Hier kun je zien welke berichten Gyzzz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Fennesz - Endless Summer (2001)

5,0
0
geplaatst: 1 maart 2020, 21:38 uur
Before I Leave is inderdaad beangstigend goed, en helemaal in overgang naar Happy Audio, een titel die ik nu pas, na 15 jaar genieten van dit album, volledig kan plaatsen.
Dat kunnen de zeldzaam briljante albums: na 15 jaar nog steeds groeien, verborgen details prijsgeven en zichzelf met elke beluistering weer in een nieuwe context plaatsen. Dit is er zo een.
Dat kunnen de zeldzaam briljante albums: na 15 jaar nog steeds groeien, verborgen details prijsgeven en zichzelf met elke beluistering weer in een nieuwe context plaatsen. Dit is er zo een.
Fennesz - Venice (2004)

4,5
0
geplaatst: 21 september 2006, 21:58 uur
Venice, inmiddels al een geruime tijd op nummer 5 in mijn top10 is volgens mij wel de grootste groeiplaat die ik ooit gehoord heb. De eerste keren dat ik het luisterde deed het me helemaal niets. Naarmate ik meer naar ambient ging luisteren, kreeg ik ook meer oog voor de minimale verschillen in nummers, en begon ik makkelijker door de Fennesz' kenmerkende ruis heen te prikken.
Opener Rivers of Sand is misschien wel het mooiste nummer dat ik ken. Het is voor mij een nummer dat móet bestaan, het is eigenlijk niet meer uit mijn hoofd weg te denken. Dit is voor mij in warme tijden de ultieme muzikale weergave van deze warme dagen waarbij je niets hoeft te doen en je rustig onderuitgezakt kunt zitten, en in koudere dagen is dit de kachel die muzikale warmte verschaft. Het nummer begint onmiddelijk al prachtig en vol en zet de toon heel erg goed, met het breekbare en toch zo volle geluid. Dezelfde structuur herhaalt zich op de bijzonderste manieren en geeft me het idee dat in het hele nummer alles wat ik in muziek zoek voorbijkomt, terwijl alles toch over één verknipte basislaag gedrapeerd ligt.
Dan tegen de twee minuten breekt het nummer eigenlijk opnieuw open. Dit openbreken van nummers is een 'tactiek' die Fennesz geweldig beheerst. Hij deed het ook al, nog iets duidelijker op het nummer Cecilia, wat het grote hoogtepunt is van zijn album Endless Summer.
Leuk is ook dat de albumhoes, cd-titel Venice en de songnaam Rivers of Sand eigenlijk al een perfect beeld geven van de klanken die in het nummer voorbijkomen.
Als ik kijk naar andere artiesten in de ambientwereld, kom ik toch voornamelijk bij artiesten die de kou weerspiegelen, door het minimalisme en de lang uitgesponnen geluiden is dit ook gemakkelijker, en dit is waarin Fennesz zich onderscheidt van andere ambient artiesten: het ontzettend volle en zo ook warme geluid van zijn nummers.
Hierin zit 'm ook het verschil met Endless Summer voor mij. Venice is nog iets gepolijster en afgewerkter dan Endless Summer. Endless Summer is goed als je zoekt naar contrasten tussen nummers, maar omdat Fennesz door zijn eigenzinnige stijl nooit te gemakkelijke muziek zal maken, is er ook met een vloeiender geheel nog genoeg te ontdekken met elke luisterbeurt.
Château Rouge bewaart de sfeer van de geniale opener, maar is qua melodie heel erg anders. Het nummer is iets ingetogener, en gaat iets minder sterk los (voor zover dat kan in ambient), maar is alsnog erg goed. Zelfde geldt voor de andere nummers, die allemaal perfect in dezelfde sfeer passen, maar toch ondertussen qua melodie en geluid heel verschillend klinken. Zo valt er niets uit de toon en is het een rotsvast geheel, maar biedt het album ondertussen wel hele verschillende nummers.
Transit doorbreekt de sfeer van het album, omdat dit het eerste en enige nummer met zang is. Echter, als er één zanger is die met zijn stem binnen de sfeer van het album past is het wel David Sylvian. Zijn stem is de vocale equivalent van Fennesz' klanken, en hoewel het nummer enigszins uit de toon valt, is het verder gewoon heel erg sterk.
Afsluiter The Stone of Impermanence is de enige track op het album die echt hard is. Geen zomerse klanken, maar keihard gekras, uiteraard wel met een melodie die eronder verscholen zit. Dit nummer haalt mij op aangename wijze uit de droom die Venice heet. Een album dat precies klinkt zoals de hoes en titel weergeven.
5*
Opener Rivers of Sand is misschien wel het mooiste nummer dat ik ken. Het is voor mij een nummer dat móet bestaan, het is eigenlijk niet meer uit mijn hoofd weg te denken. Dit is voor mij in warme tijden de ultieme muzikale weergave van deze warme dagen waarbij je niets hoeft te doen en je rustig onderuitgezakt kunt zitten, en in koudere dagen is dit de kachel die muzikale warmte verschaft. Het nummer begint onmiddelijk al prachtig en vol en zet de toon heel erg goed, met het breekbare en toch zo volle geluid. Dezelfde structuur herhaalt zich op de bijzonderste manieren en geeft me het idee dat in het hele nummer alles wat ik in muziek zoek voorbijkomt, terwijl alles toch over één verknipte basislaag gedrapeerd ligt.
Dan tegen de twee minuten breekt het nummer eigenlijk opnieuw open. Dit openbreken van nummers is een 'tactiek' die Fennesz geweldig beheerst. Hij deed het ook al, nog iets duidelijker op het nummer Cecilia, wat het grote hoogtepunt is van zijn album Endless Summer.
Leuk is ook dat de albumhoes, cd-titel Venice en de songnaam Rivers of Sand eigenlijk al een perfect beeld geven van de klanken die in het nummer voorbijkomen.
Als ik kijk naar andere artiesten in de ambientwereld, kom ik toch voornamelijk bij artiesten die de kou weerspiegelen, door het minimalisme en de lang uitgesponnen geluiden is dit ook gemakkelijker, en dit is waarin Fennesz zich onderscheidt van andere ambient artiesten: het ontzettend volle en zo ook warme geluid van zijn nummers.
Hierin zit 'm ook het verschil met Endless Summer voor mij. Venice is nog iets gepolijster en afgewerkter dan Endless Summer. Endless Summer is goed als je zoekt naar contrasten tussen nummers, maar omdat Fennesz door zijn eigenzinnige stijl nooit te gemakkelijke muziek zal maken, is er ook met een vloeiender geheel nog genoeg te ontdekken met elke luisterbeurt.
Château Rouge bewaart de sfeer van de geniale opener, maar is qua melodie heel erg anders. Het nummer is iets ingetogener, en gaat iets minder sterk los (voor zover dat kan in ambient), maar is alsnog erg goed. Zelfde geldt voor de andere nummers, die allemaal perfect in dezelfde sfeer passen, maar toch ondertussen qua melodie en geluid heel verschillend klinken. Zo valt er niets uit de toon en is het een rotsvast geheel, maar biedt het album ondertussen wel hele verschillende nummers.
Transit doorbreekt de sfeer van het album, omdat dit het eerste en enige nummer met zang is. Echter, als er één zanger is die met zijn stem binnen de sfeer van het album past is het wel David Sylvian. Zijn stem is de vocale equivalent van Fennesz' klanken, en hoewel het nummer enigszins uit de toon valt, is het verder gewoon heel erg sterk.
Afsluiter The Stone of Impermanence is de enige track op het album die echt hard is. Geen zomerse klanken, maar keihard gekras, uiteraard wel met een melodie die eronder verscholen zit. Dit nummer haalt mij op aangename wijze uit de droom die Venice heet. Een album dat precies klinkt zoals de hoes en titel weergeven.
5*
Fishmans - Uchu Nippon Setagaya (1997)
Alternatieve titel: 宇宙 日本 世田谷

4,0
1
geplaatst: 6 september 2022, 11:22 uur
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #236
Een van de smerigste termen uit de muziekwereld is ‘easy listening’. Een totale diskwalificatie, die af en toe in platenzaken zelfs als genre wordt opgevoerd. Je zult als artiest maar besluiten om muziek te maken die er eigenlijk niet wenst te zijn. Nu is de lijn tot andere genres waar ik juist van houd vrij dun. Want ook op het genre-definiërende ‘Music for Airports’ wordt bewust gekozen voor muziek die in de ruimte rondzweeft en vooral nergens nadruk moet leggen. Nota bene de terminologische start van een van mijn favoriete genres, ambient. En als ‘easy listening’ niet zo’n vervuilde term was geweest, waaronder kitsch en muzak, lounge en softrock geschoven worden, dan had ik de term graag aan Fishmans toebedeeld. En kreeg het daarmee gelijk het betere lot dat het misschien verdiend had.
Want met titel Uchu Nippon Setagaya hebben we alles dat niet ‘easy’ is aan deze Fishmans plaat wel gehad. Het is met afstand het meest toegankelijke album dat ik tot nu toe in deze lijst ben tegengekomen. Het is volgens mij alleen omdat dit Japans is en daarom sommige grenzen bij voorbaat niet over komt dat deze plaat op MuMe tot 2019 niet te vinden was. Want niet alleen is het album heel makkelijk luisterbaar, hij zit ook nog eens heel creatief in elkaar en klinkt fris als een pepermuntje. De grap is dat alle beelden die bij deze plaat in me opkomen, tot aan een onbewoond eiland met palmbomen aan toe, al lang en breed zijn opgeslokt door de absurditeit. Niettemin voelt het bij deze plaat echt: als een clichés-stofzuiger annuleert hij alle belachelijkheid die rond zoveel van zulk soort concepten hangt. Eigenlijk beeldt de hoes het goed uit: een beeld waar een enorme eenvoud vanaf straalt, zonder dat het cheesy wordt. Knap, net als het album zelf. Om zo’n unieke sound neer te zetten die tegelijkertijd zo vertrouwd, nabij en ontspannen aanvoelt: ik heb het niet veel vaker meegemaakt.
Zoals al vaker aangegeven is er niet gekozen voor welke mal dan ook: hoewel de hele plaat een dromerig popsfeertje heeft, wordt er gretig geleend uit allerlei hoekjes, waaronder (zoals de genreaanduiding op MuMe aangeeft) ook Reggae. Het zou niet in me opkomen om dat als hoofdgenre te benoemen, maar zeker in de tweede helft van de plaat zijn de ritmes ook weer moeilijk anders te omschrijven. Het is natuurlijk veel moeilijker om een goede plaat te maken die opgewekt en positief klinkt dan een melancholiek of tragisch werk. Maar het is Fishmans zeker gelukt. Verdient meer luisteraars.
Duidelijke 4*
Een van de smerigste termen uit de muziekwereld is ‘easy listening’. Een totale diskwalificatie, die af en toe in platenzaken zelfs als genre wordt opgevoerd. Je zult als artiest maar besluiten om muziek te maken die er eigenlijk niet wenst te zijn. Nu is de lijn tot andere genres waar ik juist van houd vrij dun. Want ook op het genre-definiërende ‘Music for Airports’ wordt bewust gekozen voor muziek die in de ruimte rondzweeft en vooral nergens nadruk moet leggen. Nota bene de terminologische start van een van mijn favoriete genres, ambient. En als ‘easy listening’ niet zo’n vervuilde term was geweest, waaronder kitsch en muzak, lounge en softrock geschoven worden, dan had ik de term graag aan Fishmans toebedeeld. En kreeg het daarmee gelijk het betere lot dat het misschien verdiend had.
Want met titel Uchu Nippon Setagaya hebben we alles dat niet ‘easy’ is aan deze Fishmans plaat wel gehad. Het is met afstand het meest toegankelijke album dat ik tot nu toe in deze lijst ben tegengekomen. Het is volgens mij alleen omdat dit Japans is en daarom sommige grenzen bij voorbaat niet over komt dat deze plaat op MuMe tot 2019 niet te vinden was. Want niet alleen is het album heel makkelijk luisterbaar, hij zit ook nog eens heel creatief in elkaar en klinkt fris als een pepermuntje. De grap is dat alle beelden die bij deze plaat in me opkomen, tot aan een onbewoond eiland met palmbomen aan toe, al lang en breed zijn opgeslokt door de absurditeit. Niettemin voelt het bij deze plaat echt: als een clichés-stofzuiger annuleert hij alle belachelijkheid die rond zoveel van zulk soort concepten hangt. Eigenlijk beeldt de hoes het goed uit: een beeld waar een enorme eenvoud vanaf straalt, zonder dat het cheesy wordt. Knap, net als het album zelf. Om zo’n unieke sound neer te zetten die tegelijkertijd zo vertrouwd, nabij en ontspannen aanvoelt: ik heb het niet veel vaker meegemaakt.
Zoals al vaker aangegeven is er niet gekozen voor welke mal dan ook: hoewel de hele plaat een dromerig popsfeertje heeft, wordt er gretig geleend uit allerlei hoekjes, waaronder (zoals de genreaanduiding op MuMe aangeeft) ook Reggae. Het zou niet in me opkomen om dat als hoofdgenre te benoemen, maar zeker in de tweede helft van de plaat zijn de ritmes ook weer moeilijk anders te omschrijven. Het is natuurlijk veel moeilijker om een goede plaat te maken die opgewekt en positief klinkt dan een melancholiek of tragisch werk. Maar het is Fishmans zeker gelukt. Verdient meer luisteraars.
Duidelijke 4*
Flying Lotus - Los Angeles (2008)

4,5
0
geplaatst: 2 januari 2009, 19:53 uur
Omdat iedereen zo verschillend tegen dit album aankijkt, en mijn hiphopleeft-review toch vooral een sfeerbeschrijving is van hoe ik de plaat ervaar, post ik hem ook hier maar even.
Kersvers getekend door het Warp-Label, opereert Steven Ellison alias Flying Lotus in een muzikaal hoekje waar artiesten als Daedelus, Prefuse 73 en in lichte mate ook Madlib zich al sinds jaar en dag bevinden. Terwijl deze artiesten altijd met interessante beatcollages voor de dag komen, is het lastig je te onderscheiden in een nagenoeg instrumentaal subgenre dat bestaat uit knip- en plakwerk. Het eerder dit jaar uitgekomen Los Angeles doet dit wel, en imponeert zodanig dat het als totaalplaatje de genregrenzen ontstijgt. Een flinke scheut samples wordt met psychedelische electronica in hiphoppatronen vermengd tot een wonderlijke, filmische ervaring, die dieper duikt dan de losse samples en nummers doen vermoeden.
Wat we te zien krijgen van dit Los Angeles is een stadstrip die aanvoelt als een beklemmende koortsdroom. Contacten vallen niet te leggen en als in een slaaptoestand trekken de stadsscènes onafwendbaar aan je voorbij. De plaat is verre van afstandelijk, maar communiceert op geen enkele manier met zijn luisteraar en voelt hierdoor broeierig en ongemakkelijk. Wanneer in Comet Course dan toch enige menselijke inmenging plaatsvindt, behelst dit iets als ''Will there be peace...?'' , uitgesproken in een moeilijk verstaanbare waas. We treffen de krochten van een ongrijpbare omgeving. Onwerkelijke spelonken waarin industriële processen zich onverstoorbaar voltrekken, niet gehinderd door enige compassie met jou, luisteraar, jij die bent verworden tot een vervreemd hoofdpersonage in een ultiem afstandelijke ambiance.
En net als in een echte droom sluiten volkomen verschillende situaties - in de vorm van albumtracks - als vanzelfsprekend op elkaar aan. Ze staan los van elkaar, maar het zijn fragmentarische hoogstandjes die in het geheel geen verbanden behoeven. Vanuit het album spreekt een grote vrijheid, een gevoel van toeval dat degene die het ondergaat zo'n onverbiddelijke berusting meegeeft dat de plaat als onafwendbaar en onomkeerbaar voorbijtrekt. Van de gedurfde opener Brainfeeder, die je meteen de diepte inzuigt, tot aan de afsluiter Auntie's Lock / Infinitum, die de uiteindelijke gelatenheid illustreert met een vederzachte en toch nog absurde vrouwenstem: Los Angeles onttrekt zich aan alle normen.
Zo heeft Flying Lotus een plaat gefabriceerd die bijna onprettig is, maar zonder mededogen voortpruttelt. Een intensieve beluistering betaalt zich uit in een intrigerende verzameling van korte schetsen die geen kop of staart behoeven, omdat ze op zichzelf al danig vervreemdend zijn dat ze acute ademhalingsproblemen opwekken.
Welbeschouwd bevat de plaat helemaal geen moeilijk te doorgronden structuren, maar de wazige sfeer die neergezet wordt door middel van grove blokken repetitieve duisternis is genoeg om van Los Angeles een bijzonder kunststukje te maken. Een belevenis van formaat, die in het donker op hoog volume meer dan uitstekend tot zijn recht komt.
Oorspronkelijk geschreven voor Hiphop Leeft.
Kersvers getekend door het Warp-Label, opereert Steven Ellison alias Flying Lotus in een muzikaal hoekje waar artiesten als Daedelus, Prefuse 73 en in lichte mate ook Madlib zich al sinds jaar en dag bevinden. Terwijl deze artiesten altijd met interessante beatcollages voor de dag komen, is het lastig je te onderscheiden in een nagenoeg instrumentaal subgenre dat bestaat uit knip- en plakwerk. Het eerder dit jaar uitgekomen Los Angeles doet dit wel, en imponeert zodanig dat het als totaalplaatje de genregrenzen ontstijgt. Een flinke scheut samples wordt met psychedelische electronica in hiphoppatronen vermengd tot een wonderlijke, filmische ervaring, die dieper duikt dan de losse samples en nummers doen vermoeden.
Wat we te zien krijgen van dit Los Angeles is een stadstrip die aanvoelt als een beklemmende koortsdroom. Contacten vallen niet te leggen en als in een slaaptoestand trekken de stadsscènes onafwendbaar aan je voorbij. De plaat is verre van afstandelijk, maar communiceert op geen enkele manier met zijn luisteraar en voelt hierdoor broeierig en ongemakkelijk. Wanneer in Comet Course dan toch enige menselijke inmenging plaatsvindt, behelst dit iets als ''Will there be peace...?'' , uitgesproken in een moeilijk verstaanbare waas. We treffen de krochten van een ongrijpbare omgeving. Onwerkelijke spelonken waarin industriële processen zich onverstoorbaar voltrekken, niet gehinderd door enige compassie met jou, luisteraar, jij die bent verworden tot een vervreemd hoofdpersonage in een ultiem afstandelijke ambiance.
En net als in een echte droom sluiten volkomen verschillende situaties - in de vorm van albumtracks - als vanzelfsprekend op elkaar aan. Ze staan los van elkaar, maar het zijn fragmentarische hoogstandjes die in het geheel geen verbanden behoeven. Vanuit het album spreekt een grote vrijheid, een gevoel van toeval dat degene die het ondergaat zo'n onverbiddelijke berusting meegeeft dat de plaat als onafwendbaar en onomkeerbaar voorbijtrekt. Van de gedurfde opener Brainfeeder, die je meteen de diepte inzuigt, tot aan de afsluiter Auntie's Lock / Infinitum, die de uiteindelijke gelatenheid illustreert met een vederzachte en toch nog absurde vrouwenstem: Los Angeles onttrekt zich aan alle normen.
Zo heeft Flying Lotus een plaat gefabriceerd die bijna onprettig is, maar zonder mededogen voortpruttelt. Een intensieve beluistering betaalt zich uit in een intrigerende verzameling van korte schetsen die geen kop of staart behoeven, omdat ze op zichzelf al danig vervreemdend zijn dat ze acute ademhalingsproblemen opwekken.
Welbeschouwd bevat de plaat helemaal geen moeilijk te doorgronden structuren, maar de wazige sfeer die neergezet wordt door middel van grove blokken repetitieve duisternis is genoeg om van Los Angeles een bijzonder kunststukje te maken. Een belevenis van formaat, die in het donker op hoog volume meer dan uitstekend tot zijn recht komt.
Oorspronkelijk geschreven voor Hiphop Leeft.
Funkadelic - Maggot Brain (1971)

4,0
0
geplaatst: 23 september 2022, 22:47 uur
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #221
Toen ik voor het eerst Funkadelics zelfgetitelde debuut opzette was ik (ja, daar ga ik weer) iets teleurgesteld door de dominante positie van de gitaar(solo’s) die in mijn ogen vloekte met het hele concept van funk. Nu heeft Funkadelic wel zo’n centrale positie in de Funk en in de bredere muziekgeschiedenis dat ik daarin eigenlijk per definitie ongelijk heb, maar het wierp voor mij wel een zekere barriere op. Evengoed heb ik Maggot Brain sindsdien vaak in lijstjes rond mijn smaakgebied voorbij zien komen en is ook los daarvan de hoes iconisch genoeg om andere modernere classics te inspireren. Hoog tijd dus om deze plaat nu eindelijk eens goed en wel te gaan checken.
De openingstrack heeft me ontzettend verbaasd: het minimalistische en desolate gepiel ligt me erg goed. Ja, dit is veel gitaargesoleer, maar het laat veel ruimte voor de fantasie, maakt effectief gebruik van stilte en doet waanzinnige dingen met de stereokanalen die – hoewel wat gimmicky – een ontzettende ruimtelijkheid genereren. Er wordt mede door de effecten een enorme ruimte opgespannen die me veel dieper raakt dan ik had vermoed. Ik krijg nota bene associaties met Steve Reich (rond 6:00) en Songs: Ohia’s Ghost Tropic in het gebruik van desolate stiltes opgetrokken door klanken die ver weg klinken. Ook het gebruik van ruis tegen het einde van de track geeft een extra lading mee. Een geweldig knap werk, en een flinke verrassing bovendien.
De overige 6 nummers zijn in mijn beleving een stuk joliger en ‘veiliger’. Nu ben ik, vooral via verschillende compilaties en losse tracks wel bekend met dit gitaarfunkgeluid, en hoewel ik graag geloof dat deze tracks in 1971 revolutionair waren, vind ik ze vooral gezellig en creatief, maar val ik er niet van achterover. Er wordt hoorbaar geëxperimenteerd en er spat veel creativiteit vanaf, maar wordt wel een beetje een soepje dat haast degelijk klinkt. In termen van toegankelijkheid best een prestatie, maar veel meer dan ‘lekkere muziek’ levert het naar mijn idee (in tegenstelling tot de opener) niet op. Ik heb af en toe bijna het gevoel naar TV-jingles te luisteren (in ‘Hit It and Quit It’ bijvoorbeeld, maar ook halverwege 'Super Stupid'), zo makkelijk als de tracks voorbij glijden. Ook dat is ongetwijfeld avant la lettre, waarbij Funkadelic stukgesampled is vanwege zijn creatieve draaikolk aan geluidsexplosies, maar ik vind het lastig om me een tijdsgeest in te beelden waarin dit geluid nieuw was.
Zo kan het zijn dat nota bene alleen het gitaargesoleer echt indruk op me maakt, en de rest van de plaat een hele aangename en vooral rijke collectie tunes is die uit elkaar valt van de creativiteit maar me verder niet enorm raakt of beroert. Zo kun je er prima op dansen, maar ga ik het, anders dan op sommige andere platen, niet spontaan doen.
Niettemin een knap werk, waarvoor ik op een kleine 4* uitkom.
Toen ik voor het eerst Funkadelics zelfgetitelde debuut opzette was ik (ja, daar ga ik weer) iets teleurgesteld door de dominante positie van de gitaar(solo’s) die in mijn ogen vloekte met het hele concept van funk. Nu heeft Funkadelic wel zo’n centrale positie in de Funk en in de bredere muziekgeschiedenis dat ik daarin eigenlijk per definitie ongelijk heb, maar het wierp voor mij wel een zekere barriere op. Evengoed heb ik Maggot Brain sindsdien vaak in lijstjes rond mijn smaakgebied voorbij zien komen en is ook los daarvan de hoes iconisch genoeg om andere modernere classics te inspireren. Hoog tijd dus om deze plaat nu eindelijk eens goed en wel te gaan checken.
De openingstrack heeft me ontzettend verbaasd: het minimalistische en desolate gepiel ligt me erg goed. Ja, dit is veel gitaargesoleer, maar het laat veel ruimte voor de fantasie, maakt effectief gebruik van stilte en doet waanzinnige dingen met de stereokanalen die – hoewel wat gimmicky – een ontzettende ruimtelijkheid genereren. Er wordt mede door de effecten een enorme ruimte opgespannen die me veel dieper raakt dan ik had vermoed. Ik krijg nota bene associaties met Steve Reich (rond 6:00) en Songs: Ohia’s Ghost Tropic in het gebruik van desolate stiltes opgetrokken door klanken die ver weg klinken. Ook het gebruik van ruis tegen het einde van de track geeft een extra lading mee. Een geweldig knap werk, en een flinke verrassing bovendien.
De overige 6 nummers zijn in mijn beleving een stuk joliger en ‘veiliger’. Nu ben ik, vooral via verschillende compilaties en losse tracks wel bekend met dit gitaarfunkgeluid, en hoewel ik graag geloof dat deze tracks in 1971 revolutionair waren, vind ik ze vooral gezellig en creatief, maar val ik er niet van achterover. Er wordt hoorbaar geëxperimenteerd en er spat veel creativiteit vanaf, maar wordt wel een beetje een soepje dat haast degelijk klinkt. In termen van toegankelijkheid best een prestatie, maar veel meer dan ‘lekkere muziek’ levert het naar mijn idee (in tegenstelling tot de opener) niet op. Ik heb af en toe bijna het gevoel naar TV-jingles te luisteren (in ‘Hit It and Quit It’ bijvoorbeeld, maar ook halverwege 'Super Stupid'), zo makkelijk als de tracks voorbij glijden. Ook dat is ongetwijfeld avant la lettre, waarbij Funkadelic stukgesampled is vanwege zijn creatieve draaikolk aan geluidsexplosies, maar ik vind het lastig om me een tijdsgeest in te beelden waarin dit geluid nieuw was.
Zo kan het zijn dat nota bene alleen het gitaargesoleer echt indruk op me maakt, en de rest van de plaat een hele aangename en vooral rijke collectie tunes is die uit elkaar valt van de creativiteit maar me verder niet enorm raakt of beroert. Zo kun je er prima op dansen, maar ga ik het, anders dan op sommige andere platen, niet spontaan doen.
Niettemin een knap werk, waarvoor ik op een kleine 4* uitkom.
