menu

Hier kun je zien welke berichten Titmeister als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Akon - Freedom (2008)

Een van de grootste nadelen van mijn werk, is dat ik op regelmatige basis word blootgesteld aan de grootste bagger die heden ten dage onder de noemer 'muziek' wordt geproduceerd. Werkelijk waar, ik ben blij met Phil Collins en dank God op mn blote knietjes voor Coldplay. Afgelopen zondag echter was het de beurt aan onze grote vriend, mister 'I'm So Lonely' Akon. Om het in 4 woorden te beschrijven: aaaaaaaaaaaarrrrrgggggghhhhh, wat een kutmuziek. Deze man voelt zich, afgaande op wat ie uitbraakt, nogal wat, maar iemand met zo'n piepende kutstem kun je überhaupt toch al niet serieus nemen? Daar komt bij dat de teksten van zulk belachelijk laag niveau (I wanna make love, na na na, right now, na na na ), dat mn 6-jarige neefje zich er nog voor zou schamen. De productie, tenslotte, lijkt gedaan door een amateur op basis van een boekje creatief met productieapparatuur, nergens een fatsoenlijke beat te horen. Ik kan niet anders, dan dit album een dikverdiende 0,5* geven, opdat het belachelijk hoge gemiddelde hier wat aangepast wordt.

alt-J (∆) - An Awesome Wave (2012)

4,5
En mijn eerste 5* in 2 jaar tijd is een feit. Dit album heeft een flinke indruk gemaakt sinds ik het 2 maanden geleden voor het eerst heb beluisterd. Ik begin ook steeds meer de vinger te kunnen leggen op waarom dit zo'n indruk. Het gehele album klinkt erg verfrissend en nieuw, ook al wordt er volop gebruik gemaakt van stilistische elementen van andere bands en genres. In principe zijn het vrij eenvoudige popliedjes die alt-J maakt. Echter worden deze opgeknipt en door elkaar gehusseld, waardoor een soort van geluidscollages ontstaan, die toch weer de vorm van popliedjes aannemen. Om zoiets te doen, zonder dat het te gekunsteld klinkt is sowieso al een compliment waard.

Daarnaast weet alt-J al heel sterk een eigen geluid neer te zetten. Droge percussie, mooi vloeiende melodielijntjes, goede afwisseling in tempo en volume en natuurlijk de bij en tijd en wijle bizar androgyne stem van Newman. Tenslotte het zeker niet onbelangrijke wapenfeit: er staan vrijwel alleen maar hele sterke nummers op. Een misser is niet aan te wijzen, terwijl een aantal nummers absoluut top is. Bijvoorbeeld het dreinende Tessellate, dat me aan Idioteque doet denken. Of het mooi, afwisselende popnummer Breezeblocks, de bizarre ballade Matilda of de mysterieuze afsluiter Taro. De afwisseling en continue kwaliteit maakt dat het na vele luisterbeurten nog steeds erg aangenaam klinkt en maakt dat dit album gewoon de volle mep van mij krijgt.

alt-J (∆) - This Is All Yours (2014)

3,5
Na de eerste luisterbeurten haalt ie bij mij niet het niveau van AAW, maar hij zou er wel dicht tegenaan kunnen groeien. Het geheel is iets rustiger dan de voorganger, terwijl juist de uptempo nummers de hoogtepunten vormen (Every Other Freckle, Hunger of the Pine), alhoewel het mysterieuze, gelaagde tweeluik Arrival in Nara / Nara (ben ik de enige die hier Genesis-associaties bij krijgt?) daar zeker ook toe behoort.

Verder staat er helaas iets meer filler op, met als dieptepunt Garden of England. Daar had iemand de jongens toch wel kunnen vertellen dat dat écht niet kan?

Anouar Brahem - Astrakan Café (2001)

4,5
Het blijft voor mij een raadsel waarom dit album hier op de site veel minder gewaardeerd wordt dan Le Pas du Chat Noir. Voor mij zijn beide albums vergelijkbaar qua niveau, ik vind deze zelfs iets beter, al was het alleen maar voor het geniale, in 2 delen opgedeelde titelnummer.

Voor de potentiële luisteraars die nog niet bekend zijn met dhr. Brahem: verwacht verstilde muziekcollages, waarbij invloeden van de Westerse jazz en moderne klassiek vermengd worden met traditionele Arabische klanken. Een zeer fraaie mix, al zeg ik het zelf. Laat je overigens niet afschrikken door het wat rommelig klinkende openingsnummer, de rest van het album is meer dan de moeite waard.

Arcade Fire - Everything Now (2017)

3,5
Pretentieus. Dat predicaat verdienen eigenlijk alle Arcade Fire-albums. Zeker sinds het alom bewierookte debuut, heeft die pretentie het maken van een echt goed album in de weg gezeten. Neon Bible heb ik destijds grijsgedraaid, maar 10 jaar na dato klinkt het toch wel erg over-the-top bombastisch en zelfs ietwat gedateerd. The Suburbs bevat een handvol van de allerbeste AF-nummers, maar ook te veel nietszeggende fillers. En ook Reflektor is minstens de helft te lang om echt een topalbum te zijn.

Dan Everything Now. Over de titeltrack kan ik kort zijn: Song van het Jaar redt ie bij mij net niet (die eer gaat waarschijnlijk naar The Nationals Guilty Party), maar absolute festivalhit van de zomer is ie zeker. Signs of Life heeft al bijna net zoveel airplay gehad bij mij: het klinkt alsof de Talking Heads een versie van Mmm... Skyscraper I Love You hebben opgenomen (of ben ik de enige die bij dit nummer de hele tijd 'Porn dogs sniffing the wind' in zijn hoofd krijgt?). Het eveneens al gereleasete Creature Comfort klinkt muzikaal als The Cure, wanneer Robert Smith eens met zijn goede been uit bed zou zijn gestapt. Thematisch is het van een zwaarte die Smith en de zijnen juist doet verbleken. Deze tegenstrijd maakt dat het even duurt, voordat je het nummer onder de knie hebt, maar het is absoluut een groeier.

Dan het middenstuk, dat opent met Peter Pan. Absoluut niet het lichtzinnige liefdesliedje dat sommigen het hier van betichten (hoor de donkere ondertoon in 'in my dreams you're dying'), maar op zijn best een aardig tussendoortje. Verdomd, horen we daar reggaeritmes in Chemistry? In tegenstelling tot velen hier, krijg ik absoluut geen acute uitslag bij reggae, maar dit is wel vrij inspiratieloos. Het punk/country-duo Infinite Content is het absolute dieptepunt van het album. Bowie-hommage Electric Blue vaart niet veel beter, met name door de zeer zwakke vocale prestatie van mevrouw Chassagne.

Met fijne baslijn van Good God Damn wordt de lijn omhoog weer ingezet. Ja, ook ik hoor de Luv-referentie in Put Your Money on Me, maar dat is voor mij geen diskwalificatie. Sterker nog, ik vind dit een van de beste nummers van het album, type volume hoog en dansjes door de woonkamer. We Don't Deserve Love is het meest typische Arcade Fire-nummer op het album en daarmee ook het meest kleurloze, prima nummer verder wel. De herkauwing van het titelnummer tot slot hadden ze van mij achterwege mogen laten.

Resumerend, waar hebben we de afgelopen drie kwartier naar geluisterd?
- Een Arcade Fire dat wederom ruimschoots put uit 50 jaar muziekgeschiedenis, maar daarbij deze keer kiest voor de wat lichtere varianten als disco en reggae. De vergelijking met Let's Dance van hun grote voorbeeld is dan al snel gemaakt.
- Een Arcade Fire dat weer overduidelijk een thema door onze strot aan het duwen is, al het contrast tussen de lichte muziek en de zware lyrics meestal goed geslaagd.
- Een Arcade Fire dat als vanouds pretenties heeft, en zich daar weer in vergaloppeert. De beweging disco-wave-reggae-punk-country-rock-disco kan zelfs Arcade Fire niet geloofwaardig brengen. Het album had zodoende ook best Let's Pretend kunnen heten.

Al met al dus een typisch Arcade Fire-album. Wéér geen topalbum, daarvoor is het middenstuk echt te zwak. Aan de andere kant staan hier wel weer een aantal nummers op, waar ik heel veel plezier aan beleef. Als ik het cijfermatig zou moeten beoordelen, kom ik aan 5* voor het openingstrio, 2,5* voor het middenstuk en 4* voor het slot. Afgerond kom je dan op een 3,75*. Dat rond ik af naar boven, aangezien ik albums liever beoordeel op hun hoogte- dan hun dieptepunten.

Arcade Fire - The Suburbs (2010)

4,0
Volgens website www.besteveralbums.com, die de gegevens van bijna 1800 diverse aller-tijden-lijstjes combineert, was The Arcade Fire's debuut Funeral het één-na-beste album van het afgelopen decennium. In dezelfde lijst bevolkt ook opvolger Neon Bible de top 10. Logischerwijs waren de verwachtingen voor de derde worp van de Canadese band hooggespannen.

Op het eerste gehoor klinkt het nieuwe werk onmiskenbaar als The Arcade Fire: donker, puntig en bombastisch. Frontman Win Butler heeft voor een nostalgisch thema gekozen, namelijk zijn terugkeer naar de stad waar hij opgroeide: Houston. Deze stad blijkt compleet niet te stroken met zijn jeugdherinneringen en dat wordt op The Suburbs 63 minuten lang muzikaal uitgewerkt. Mede door het wat 'kleinere' thema, klinkt het album wat luchtiger en minder zwaarmoedig dan zijn voorganger.

Opener The Suburbs klinkt op het eerste gehoor haast kinderlijk, maar wie naar de tekst luistert weet wel beter. Bij nummer twee Ready to Start gaat het tempo omhoog en dat resulteert in een subtiel rockend nummer dat tevens behoorlijke hitpotentie heeft. Het rustige Modern Man is een intens nummer dat als een van de weinige nummers van dit album ook op Neon Bible had kunnen staan. Deze wisselwerking tussen wat lieflijk klinkende nummers, uptempo-nummers en slepende ballads wordt de rest van het album gehandhaafd.

Hoogtepunt op het album is het drieluik Half Light I, Half Light II (No Celebration) en Suburban War. Het eerste nummer van de drie is een soort muzikale bevrijding van de ketens van de buitenwijken, prachtig gezongen door zangeres Régine Chassagne. Aan het einde van het nummer valt Win Butler haar bij en samen zingen ze deel twee op een Springsteeniaanse manier naar een hoogtepunt. Het epische Suburban War is het sleutelnummer in de bespiegelingen over de tweespalt tussen Butler's jeugdherinneringen en hoe het nu is en daarbij misschien wel het mooiste nummer dat ze ooit geschreven hebben. Opmerkelijke momenten verder zijn het punky Months of May en het a-typische Sprawl II (Mountains Beyond Mountains), dat door de prominente rol van de synthesizers doet denken aan Depeche Mode. Het album wordt afgesloten door een reprise van het openingsnummer, zwaar leunend op de begeleiding door viool.

Echter, het is niet enkel hosanna voor dit album. De repetitieve zanglijnen in Rococo en vooral in Deep Blue klinken behoorlijk ongeïngespireerd, iets wat een band van dit kaliber zich niet kan permitteren. Aan de andere kant gaan Empty Room en City with No Children juist te ver in hun bombast. De eerste vergalloppeert zich in een soort 21e-eeuwse indievariant van Vivaldi, terwijl de tweede lege stadionrock à la de recente U2 tentoonstelt. Desondanks levert The Arcade Fire hier een goed uitgewerkt popalbum af, met een mooie wisselwerking tussen poppy en donker, meeslepend en rockend. Die paar schoonheidsfoutjes moeten we dan maar voor lief nemen.