gepasseerd (halve tonen inclusief). Dit resulteert uiteraard in muziek waar ‘melodie’ totaal anders wordt benaderd, en waarin lyriek een stille dood beschoren lijkt.

Alexander von Schlippenbach gaat echter niet zover in de toepassing van het systeem. Zo imiteert hij bepaalde fragmenten uit zijn improvisaties, waardoor de ‘Twelve Tone Tales’ geen zuiver “machinaal” werk (kunnen) zijn. Niemand zal hier bovendien Schönberg in terug horen, al is het harmonisch materiaal absoluut gelijk. Von Schlippenbach slaagt er dus op één of andere manier in om toch een portie jazz te injecteren, en dat is dé verdienste van dit album.
Toch zal deze plaat vooral bij het free-jazz-publiek moeten scoren, want ondanks hier en daar een beklemmend, indringend moment lijkt von Schlippenbach buitengewoon op drift. Nergens is er ook maar een klein houvast, en na een goed half uur ga ik al kopje onder. Dat von Schlippenbach nog een half uur langer blijft vertellen, kan mij gestolen worden. Nuttigen met mate is dus de boodschap!

Alexander von Schlippenbach Trio - Pakistani Pomade (1972)

Alexander von Schlippenbach, “de brave Duitser die pas gevaarlijk wordt eenmaal we hem achter een piano laten plaatsnemen”. Ik kende de man al van één van zijn recente Monk-interpretaties: virtuoos, grappig, en vooral heel eigenzinnig. En bovenal dat laatste is voor een pianist van cruciaal belang: de vrijheid induiken op een piano is immers niet zo eenvoudig als op menig ander intstrument, omdat je het middel “piano” niet zodanig kunt verkrachten tot het “anders” klinkt. De pianist kan niet, zoals een blazer, alles in een keer vergeten en gewoon in 'overkill' gaan, dat werkt nu eenmaal niet. Kijk naar het soleerwerk van Cecil Taylor in het ‘Jazz Composer’s Orchestra’: meer dan gelijk wie heeft hij, op het moment van zijn nieuwe creatie, zijn instrument in de hand. In tegenstelling tot, laat ons zeggen, Steve Lacy, die juist verplicht lijkt te vergeten hoe je "behoorlijk" op een sax blaast, eenmaal hij aan het spelen gaat.

En toen was er ‘Pakistani Pomade’, een trio-plaat die de naam draagt van de pianist, maar waarop eigenlijk veel te weinig piano op te horen is.
U hebt reeds begrepen, uit wat ik zonet schreef, dat ik principieel afkeurig sta tegenover het sax-geluid dat Evan Parker (miraculeus genoeg) uit zijn instrument tovert: dit heeft niets meer met emoties te maken, dit is gek doen om gek te doen. Bovendien zwelgt ‘Pakistani Pomade’ in een festijn voor de percussie-liefhebbers: alles waar op geklopt kan worden wordt aangewend om toch vooral te laten horen dat er ook geluid uit komt. Hier lijkt wel een huis-tuin-keuken-hobbyclub aan het werk – als u mij toestaat deze “muziek” zoveel oneer aan te doen.
De enige momenten dat de plaat mij daadwerkelijk prikkelt zijn dan ook diegene waarin von Schlippenbach zelf zijn klavier aftast. Ook hij heeft snel de neiging om in een onbeheersd “rammen” te vervallen, maar zo af en toe laat hij wat aangename 'percussieve lyriek' horen. Als dat al geen contradictie is...

En daar raken we meteen de kern waarom ‘Pakistani Pomade’ me wellicht nooit veel zal doen: de lyricus in mij komt hiermee gewoon absoluut niet aan zijn trekken.
Dat von Schlippenbach revolutionair (en dus belangrijk) geweest is zal ik absoluut niet ontkennen, maar wat mij betreft heeft hij een traditie geschapen die buiten ‘jazz’ valt. Want ik voel hier absoluut niets bij. Of was het hem daar juist om te doen?

Anat Fort - A Long Story (2007)

3,5
Er zijn al meer dan genoeg verhandelingen geschreven over wat ECM nu precies tot ECM maakt. Bestaat er eigenlijk wel iets als "een geluid" dat louter aan "een label" gekoppeld kan worden; en hoe onstaat zoiets? Het zouden geloofsvragen kunnen zijn waar de jazz-parochiaan mee worstelt. Ik worstel, maar geloof tegelijk.

Neem nu Anat Fort. Langzaam maar zeker dompelt deze dame ons onder in haar eigen wereldje, haar hoogst persoonlijke, weliswaar "gekuiste" (we hebben het immers over ECM ), universum. Een leidmotief loopt als rode draad doorheen zachte memoires, kleurenspelletjes als het ware. ECM ontstijgt eens te meer zijn status als 'jazz'-label, juist omdat hier zo weinig muzikale 'jazz' inzit. Alleen ademen we wel de "juiste" sfeer, ruiken we het 'vrije' boeket en voelen we de 'tedere' streling.

Geen eenzijdig lofzang echter voor Anat Fort. Daarvoor is 'A Long Story' te weinig een pulserend geheel: Fort"s notenspel als vallende bladeren ontroert mij, maar ik heb niet het geval naar iets organisch te luisteren dat zich daadwerkelijk ontwikkelt. Wat bindt het leidmotief uiteindelijk samen? Ik vind er geen antwoord op. Het bakent louter de grenzen af van een aangename plaat, een lang 'sketchbook' - om in de verhalende terminlogie te blijven. Eenmaal de rode draad verstek geeft is het weer tijd om te ont-waken. Dank je, ECM, het was een fijne droom.

Anthony Davis - Lady of the Mirrors (1980)

3,5
Vreemd dat korenbloem juist bij ‘Solo II’ van Baptiste Trotignon naar dit album van de reeds gekende Anthony Davis verwijst. De verwantschap betreffende de linker- en de rechterhand die elk hun eigen weegs gaan mag dan misschien ergens wel kloppen, het opzet is totaal verschillend. Waar Baptiste Trotignon zijn lyrische hersenspinsels botviert via ingetogen composities, geldt Anthony Davis duidelijk als iemand die zijn weg zoekt en het klavier op het moment zelf aftast. Van "lyrische hersenspinsels" is dus weinig sprake...

Dat heeft een heel ambigu gevolg. Opener ‘Beyond Reason’ en afsluiter ‘Whose Life’ dragen allebei het plechtstatige karakter in zich van wat we kunnen spiegelen aan Trotignons werkwijze: majestueus vloeit de melodie uit de piano, schijnbaar moeiteloos (met weinig noten), maar emotioneel erg zwaar op de hand.
‘Man on a Turquoise Cloud’ schemert dan weer in tussen frivool en diepzinnig, en houdt op die manier het midden tussen eerder genoemde nummers en de meer abstracte composities op ‘Lady of the Mirrors’. Zo is het "Schlippenbachiaanse" titelnummer een zweverige reflectie op melodie. Vanuit harmonische flarden bouwt Davis een tergend nummer op dat zich naar een harde finale sleept.

Analyseren werkt echter niet bij jazz, dat hebben we lang geleden van collega pretfrit geleerd. Wat doet dit album met een mens, dàt is de hamvraag? Niet zo eenvoudig te beantwoorden overigens, want aan welke parameters spiegelen we onze mening? Esthetiek is hier immers niet langer een doel, en daarom moet ik af en toe nodig slikken... We kunnen anderzijds niet anders dan vol bewondering toezien hoe Anthony Davis zijn piano vol verwondering herontdekt.
Bijgevolg zou ik, ondanks de verwantschap met ‘Solo II’, durven postuleren dat beide albums lijnrecht tegenover elkaar staan. Waar Davis de vooronderstelling jazz langs de kant zet en ze probeert her uit te vinden, gebruikt Trotignon haar om terug tot de essentie van “lichte” muziek door te dringen – met impressionistische stukjes als resultaat. Voor beide zienswijzes valt wat mij betreft te pleiten...