menu

Hier kun je zien welke berichten korenbloem als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Marc Ribot Y Los Cubanos Postizos - The Prosthetic Cubans (1998)

2,5
Hmm, ik ga de rij van lovende reacties doorbreken.

Het gehele album deint een beetje voort, het mist spanning en emotie. Het spel van Ribot is zeker momenten goed, maar over het algeheel eenzijdig en tam. Het sterke punt van het album is de sfeer wat juist door de Cubaanse secties naar voren komen. Maar het figureert meer als een gimmick, in plaats van dat de totale improvisaties en composities naar een hoger plateau getild worden.
De sfeer is zomers, en misschien zelfs quasi erotisch. Maar het is en blijft quasi, er worden geen echte statements gemaakt in dit werk, wat m.i. echt uitermate zonde is.

Er is wel heel goed te horen, waar Tom Waits zijn ideeën vandaan heeft voor 80% van zijn platen in de jaren '00. Gek genoeg dacht ik ook een paar keer, dat deze plaat beter tot zijn recht zou kunnen komen met een vocalist(e). En dan gewoon als een rockjazz album (zoals tom waits vaak heeft laten horen).

Mark Stewart + the Maffia - Learning to Cope with Cowardice (1983)

4,0
Mark Stewart zei ooit eens:
"It was not punk. Punk had already happened. We were a year or two younger than the punk bands. And I'd always loved black music. I'd always gone to funk clubs… so I wanted to play funk. We really thought we were funky, but we couldn't play very well and we played out of time, so people thought we were avant-garde. All these old journalists would come up to you and start talking about Captain Beefheart. I couldn't stand Captain Beefheart. We thought we were like Bootsy Collins or something

Op Learning to Cope with Cowardice, creëert Stewart een extreem paranoïde sfeer, waarin de leden van de mafia hun radicale muzikale experimenten weten los te laten. Een tijd waarin de koude oorlog nog bestond. "Het grote gevaar" heeft een centrale rol in veel mensen levens en bepaalde het wereldbeeld. De wereld leefde in een soort isolement.
Deze ongrijpbare angst, lijkt centraal te staan in dit album.
Het album heeft een angstig en paranoïde sfeer van wanhoop, chaos en isolatie.

Stewart en the mafia hebben zich laten inspireren door verschillende stijlen van muziek. Hierdoor ontstaat er een mengeling van aritmische funk met een on dansbaar technobeat. Afrikaanse ritmes worden omgevormd tot abstracte elektronisch grooves.
Op het album wordt (zoals we misschien gewent zijn van stewart) wordt met elektro omgegaan alsof het freejazz is. Een grote variatie aan sterke baslijnen, drones, scatches strake aritmische electrodrums als gevolg.

Stewart + the mafia doen (ondanks de input van verschillende muziekstromingen) geen concencies. Ze weten een eigen sound te maken. Toch is de muziek van Stewart zelf zeer herkenbaar. De agressieve funk ritmes van The Pop Group zijn duidelijk terug te horen. Maar dat is goed. Ze weten heel duidelijk hun eigen weg te vinden met deze invloeden.
Wat mij betreft een erg goed en strak album, wat zeker meer stemmen verdient dan 7.

Max Roach - Percussion Bitter Sweet (1961)

4,0
Een geweldig album van Roach. Waarschijnlijk na We insist..... of misschien samen met We... zijn beste werk, althans wat ik tot nog toe gehoord heb.

De line-up is als volgt:

Booker Little - Trompet ;
Julian Priester - Trombone ;
Eric Dolphy - Alto, Bas Klarinet en fluit.
Clifford Jordan Tenor ;
Mal Waldron - Piano ;
Art Davis -Bas
Max Roach - Drums
Abbey Lincoln (Zang)

Prachtige plaat met zeer duidelijke Afrikaans en Cubaanse invloeden. Net als op We Insist! Max Roach's Freedom Now Suite (1960), combineert Roach maatschappelijk culturele problemen met Jazz muziek. Abbey Lincoln zingt een prachtige protestsong op Mendacity

De volgende nummers springen er vooral bovenuit: Gravey's Ghost (en dan vooral de laaste 4 minuten, hierin komt de afrikaans en Cubaanse percussie geluiden het best tot zijn recht) , Praise for Martyr, het nummer heeft prachtige solo's en mendacity. Het totale album ademt een energiek en krachtige sfeer uit.
Dit album heeft hart, ziel, maatschappelijke context en een zeer mooie technische spel.

Mercury Rev - Boces (1993)

4,5
Ik zal er niet om heen draaien mensen: ik ben enthousiast! Koop dit prachtige album! Op Amazon.co.uk is het album voor +/- €3,- euro excl te bestellen en voor de 7,95 bij zavvi.nl heb je ook een prima koopje .

Ik kan natuurlijk gaan vertellen hoe origineel deze noise rock plaat klinkt. Misschien minder psychedelisch als zijn voorganger, maar daarin tegen krijgen we hier een meer jazz-achtige sound, met voorzichtige dreampop invloeden.

Een sterk album en mijn herontdekking van deze maand! Meer wil ik op dit moment niet kwijt over dit fenomenale album.

Luister dit mensen!

Meredith Monk - Dolmen Music (1981)

5,0
ik kom net eigenlijk tot de conclusie dat hier toch echt 5* horen te staan. Een prachtige ervaring, wat je niet meer los laat.


Meredith monk laat een muzikaal landschap horen op dit album wat ongekend is. Ik luister met verbazing naar de tonen en het spelen van haar stem (heeft dit trouwens ook een officiële naam in de muziek wetenschap). Maar als je daar niet genoeg aan hebt, luister dan maar eens heel gefocust op de "instrumentale begeleiding die onder de stemband experimenten door klinken, dit is alleen al een compleet genot op zich. De sound doet erg middeleuwse en gothisch aan.

The voice is a language, a world of continuing discoveries (meredith monk)

Zeker weten hier hoort 5* te staan

Michael Brecker - Time Is of the Essence (1999)

3,0
Deze plaat heeft zeker leuke stukjes en het orgel erger ik mij eigenlijk ook niet zo aan. Er waren zeker momenten dat ik dacht dit is niet slecht. Alleen klinkt het over de gehele linie niet heel erg overstijgend. Het deint een beetje doelloos voort. Verder klinkt het allemaal net iets te bekend. Dit komt omdat het erg leunt op het jaren 60 jazz van o.a. Coltrane en daarbij durven ze niet echt een statement te maken en klinkt allemaal wat 'sbsvriendelijk'. De sterke kanten zijn de 'solo' stukken van Metheny. Overige muzikanten weten in de gehele lijn weinig echt iets interessants mee te brengen Het is allemaal een wat mager 6je werk.

2.5/3*

MIMEO / John Tilbury - The Hands of Caravaggio (2002)

4,5
Tijdens het luisteren van deze plaat realiseerde ik me dat een mooie recensie hier eigenlijk niet zou misstaan. De 2 stemmen die dit album heeft, is echt te weinig. En ik weet dat er meer moderne electronicfans die deze plaat misschien kunnen waarderen. Nu kan ik uitgebreid verslag gaan doen. Hoe een modern piano concerto zijn ankers vind in soundscapes en electronische improvisatie en hoe overtuigend gaan beschrijven hoe prachtig dit alles bij elkaar klinkt. Want vertrouw me het klinkt prachtig. Of ik kan het aan een ander overlaten en jullie een prachtige review laten lezen wat precies de sfeer van dit prachtige album weer geeft: (ach het is woesdag avond ik ga eens voor de makkelijke weg)

On May 20, 2001 the all-star electroacoustic collective MIMEO convened with the esteemed AMM pianist John Tilbury in Bologna to record The Hands of Caravaggio , an astonishing document of the state of both improvised music and the concerto at the dawn of the twenty-first century. This landmark work is the spawn of Keith Rowe, the unofficial founder and figurehead of the formidable European improv supergroup, whose graphic score converts the darkness, drama, and flash-frozen motion of Caravaggio’s newly unearthed The Taking of Christ into a loose tactical system for coordinating “orchestra” (MIMEO) and “soloist” (Tilbury) in a modern day concerto for piano and electronics. The peculiar boldness of using of a sixteenth-century painting as a performance guide for a most decidedly twenty-first-century ensemble offers a glimpse of the subtext of conflict that drives The Hands of Caravaggio to such monumental creative heights. The record captures the inherent crisis in the dual meaning of “concerto” – drawn from either the Latin “to dispute” or the Italian “to agree” – as well as the intrinsic dialogue between noise and musicality, freedom and discipline, the shackles or virtues of history and the aggressive forward rush of technology. With results both endlessly engaging and frequently breathtaking, MIMEO and Tilbury brilliantly transform Rowe’s vision into intensely provocative music as vital and vibrant as it is conceptually enthralling.


Tilbury’s background in AMM and other like-minded improv ventures as well as his acclaimed interpretations of Feldman, Cage, and Cardew make him an ideal soloist figure in this concerto de facto which similarly straddles the line between improvisation and contemporary classical composition. By sharing this context with MIMEO’s vast electronic arsenal, however, Tilbury can be considered neither an improviser nor a concerto soloist in any conventional sense. Throughout the work, Tilbury’s performance is bound by his instrument’s historical constraints – his purely acoustic piano lacks the amplification and infinite capacity for sonic alchemy possessed by the orchestra, thus limiting his powers of equal participation. Without the dictatorial control of a conductor or the protective hand of a composer, the pianist becomes subject to the constructive and destructive whims of MIMEO’s absolute democracy and occasional lapses into anarchic squalls of frayed signals and static pulsations. To further complicate matters, Cor Fuhler trades in his electronics to play “inner piano” opposite Tilbury, whose shimmering arpeggios and clusters he captures and refracts with metallic scraping, unearthly bowings, and disarming fits of sporadic muting. As such, Tilbury has become less the master of the orchestra than its equal or, on some occasions, its victim. When permitted, he will conjure delicate wisps of chiming chords and oblique melodies; elsewhere, he sends out distress signals of razor-sharp clusters and races to fill the gaps in the orchestra’s ever-shifting textural landscape.


The orchestra around which Tilbury must maneuver is itself an imposing creature equally capable of carving out sparse, delicate atmospheres and total meltdowns of frazzled synthesizers and overloaded laptops. Yet MIMEO, composed on this occasion of Keith Rowe, Phil Durrant, Thomas Lehn, Kaffe Matthews, Jerome Noetinger, Gert-Jan Prins, Peter Rehberg, Marcus Schmickler, Rafael Toral, Markus Wettstein, and Kevin Drumm (representing the absent Christian Fennesz), has never been an organization concerned simply with its own speaker-fizzling firepower – there’s plenty of well-tuned ears as well and ample willingness to abandon the individual ego for the benefit of the music. With Rowe’s performance directions and Tilbury’s uniquely compromised musical position in mind, the eleven-man orchestra maintains a fragile balance of tenderness and ferocity throughout its steady ebb and flow of electric flicker and throb. At times the orchestra will cast sympathetic shadows of analog hum behind Tilbury’s undulations and encase his Satie-inflected chimes in gently rising swells of soft-edged pulse. Elsewhere the orchestra prods Tilbury to defensive action as it fires volleys of emergency flare screech and granular scratching into the fray. On rare and sublimely cathartic occasion, MIMEO lapses into an all-out electrical storm of such overwhelming density that Tilbury’s piano vanishes beneath its scorching sheets of hurricane-intensity static. Foreknowledge of such moments prompted Tilbury to quip as he took his place before the concert, “In one second you guys can eliminate me for once and for all.” “Less than a second,” snapped Noetinger in retort.


Yet the orchestra largely reins in its capacity for destruction and Tilbury, in spite of his apparent vulnerability, never buckles beneath its pressures – and the interactions that arise thereof are nothing short of stunning. The Hands of Caravaggio is pulled from its opening silence by the low drone of Cor Fuhler’s e-bow on open piano strings as Tilbury tosses delicately ringing sonorities into a growing pool of electronics. These arcing arpeggios and airy clusters create ripples that soon grow to waves of digital hiss and analog grit, pushing Tilbury’s plaintive piano melodies in and out of audibility while Fuhler continues to conjure ghosts from within the piano’s wood and metal mechanics. Radios sputter lost signals and alien drones rise from the ether to fill in the gaps in Tilbury’s increasingly desperate peals before the piano is tossed headlong into the maelstrom and left to rattle like a wayward echo lost somewhere in collective memory. Here the piano no longer appears as the angel of history floating above the digital morass but rather it is stripped of its historical and intrinsically Romantic underpinning and subsumed in the realm of pure texture suggested by the distinctly contemporary orchestra. The chaos, however, is temporary as MIMEO and Tilbury recover their balance – exchanging increasingly spare gestures with lightning reflexes, matching ever more haunted sonorities, receding with fragile ease into a melancholic coda, lingering until silent. It’s a seamless progression of purely organic form, astounding sonic variety, and uncommonly expressive character that is at once intriguingly original and familiar – a stunning confluence of ideas past and present.


Brilliantly conceived and sharply executed, The Hands of Caravaggio represents a landmark in the realm of free improvisation and contemporary composition. Like all great works of art, Keith Rowe’s masterpiece refuses to directly answer the questions it raises; instead, it unfurls the conflicts buried within to expose a realm of potential previously unimagined, full of surprising perspectives and revealing insight. The Hands of Caravaggio is less a nail in the coffin for the concerto than it is a call to arms, a summoning to exploit the possibilities that exist in this exciting new point in musical history. With an informed mind and a keen ear, MIMEO and John Tilbury have taken the ghosts of music’s past and the circuitry of its present to offer a glimpse of what music’s boldest future could hold. A triumph and a treasure, The Hands of Caravaggio is an instant and indispensable classic.
(bron)

Ohja en de pitch fork review