menu

Hier kun je zien welke berichten crosskip als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Dream Theater - Falling Into Infinity (1997)

4,0
Vreselijk ondergewaardeerd album van de band. Het hele album klinkt fris en nergens beginnen nummers te lang te duren. Al gelijk vanaf het eerste nummer hoor je invloed van Derek Sherinian, die voor een flinke groove in de nummers zorgt. Dit is blijkbaar ook overgeslagen op Myung en Petrucci, die met een portie heerlijke riffs komen. Portnoy blijft dit album iets meer op de achtergrond dan normaal en vult niet elk gaatje op, wat voor wat ademruimte zorgt. Labrie heeft natuurlijk zijn stembanden flink verkracht op de vorige tours en haalt niet meer het niveau van I&M en Awake, maar levert hier een uitstekende prestatie.

Hoogtepunten:

- New Millennium: Heerlijk verrassend nummer, zet gelijk goed de toon voor de rest van het album.

- Peruvian Skies: begint als een beetje standaard ballad, maar dan komt die solo..... kippenvel! Vervolgens komt de meest beukende passage van het album en groeit het uit tot een wereldnummer.

- Hell's Kitchen: Beste instrumentale track van de band (net voor Eve en Overture 1928). Petrucci laat zich hier van een heel andere kant zien en steelt hier de show. Het einde is een van de meest epische stukken ooit geschreven!

- Lines In The Sand: Alles klopt aan dit nummer: van de heerlijke riffs, de geniale drums, de backing vocals van Doug Pinnick en uiteraard de prachtige solo van Petrucci. Zeker in de top 10 van de band.

- Trial Of Tears: Het nummer deed me eerst niks, vooral het instrumentale stuk vond ik tegenvallen. Dat komt waarschijnlijk vooral omdat het nummer totaal anders is dan wat Dream Theater daarvoor (en erna) heeft gedaan. Na een flink aantal luisterbeurten is uiteindelijk het kwartje gevallen en is het nu een van mijn favoriete nummers. Speciale vermelding voor de prachtige teksten van Myung die in de toekomst meer nummers moet gaan schrijven!

Enige minpuntjes zijn You Not Me (compleet vernietigd door Desmond Child) en Burning My Soul met de afgrijselijke computerstemmen.

4,5*



Als de platenmaatschappij zich er niet mee had bemoeit, was het trouwens een wereldplaat geweest op hetzelfde niveau als I&M en Awake. Op de demo staan genoeg supernummers waarvan het doodzonde is dat ze het album nooit gehaald hebben. Enige goede beslissing van de platenmaatschappij was om Hell's Kitchen uit Burning My Soul te halen, verder houd ik die verantwoordelijk voor het om zeep helpen van een mogelijk klassieker.

Exodus - Another Lesson in Violence (1997)

5,0
Voor mij is dit toch wel de ultieme thrash-plaat. Bonded By Blood is als studioplaat al heerlijk, maar deze liveversie blaast alles omver. Baloff's manikale zang is heerlijk om te horen en zijn heerlijke praatjes maken het geheel af.

Mocht iemand zich ooit af te vragen wat er nu zo geweldig is aan thrash, dan hoeven ze alleen deze cd maar op te zetten. De sfeer, de passie en de pure adrenaline maken dit tot een monument in het genre welke niets minder dan 5* verdient.

Haken - The Mountain (2013)

4,5
De eerste twee albums van de band deden het toch niet zo goed bij mij. Misschien nooit echt een kans gegeven, daar kan het natuurlijk aan liggen. Haken leek me in ieder geval niet de geweldige band waar veel anderen dat wel vonden. En toen was daar The Mountain.

Oppervlakkig als ik ben, dacht ik aan het artwork al te zien dat dit album wel eens beter zou kunnen vallen en zowaar had ik nog gelijk ook. Waar mijn andere proghelden het de laatste jaren toch wat laten afweten, doet Haken hier met The Mountain de progvlam in mij weer flink oplaaien. Ik leek uitgekeken op al het technische geneuzel, gepruts op de vierkante millimeter en de geforceerde afwisseling, dus waaarom dit album mij dan wel weer kan bekoren? Ik denk dat dat vooral komt door het speelse gemak waarmee deze band hun nummers de meest waanzinnige wendingen laat nemen. Het hier al vaker genoemde en geroemde Cockroach King is wat dat betreft een blauwdruk van het album. Je wordt heen en weer geslingerd tussen de ingetogen en bombastische passages, epische refreinen en geflipte counterpoint coupletten met tussendoor nog eens wat jazzy gesoleer en brute progmetal riffs. Dit alles soepel in elkaar over laten lopen lijkt een bijna onmogelijke opgave, maar Haken slaagt hier met vlag en wimpel.

Bij dit nummer valt ook tegelijk de uitstekende zang op van zanger Jennings. In het begin luisterbeurten vond ik de zang niet opmerkelijk goed, maar een paar luisterbeurten later ben ik hierop terug gekomen en ben ik van mening dat de uiterst gevarieerde zang het album naar een hoger niveau tilt. Gelukkig is hij lekker spaarzaam met de hoge uithalen, dus wanneer ze langskomen (einde van Atlas Stone!) zijn ze dubbel zo effectief. Daarnaast ben ik persoonlijk ook nog eens groot fan van meerstemmige koortjes, counterpart zang et cetera, dus wat dat betreft kan ik mijn lol niet op met dit album.

Het album loopt als een trein dankzij de goede afwisseling van kortere nummers en de meer epische tracks. Een nare gewoonte bij dit genre is dat tegenwoordig elk albums de volle 70+ minuten volgepropt moet worden met lange nummers, maar Haken wijkt hier gelukkig dus van af. Vooral het opzwepende In Memoriam heeft je na het flinke openingssalvo gelijk weer bij de les, bonuspunten voor dat verschrikkelijk lekkere en gejaagde pianoloopje. Ook mooi hoe de nummers qua gevoel steeds donkerder worden naarmate het album vordert.

Het beste aan het album is wat mij betreft toch het plezier waarmee dit album gemaakt lijkt te zijn. Het album spettert aan alle kanten en klinkt heerlijk fris . Dat ze dan af en toe misschien toch net te ver doorschieten in de instrumentale passage wordt ze vanwege het speelplezier dan ook vergeven. Verder schiet Haken met dit album op werkelijk elk vlak raak en The Mountain verdiend daarom wat mij betreft niets minder dan de volle mep en een plek bovenaan mijn jaarlijst. Ik ben dan ook heel benieuwd hoe groot deze band gaat worden de komende jaren.

Iron Maiden - Fear of the Dark (1992)

2,0
Het dieptepunt had Iron Maiden met dit album wel bereikt. Het aantal mindere nummers hier is verrassend hoog, evenals de slechte vocals van Bruce. Zelfs het hoog gewaardeerde titelnummer valt als studionummer toch tegen en moet het vooral hebben van de sterkere live uitvoeringen.
Enige lichtpuntjes zijn de knallende opener en Afraid To Shoot Strangers. Laatst genoemde lijkt een voorbode voor wat komen gaat op het volgende albuml. De rustige en donkere eerste minuten die uiteindelijk uitmonden in een explosie van gitaargeweld: een blauwdruk voor The X-Factor. Niet verrassend ook dat het nummer gezongen door Blaze nog beter is dan deze studioversie.

Iron Maiden - The Final Frontier (2010)

4,0
Mensen die de vorige plaat al niks vonden, zullen van deze ook niet al te vrolijk worden. Waar de nummers op het vorige album nog enigszins gestructureerd waren, trekken de mannen hier alle registers open.

Voordat we bij het hoofdgerecht van het album aankomen, wordt de luisteraars eerst nog een paar goed verteerbare voorafjes voorgeschoteld. Het album opent met een zeer verrassende stoner -rock intro, welke waarschijnlijk een stuk beter zou zijn geweest zonder de compleet misplaatste zang. Het daarop volgende titelnummer is een vrij aardige opener, niets meer en niets minder. Waarom ze Sattellite 15 en The Final Frontier uiteindelijk in één nummer hebben gestopt, is een groot raadsel; de overgang tussen beide delen slaat compleet nergens op.
Het al bekende El Dorado bevat nog steeds dezelfde toffe bass en het refrein dat in je hoofd blijft hangen. Mother Of Mercy is vervolgens het hoogtepunt van de eerste helft van de plaat, heerlijke sfeer hangt er in het nummer. Coming Home is een vrij sterke ballad met vooral een erg goede solo (Murray?) en The Alchemist doet denken aan de oldschool 80's hits als The Trooper en Aces High met de sterke typische maiden melodielijnen.

Na de kortere nummers begint het feest pas echt. De tweede helft van de plaat begint met Isle Of Avalon, waarmee gelijk de toon wordt gezet: een sterk opgebouwd nummer met een lading goede ideeën zonder dat het nummer aanvoelt als een warboel van verschillende passages. Starblind toont ook weer aan dat er wel degelijk progressie in de muziek van Maiden zit. Waar bij A Matter Of Life And Death het rustige thema waarmee het nummer begon telkens weer terug komt aan het einde, gebeurd dit op The Final Frontier zelden. Zo ook niet bij Starblind, waar het nummer niet meer inzakt aan het einde, maar er netjes naar een einde wordt gebouwd.
The Talisman is een van de hoogtepunten van de CD. Het nummer begint met een melodie die verdacht veel lijkt op op die van The Legacy. Let hierbij op de zanglijnen van Bruce die heel mooi van hoog naar laag gaan. Vervolgens wordt er 7 minuten lang vol gas gegeven en levert meneer Dickinson zijn beste prestatie van het album. Opvallend is dat dit één van de weinige nummers van de band is zonder solo. Bij A Man Who Would Be King valt weer op dat de band bij deze plaat voor het eerst echt gebruik maakt van het feit dat ze 3 gitaristen in de band hebben zitten. Het nummer zit vol met gitaarlijnen die door elkaar heen lopen. Waar op de voorgaande platen de mannen gelijke ritmepartijen spelen, zit er nu wel gelijk verschil in wat er links en rechts gebeurd.
Het slotstuk is misschien de meest typische maidenepic van het album met alle elementen die je verwacht van een door Steve Harris geschreven afsluiter. De rustige intro keert hier wel terug aan het eind van het nummer, maar dat werkt deze keer dan ook erg goed. Het enige minpunt van dit nummer is het missen van een echte climax; het nummer barst nergens echt open.

Na A Matter Of Life And Death is dit een logische maar zeer goede plaat. De ideeën die op de vorige albums werden verkent, worden hier verder uitgewerkt. De band laat hier dingen horen die ze nog nooit hebben laten horen en toont aan dat ze nog ideeën zat hebben. Laat nummer 16 maar komen.

Lostprophets - The Fake Sound of Progress (2000)

3,5
Misschien wel de enige plaat die ik vroeger compleet de shit vond en waar ik nu nog steeds goed kan luisteren. Instrumentaal ligt het niveau hier in ieder geval een stuk hoger dan elke andere willekeurige nu-metal band, alhoewel dit op het dj-spul natuurlijk niet zoveel meer met nu-metal te maken heeft. Hier en daar wat afwijkende songstructuren, een hoop verschillende sferen in de nummers en gespeel met verschillende maatsoorten, het zit er allemaal in.
De ritmesectie is misschien wel het beste aan deze cd, met het sterke drumwerk en de toffe baslijnen. Gooi daar het leuke lead/rhythm gitaarwerk en de redelijke zang met ditto teksten bij en kijk, zowaar een 3,5.

Pain of Salvation - Scarsick (2007)

Alternatieve titel: The Perfect Element, Part II: He

4,5
Daniël Gildenlöw is boos, heel boos. Hij is op de vorige albums wel vaker eens wat chagrijnig geweest, maar dat is meer richting het niveau ‘commentaar bij een kinderplaybackshow’ vergeleken het gal spuwen op deze plaat. Alles en iedereen krijgt er van langs en niemand wordt gespaard. Dat hij hierbij zelfs een deel van zijn fanbase tegen het zere been schopte, leek hem niks te deren.

Het verhaal gaat verder waar The Perfect Element pt. 1 ophield. De psychologisch niet helemaal stabiele mannelijke hoofdfiguur van de voorloper wordt in onze verdorven wereld geworpen. In de eerste helft van het album (‘His skin against this dirty floor’) laat hij de huidige maatschappij aan zich voorbij trekken en maakt hij zich vooral kwaad, heel kwaad. Onder andere de mainstream hiphop-wereld, het materialisme, de Verenigde Staten, narcisme, drugsmisbruik, disco en nog veel meer (volledige lijst hier) komt langs en wordt afgebrand. Na de passieve eerste helft slaat de stemming in het album volledig om in de tweede helft, toepasselijk ‘Why can't I close my eyes’ genoemd, Niet meer in staat deze wereld alleen maar te aanschouwen, slaat het hoofdpersonage volledig door.

Scarsick is het muzikale equivalent van een baksteen: hard, rechthoekig en weinig subtiel. De nummers zijn in vergelijking met vorige albums een stuk spaarzamer gearrangeerd zonder overbodige franje. Lange instrumentale secties en technische uitspattingen zijn niet meer te vinden en gitaarsolo’s zijn daar waar aanwezig bijna allemaal verstopt onder zangpartijen of outro’s. Niks staat de boodschap van het album in de weg om keihard binnen te komen.

Ik ken maar weinig albums waar er zo’n mooie symbiose is tussen tekst en muziek. Ook hier is een duidelijke scheiding te zien tussen de twee helften van het album. In de eerste zijn is het allemaal lekker lomp en opvallend: countrymuziek bij een nummer over de V.S., een hiphop-nummer om de rappers af te zeiken, een duister disco-nummer om de donkere kant van het nachtleven te symboliseren; u snapt het plaatje. Het lijken wel stuk voor stuk tv-programma’s die langskomen terwijl het hoofdpersoon langs zapt. Dit idee wordt nog eens versterkt door de tv-geluiden te horen in de intro van Kingdom of Loss, de aftrap van de tweede helft. Hier gaat Gildenlow wat subtieler te werk. Prachtig voorbeeld hier is Idiocracy. De geflipte coupletten waar het hoofdpersonage langzaam aan de gevolgen van een oorlog (Irak?) ten onder lijkt te gaan, maar in het zoete refrein weer berustend wordt toegezongen. Uiteindelijk kan hij al de leugens niet meer aan en slaat hij door, wat uiteindelijk weer wordt overheerst door een moedeloze berusting in de mellow outro. In het afsluitende wordt vervolgens nog eens prachtig de brug gelegd tussen dit album en TPE Pt. 1. Hier moet het personage de consequenties van zijn keuzes onder ogen zien. Waar hij in het titelnummer van het vorige deel psychologisch gevallen is, gebeurd dat hier letterlijk.

Het enige smetje op dit album is het nummer Mrs Modern Mother Mary. Tekstueel lijkt het wat misplaatst op de tweede helft en daarnaast is het vooral niet zo’n gedenkwaardig nummer. Verder is het een prachtig voorbeeld waar een concept van een album met zoveel variatie en uitersten toch één geheel kan maken. Wat mij betreft wederom een gewaagd én geslaagd hoogtepunt uit het oeuvre van de band.

Primordial - A Journey's End (1998)

3,5
Het Ierse viertal Primordial komt drie jaar na hun debuut met de opvolger A Journey’s End. Drummer Derek MacAmhlaigh heeft ondertussen de band verlaten en is vervangen door Simon Ó Laoghaire. Met deze personeelswisseling zet de band een flinke stap in de richting van hun eigen geluid. Het karakteristieke deinende drumwerk van Ó Laoghaire past duidelijk beter bij de band dan dat van zijn voorganger en vormt een geweldig basis voor de muziek. De black metal van het debuut is op dit album nog maar zeer summier aanwezig en de folkinvloeden worden nu ook geraffineerder toegepast. De traditionele instrumenten nemen op een paar uitzonderingen na dan ook niet meer dan een bescheiden rol in. Het folk-gevoel komt meer naar voren in de akkoordenschema’s en melodielijnen van de (akoestische) gitaren; een door mij zeer gewaardeerde invalshoek van het genre. Hiernaast laat zanger Averill op het album zijn blackmetal geschreeuw minder vaak horen en gaat meer en meer voor de (soort van) cleane zang. Hij is duidelijk gegroeid en begint met zijn emotionele zanglijnen echt een meerwaarde te vormen voor de band. Qua geluid heeft Primordial nu al met hun tweede album zowat hun eigen unieke sound gedefinieerd, wat opzich al een prestatie van formaat is.

Het schrijven van de nummers gaat Primordial op dit tweede album alweer een stuk beter af dan op Imrama. De lengte van de nummers wordt verdubbeld, maar het aantal ideeën per nummer verschilt niet veel vergeleken het voorgaande album. Hierdoor krijgen de nummers meer tijd en ruimte om de verschillende ideeën uit te bouwen . Af en toe vliegt de band hierbij nog wel wat uit de bocht: De mooie intro van Bitter Harvest wordt maar op een magere manier opgevolgd door de rest van het nummer en met het ontspoorde Graven Idol, vol met matige overgangen en rare tempowisselingen, heeft het album een fikse valse start. Hiernaast staan gelukkig wel pareltjes als Autumn’s Blaze en A Journey’s End. Beide nummers lopen als een trein en vooral het titelnummer groeide dan ook uit tot de eerste echte klassieker van de band.

Al en met al laat de band hier een duidelijke groei zien. Het schort hier en daar nog wat aan de songwriting en de drie tussendoortjes voegen op Dark Song ook niet zoveel toe, maar verder lijkt de potentie van het debuut zich hier flink uit te betalen. Want naast alles draait het bij Primordial toch vooral op de geweldige sfeer die ze neer kunnen zetten en wat dat betreft slagen ze ook met verve. Een ruime 3,5*

Primordial - Imrama (1995)

3,0
Sommige bands debuteren met een waanzinnige klassieker, anderen beginnen wat minder overtuigend maar niet met minder potentie. Primordial is zo’n band waarbij het debuut zeker niet geweldig is, maar waar de potentie er duidelijk in zit. Zelf ben ik een aantal jaren terug begonnen met het latere werk van de band en dan is dit album deels toch wel andere koek. De doom-invloeden uit het latere werk zijn hier nog volledig afwezig en het is black metal wat de klok slaat. Toch zijn hier en daar de al de bouwstenen te horen waar Primordial hun eigen geluid op zal gaan bouwen.

De productie is voor een debuut uit dit genre alleraardigst te noemen met verrassend veel bas, maar geweldig is het natuurlijk niet. Zo klinkt bijvoorbeeld de kartonnen percussie aan het begin van Beneath A Bronze Sky nergens naar. In dit nummer komen ook duidelijk in de het hele album aanwezige folk-invloeden duidelijk naar voren. Het gebeurd hier nog wel op de traditionele manier met de fluit vol de mix en hier en daar zelfs een keyboardje.

Waar de zang op latere albums juist een van de sterke punten is van het geluid van de band, valt dat op het debuut toch wat tegen. Zanger Averill moet het hier nog vooral hebben van zijn black metal screams, welke degelijk maar niet per se bovengemiddeld zijn. Zijn cleane zang is daarnaast nog onderontwikkeld en onvast. Het mist ook een bepaalde charme welke bijvoorbeeld wel te vinden is bij de oude Anathema, waar Vincent Cavanagh mij gedurende z’n overgangfase naar cleane zang een stuk beter beviel. Wat Averill ook nog niet mee helpt, is dat de cleane zanglijnen nou ook niet je van het zijn. Vooral bij The Darkest Flame loopt de zang voor geen meter. Ook compositioneel laat de band hier en daar nog wel wat steken vallen; ideeën genoeg, maar het wordt nog niet allemaal op een gedegen manier aan elkaar geregen.

Desondanks is het geen vervelend album om naar te luisteren . Het Ierse viertal laat al zien dat ze met hun muziek een geweldige sfeer kunnen neerzetten. Ook is het album ondanks de hier en daar wat zwakkere nummers een mooi samenhangend geheel. Af en toe vallen alle puzzelstukjes ook nog eens op hun plaats en nummers als Fuil Arsa en zeker To The Ends Of Earth laten horen waar de band toe in staat is. Helaas is dit nog niet genoeg om er een erg mooie score voor neer te zetten.

Radar Men from the Moon - Strange Wave Galore (2014)

4,5
Eindhoven Rock City; stiekem heeft deze naam toch een flinke tijd op wat oudgedienden moeten teren. Natuurlijk kwam, zag en overwon The Devil’s Blood twee albums lang en waren er nog wat andere kleinere bands, maar verder dreigde Eindhoven toch wat achterop te raken. Maar daar is toch gelukkig een band welke de andere bijnaam van Lampegat weer eer aan doet: Radar Men From The Moon (ja gewoon de hele naam, fuck de afkorting als je zo’n toffe bandnaam hebt) komen na twee jaar met hun opvolger van het al zeer sterke Echo Forever en maken de verwachten volledig waar.

Op het vorige album was er al een soort van eigen sound te ontdekken, maar desondanks hebben ze besloten om hun sound eigenlijk volledig om te gooien. De lange spacende trips van Echo Forever zijn omgeruild voor strakke mix van stoner en noiserock met hier en daar een vleugje shoegaze. Opvallend in dit geluid zijn ook de verrassend avontuurlijke baspartijen. Het levert een uit duizenden herkenbare sound, wat razendknap is in dezeer dichtbevolkt ‘Roadburn scene’, waar de bands de laatste jaren steeds meer over elkaar heen lijken te duikelen. Razendknap dus om juist hier nog boven het maaiveld uit te kunnen steken.

Het album is met net 36 minuten na hedendaagse maatstaven ook best te kort te noemen, maar ligt eigenlijk ook de sterkte van het album. De kortere puntige nummers zitten vol afwisseling en zorgen voor een zeer gestroomlijnde luisterervaring van het album. De verslavingsfactor is hoog en juist door de korte speeltijd is het album dan ook zeer uitnodigend om nog maar eens op te zetten. Live maken de Radarmannen het dan ook nog eens helemaal waar en zijn ze alweer druk bezig met het uitproberen van nieuw materiaal. 4,5* voor deze geweldige plaat en dat ze maar gauw weer een nieuwe uitbrengen.

Sleep - Dopesmoker (2003)

5,0
Toen ik enkele jaren terug begon met het verkennen van deze doom- en stonermuziek, had ik waarschijnlijk geen slechter album uit kunnen kiezen om mee te beginnen. Als rasechte progressive rock/metal-liefhebber had en heb ik nog steeds wat met lange nummers. Progepics van een klein halfuur waren ondertussen wel gesneden koek, maar een monstertrack van een uur? Dat is toch gelijk een heel ander verhaal. Vol verwachting zette ik het album op, om vervolgens na de eerste 10/20 minuten wat door het nummer te skippen en het vervolgens maar af te zetten. Wat een saaie en eentonige hap. Niks geen tempo-wisselingen, verrassende wendingen of interessante structuren. Alleen maar datzelfde voortstrompelende tempo met een matige zanger die er wat overheen loopt te ‘zingen’. Hup, weg ermee en op naar het volgende album.
Gelukkig zou het via de geweldige en iets toegankelijkere stonerrock van Kyuss en de bergen stoner/doom/psychedelic/space/roeptumaar – rock/metal die daarop volgden meer dan goed komen tussen mij en deze hoek van de gitaarmuziek, maar Dopesmoker was nog steeds diezelfde intimiderende plaat waar ik maar niet aan wilde beginnen.

Een aantal jaar na poging 1 durfde ik het eindelijk aan het album weer eens op te zetten en verdomme, ik denk niet dat ik ooit eerder zo’n klik heb meegemaakt met een album. Te pas en te onpas wordt er met de beschrijving ‘één grote trip’ gesmeten, maar als er één album is waar die beschrijving voor lijkt uitgevonden te zijn, is het Dopesmoker. Massieve brullende riffs waaieren uit over het woestijnlandschap, ondersteund door de hypnotiserende drums en ditto zang terwijl de immer voorstuwende drums de karavaan met Weedians vooruit blijft drijven. Een keer wordt er een korte rustpauze ingelast bij een oase rond de 41e minuut, maar verder wordt er een uur lang op vol volume doorgereisd naar het riffgevulde land.

Er is bij deze repetieve muziek maar een dunne scheidingslijn tussen doodsaai/vervelend en hypnotiserend/spannend en de mannen van Sleep slagen erin om niet alleen ruim aan de goede kant van de lijn te blijven, maar om ook nog de grenzen aan deze kant, ooit neergezet door oude helden uit het verleden, nog maar eens flink uit te rekken. De ritmesectie van de groep voelt elkaar naadloos aan en weet een perfect fundament neer te liggen voor Matt Pike om zijn moddervette riffs overheen te strooien. Dit in combinatie met de heerlijke bijpassende productie zorgt voor een overweldigende ervaring. Door net genoeg te variëren en op het juiste moment de zang of een gitaarsolo langs te laten komen, weet de band meer dan een uur lang de aandacht van de luisteraar vast te houden. Het is de perfecte combinatie van de oerkracht van Pike en de mediterende grooves van Cisneros en Hiakus. Beide kampen zouden hun specifieke kwaliteiten nog verder verkennen met hun uitstekende soloprojecten High On Fire en Om, maar het niveau van dit album zal niet meer bereikt worden. Sprake van opbouw naar een geweldige climax is er niet, dat zou zelfs ongepast zijn. Deze reis heeft geen doel, het doel is de reis zelf.

Proceeds the Weedian, Nazareth!

5* en een mooie plek in mijn top 10