Hier kun je zien welke berichten Gyzzz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Bark Psychosis - Hex (1994)

5,0
3
geplaatst: 21 mei 2022, 12:20 uur
Dit album blijft abnormaal goed: de ingetogen zang, de afwezigheid van ego, de vrijheid van clichés, het onvoorspelbare en toch zo logische verloop. De plaat schreeuwt niet om aandacht, maar vraagt juist daarom om een aandachtige beluistering. Als je 'lekkere' zang of meeslepende instrumentaties zoekt, kom je hier bedrogen uit, door het zeldzaam introspectieve karakter van het album. Dat ligt logischerwijs niet iedereen.
Hex is een monumentaal meesterwerk, dat niet alleen eigenlijk geen voorlopers kent (hoewel misschien Laughing Stock), maar bijna 30 jaar later ook amper navolging heeft gekregen en daarmee meer dan welke plaat dan ook op zichzelf staat.
Hex is een monumentaal meesterwerk, dat niet alleen eigenlijk geen voorlopers kent (hoewel misschien Laughing Stock), maar bijna 30 jaar later ook amper navolging heeft gekregen en daarmee meer dan welke plaat dan ook op zichzelf staat.
Bicep - Isles (2021)

3,0
6
geplaatst: 22 januari 2021, 16:30 uur
House/techno en full-lengths zijn traditioneel een lastige categorie. Een handvol artiesten slaagt erin om platen te maken met daarin een album-overstijgende spanningsboog, maar vaak ontstaat toch meer een losse collectie tracks dan een coherent werk. Het selftitled debuut van Bicep is om diezelfde reden een beetje aan me voorbij getrokken, waarbij het geheel amper meer is dan de som der tracks. Aangetrokken door übertoegankelijke en krachtige tracks als 'Atlas' en 'Saku' was ik niettemin wel benieuwd naar deze nieuwe full length - en zo heeft hij hier de hele dag aangestaan - afwisselend tussen voor- en achtergrond.
Ook deze 'Isles' luistert aangenaam weg, op het randje van cheesy maar vooral lekker kleurrijk en expliciet. Crispe geluiden en veel houvast en structuur. Toch hoor ik ook hier weer vooral losse tracks die schier willekeurig in volgorde staan. Behaaglijke nummers die zich heel makkelijk laten omarmen en die je zonder al te veel problemen overal kunt opzetten. Nummers waarvan je binnen 10 seconden denkt 'he, dit is een goede track!', maar die daarmee hun geheimen ook wel direct prijsgeven, zo lijkt het.
Grappig overigens hoe sterk afsluiter 'Hawk' (net als de cover art overigens) door de oude Autechre geinspireerd lijkt te zijn. De track doet zowel in structuur als klankkleur heel sterk denken aan veel werk op Incunabula of aan Eutow, alleen dan met een beat die 1 slagje dansbaarder is. Eigenlijk precies zoals op Warp Tapes '89-'93 ook veel te horen is. Tracks van 30 jaar oud die nog steeds vers klinken, en in mijn optiek ook soulvoller, robuuster en uitgesprokener dan dit zijn.
Voor deze zit ik ergens tussen 3* en 3,5*.
Ook deze 'Isles' luistert aangenaam weg, op het randje van cheesy maar vooral lekker kleurrijk en expliciet. Crispe geluiden en veel houvast en structuur. Toch hoor ik ook hier weer vooral losse tracks die schier willekeurig in volgorde staan. Behaaglijke nummers die zich heel makkelijk laten omarmen en die je zonder al te veel problemen overal kunt opzetten. Nummers waarvan je binnen 10 seconden denkt 'he, dit is een goede track!', maar die daarmee hun geheimen ook wel direct prijsgeven, zo lijkt het.
Grappig overigens hoe sterk afsluiter 'Hawk' (net als de cover art overigens) door de oude Autechre geinspireerd lijkt te zijn. De track doet zowel in structuur als klankkleur heel sterk denken aan veel werk op Incunabula of aan Eutow, alleen dan met een beat die 1 slagje dansbaarder is. Eigenlijk precies zoals op Warp Tapes '89-'93 ook veel te horen is. Tracks van 30 jaar oud die nog steeds vers klinken, en in mijn optiek ook soulvoller, robuuster en uitgesprokener dan dit zijn.
Voor deze zit ik ergens tussen 3* en 3,5*.
Björk - Post (1995)

3,0
2
geplaatst: 9 november 2022, 09:37 uur
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #204
Van Post heb de cd al zeker 15 jaar in de kast staan, na deze ooit voor iets van twee pond in een Londens cd-winkeltje te hebben opgepikt. Volgens mij stonden er wel 6 exemplaren: alsof iedereen rond uitkomen massaal de plaat had aangeschaft, en hij tien jaar later even zo massaal weer de deur uit werd gedaan. Met zijn mooie hoes en met Björks bijzondere discografie in het acherhoofd kon ik die natuurlijk niet laten staan. Desondanks is het nooit een grote Björk-favoriet van me geweest. Zich begevend midden tussen de eenvoud van Debut, de grootsheid van Homogenic en de intimiteit van Vespertine is hij voor mij altijd een beetje tussen wal en schip gevallen. Ik heb het meer gezien als plaat waar uitschieters 'Hyperballad' en 'Isobel' linea recta naar de playlist konden en de rest evenzo direct de kast in, al was het maar om niet elke keer het vreselijke 'It's Oh So Quiet' te hoeven aanhoren. En waar ik eerdergenoemd tweetal nog tientallen keren heb gehoord afgelopen jaren, realiseer ik me dat ik 'Post' al zeker 10 jaar de kast niet uitgekomen was. Björk blijft relevant ondertussen, met recent nog een veelbesproken nieuwe plaat, dus leuk om deze weer eens in de herkansing te doen.
Al binnen een minuut realiseer ik me waarom de klik met Post al die tijd uitgebleven is. 'Army of Me' heeft een inmiddels, maar ik denk zelfs in 2005 al, wel erg gedateerde '90s productie. Alsof Liam Howlett aan de knoppen zit. Op zich geen verkeerde track, maar wel een erg duidelijk document van de tijd, inclusief alle bijbehorende cliches, zoals de schurende semi-ongepolijste maar niet-echt-ruwe mechanische beats en de Drexciyaanse pressure-release onderwatergeluidjes. Hoewel het tof is dat Björk als een van de eerste 'grote' artiesten de elektronica van die tijd omarmt en integreert in haar eigen universum, is het anno 2022 grotendeels wel erg koddig. Autechre kwam in het jaar van Post met Tri Repetae, en als je die twee naast elkaar legt is het verschil in tijdloosheid van de gebakken electronica wel erg groot. Niettemin is het te prijzen dat Björk uberhaupt deze kant op ging waar velen in die tijd juist een beetje bleven hangen: ze was Madonna toch maar mooi een paar jaar voor. En waar dat goed uitpakt, pakt het ook direct geweldig uit: ‘Hyperballad’ blijft een prachtig klein monument, met een meer ineengrijpende symbiose van Björk en haar beats dan elders op de plaat. De enige track bovendien die in haar eerste 3 minuten een voorschot neemt op het latere meesterwerk dat Vespertine zou blijken. Op de beats in het tweede deel zit weliswaar nogal wat sleet, maar de track is krachtig genoeg om dat goed te kunnen hebben.
Post lift wel erg nadrukkelijk mee op drie verschillende electronica-hypes uit die tijd: de triphop van Massive Attack en Tricky (‘Isobel’, ‘The Modern Things), het licht abstractere werk van dingen als The Orb en Orbital (‘Possibly Maybe’, ‘I Miss You’), en de rock-crossover sound van The Prodigy en Leftfield (‘Army of Me’) . Als ik alles uitvlak dat nadrukkelijk naar een van die drie hoeken hint, blijft er niet zo heel veel over. Waar Vespertine geweldig intiem is met een minutieus in de muziek geïntegreerde Bjork, is Post voor mij iets te uitgedacht en modegevoelig, waarbij de vocalen niet in maar bovenop de vakkundige maar vaak ook erg '90s electronica stereotype producties liggen.
Ik kan me goed voorstellen dat dit in 1995 het symbiotische summum van de elektronische pop geweest moet zijn en kan me de grootse status van Bjork ten gevolge van een album als dit goed voorstellen. Er wordt veel gewicht in de schaal gelegd en verre van terughoudend te werk gegaan. Het is wel cool dat een album met een aparte en gedurfde aanpak zo'n groot publiek gevonden heeft, maar het is lang niet allemaal even sterk en tijdloos al helemaal niet. Post is me iets te bedacht en gekunsteld om echt van te genieten. Toch luistert de plaat heel makkelijk en zit hij gestroomlijnd in elkaar.
3.25*
Van Post heb de cd al zeker 15 jaar in de kast staan, na deze ooit voor iets van twee pond in een Londens cd-winkeltje te hebben opgepikt. Volgens mij stonden er wel 6 exemplaren: alsof iedereen rond uitkomen massaal de plaat had aangeschaft, en hij tien jaar later even zo massaal weer de deur uit werd gedaan. Met zijn mooie hoes en met Björks bijzondere discografie in het acherhoofd kon ik die natuurlijk niet laten staan. Desondanks is het nooit een grote Björk-favoriet van me geweest. Zich begevend midden tussen de eenvoud van Debut, de grootsheid van Homogenic en de intimiteit van Vespertine is hij voor mij altijd een beetje tussen wal en schip gevallen. Ik heb het meer gezien als plaat waar uitschieters 'Hyperballad' en 'Isobel' linea recta naar de playlist konden en de rest evenzo direct de kast in, al was het maar om niet elke keer het vreselijke 'It's Oh So Quiet' te hoeven aanhoren. En waar ik eerdergenoemd tweetal nog tientallen keren heb gehoord afgelopen jaren, realiseer ik me dat ik 'Post' al zeker 10 jaar de kast niet uitgekomen was. Björk blijft relevant ondertussen, met recent nog een veelbesproken nieuwe plaat, dus leuk om deze weer eens in de herkansing te doen.
Al binnen een minuut realiseer ik me waarom de klik met Post al die tijd uitgebleven is. 'Army of Me' heeft een inmiddels, maar ik denk zelfs in 2005 al, wel erg gedateerde '90s productie. Alsof Liam Howlett aan de knoppen zit. Op zich geen verkeerde track, maar wel een erg duidelijk document van de tijd, inclusief alle bijbehorende cliches, zoals de schurende semi-ongepolijste maar niet-echt-ruwe mechanische beats en de Drexciyaanse pressure-release onderwatergeluidjes. Hoewel het tof is dat Björk als een van de eerste 'grote' artiesten de elektronica van die tijd omarmt en integreert in haar eigen universum, is het anno 2022 grotendeels wel erg koddig. Autechre kwam in het jaar van Post met Tri Repetae, en als je die twee naast elkaar legt is het verschil in tijdloosheid van de gebakken electronica wel erg groot. Niettemin is het te prijzen dat Björk uberhaupt deze kant op ging waar velen in die tijd juist een beetje bleven hangen: ze was Madonna toch maar mooi een paar jaar voor. En waar dat goed uitpakt, pakt het ook direct geweldig uit: ‘Hyperballad’ blijft een prachtig klein monument, met een meer ineengrijpende symbiose van Björk en haar beats dan elders op de plaat. De enige track bovendien die in haar eerste 3 minuten een voorschot neemt op het latere meesterwerk dat Vespertine zou blijken. Op de beats in het tweede deel zit weliswaar nogal wat sleet, maar de track is krachtig genoeg om dat goed te kunnen hebben.
Post lift wel erg nadrukkelijk mee op drie verschillende electronica-hypes uit die tijd: de triphop van Massive Attack en Tricky (‘Isobel’, ‘The Modern Things), het licht abstractere werk van dingen als The Orb en Orbital (‘Possibly Maybe’, ‘I Miss You’), en de rock-crossover sound van The Prodigy en Leftfield (‘Army of Me’) . Als ik alles uitvlak dat nadrukkelijk naar een van die drie hoeken hint, blijft er niet zo heel veel over. Waar Vespertine geweldig intiem is met een minutieus in de muziek geïntegreerde Bjork, is Post voor mij iets te uitgedacht en modegevoelig, waarbij de vocalen niet in maar bovenop de vakkundige maar vaak ook erg '90s electronica stereotype producties liggen.
Ik kan me goed voorstellen dat dit in 1995 het symbiotische summum van de elektronische pop geweest moet zijn en kan me de grootse status van Bjork ten gevolge van een album als dit goed voorstellen. Er wordt veel gewicht in de schaal gelegd en verre van terughoudend te werk gegaan. Het is wel cool dat een album met een aparte en gedurfde aanpak zo'n groot publiek gevonden heeft, maar het is lang niet allemaal even sterk en tijdloos al helemaal niet. Post is me iets te bedacht en gekunsteld om echt van te genieten. Toch luistert de plaat heel makkelijk en zit hij gestroomlijnd in elkaar.
3.25*
Björk - Vespertine (2001)

5,0
0
geplaatst: 12 juli 2006, 19:36 uur
Wat is dit album opeens een enorme verrassing voor mij. Ik ken het nu één dag, en als deze niet gaat vervelen, zal dit denk ik altijd wel een topper voor mij blijven.
Ik kende Homogenic inmiddels een paar maanden en dat is een leuk album, maar het is allemaal een klein beetje 'over-the-top'. Ik kreeg toen ik het hoorde niet het idee dat Björk meer kon dan dat, zeker niet omdat Homogenic toch wel zo'n beetje bekend staat als het beste uit haar carrière. Omdat haar stemgeluid zo dwingend aanwezig is, verwachtte ik niet dat ze nog zo boven haar eerdere niveau kon uitstijgen.
Homogenic is nogal groots en gewichtig, maar Vespertine is daarentegen heel lieflijk, dromerig en schattig zonder ook maar ergens onnodig uit te schieten. De vele rustige stukken worden perfect afgewisseld met enkele spaarzame stevigere stukken. Omdat er hier minder vaak flink wordt uitgehaald door Björk, zijn de 'uitbarstingetjes' hier effectiever. De zang en muziek zijn perfect ineengeweven, en dat levert letterlijk enkel schitterende nummers op. Bovendien is het zo'n goed geheel dat het bijna klinkt als één groot nummer; ik heb het vrijwel nooit door wanneer het nummer afgelopen is en er een nieuw nummer begint. Dit maakt het album zowel op de voorgrond als op de achtergrond erg genietbaar.
Omdat de achtergrondmuziek zo perfect bij Björks stem past was Vespertine voor mij ook meteen ontzettend gemakkelijk om door te komen. Nergens hoefde ik echt te wennen aan nummers -iets wat ik bij Homogenic wel had- en ik kon alles makkelijk meteen op me af laten komen. Dit is wel de reden dat ik vrees dat het album minder wordt als ik het vaker hoor, maar dat kan ik me nu in ieder geval nog niet voorstellen, omdat ongeveer elk nummer perfect klinkt, en het is dus te hopen dat dit zo blijft.
Na één dag al van 4,5* naar 5* en op plek 5 in mijn top10.
Ik kende Homogenic inmiddels een paar maanden en dat is een leuk album, maar het is allemaal een klein beetje 'over-the-top'. Ik kreeg toen ik het hoorde niet het idee dat Björk meer kon dan dat, zeker niet omdat Homogenic toch wel zo'n beetje bekend staat als het beste uit haar carrière. Omdat haar stemgeluid zo dwingend aanwezig is, verwachtte ik niet dat ze nog zo boven haar eerdere niveau kon uitstijgen.
Homogenic is nogal groots en gewichtig, maar Vespertine is daarentegen heel lieflijk, dromerig en schattig zonder ook maar ergens onnodig uit te schieten. De vele rustige stukken worden perfect afgewisseld met enkele spaarzame stevigere stukken. Omdat er hier minder vaak flink wordt uitgehaald door Björk, zijn de 'uitbarstingetjes' hier effectiever. De zang en muziek zijn perfect ineengeweven, en dat levert letterlijk enkel schitterende nummers op. Bovendien is het zo'n goed geheel dat het bijna klinkt als één groot nummer; ik heb het vrijwel nooit door wanneer het nummer afgelopen is en er een nieuw nummer begint. Dit maakt het album zowel op de voorgrond als op de achtergrond erg genietbaar.
Omdat de achtergrondmuziek zo perfect bij Björks stem past was Vespertine voor mij ook meteen ontzettend gemakkelijk om door te komen. Nergens hoefde ik echt te wennen aan nummers -iets wat ik bij Homogenic wel had- en ik kon alles makkelijk meteen op me af laten komen. Dit is wel de reden dat ik vrees dat het album minder wordt als ik het vaker hoor, maar dat kan ik me nu in ieder geval nog niet voorstellen, omdat ongeveer elk nummer perfect klinkt, en het is dus te hopen dat dit zo blijft.
Na één dag al van 4,5* naar 5* en op plek 5 in mijn top10.
Black Country, New Road - Ants from Up There (2022)

2,5
2
geplaatst: 6 februari 2022, 11:54 uur
Voor mij na enkele beluisteringen de rock-equivalent van Trentemøller - categorie 'iets te hard geprobeerd'. Ze kennen hun klassiekers; ze kunnen stukken Steve Reich moeiteloos inbedden in hun post rock pastiches (al ligt dat er al in de intro wel erg dik bovenop); de teksten zijn lekker apart en je kunt er beluistering na beluistering meer uithalen. Maar dat is voor mij in dit geval allemaal geen compliment.
Dit gezelschap komt zo ontzettend zelfbewust en 'vakkundig' over dat het bijna doorlopend op mijn zenuwen werkt. Het is ongetwijfeld lastig om met zo'n torenhoge hype om te gaan, en dit album voelt aan alle kanten als een snoepwinkel voor muzieknerds. Het is ontegenzeggenlijk knap gemaakt, maar doet me helaas niets.
Dit gezelschap komt zo ontzettend zelfbewust en 'vakkundig' over dat het bijna doorlopend op mijn zenuwen werkt. Het is ongetwijfeld lastig om met zo'n torenhoge hype om te gaan, en dit album voelt aan alle kanten als een snoepwinkel voor muzieknerds. Het is ontegenzeggenlijk knap gemaakt, maar doet me helaas niets.
Black Dog Productions - (Bytes) (1993)

4,5
0
geplaatst: 30 juli 2009, 23:05 uur
Deze plaat heeft een gedateerdheid die nu eens geen drempel is maar hoogstens een smal draadje dat op de luisterweg voor je ligt. Je stapt er zo overheen, en dan openbaart zich opeens een ontzettend universeel soort electronica. Niet echt in een hokje te duwen, te onvast om voor dansmuziek door te gaan, maar te rechtlijnig en helder om in zonder pardon in het IDM Warp-hoekje gestopt te worden. Ongerepte electronica vind ik het.
De urgentie van deze Black Dog liedjes ontgaat me volledig wanneer ik het probeer te analyseren, maar dit overkoepelt ondertussen een hele boel electronica op een subtiele, warme, bijna liefkozende manier. Het heeft zijn plaats in de ruimte, en duwt zijn tijdsgenoten niet weg maar leeft er probleemloos naast. Het is geen kwestie van beter, maar slechts van anders. Gevoelloos kan ik tientallen artiesten er moeiteloos naastleggen, maar wie dat dan zouden zijn.. LFO? Seefeel? Autechre? ik heb eigenlijk geen idee.
Waarom ze er - zoals bij meer begin jaren 90 Warp albums - alles aan doen om het gehele artwork zo lelijk mogelijk te maken, begrijp ik niet helemaal. Maar als het bedoeld is om de muziek een centralere plaats te geven, en je als luisteraar geen vooropgezette richting in te sturen (want dat wil je onderbewustzijn echt niet met dergelijke afstandelijke en mismaakte plaatjes en lettertjes in het boekje), slagen ze daar met Bytes eigenlijk behoorlijk goed in.
Volgens mij is dit een essentiëler album dan het mij op het eerste gehoor deed vermoeden
.
De urgentie van deze Black Dog liedjes ontgaat me volledig wanneer ik het probeer te analyseren, maar dit overkoepelt ondertussen een hele boel electronica op een subtiele, warme, bijna liefkozende manier. Het heeft zijn plaats in de ruimte, en duwt zijn tijdsgenoten niet weg maar leeft er probleemloos naast. Het is geen kwestie van beter, maar slechts van anders. Gevoelloos kan ik tientallen artiesten er moeiteloos naastleggen, maar wie dat dan zouden zijn.. LFO? Seefeel? Autechre? ik heb eigenlijk geen idee.
Waarom ze er - zoals bij meer begin jaren 90 Warp albums - alles aan doen om het gehele artwork zo lelijk mogelijk te maken, begrijp ik niet helemaal. Maar als het bedoeld is om de muziek een centralere plaats te geven, en je als luisteraar geen vooropgezette richting in te sturen (want dat wil je onderbewustzijn echt niet met dergelijke afstandelijke en mismaakte plaatjes en lettertjes in het boekje), slagen ze daar met Bytes eigenlijk behoorlijk goed in.
Volgens mij is dit een essentiëler album dan het mij op het eerste gehoor deed vermoeden
.Boards of Canada - Tomorrow's Harvest (2013)

4,5
0
geplaatst: 13 juni 2013, 21:44 uur
De donkerte die velen in Tomorrow's Harvest horen, herken ik niet zo, daarvoor vind ik de klankkleuren in het algemeen te fris - in tegenstelling tot op Geogaddi, waar deze plaat tot mijn onbegrip veel mee vergeleken wordt. In termen van kwaliteit volg ik het wel: vandaag heb ik deze op vinyl aangeschaft en dan, op flink volume, komt de onwaarschijnlijke rijkdom van de klanken duidelijk naar voren. De productie vind ik ongelofelijk goed, het is geweldig hoe gelijksoortige klanken nooit smelten als dat niet de bedoeling is maar langs elkaar kronkelen en met elkaar spelen - vooral op Jacquard Causeway wordt dat heel erg duidelijk.
Op MP3 met matige boxjes was de schoonheid hoorbaar, maar op vinyl en een degelijk systeem trekt deze plaat nog eens een heel register aan details en extra rijkdom open. Tomorrow's Harvest is BoC's toegankelijkste en tevens de beste na Geogaddi voor mij - al is dat mogelijk een voorbarige conclusie natuurlijk.
Op MP3 met matige boxjes was de schoonheid hoorbaar, maar op vinyl en een degelijk systeem trekt deze plaat nog eens een heel register aan details en extra rijkdom open. Tomorrow's Harvest is BoC's toegankelijkste en tevens de beste na Geogaddi voor mij - al is dat mogelijk een voorbarige conclusie natuurlijk.
Bob Dylan - The Freewheelin' Bob Dylan (1963)

4,0
1
geplaatst: 13 november 2022, 11:53 uur
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #202
Toen mijn pa zijn platencollectie de deur uit deed, ik denk een jaar of 10 jaar geleden, kon ik overnemen wat ik wilde. Het klassiek sloeg ik over, en ook het overige was grotendeels niet aan me besteed, maar ik hield er toch een leuke subset van Rolling Stones, Ry Cooder en Leonard Cohen aan over. Daarbij bovendien een stuk of 5 platen van Bob Dylan. Nou kende ik van Bob reeds verschillende albums, die ik allemaal waardeerde, maar niet al te vaak draaide. Toch zijn ze op een lange autorit of bij huishoudelijke klusjes soms precies waar ik behoefte aan heb. Bob heeft iets vertrouwds en geruststellends. Zelfs als hij zingt over grootse of afstandelijke thema’s lijkt hij om de hoek te zitten. Maar toen ik rond 2006 zijn discografie begon aan te breken bestond die al uit zo’n 30 albums. Dan graviteer ik, naast enkele toevalstreffers als het ongevraagde maar prima bevallen verjaardagskado No Mercy, al snel naar de kanonnen uit de mid-‘60s en wat daar omheen ligt. Van The Freewheelin… had ik onderbewust aangenomen dat Bob toen nog een beetje moest inkomen. En dus stond hij hier thuis, ondanks de oprecht en verfrissend kwetsbaar overkomende hoes, 10 jaar onbeluisterd in de kast. Gênant eigenlijk.
‘Blowin’ in the Wind’, dat ik talloze keren hoorde in verschillende uitvoeringen waaronder deze, ligt me eigenlijk niet zo – hoewel ik evengoed nooit een betere vertolking hoorde dan die van Dylan zelf. Het schreeuwt voor mij iets te veel ‘evergreen’ in tekst en compositie – waar de hoes iets kleins en vertrouwds belooft, is dit ondanks de warme vertolking meteen het grote gebaar. ”How many years can a mountain exist”…The answer, my friend…. Wellicht knap om op je 21ste zoiets universeels te schrijven, maar het is wel erg ‘opa vertelt’ allemaal en aan de melodramatische kant. Het goede nieuws is dat we het minste dan direct achter de rug hebben. ‘Girl From the North Country’ is al een stuk nabijer en mengt het grootse en het nabije tot een soort benaderbaar epos. Die prettige tegenstelling zien we vervolgens vaker, te beginnen met hoogtepunt ‘Masters of War’. Bob bezingt oorlogsthematiek met grootse gebaren, maar de minimalistische en juist daardoor bezwerende aanpak maakt het geloofwaardig en dichtbij.
Bob is een van die artiesten waar je niet langs de teksten heen kunt luisteren, of je het nu wilt of niet. Terwijl ik normaal meer geef om klank dan om tekst, heeft het hier zeker meerwaarde en vormt het een gebalanceerde eenheid met de gitaar en harmonica. Overtuigend oorlogsprotest, verpakt in een gestaag binnendeinende schets die ik na enkele beluisteringen al tot Bobs beste stukken reken. Ook op het bluesy ‘Down the Highway’ ligt het functionele en sprekende gebruik van de akoestische gitaar me heel goed. Die kleine en directe nummers komen het hardst binnen, terwijl ook nummers zoals ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’, die meer in lijn liggen met de Dylan van latere albums, resoneren en verwonderen. Ik krijg spontaan zin om me weer meer in Bob te gaan verdiepen. Waar ik de laatste tijd veel Townes van Zandt heb gedraaid komt de freewheelin’ Bob over als een wat opgewektere, minder cynische, of ja inderdaad, freewheeling variant daarop. Soms iets aan de traditionele kant, maar heel levendig en speels, zoals mooi geïllustreerd op afsluiter I Shall Be Free, dat dronken gelal identificeerbaar maakt, inclusief de zwalkende bravoure weergegeven in het ritme – een van mijn favorieten op deze kleurrijke plaat.
The Freewheelin’ Bob Dylan zou op termijn wel eens mijn favoriete Bob-plaat kunnen worden. De lichtheid van de hoes spreekt uit de plaat, terwijl zware thema’s niet geschuwd worden en als het ware in die lichtheid ingebed liggen. Dat voorkomt melodramatiek en maakt dat ze inhoudelijk beter binnenkomen. Blowin’ in the Wind blijft een wat ongelukkige opener, en voor mij ook gewoon het minst interessante moment van de plaat. Van daaruit maakt de plaat zijn titel precies waar: de vrije loop, en toch nergens vrijblijvend. Dat de LP hier al 10 jaar ongedraaid in de kast stond is een vergissing die bij dezen is rechtgezet.
Ruim 4*
Toen mijn pa zijn platencollectie de deur uit deed, ik denk een jaar of 10 jaar geleden, kon ik overnemen wat ik wilde. Het klassiek sloeg ik over, en ook het overige was grotendeels niet aan me besteed, maar ik hield er toch een leuke subset van Rolling Stones, Ry Cooder en Leonard Cohen aan over. Daarbij bovendien een stuk of 5 platen van Bob Dylan. Nou kende ik van Bob reeds verschillende albums, die ik allemaal waardeerde, maar niet al te vaak draaide. Toch zijn ze op een lange autorit of bij huishoudelijke klusjes soms precies waar ik behoefte aan heb. Bob heeft iets vertrouwds en geruststellends. Zelfs als hij zingt over grootse of afstandelijke thema’s lijkt hij om de hoek te zitten. Maar toen ik rond 2006 zijn discografie begon aan te breken bestond die al uit zo’n 30 albums. Dan graviteer ik, naast enkele toevalstreffers als het ongevraagde maar prima bevallen verjaardagskado No Mercy, al snel naar de kanonnen uit de mid-‘60s en wat daar omheen ligt. Van The Freewheelin… had ik onderbewust aangenomen dat Bob toen nog een beetje moest inkomen. En dus stond hij hier thuis, ondanks de oprecht en verfrissend kwetsbaar overkomende hoes, 10 jaar onbeluisterd in de kast. Gênant eigenlijk.
‘Blowin’ in the Wind’, dat ik talloze keren hoorde in verschillende uitvoeringen waaronder deze, ligt me eigenlijk niet zo – hoewel ik evengoed nooit een betere vertolking hoorde dan die van Dylan zelf. Het schreeuwt voor mij iets te veel ‘evergreen’ in tekst en compositie – waar de hoes iets kleins en vertrouwds belooft, is dit ondanks de warme vertolking meteen het grote gebaar. ”How many years can a mountain exist”…The answer, my friend…. Wellicht knap om op je 21ste zoiets universeels te schrijven, maar het is wel erg ‘opa vertelt’ allemaal en aan de melodramatische kant. Het goede nieuws is dat we het minste dan direct achter de rug hebben. ‘Girl From the North Country’ is al een stuk nabijer en mengt het grootse en het nabije tot een soort benaderbaar epos. Die prettige tegenstelling zien we vervolgens vaker, te beginnen met hoogtepunt ‘Masters of War’. Bob bezingt oorlogsthematiek met grootse gebaren, maar de minimalistische en juist daardoor bezwerende aanpak maakt het geloofwaardig en dichtbij.
Bob is een van die artiesten waar je niet langs de teksten heen kunt luisteren, of je het nu wilt of niet. Terwijl ik normaal meer geef om klank dan om tekst, heeft het hier zeker meerwaarde en vormt het een gebalanceerde eenheid met de gitaar en harmonica. Overtuigend oorlogsprotest, verpakt in een gestaag binnendeinende schets die ik na enkele beluisteringen al tot Bobs beste stukken reken. Ook op het bluesy ‘Down the Highway’ ligt het functionele en sprekende gebruik van de akoestische gitaar me heel goed. Die kleine en directe nummers komen het hardst binnen, terwijl ook nummers zoals ‘A Hard Rain’s A-Gonna Fall’, die meer in lijn liggen met de Dylan van latere albums, resoneren en verwonderen. Ik krijg spontaan zin om me weer meer in Bob te gaan verdiepen. Waar ik de laatste tijd veel Townes van Zandt heb gedraaid komt de freewheelin’ Bob over als een wat opgewektere, minder cynische, of ja inderdaad, freewheeling variant daarop. Soms iets aan de traditionele kant, maar heel levendig en speels, zoals mooi geïllustreerd op afsluiter I Shall Be Free, dat dronken gelal identificeerbaar maakt, inclusief de zwalkende bravoure weergegeven in het ritme – een van mijn favorieten op deze kleurrijke plaat.
The Freewheelin’ Bob Dylan zou op termijn wel eens mijn favoriete Bob-plaat kunnen worden. De lichtheid van de hoes spreekt uit de plaat, terwijl zware thema’s niet geschuwd worden en als het ware in die lichtheid ingebed liggen. Dat voorkomt melodramatiek en maakt dat ze inhoudelijk beter binnenkomen. Blowin’ in the Wind blijft een wat ongelukkige opener, en voor mij ook gewoon het minst interessante moment van de plaat. Van daaruit maakt de plaat zijn titel precies waar: de vrije loop, en toch nergens vrijblijvend. Dat de LP hier al 10 jaar ongedraaid in de kast stond is een vergissing die bij dezen is rechtgezet.
Ruim 4*
Boris - Boris at Last -Feedbacker- (2003)

4,0
5
geplaatst: 11 september 2022, 10:38 uur
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #230
Boris at Last – Feedbacker was mijn kennismaking met Boris en lange tijd de enige volledige plaat van ze waarin ik me verdiept had. Dat lag allerminst aan Feedbacker zelf, want ik herinner me dat dat vanaf de eerste beluistering best een openbaring was. Maar ik had het gevoel dat ik er wel voldoende aan had voor wat betreft Boris, omdat het relatief zware kost is.
Je zou het gimmicky kunnen noemen om een feedbacker plaat met 3 minuten aan rondzingende gitaarfeedback te starten, maar zo voelt het mij niet aan. Dit is meer een ode aan de gitaartextuur, in de vorm van feedback in een rustig interpreteerbare vorm gegoten. Misschien is de titel daarom maar goed ook, want als een Lou Reed (om maar iemand te noemen…) met zo’n idee aankomt, buitelen de mensen over elkaar heen om te benadrukken hoe ontzettend slecht het wel niet is. Alsof ze genoegzaam zijn eindelijk een ‘slechtste album ooit’ gevonden te hebben waarbij niemand over die kwalificatie zal vallen. Of eindelijk een plaat hebben gevonden om een 0.5*-review aan te wijden. Nou is Feedbacker in de eerste plaats een beter album dan Metal Machine Music, maar het prikkelt de gedachten wel: zou Lou Reed ook beticht zijn van rotzooi als hij met deze plaat op de proppen was gekomen? Zou hij dan niet 2.11* gemiddeld scoren tegenover bijna het dubbele van Boris? Zou zijn MuMe genre-aanduiding dan niet “Avant-garde” (wat dat ook moge zijn) zijn, en die van Boris gewoon “Rock” (wat dit is)? Wat dat betreft heeft Boris een prettig filter: zij mogen wel conceptalbums maken. Want zoals Flood eerder in de RYM-lijst al een duidelijk conceptalbum was, is ook deze plaat een zuivere conceptuele ode aan de elektrische gitaarsound.
Tot zover deze bespiegeling, over naar de muziek: die is log, zwaar en traag en staat net als op Flood in sterke mate in dienst van de opbouw. Geen postrock-cliché-opbouw met aanzwellende gitaren en uitbarstingen, maar hele zuivere, pure en misschien wel doelbewust saaie opbouw. Het maakt dat de plaat vermoedelijk alleen interessant is voor luisteraars die voldoende waardering kunnen opbrengen voor sonische textuur. Boris verkent hun gitaren alsof ze Sonic Youth zijn, maar maakt daarmee meer minimalistische composities dan liedjes. Traagheid wordt bewust ingezet als middel om het pure geluid en de textuur een centralere plaats te geven. In de tweede helft van Feedbacker02 wordt zelfs een typisch schurend hardrockgeluid aangegrepen om als het ware op 20% van de reguliere snelheid binnenstebuiten te keren en te ontleden. Ik ben geen fan van dat geluid (en in het algemeen niet van de gitaar in het bijzonder, sowieso het meest overgebruikte instrument in de muziekwereld), maar kan het erg waarderen in de context waarin het door Boris geplaatst wordt.
Evengoed een mooie plaat dus, in al zijn eenvoud waarbinnen de grote verkenning kan starten. De gitaarfeedback wordt hier volledig uitgespeeld. Soms kun je er lekker op surfen, soms doet het pijn aan de oren. Maar altijd blijft het spannend en staat wat er gebeurt in dienst van de opbouw en het album. De plaat groeit bij mij niet echt, maar staat wel stevig in de grond als een groot metalen beeldhouwwerk.
Kortom - een sterk staaltje metal machine music: 4*
Boris at Last – Feedbacker was mijn kennismaking met Boris en lange tijd de enige volledige plaat van ze waarin ik me verdiept had. Dat lag allerminst aan Feedbacker zelf, want ik herinner me dat dat vanaf de eerste beluistering best een openbaring was. Maar ik had het gevoel dat ik er wel voldoende aan had voor wat betreft Boris, omdat het relatief zware kost is.
Je zou het gimmicky kunnen noemen om een feedbacker plaat met 3 minuten aan rondzingende gitaarfeedback te starten, maar zo voelt het mij niet aan. Dit is meer een ode aan de gitaartextuur, in de vorm van feedback in een rustig interpreteerbare vorm gegoten. Misschien is de titel daarom maar goed ook, want als een Lou Reed (om maar iemand te noemen…) met zo’n idee aankomt, buitelen de mensen over elkaar heen om te benadrukken hoe ontzettend slecht het wel niet is. Alsof ze genoegzaam zijn eindelijk een ‘slechtste album ooit’ gevonden te hebben waarbij niemand over die kwalificatie zal vallen. Of eindelijk een plaat hebben gevonden om een 0.5*-review aan te wijden. Nou is Feedbacker in de eerste plaats een beter album dan Metal Machine Music, maar het prikkelt de gedachten wel: zou Lou Reed ook beticht zijn van rotzooi als hij met deze plaat op de proppen was gekomen? Zou hij dan niet 2.11* gemiddeld scoren tegenover bijna het dubbele van Boris? Zou zijn MuMe genre-aanduiding dan niet “Avant-garde” (wat dat ook moge zijn) zijn, en die van Boris gewoon “Rock” (wat dit is)? Wat dat betreft heeft Boris een prettig filter: zij mogen wel conceptalbums maken. Want zoals Flood eerder in de RYM-lijst al een duidelijk conceptalbum was, is ook deze plaat een zuivere conceptuele ode aan de elektrische gitaarsound.
Tot zover deze bespiegeling, over naar de muziek: die is log, zwaar en traag en staat net als op Flood in sterke mate in dienst van de opbouw. Geen postrock-cliché-opbouw met aanzwellende gitaren en uitbarstingen, maar hele zuivere, pure en misschien wel doelbewust saaie opbouw. Het maakt dat de plaat vermoedelijk alleen interessant is voor luisteraars die voldoende waardering kunnen opbrengen voor sonische textuur. Boris verkent hun gitaren alsof ze Sonic Youth zijn, maar maakt daarmee meer minimalistische composities dan liedjes. Traagheid wordt bewust ingezet als middel om het pure geluid en de textuur een centralere plaats te geven. In de tweede helft van Feedbacker02 wordt zelfs een typisch schurend hardrockgeluid aangegrepen om als het ware op 20% van de reguliere snelheid binnenstebuiten te keren en te ontleden. Ik ben geen fan van dat geluid (en in het algemeen niet van de gitaar in het bijzonder, sowieso het meest overgebruikte instrument in de muziekwereld), maar kan het erg waarderen in de context waarin het door Boris geplaatst wordt.
Evengoed een mooie plaat dus, in al zijn eenvoud waarbinnen de grote verkenning kan starten. De gitaarfeedback wordt hier volledig uitgespeeld. Soms kun je er lekker op surfen, soms doet het pijn aan de oren. Maar altijd blijft het spannend en staat wat er gebeurt in dienst van de opbouw en het album. De plaat groeit bij mij niet echt, maar staat wel stevig in de grond als een groot metalen beeldhouwwerk.
Kortom - een sterk staaltje metal machine music: 4*
Boris - Flood (2000)

4,5
2
geplaatst: 29 augustus 2022, 13:57 uur
Ik beluisterde dit album in het kader van het RateYourMusic top-250 review topic - dit is de RYM #244
Met Boris ben ik wel bekend – jaren geleden regelmatig geluisterd naar hun hypnotische en krachtige Feedbacker plaat. En hoewel ze bij mij afgelopen tijd een beetje in de vergetelheid zijn geraakt, staan ook tot de verbeelding sprekende platen als Absolutego, Amplifier Worship en Pink al jaren bij mij op de radar (zonder dat dit overigens tot concrete actie heeft geleid…). Ook Akuma No Uta trekt de aandacht met de geslaagde Bryter Layter-variant als hoes. Nu schetst mijn verbazing: het is niet een van deze 5 binnen-bepaalde-kringen-wereldberoemde platen die de RYM top-250 sieren, maar het mij tot op heden volledig onbekende Flood. Omdat ik bewust niet te ver vooruit kijk, vraag ik me af of die andere platen ook in de toplijst staan een RYM een Boris bolwerk is, of dat we op Flood met een verborgen parel te maken hebben.
De initiële verbazing wordt er bij beluistering van Flood bepaald niet minder om. Integendeel: de plaat van deze groep die zijn sporen verdiende in de zware metalen opent met zwaar minimalistisch en gitaargetokkel, vergezeld van een sporadische sonische aardschok. Enerzijds vind ik het geweldig dat er ruimte is voor dergelijk minimalisme in een internationale toplijst (ruim 11.600 stemmen ten tijde van dit stuk - ruim 350x zoveel als op MuMe!), anderzijds is dit ook voor mij als echte liefhebber minimalisme niet minder dan uitdagend. Zelfs bij notoire microscopische geluidskunstenaars als Oren Ambarchi gebeurt veel in vergelijking met de opener alhier – met name in klankkleur. Zelfs een hyperminimale plaat als Brian Eno’s Neroli voelt dichtbij en warm vergeleken hiermee. Maar dan blijkt – het heeft hier wel een functie: zoals mooie films, zoals Stalker of verschillende David Lynch films, je als kijker in slaap kunnen sussen zodat de uiteindelijke apotheose harder binnenslaat, zo sust Flood je met de opener ook een kwartier lang in een soort verveelde dommeltoestand.
Vervolgens komt ‘Flood II’ comfort brengen: met prachtige klankkleuren die me aan Pan American’s ambientklassieker Quiet City doen denken geeft het een zeldzame berusting. En zoals Pan American voortkomt uit een van de beste Postrock bands, Labradford, kent ook Flood duidelijk die post-rock aanpak waarin opbouw en ontwikkeling een hele centrale plaats innemen. Wat de plaat tevens gemeen heeft met Labradford (en juist niet met 90% van de overige Postrock formaties), is dat het geen gebruik maakt van clichés of theatrale dramatiek. Flood is een conceptalbum over het water, maar maakt daarbij nadrukkelijk geen gebruik van bubbelgeluidjes of expliciete nabootsing van golving of stroming.
De zangstukken op ‘Flood III’ laten je voor het eerst drijven, alsof je op je rug ligt de badderen op het elektrisch gitaargeluid en heen en weer gewiegd wordt door het Japanse gemompel. Je voelt je langzaam zwaarder worden en tegen de tijd dat je begint te zinken komen ook de zware gitaren binnenvallen. Het onbehagen komt hier niet van grootse climaxen, maar juist van het dooretteren van zwaar en donker geluid. Duidelijk post-rock, maar wel vanuit een eigen aanpak en richting de supertrage metal van b.v. Sunn O))) (die overigens in 2000 pas net begonnen en later nog met Boris zouden samenwerken). In een vrij korte tijd zijn we van bezinning en berusting naar donkerte gegaan.
De afsluitende track doet me opnieuw aan Oren Ambarchi denken en ik realiseer me: weer een referentie naar iemand die ten tijde van dit album pas net om de hoek kwam kijken. Het hangt ergens tussen 7 versnellingen teruggeschroefde metal en een gitaarvariant op Music For Airports in. Totale berusting, complete onthaasting en een lekker geaard gevoel zijn de dingen die resteren. In een lange meanderende route drijf je daarmee het album uit.
Je moet er echt even voor gaan zitten, maar Flood is een vooruitstrevende, zuivere en schone plaat waar een enorme waardering voor geluid uit spreekt – in al zijn afstoting en aantrekking, die beide ruimschoots aanwezig zijn. Ik heb tot nu toe na een paar beluisteringen elke keer het gevoel dat ik echt iets speciaals heb mogen horen. En belangrijker: iets waar ik op willekeurige momenten weer naar terugverlang. Een vreemde aantrekkingskracht die de beste platen classificeert.
Laat ik niet te terughoudend zijn en een voorzichtige 4.5* geven.
Met Boris ben ik wel bekend – jaren geleden regelmatig geluisterd naar hun hypnotische en krachtige Feedbacker plaat. En hoewel ze bij mij afgelopen tijd een beetje in de vergetelheid zijn geraakt, staan ook tot de verbeelding sprekende platen als Absolutego, Amplifier Worship en Pink al jaren bij mij op de radar (zonder dat dit overigens tot concrete actie heeft geleid…). Ook Akuma No Uta trekt de aandacht met de geslaagde Bryter Layter-variant als hoes. Nu schetst mijn verbazing: het is niet een van deze 5 binnen-bepaalde-kringen-wereldberoemde platen die de RYM top-250 sieren, maar het mij tot op heden volledig onbekende Flood. Omdat ik bewust niet te ver vooruit kijk, vraag ik me af of die andere platen ook in de toplijst staan een RYM een Boris bolwerk is, of dat we op Flood met een verborgen parel te maken hebben.
De initiële verbazing wordt er bij beluistering van Flood bepaald niet minder om. Integendeel: de plaat van deze groep die zijn sporen verdiende in de zware metalen opent met zwaar minimalistisch en gitaargetokkel, vergezeld van een sporadische sonische aardschok. Enerzijds vind ik het geweldig dat er ruimte is voor dergelijk minimalisme in een internationale toplijst (ruim 11.600 stemmen ten tijde van dit stuk - ruim 350x zoveel als op MuMe!), anderzijds is dit ook voor mij als echte liefhebber minimalisme niet minder dan uitdagend. Zelfs bij notoire microscopische geluidskunstenaars als Oren Ambarchi gebeurt veel in vergelijking met de opener alhier – met name in klankkleur. Zelfs een hyperminimale plaat als Brian Eno’s Neroli voelt dichtbij en warm vergeleken hiermee. Maar dan blijkt – het heeft hier wel een functie: zoals mooie films, zoals Stalker of verschillende David Lynch films, je als kijker in slaap kunnen sussen zodat de uiteindelijke apotheose harder binnenslaat, zo sust Flood je met de opener ook een kwartier lang in een soort verveelde dommeltoestand.
Vervolgens komt ‘Flood II’ comfort brengen: met prachtige klankkleuren die me aan Pan American’s ambientklassieker Quiet City doen denken geeft het een zeldzame berusting. En zoals Pan American voortkomt uit een van de beste Postrock bands, Labradford, kent ook Flood duidelijk die post-rock aanpak waarin opbouw en ontwikkeling een hele centrale plaats innemen. Wat de plaat tevens gemeen heeft met Labradford (en juist niet met 90% van de overige Postrock formaties), is dat het geen gebruik maakt van clichés of theatrale dramatiek. Flood is een conceptalbum over het water, maar maakt daarbij nadrukkelijk geen gebruik van bubbelgeluidjes of expliciete nabootsing van golving of stroming.
De zangstukken op ‘Flood III’ laten je voor het eerst drijven, alsof je op je rug ligt de badderen op het elektrisch gitaargeluid en heen en weer gewiegd wordt door het Japanse gemompel. Je voelt je langzaam zwaarder worden en tegen de tijd dat je begint te zinken komen ook de zware gitaren binnenvallen. Het onbehagen komt hier niet van grootse climaxen, maar juist van het dooretteren van zwaar en donker geluid. Duidelijk post-rock, maar wel vanuit een eigen aanpak en richting de supertrage metal van b.v. Sunn O))) (die overigens in 2000 pas net begonnen en later nog met Boris zouden samenwerken). In een vrij korte tijd zijn we van bezinning en berusting naar donkerte gegaan.
De afsluitende track doet me opnieuw aan Oren Ambarchi denken en ik realiseer me: weer een referentie naar iemand die ten tijde van dit album pas net om de hoek kwam kijken. Het hangt ergens tussen 7 versnellingen teruggeschroefde metal en een gitaarvariant op Music For Airports in. Totale berusting, complete onthaasting en een lekker geaard gevoel zijn de dingen die resteren. In een lange meanderende route drijf je daarmee het album uit.
Je moet er echt even voor gaan zitten, maar Flood is een vooruitstrevende, zuivere en schone plaat waar een enorme waardering voor geluid uit spreekt – in al zijn afstoting en aantrekking, die beide ruimschoots aanwezig zijn. Ik heb tot nu toe na een paar beluisteringen elke keer het gevoel dat ik echt iets speciaals heb mogen horen. En belangrijker: iets waar ik op willekeurige momenten weer naar terugverlang. Een vreemde aantrekkingskracht die de beste platen classificeert.
Laat ik niet te terughoudend zijn en een voorzichtige 4.5* geven.
Bruce Springsteen - Born to Run (1975)

2,5
2
geplaatst: 14 september 2022, 14:48 uur
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #228
Sommige artiesten hebben iets mysterieus over zich - je vraagt je voortdurend af of ze een loopje met je nemen of bloedserieus zijn, of ze links of rechts zullen gaan. Een David Bowie is daar erg goed in, bij wie je nooit helemaal weet of hij het nou meent of niet, die een enorme belevingswereld opspant door je voortdurend op het verkeerde been te zetten. Bruce Springsteen heeft het omgekeerde: hij heeft een hele duidelijke rode draad en consistentie doorheen al zijn werk, maar is daarbinnen ontzettend voorspelbaar. Nu zijn Bruce-adepten vaak erg toegewijd (op dit forum, maar ik heb ze ook in de familie) in het uitspreken en verdedigen van hun waardering voor “The Boss” (…), en zo had ik Born to Run voorafgaand aan mijn RYM-project reeds verschillende keren gehoord en op 2.5* staan. Maar hoewel mijn waardering niet is veranderd, begrijp ik inmiddels wel beter waarom ik niet meega in de adoratie van Bruce.
Zijn muziek, en deze plaat in het bijzonder, voelt als muziek voor mensen die verlangen naar een verleden waarin alles beter was. Toen de wereld nog eenvoudig was, de benzine nog goedkoop en de vrouwen nog allemaal als een blok voor je vielen. Waarin ook het zware werk en de ontberingen nog hun charme hadden. Het is knap hoe Bruce zo'n vertrouwd sfeertje weet op te roepen waarin je fijn kunt zwelgen. Het intrigeert me hoe zowel hijzelf als de personages in zijn songs zo'n sterke verpersoonlijking zijn van de anno 2022 boze maar in de ‘70s nog lekker zelfvoldane suburban Amerikaan. De machoman die zich, in een nog beperkt verbonden wereld, lekker ongecompliceerd kon wentelen in verlangen naar auto’s en vrouwen. Die teneur klinkt door in de muziek, maar ook in de aankleding: het leren jasje, de gitaar - het meestgebruikte fallussymbool binnen de ouwelullenrock - quasi-nonchalant maar ondertussen heel erg geposeerd omgehangen. Er gaat verbluffend weinig ironie en zelfspot vanuit. Bruce klinkt als die vriend van je vader die op verjaardagen opschept over zijn nieuwe auto en bij het zien van jouw meewarige blik aangeeft dat je er ook wel een keertje in mag rijden zonder daarin te lezen dat dat wel het laatste is waar je behoefte aan hebt. Die je op belerende toon uit de doeken doet hoe het er aan toegaat in de wereld terwijl hij zelf zelden zijn anonieme suburb uitkomt. Die niet converseert, maar uitlegt. Als het even kan in de vorm van een veel te lang verhaal.
Toegegeven: op lange autoritten, met name over de eindeloze provinciale wegen van New England of door de zwaar vervallen en met junks bezaaide dorpjes van Pennsylvania en Ohio, is het mij al eens prima bevallen om zo nu en dan een Bruce-plaat op te zetten. Daarvoor grijp ik dan algauw naar The River of een compilatie met mijn favoriet Youngstown erop, maar ook op deze plaat kan ik in die context goed wegdromen en net als de stereotype Amerikaan doen alsof buiten mijn wereld niets ertoe doet. Zo heeft deze muziek zeker zijn functie, die een lage score in zekere zin niet rechtvaardigt. Maar bij herbeluistering thuis of in de trein overheerst dan toch weer de knulligheid. Exemplarisch daarvoor is al het titelnummer, of het nu GTST-teksten als "I wanna die with you, Wendy, on the street tonight In an everlasting kiss" zijn of het theatrale afsluitende "whooohooohooo": ik hoor opgeklopte dramatiek van een macho die zichzelf zo centraal zet dat zijn band, die een nogal nadrukkelijke rol speelt in het album, in de artiestennaam niet eens vermeld wordt.
Muziek is voor mij op zijn mooist waar ruimte aan de verbeelding wordt overgelaten, waar dingen impliciet zijn - of het nou teksten zijn, instrumenten, of klankwendingen die worden weggelaten. Waar je als luisteraar ook dingen zelf kunt invullen, en in het beste geval de muziek de gedachten prikkelt. Bruce doet niets van dat al. Zowel instrumentaal als tekstueel kauwt hij alles voor. Zijn teksten en gebaren zijn zo expliciet en theatraal dat je puur moet volgen wat hij je voorlegt. En hoewel Bruce ontegenzeggelijk zo'n Amerikaans icoon is als de Ford F150, is zijn muziek ook net zo opgeblazen en grotesk in verhouding tot zijn waardevolle inhoud.
Ik kan prima volgen dat dit veel mensen aanspreekt maar mij ligt het ook bij herbeluistering niet – 2.5*
Sommige artiesten hebben iets mysterieus over zich - je vraagt je voortdurend af of ze een loopje met je nemen of bloedserieus zijn, of ze links of rechts zullen gaan. Een David Bowie is daar erg goed in, bij wie je nooit helemaal weet of hij het nou meent of niet, die een enorme belevingswereld opspant door je voortdurend op het verkeerde been te zetten. Bruce Springsteen heeft het omgekeerde: hij heeft een hele duidelijke rode draad en consistentie doorheen al zijn werk, maar is daarbinnen ontzettend voorspelbaar. Nu zijn Bruce-adepten vaak erg toegewijd (op dit forum, maar ik heb ze ook in de familie) in het uitspreken en verdedigen van hun waardering voor “The Boss” (…), en zo had ik Born to Run voorafgaand aan mijn RYM-project reeds verschillende keren gehoord en op 2.5* staan. Maar hoewel mijn waardering niet is veranderd, begrijp ik inmiddels wel beter waarom ik niet meega in de adoratie van Bruce.
Zijn muziek, en deze plaat in het bijzonder, voelt als muziek voor mensen die verlangen naar een verleden waarin alles beter was. Toen de wereld nog eenvoudig was, de benzine nog goedkoop en de vrouwen nog allemaal als een blok voor je vielen. Waarin ook het zware werk en de ontberingen nog hun charme hadden. Het is knap hoe Bruce zo'n vertrouwd sfeertje weet op te roepen waarin je fijn kunt zwelgen. Het intrigeert me hoe zowel hijzelf als de personages in zijn songs zo'n sterke verpersoonlijking zijn van de anno 2022 boze maar in de ‘70s nog lekker zelfvoldane suburban Amerikaan. De machoman die zich, in een nog beperkt verbonden wereld, lekker ongecompliceerd kon wentelen in verlangen naar auto’s en vrouwen. Die teneur klinkt door in de muziek, maar ook in de aankleding: het leren jasje, de gitaar - het meestgebruikte fallussymbool binnen de ouwelullenrock - quasi-nonchalant maar ondertussen heel erg geposeerd omgehangen. Er gaat verbluffend weinig ironie en zelfspot vanuit. Bruce klinkt als die vriend van je vader die op verjaardagen opschept over zijn nieuwe auto en bij het zien van jouw meewarige blik aangeeft dat je er ook wel een keertje in mag rijden zonder daarin te lezen dat dat wel het laatste is waar je behoefte aan hebt. Die je op belerende toon uit de doeken doet hoe het er aan toegaat in de wereld terwijl hij zelf zelden zijn anonieme suburb uitkomt. Die niet converseert, maar uitlegt. Als het even kan in de vorm van een veel te lang verhaal.
Toegegeven: op lange autoritten, met name over de eindeloze provinciale wegen van New England of door de zwaar vervallen en met junks bezaaide dorpjes van Pennsylvania en Ohio, is het mij al eens prima bevallen om zo nu en dan een Bruce-plaat op te zetten. Daarvoor grijp ik dan algauw naar The River of een compilatie met mijn favoriet Youngstown erop, maar ook op deze plaat kan ik in die context goed wegdromen en net als de stereotype Amerikaan doen alsof buiten mijn wereld niets ertoe doet. Zo heeft deze muziek zeker zijn functie, die een lage score in zekere zin niet rechtvaardigt. Maar bij herbeluistering thuis of in de trein overheerst dan toch weer de knulligheid. Exemplarisch daarvoor is al het titelnummer, of het nu GTST-teksten als "I wanna die with you, Wendy, on the street tonight In an everlasting kiss" zijn of het theatrale afsluitende "whooohooohooo": ik hoor opgeklopte dramatiek van een macho die zichzelf zo centraal zet dat zijn band, die een nogal nadrukkelijke rol speelt in het album, in de artiestennaam niet eens vermeld wordt.
Muziek is voor mij op zijn mooist waar ruimte aan de verbeelding wordt overgelaten, waar dingen impliciet zijn - of het nou teksten zijn, instrumenten, of klankwendingen die worden weggelaten. Waar je als luisteraar ook dingen zelf kunt invullen, en in het beste geval de muziek de gedachten prikkelt. Bruce doet niets van dat al. Zowel instrumentaal als tekstueel kauwt hij alles voor. Zijn teksten en gebaren zijn zo expliciet en theatraal dat je puur moet volgen wat hij je voorlegt. En hoewel Bruce ontegenzeggelijk zo'n Amerikaans icoon is als de Ford F150, is zijn muziek ook net zo opgeblazen en grotesk in verhouding tot zijn waardevolle inhoud.
Ik kan prima volgen dat dit veel mensen aanspreekt maar mij ligt het ook bij herbeluistering niet – 2.5*
