MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten unaej als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Painkiller - 50th Birthday Celebration, Vol. 12 (2005)

poster
4,0
De ultieme plaat der lefgozers, als je het mij vraagt. Roepen, schreeuwen en tieren wordt binnen ‘Painkiller’ moeiteloos afgewisseld met lyriek, funk, en dichterlijke fantasieën. Als pijnstiller doet dit album geen wonderen, maar als catharsis is dit een absolute aanrader.

Het is Hamid Drake aan de drums die dit zootje ongeregeld samen houdt. De andere jazz-albums die we van hem kennen lieten een rasechte jazz-drummer vermoeden, maar blijkbaar gaat er achter deze figuur tevens een meester in rock-ritmes schuil. Nimmer was de drums zo prominent aanwezig als scheidsrechter, Zorn en Laswell op tijd en stond op de vingers tikkend. Hij bewaart, samen met de luisteraar, het overzicht, terwijl zijn collega-musici desondanks de ruimte krijgen die ze nodig hebben.

Dan zijn er natuurlijk Laswell en Patton, die van ‘50th Birthday Celebration’ een ware metal-plaat dreigen te maken. Laswell heeft echter genoeg tact om het geheel niet in een burleske karikatuur van jazz te veranderen, want hij blijft het wilde, onvoorspelbare en ontembare idioom van de groep getrouw. Die Mike Patton is bovendien wel een geestige toevoeging, omdat je op bepaalde momenten niet weet of Zorn aan het piepen is, of Patton himself aan het bulderen.

En dan is er John Zorn himself, die de belichaming is van de verfijning binnen deze losbandige kliek. Nu eens vinden we hem met loepzuivere lijnen vol poëtische fratsen, dan verzinkt hij weer in heerlijke, snoeiharde “piep-knor”-improvisaties. Altijd even spontaan, nooit overdreven en met een ongeloofelijke naturel doet de man lekker waar hij zin in heeft.

De kracht van een album als dit is dat we muzikanten aan het werk horen die op geen enkel moment verlegen zitten om ideeën, en toch respect hebben voor elkanders exploraties en de tijd nemen om te luisteren naar wat rondom hen gebeurt.
Van alle free-jazz die ik tot op heden heb gehoord, is dit de meest coherente. Daar hoort een half puntje belonding bij…

Pär Lammers Trio - Hinten Rechts , der Regen (2008)

poster
3,5
Wie met het Pär Lammers Trio een groep conventionele jazz-artiesten denkt in huis te halen, die heeft het niet bepaald bij het rechte eind. Het tegengestelde is echter evenmin van tel: grote vernieuwingen zijn in de charmante songs van dit Duitse trio ook niet aan de orde. Een beetje Esbjörn Svensson, een beetje 'Eple Trio'...de magische sfeer van het Noorden is kortom nooit veraf.

Wat is 'Hinten Rechts, Der Regen' nog meer? Een eclectische mix tussen vroeger en nu is één manier om de zaak te belichten, maar dat zegt weinig over de muziek zelf. Beter is om de voornaamste inspiratiebronnen van de musici te gaan onderzoeken, die we volgens mij vooral in de pop moeten gaan zoeken. Pianist Pär Lammers legt immers zoete en vrij repetitieve improvisaties neer, in composities met een ludieke wendbaarheid. Niet toevallig verklaart hij op MySpace dat 'The Beatles' of Fiona Apple hem na aan het hart liggen. Het wordt nergens te moeilijk en het trio speelt zodanig at ease dat een potentieel "ingestudeerd effect" geen kans krijgt.

Meest tot de verbeelding sprekend zijn de composities waarin vocaliste Jessica Sligter haar steentje komt bijdragen. Zij slaagt er namelijk in om de muzikanten net dat tikkeltje meer op te zwepen, waardoor het geheel aan intensiteit wint. Haar spaarzame en merkwaardig geprononceerde teksten wekken een bizar soort trance op. Hetzelfde geldt ruwweg voor gitarist Andy Arnold, die het slotnummer met een flitsende solo naar ongekende hoogtes tilt.

Desondanks geloof ik niet dat ‘Hinten Rechts, der Regen’ een groeier zou zijn - wat zou er immers nog moeten rijpen? Het Pär Lammers Trio maakt transparante jazz die heel natuurlijk aanvoelt, van het energieke begin tot het exploderende slot. Een knus plaatje, dat wel, maar wekelijks draaien zit er voor mij niet in.

Pascal Schumacher & Jef Neve - Face to Face (2010)

poster
3,0
Een album waar je in moet groeien. Intellectueel, maar ook zwoel en funky.

Uitgebreide recensie.

Pat Metheny Group - Imaginary Day (1997)

poster
3,0
Ik behoor niet tot de Pat Metheney-fans dezer planeet, en daar zie ik niet meteen verandering in komen. Zelfs bij het horen van het vrolijke, gevarieerde ‘Imaginary Day’ maak ik de bedenking wat iemand als Metheny in een jazz-landschap doet. Zijn gitaar doet vaker denken aan David Gilmour dan aan Jim Hall; zover zijn we dus afgeweken van de conventionele gitaarklank. Dat zou interessant kunnen zijn, maar bij Metheny resulteert het al te vaak in "new age"-albums - als ik Heemskerktollie schatplichtig mag zijn.

Vaak werken Metheny’s zijstapjes voor mij dus niet, maar ‘Imaginary Day’ is een uitzondering op de regel. Sentiment dat balanceert op het randje van de meligheid wisselt platte, ongecompliceerde rock-passages af, en dat zou dan jazz moeten zijn? Ja, want Metheny heeft een band achter zich die zowel melancholie als "swing" (als dat al de goede term is) weten te injecteren, waardoor deze plaat een soort adrenaline-rush doorheen verschillende stijlen wordt.

Ik heb intussen al geleerd dat we van Metheny geen tact moeten verwachten, maar muziek die zich ongecompliceerd laat beluisteren; muziek met pasklare emoties in een transparante vorm. Een formule die mij doet bibberen, maar op ‘Imaginary Day’ best wel meevalt. Vreemd toch, hoe onvoorspelbaar de menselijke psyche.

Paul Bley - Nothing to Declare (2004)

poster
3,5
Midden mei is Paul Bley in het land, vandaar dat ik langzaam maar zeker enkele recente solo-albums van de man wil gaan verkennen. Zijn meest recente opname bundelt 4 lange composities, waarvoor jazz-kenners Richard Cook en Brian Morton in hun Penguin Guide de volle pond geven.

Wie nog niet vertrouwd is met het idioom van Bley, kan de man herkennen aan zijn hoekige, flitsende spel dat ieder moment van richting kan veranderen. Die kenmerken worden de man wel vaker toegedicht, en wie ‘Nothing to Declare’ beluistert kan Paul Bley inderdaad plaatsen als een kubist, die met scherpe en welomlijnde stoten aan het improviseren slaat.
Eerlijk gezegd had ik me bij Bley een pianist voorgesteld die von Schlippenbach-gewijs de absolute vrijheid in duikt, maar zelfs op hoog-bejaarde leeftijd lijkt het hem veeleer te draaien om een funky, diep geworteld soort jazz. Niet voor niets heeft hij ervaring opgedaan in grotere (elektronische) bezettingen of bop-formaties: op ‘Nothing to Declare’ horen we iemand aan het werk die de traditie herkauwt tot een eigen vorm, waarin een grote verscheidenheid aan roots resoneren.

Zijn puntige stijl sluit een grote dosis lyriek echter niet uit, en dat maakt Paul Bley zo’n interessante verschijning. De man murmelt zelf zijn korte, melodische lijntjes mee op de achtergrond (zoals Keith Jarrett, inderdaad), vooraleer ze zelf te onderbreken en het over een lichtjes andere boeg te gooien.

‘Nothing to Declare’ is zeker een fijne kennismaking, maar toch staat Bleys spel wat mij betreft op losse schroeven. Zijn zoete linkerhand legt stilletjes ostinate bassen neer, terwijl zijn composities een steviger onderbouw verdienen. Bley verkeert op die manier misschien wel in de mogelijkheid om snel iets anders te gaan doen, maar zuigt de luisteraar bijgevolg niet altijd mee in zijn hersenspinsels.
‘Nothing to Declare’ schotelt ons een solide achtbaan voor, doorheen verschillende tableaus met enkele gemeenschappelijke kenmerken. Alleen had het album nog een stuk straffer gekund…

Paul Bley - Tears (1983)

poster
3,0
Wat een hermetisch muzikant is die Paul Bley toch! Toen ik vorige vrijdag een concert van de man bijwoonde dacht ik dat de vermoeidheid me parten speelde, aangezien ik zo weinig klaar zag in de muzikale reis die Paul Bley ter plekke klaarstoomde. Om die reden wou ik de man een nieuwe kans geven, en me dit keer met een uitgeslapen hoofd op zijn muziek te focussen.

‘Tears’ biedt echter weinig anders dan zijn live-performance van jongstleden: vaak wordt over de man gezegd dat hij “de noten zoekt en daartoe zijn klavier als het ware ontleedt, dissecteert”. Ik kan het er in feite alleen maar mee eens zijn: het aarzelende waarmee hij stukken melodie aanvat, en later weer abrupt afbreekt hebben wel iets van een dolgedraaide goudzoeker; het nauwgezette waarmee hij zijn lyriek anderzijds in korte, uitgekiemde en zweverige passages botviert, kan me vergelijken met een soort chirurgische precisie.
Aan de technische bagage zal het dus in ieder geval niet liggen... maar waaraan dan wel…?

Persoonlijk vrees ik dat de stijl me gewoon niet ligt. Bley sleurt ons nergens mee in zijn eigen universum, juist omdat zijn muzikale wereld slechts lijkt te bestaan uit fragmenten, uit stukjes van beelden…waardoor het totaalbeeld onvermijdelijk verborgen blijft. Het effect is dat je als luisteraar langzaam maar zeker wegdommelt, tenzij Bley zijn blues naar boven haalt, en werkelijk scheurende frasen uit zijn piano tovert (‘Flame’ of ‘For Roy E.’ schieten me meteen te binnen).
Toch nemen die momenten het gevoel niet weg dat Bley ineens teveel richtingen tegelijk uit wil, en zo onrustige jazz maakt, die nooit volledig “af” klinkt. Of zoals frankmulder het prachtig schetst: “…als een stuurloos bootje in rustig vaarwater.”

Paul Motian - Lost in a Dream (2010)

poster
4,0
Sfeervolle en dromerige aaneenschakeling van fijnzinnige ballades.

Uitgebreide review.

Pharoah Sanders - Love in Us All (1974)

poster
3,5
'To John'. Wat een joekel van een apocalyps, verdorie toch! Zo hart, zo extreem heeft Sanders het niet meer gedaan sedert 'Izipho Zam' (een "jeugdzonde" ), terwijl we nu in de 'Impulse!'-periode zitten waarin wordt aangenomen dat Sanders de pedalen kwijt was. 'To John' is zodanig gestoord dat 's mans mentale gezondheid inderdaad in twijfel kan worden getrokken, maar een "gek" maakt zo geen nummers, dat staat vast. Zelfs de doodsklokken, op het einde van het nummer, gaan er sneller van luiden.

Helaas is de plaat verkeerd opgebouwd: het rustig kabbelende 'Love is Everywhere' komt beter tot zijn recht bij een beluistering na het ferme wapengekletter. Het is wat ik een typische "gelofte van het paradijs" pleeg te noemen: een vrolijk musicerend ensemble dat wild om zich heen brult dat de liefde waarlijk overal om ons heen is. De liefhebbers kennen dat verhaal, maar dit keer heeft Sanders Leon Thomas niet meegebracht en schreeuwt hij er zelf als een bezetene op los. Wat betreft het vocale gedeelte is 'Love in Us All' dan ook een absoluut dieptepunt.

Ook de veranderde line-up van Sanders is een interessant gegeven. Cecil McBee blijft de strijkende bassist, maar op piano heeft Lonnie Liston Smith plaats geruimd voor Joe Bonner. De man permitteert zich meer vrijheid en vormt zo een tegenhanger voor Sanders: waar deze plots heel extreem wil gaan spelen houdt hij het gecontroleerd, en vice versa. Zo krijgt het collectief musiceren een extra dimensie, al kan Joe Bonner de briljante solo's van Smith helaas nergens evenaren. Elke medaille heeft zo zijn keerzijde, naar het schijnt...

Zeker een interessant album, dat helaas ook alleen gere-issued werd in Japan (denk ik toch). Voer voor fanaten.

Pharoah Sanders - Thembi (1971)

poster
3,5
Tussen 1969 en 1971 situeren we een muzikaal productieve periode die we Pharoah Sanders' gouden jaren zouden kunnen noemen. 'Karma' is een meesterwerk buiten proportie, 'Deaf, Dumb, Blind' een heerlijke "trip" (zoals we dat mogen zeggen bij de lang uitgesponnen tracks van zijn collectief) en 'Black Unity' een kanjer van formaat. 'Thembi' is een album uit diezelfde periode, dat qua sfeer en opzet iets intiemer overkomt, maar kwalitatief toch bij bovenstaande albums mag aansluiten. Sanders grijpt wat minder ambiteus terug naar de etnische grondlagen van de jazz, wat een album oplevert met een typisch geluid, doch een ietwat fragmentarisch karakter.

Dat heeft echter ook zo zijn voordelen. Het rustige 'Astral Travelling' waarmee het album opent, vormt meteen al een schril contrast met het uitzinnige 'Red, Black and Green'. De heerlijke rhodes van Lonnie-Liston Smith (die bovendien tekent voor een briljante solo in 'Morning Prayer'! ) en de diepe groovy bas van Cecil McBee, worden even later weggewalst door een letterlijk te interpreteren "wall of sound". Ondanks die wereld van verschil zindert één kenmerk specifiek door in beide nummers en dat is Sanders' vermogen om zijn sax te laten zingen. Hetzij in zuiver melodische passages, hetzij in regelrechte free jazz-stukken, altijd vertelt Sanders een aangrijpend verhaal; vrij, maar begrijpelijk; uitzinnig, maar niet pretentieus of provocerend.

Het prachtige aan 's mans muziek is juist dat al wie de klik maakt een rijke wereld ontdekt waarin zowat alle emoties als bezeten worden geëxploreerd, maar waarin verwondering voor het leven, passie en schoonheid eigenlijk centraal staan.
Ik weet het, ik maak me schuldig aan hippie-achtig-gebrabbel...maar dat krijg je nu eenmaal als je teveel naar Pharoah Sanders luistert. U weze gewaarschuwd!