MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Gyzzz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Ela Minus - Acts of Rebellion (2020)

poster
4,0
Verrassende reactie wel hierboven m.i. - ik ervaar eerder het tegenovergestelde: dit lijkt me nu juist hele toegankelijke, luchtige en warme elektronica/pop. Makkelijk in het gehoor en lieflijk, en juist heel sterk leunend op de ritmes... ik hoor eerder een overdaad aan nogal (over)expliciete ritmes dan een gebrek eraan. Vraag me bijna af of we wel dezelfde plaat aan het luisteren zijn.

Ik vind bijzonder hoe deze plaat erg makkelijk in het gehoor ligt zonder daarvoor al te veel te compromitteren qua geluid - dat hoor ik niet vaak. Een soort techno-pop van het soort dat je niet zo vaak tegenkomt. Mijn grootste kritiekpunt is nog wel dat de plaat wel erg 'light' en luchtig is - ook in termen van speelduur en aantal volwaardige tracks. Het hangt daarmee gevoelsmatig een beetje tussen een EP en een album in. Maar echt een probleem vind ik dat ook niet - 4* vind ik deze vrij opzienbarende plaat zeker wel waard.

Elliott Smith - XO (1998)

poster
3,0
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #237

Als er een groep muzikanten is met wie het in de regel niet erg goed gaat, moet het toch wel de eenzame ‘singer-songwriter’ (onbegrijpelijke aanduiding overigens) zijn. Als de toppers in het genre geen (aannemelijke) zelfmoord plegen zoals Jason Molina, Nick Drake en deze Elliott Smith (en vele anderen), dan hebben ze wel een andersoortig miserabel leven, zoals b.v. Townes van Zandt, Jackson C. Frank, en ongetwijfeld opnieuw vele anderen. Maar is het nou de getormenteerde ziel die leidt tot een oncontroleerbare stroom aan emoties die er dan in de vorm van liedjes uitkomt? Of leidt juist het gebrek aan ritme, aan maatschappelijke structuur, aan vaste verblijfplaats van deze artiesten zelf tot een sterke verlaging van de mentale stabiliteit? Had een 9-tot-5 baan deze mensen goed gedaan, of hadden ze die in de eerste plaats al nooit langer dan een week kunnen volhouden?

Interessante vragen die regelmatig bij mij opkomen bij het beluisteren van artiesten uit dit gezelschap. En zeker bij Elliott Smith, die – en dit klinkt nogal bot gezien zijn levensloop en -einde – op mij een beetje overkomt als de kneus van het eerdergenoemde gezelschap. Anders dan zijn zielenroerselen bloot te leggen, verpakt hij ze in nogal zeurderige liedjes. De emotie en ‘self pity’ ligt er centimeters dik bovenop, en dat is jammer, want de liedjes zijn grotendeels gewoon vakwerk. Smith heeft erg duidelijk naar The Beatles geluisterd, maar van een gebrek aan inspiratie kun je hem op XO evengoed onmogelijk beschuldigen. De compositie staat voorop, met de emotie daar binnenin verpakt: we horen een nogal klassiek geluid van ‘liedjes’, dat daardoor voor mij afstandelijker voelt. De emoties, die er echt wel vanaf stralen, zijn me iets teveel in een mal gegoten. Dat maakt het lastiger om op een emotioneel niveau ermee te connecten, zoals wel lukt met artiesten als b.v. Jason Molina en Mark Kozelek, die de omgekeerde route kiezen en het klassieke liedje minder centraal zetten (of althans, op hun best zijn geweest wanneer ze dat niet deden). Dit zijn in de eerste plaats mooie liedjes, die bij mij niet echt onder de huid kruipen maar wel hun plaats in de ruimte hebben op zichzelf. Ambachtelijke liedjes, op een nogal zeurderige manier gezongen. Dit wordt voor mij het duidelijkst op ‘Waltz #2 (XO)’ – die hier duidelijk de aandacht opeist, maar op een voor mij vergelijkbare (maar betere) plaat als Sufjan Stevens’ Carrie & Lowell helemaal niet boven het maaiveld uitgestoken had.

XO balanceert tussen liedjes en introspectieve mijmeringen, maar in beide hoeken vind ik het niet top. Elliott Smiths zeurderige sound openbaart zich direct al in opener ‘Sweet Adeline’ in het refrein. En blijft aanhouden: zo krijgt het instrumentaal heel mooie ‘Tomorrow Tomorrow’ ook weer een klagerige en theatrale teneur, die de intimiteit voor mij verstoort, terwijl deze muziek het juist van die intimiteit moet hebben. Bled White ontstijgt die teneur voor mij als enige door puur voor het liedje te kiezen en niet tussen die 2 in te balanceren. Echt door de ondergrens gaat het enkel op 'Amity', waar het zeurderige een karikaturaal niveau krijgt. Voor de rest is dit niet mijn plaat, maar kan ik de mooie liedjes wel op waarde schatten. Maar dat is het dan ook wel.

3*

Eric Dolphy - Out to Lunch! (1964)

poster
3,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #241

Out to Lunch is een plaat waarvan ik de cover talloze keren voorbij zag komen in jazz-overzichten, maar waar ik tot een week geleden nooit een noot van gehoord had. In het algemeen was ik met Eric Dolphy niet bewust bekend (wellicht speelt hij mee op andere platen die ik ken, ik verdiep me daar nooit zo in). Dat hij op dit album onder meer (bas)klarinet en fluit speelt is daarbij een welkome afwisseling in mijn ontdekkingstocht door de jazz. Ook de vibrafoon ligt me goed op deze plaat – het voorziet deze verder voor mij hele ‘fatsoenlijke’ jazz van een soort frisse smaak. Die frisheid ervaar ik met name in (de tweede helft van) opener ‘Hat and Beard’ en op de afsluiter. Eenzelfde soort mintgroene luchtigheid komt van het fluitwerk op ‘Gazzelloni’. Zowel de xylofoon als de fluit interacteert voortdurend heel speels met de rest van het orkest, wat de plaat op de beste momenten lichtvoetig en vrij doet aanvoelen.

Met de overige drie nummers kan wat minder: ze klinken een beetje voornaam, een beetje verantwoord, alsof de leden van het orkest vanuit hun ooghoeken verwachtingsvol kijken naar de goedkeuring van hun muziekdocenten. Ik zal ze hier vast enorm mee tekort doen, maar op de mindere momenten voelt dit voor mij een beetje als restaurant- of salon-jazz. Het klinkt netjes en degelijk, en ja – er zijn vrije uitspattingen, maar ook die klinken heel bedachtzaam. Alsof ik in jazzdocumentaire in zwart-wit ben beland, waar een oude kenner me straks gaat uitleggen hoe ontzettend sterk en revolutionair dit wel niet is. Met name de contrabas komt in deze plaat heel verantwoord en daardoor af en toe haast karikaturaal op me over – zeker in het titelnummer en ‘Straight Up And Down’.

Out to Lunch is een interessante ontdekking waarbij de fluit en xylofoon de plaat mooi losbreken uit zijn ‘verantwoorde’ sound. Niettemin beroert de plaat me niet doorlopend en ervaar ik ook een bepaalde afstand.

Ik start met een voorzichtige 3.5*

Es - Kaikkeuden Kauneus Ja Käsittämättömyys (2004)

poster
4,5
Free Folk. Niet zelden krijgt dit zelfbetitelde vrije genre een wrang bijsmaakje door de inkleurders die wat al te vrij willen zijn en daardoor zo bedacht zijn als een reclamespotje. Een oorspronkelijk aangezicht lijkt hun voornaamste doel, en de eigenheid moet voortdurend doorklinken. Zo niet Es, die schijnbaar echt losstaat van conventies, logische patronen en behaaglijk geluid.

Mijn persoonlijke vervreemding begint hier - hoe bewerkelijk dat ook is als het om muziek gaat - al met het hoesje. Dat Es, die getuige een foto van hem duidelijk zichzelf lijkt af te beelden op de omslag, een wolkje blaast, mag in samenzang met de muziek geen overdreven verbazing heten. Maar dat op de achterkant hetzelfde wolkje geblazen wordt door een 'populair' ogende dame, getekend in een al even populaire-meisjes schetsstijl, is toch opmerkelijk. Dat ze een petje draagt met I (L) STHLA erop, maakt de vreemde gewaarwording compleet. Het hartje, uitgeblazen door Es' eigen getekende personificatie, komt in combinatie met het chickie op de achterflap en de gruizige, warme, maar toch onheilspellende klanken in een nieuw daglicht te staan.

Het mysterie is rijkelijk aanwezig, maar smeekt gelukkig niet om een ontrafeling. Het mysterie staat, zoals in de mooiste films (ik denk nu eigenlijk vooral aan Twin Peaks), op zichzelf en wordt niet aangemoedigd, ontmoedigd, of zelfs überhaupt niet in beschouwing genomen door meer aardse klanken. Voortdurend schommelt je diepe droomtoestand voort, waarbij mijn lichte vermoeidheid slechts een positieve uitwerking heeft - denk ik.
Sadepäivät komt in de buurt van de genoemde aardsheid, maar vooral als op zichzelf staand nummer. In het perspectief van de rest van de werkjes wekt het eigenlijk evenmin associaties op als de rest. Es maakt geen muziek om koppelingen met de buitenwereld te maken, Es' muziek is de associatie zelf. En daarin onderscheidt het zich. Wanneer boeken zich afspelen in een huis, stel ik me daar altijd een huis bij voor dat ik reeds ken. Als ik me op de dansvloer begeef en technoplaten zich in bepaalde klankkleuren hoor wringen, krijg ik genoegelijk beelden van houten blokjes of ijzeren platen in mijn hoofd. Déze klanken wekken nieuwe, volledig abstracte beelden op, en leveren - in tegenstelling tot enkele sociale genres - in het beste geval totale distractie van de omgeving op.

Kaikkeuden Kauneus Ja Käsittämättömyys is daarom precies wat ik me bij freefolk voorstel - om er dan uiteindelijk toch maar een naam op te plakken. Het hikt niet tegen me aan als een lief trucje maar brengt hoofdzakelijk een lichte, behaaglijke verwarring teweeg. Es heeft geen eigen eigen gezicht, want van enige contouren is amper sprake. Es heeft meer iets dat lijkt op een eigen vlakte, een eigen gebied, wat binnen zijn genre veel meer waard kan zijn.