MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Gyzzz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Car Seat Headrest - Twin Fantasy (Face to Face) (2018)

poster
2,0
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #238

Car Seat Headrest is zo’n stompzinnige en verveelde artiestennaam dat ik nooit ben aangespoord tot een nauwkeurige beluistering. De hoes van Twin Fantasy doet me denken aan die van Moby’s Wait for Me, wat na al die jaren nog altijd een goede contender is voor het slechtste album dat ik ooit gehoord heb. Veel slechter kunnen de voortekenen niet zijn: dit album kan dus alleen maar meevallen! Maar dat doet het amper. Ik begrijp dat deze plaat in 2011 al eens uitgebracht was, blijkbaar niet de erkenning kreeg waar CSH op hoopte, en dus maar is opgepoetst. Opmerkelijke move, ik kan me niet herinneren dat eerder bij een band gezien te hebben.

Als ik bedenk wat buiten de top-40 de meest doordeweekse muzieksamenstelling zal zijn zie ik vier “alternatieve” jongens voor me: een zanger, een gitarist, een bassist en een drummer. Nooit geweten waarom dat de heilige graal zou zijn, maar het is haast vermeldenswaardig als een indiebandje niet in die configuratie verschijnt. En terwijl CSH oorspronkelijk nota bene als soloproject uit de startblokken gekomen is, krijgen we buiten een verdwaalde synth of piano hier en daar precies dat. Nu sta ik altijd een beetje argwanend tegenover nieuwe groepen die zich in die standaard persen, maar evengoed ben ik in het verleden vaak genoeg verrast door precies een dergelijk gezelschap om goede hoop te houden – met als summum van ‘in theorie niets bijzonders, in de praktijk wel’ voor mij het debuut van The Strokes (die de RYM-revue nog zullen passeren). En laat de zang van CSH’s Will Toledo nu net aan good-old Julian Casablancas doen denken. Niet alleen in zijn stemgeluid, maar ook in de ik-doe-alsof-ik-in-de-badkamer-sta opnamefilter. Maar toen de Strokes-frontman alleen nog maar volslagen uitgeblust voor de dag kwam moest Toledo zijn eerste plaat nog opnemen. En hoewel ik niet weet hoe die eerste plaat klonk, zou ik voor het zangmateriaal op Twin Fantasy geen betere omschrijving kunnen bedenken. Voor een plaat waar de ‘plain’ gitaarsound zo centraal staat, gebeurt er verbluffend weinig interessants mee. Twee keer zo weinig ideeën voor de prijs van twee keer zo veel tijd. Ik krijg spontaan zin om Sonic Youth te draaien.

Er zijn weinig dodelijkere kwalificaties voor muziek dan deze als ‘saai’ te bestempelen. Toch komen voor dit gezelschap bijna geen andere woorden in mij op. De plaat puilt zowel instrumentaal als tekstueel uit van de indierock-clichés en biedt daarnaast precies niets. 71 minuten lang, puberale indie-by-the-numbers verpakt in songs die zomaar 16 lange minuten kunnen duren zonder op je in te werken of interessante wendingen tentoon te spreiden. Wie ooit nog beweert dat RYM aparte muziek (over)waardeert om zijn apart zijn, verwijs ik graag naar Car Seat Headrest.

Krap 2*

Charles Mingus - Let My Children Hear Music (1972)

poster
3,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #216

Charles Mingus is een aparte verschijning in mijn persoonlijke muziekgeschiedenis. Zijn The Black Saint and the Sinner Lady promoveerde ik in 2007 naar 5*, kort nadat ik hem leerde kennen. Dat was in een periode waarin ik van Jazz nog niets moest hebben. En hoewel die 5 sterren mij toen verwonderden en op zoek deden gaan naar meer Jazz, duurde het nog zeker 5 jaar voordat ik uberhaupt een volgend jazzalbum met plezier kon aanhoren. En hoewel het nog steeds als pootjebaden voelt, heb ik de discografie van collega-icoon John Coltrane inmiddels redelijk uitgeplozen en is John, net als Alice overigens, uitgegroeid tot een favoriet. Maar met Mingus heb ik het er eigenlijk een beetje bij laten zitten. Alsof ik aan ‘The Black Saint…’ wel voldoende had. Mingus Ah Um ken ik wel, maar heb ik me nooit goed genoeg in verdiept voor een stem, alsof het een overbodige toevoeging aan de collectie was. Maar nu mag / moet ik eindelijk een stapje verder gaan, want Let My Children Hear Music staat in de RYM-toplijst.

Meer dan de meeste andere jazz voelt de muziek van Mingus, en deze plaat in het bijzonder als een doordachte compositie, waar de instrumenten, klankkleuren en volumes heel secuur zijn gewogen en geplaatst. Het verloop krijgt daardoor iets heel doordachts en bijzonder filmisch. Alsof de muziek geluid en beeld in een bevat, waarbij alledaagse taferelen zich voltrekken a la Man With a Movie Camera. Zo spreekt de titel van opener ‘The Shoes of the Fisherman's Wife Are Some Jive Ass Slippers’ boekdelen voor deze hele beweeglijke, ontzettend levendige en speelse compositie die af en toe bijna iets te is voor mij. De muziek heeft iets kolderieks, af en toe neigt het voor mij bijna naar slapstick. Maar het is ontegenzeggenlijk knap hoe Mingus en zijn kornuiten met instrumentale muziek zo beeldend te werk kunnen gaan. Ook ‘Adagio Ma Non Troppo’ schuwt de grootse gebaren en statigheid niet - Ik heb af en toe bijna het gevoel dat ik naar een volkslied zit te luisteren. We krijgen mega-contrasten tussen zwaarte en lieflijkheid voorgeschoteld – als een heel mensenleven dat zich voltrekt in nog geen 9 minuten. Er gebeurt naar mijn smaak eigenlijk iets te veel – al is het vol van inspiratie en ontzettend smaakvol gemaakt. Datzelfde geldt in misschien wel nog sterkere mate voor de nummers die volgen. Zo’n ‘Hobo Ho’ is een mooie track maar voelt voor mij als een soort dagportie, waarna ik haast vol zit.

Dit is, ook in vergelijking tot wat ik eerder van hem hoorde, een grote, zware en ondernemende plaat van Charles Mingus. Er gebeurt zo veel dat de plaat voor mij aanvoelt als een dik dubbelalbum, terwijl hij in feite onder het uur klokt. Ik verwacht daarom mijn porties hiervan toch vooral in losse nummers te gaan consumeren, omdat het geheel me simpelweg wat teveel is. Dat gezegd hebbende staat ‘Let My Children Hear Music’ vol van de beeldende sfeer en spanning – een soort grote zak gemengd snoep waar je je zomaar misselijk aan kunt eten.

Voor nu een ruime 3.5*

Chico Buarque - Construção (1971)

poster
3,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #229

Ik heb me regelmatig verwonderd over de positie van Braziliaanse muziek in de wereld. Terwijl je het enerzijds op de radio niet hoort en ook op MuMe de albums in stemmenaantallen ver achter blijven bij usual suspects US en UK, is bij sommige platenwinkels – waaronder b.v. Rush Hour – al sinds jaar en dag een serieus deel van de collectie gereserveerd voor Braziliaanse platen. Ondertussen heb ik, daar of elders, zelden een plaat uit Argentinië of Colombia gezien, om maar lukraak twee andere landen uit hetzelfde continent te noemen. Wordt daar minder muziek gemaakt? Of is die van veel lager niveau? Ik heb geen idee, maar het heeft me altijd wel geïntrigeerd dat er weinig niches zo opvallend en afgebakend zijn als die van Braziliaanse muziek – al is het maar omdat deze, zoals overigens wel meer “wereldmuziek” (absurde term), in de regel op land en niet op stijl wordt gecategoriseerd. Evengoed kwam ik zelf nog niet verder dan een plaat of 5 uit die contreien - overigens allemaal uit de periode ’68-’73 - dus was ik blij om met Chico Buarque in de RYM-lijst mijn ervaring in deze hoek wat verder te verdiepen.

Titelnummer ‘Construção’ ken ik nu sinds een paar jaar vanuit verschillende spelletjes op deze site en is uitgegroeid tot een favoriet. Je wordt er in het meanderende en zachte sfeertje een beetje meegewiegd tot rond de 2 minuten de blazers je helemaal van je stuk brengen. In het vervolg wordt de teneur ook steeds onrustiger en is hetzelfde ritme dat eerst zo lieflijk leek met een paar kleine nieuwe accenten dat opeens helemaal niet meer. Ik gebruik het woord eigenlijk nooit, maar wat een epische track is dit. Het openingsnummer doet daar amper voor onder: ook hier contrasteert een gejaagde spanning op filmische manier met de wat luizige stem van Chico. Zodanig dat je er als luisteraar bijna zenuwachtig van wordt. Een achtervolgingsscene in audiovorm. Ook de rest van de eerste plaatkant staat bol van de contrasten en kleurrijke geluiden. Alsof je je 60s en 70s muziek altijd in zwart-wit hebt geconsumeerd en nu opeens een album in kleur krijgt voorgeschoteld. Er worden hier hele gewone instrumenten gebruikt die het album een kleur geven die ik in veel classics nog niet tegenkwam. Zo staat de eerste helft van het album bol van de lichtvoetige voltreffers met spannend gebruikte instrumenten.

Met de tweede plaatkant kan ik minder. Met ‘Olha Maria’, dat me te zoet en melodramatisch overkomt, verliest Chico me een beetje. Hier zal mijn beperktere bekendheid met Braziliaanse muziek om de hoek komen, maar opeens klinkt het me allemaal wel erg nadrukkelijk en expliciet dramatisch: van Chico’s stem tot de klankkleuren en de instrumenten, het klinkt allesbehalve universeel. Het samenspel tussen de muziek en Chico’s zang maakt plaats voor een uniforme slepende teneur waardoor het een beetje melodramatisch wordt. Ironisch genoeg vind ik de laatste 15 seconden van het nummer erg sterk. Nu snap ik dat ik als buitenstaander de nuance mis, maar ook ‘Samba de Orly’ klinkt me wel erg typisch, alsof ik alsnog naar een compilatie getiteld ‘Het beste van Brazilië’ zit te luisteren. Hetzelfde geldt voor de gitaartjes op ‘Minha Historia’ en de uitgeleide van het album. Ik verwacht bijna dat na afloop Matthijs van Nieuwkerk in beeld komt om een van quasi-betraande ogen voorziene “veelzeggende” stilte te laten vallen en vervolgens ‘Prachtig!’ uit te roepen. Ik krijg er ondanks de korte speelduur een beetje de kriebels van.

Zo heeft deze plaat voor mij sterk twee gezichten: de eerste helft is super; in de tweede helft wordt het op alle vlakken een beetje te nadrukkelijk – terwijl het album nog geen 32 minuten duurt. Ik sluit niet uit dat laatstgenoemde mijn onbegrip is na een aantal keren luisteren en dat dat gevoel in de toekomst kan wegvallen en ik de hele plaat op waarde kan schatten. Los daarvan ben ik erg blij met deze ontdekking en heb ik met ‘Deus Lhe Pague’ en het titelnummer twee favorieten voor hopelijk de eeuwigheid.

Voor nu houd ik het op een ruime 3.5*

Cocteau Twins - Treasure (1984)

poster
4,0
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #207

Ik ken niet veel bands waar de meningen over de beste plaat zo verdeeld zijn als Cocteau Twins. Zowel Treasure als Victorialand en Heaven or Las Vegas heb ik in de muziekjournalistiek als de topper benoemd zien worden. Terwijl afgaand op MuMe’s stemgemiddelden juist Head Over Heels de nummer 1 is. En zoals albums waar je eigen favoriete tracks doorlopend wisselen meestal de absolute toppers zijn is ook deze ambiguiteit doorgaans een teken van kwaliteit. Toch merkte ik in het verleden dat mijn eigen mening over dit esotherische gezelschap ook verdeeld was. Head Over Heels, waar de etherische sound mooi contrasteert met een onheilspellende agressie, scoorde goed (4.5*), deze Treasure vond ik wat erg luchtig en vluchtig (3*). Echter zit er 14 jaar tussen de geplaatste stemmen, dus ik was heel benieuwd of ik dit nu net een mindere plaat vind, of dat ik het vroeger gewoon niet helemaal begreep.

Nu wordt Cocteau Twins vaak in een adem genoemd met mijn grote shoegazefavorieten, maar dat komt voor mijn gevoel in de eerste plaats voort uit het feit dat het ‘Similar Artists’ kopje nu eenmaal al bestond en dat men graag wil vergelijken. Want er zijn maar weinig bands die zo op zichzelf staan als Cocteau Twins. Toch begrijp ik bij beluistering van Treasure wel waar ik eerder moeite mee had. De ijle zang van Elizabeth Fraser balanceert een hele dunne lijn tussen enerzijds uniek en krachtig en anderzijds aanstellerig en kitscherig. Het is jammer dat het woord ‘zweverig’ zo’n negatieve connotatie heeft, want het omschrijft deze muziek perfect, zolang je het in positieve of toch tenminste neutrale zin leest. De muziek is zo vederlicht en ontkoppeld, dat ik 15 jaar geleden niet wist hoe ermee om te gaan.

Maar eigenlijk vind ik Cocteau Twins stoer in hun onafhankelijkheid en afwezigheid van angst om een opengespreid en kwetsbaar geluid neer te leggen. Treasure zit ook met zijn louter mythische titelnamen op het randje van gimmicky, maar speelt en balanceert op dat randje waardoor het intrigeert. De plaat is uitgebracht in 1984, een jaar dat ik associeer met tijdgebonden geluid, maar deze plaat is daarentegen opvallend tijdloos. De productie is ruimtelijk en gewichtloos. Waar in Head Over Heels dit nog contrasteerde met een zekere vinnigheid, is deze plaat opgetrokken uit een omgevingsloos vacuum. En daarmee is hij niet alleen intrigerend, maar ook sensitief en schoon.

Ik durf wel te zeggen dat mijn magere waardering voor Treasure voortkwam uit ongemakkelijkheid met mezelf over wat ik hoorde. Met het niet kunnen plaatsen en het missen van context. Inmiddels concludeer ik dat er geen missers opstaan, de sound coherent en toch varierend is, en de verwondering in positieve zin overheerst. Het voelt onzinnig om bij deze plaat op individuele tracks in te gaan, want de waarde zit in de coherentie en samenhang. Ik word er weliswaar niet diep door beroerd of volledig door meegesleept, maar wat een schone plaat is dit - een flinke opwaardering is dus op zijn plaats.

Van 3* omhoog naar een ruime 4*

Converge - Jane Doe (2001)

poster
3,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #212

Toen ik eens een jaar in Boston bivakkeerde maakte ik graag tripjes naar allerlei plaatsen in de omgeving. Stadjes als Portland (ME) en Providence (RI), Plymouth en Salem. Die plaatsen hadden een paar dingen gemeen: ze leken op de kaart dichtbij en toch duurde het eindeloos om er te komen. Er was zonder uitzondering vrijwel niets te doen, behalve bier drinken in een hippe lokale brouwerij. En er hing in elke van deze plaatsen een inspirerende mix van rustieke sfeer en New England-stijl werken-werken-werken mentaliteit, inclusief wat plukjes vervallen industrie en afstanden die zelfs binnen een stadje van nog geen 50k inwoners te groot zijn om te lopen. Die drie dingen samen geven voor mijn gevoel een ideale voedingsbodem voor de muziek van Converge.

'Concubine' gaat van start alsof Converge een minuut gekregen heeft om een volledig album te maken. Heerlijk overweldigende track, die zo belachelijk vol vooruit gaat dat het weer grappig wordt. Een precisiebombardement dat wordt opgevolgd door het eveneens mathematisch aandoende en spijkerharde 'Fault and Fracture'. Tegen de tijd dat die track afgelopen is, heb ik mijn portie wel weer ongeveer gehad. En dan volgen er nog 40 minuten... Daarin mis ik wat klankkleur. Deze vorm van brutalistische granieten precisierock bevalt me heel goed voor een nummer of twee, maar zowel binnen als tussen de nummers wordt het me een beetje te grijs en grauw, en ga ik de contrasten missen - vooral omdat er zo veel gebeurt. Enkele favoriete hardcore/screamo-platen doen daarbij twee dingen die ik hier mis: ze gebruiken hele nadrukkelijke rustpunten voor contrast en reflectie, en ze verpakken hun portie vaak in nog geen 20 minuten. Converge doet dat niet, en blijft de turbo een dikke drie kwartier indrukken. Ook als het tempo omlaag gaat blijft de klankkleur bestaan uit zeven tinten granietgrijs. Overtuigend en strak uitgevoerd, maar wel wat vermoeiend. Enkel het titelnummer is kleurrijker en steekt er duidelijk bovenuit. Er wordt hier echt geen overdaad aan melodie voorgeschoteld, maar het is net wat nodig is om de plaat op de valreep nog wat kleur te geven.

Jane Doe kenmerkt zich door isolatie, een gevoel van opsluiting in een eindeloos landschap waar alles ‘all or nothing is’: je gaat all-in voor wat je doet, of je gaat aan de drugs en belandt op straat. Converge gaat duidelijk all-in voor de muziek, ook al is dat helemaal geen muziek die er natuurlijk gezien had moeten zijn. De harde overtuiging waarmee de groep haar niche naar haar hand zet intrigeert me: deze plaat klinkt technisch enorm vaardig en als het resultaat van minutieuze oefensessies. En hoewel ik met de stijl niet erg bekend ben, ervaar ik eigenheid: vol opgaan in het eigen werk zonder compromis. Alsof ze mainstream succes vanuit een randgenre met harde hand afdwingen. Dat valt alleen maar te waarderen.

In het algemeen vallen in de 3*-bak bij mij de albums die ik wel kan waarderen maar eigenlijk zelden tot nooit uit mezelf zou opzetten, hetzij omdat er enkele vreselijke draken opstaan, hetzij omdat de algehele sound me te weinig ligt. Ik vrees dat Converge tot die tweede categorie zal behoren, waarmee ik ze gevoelsmatig tekort doe, want Jane Doe is best een vette plaat, waarvan ik de uniformiteit en compromisloosheid erg kan waarderen. Maar waarvan ik uiteindelijk alleen de eerste 5 en de laatste 10 minuten echt graag hoor. Dit is zo'n plaat die ik graag een hoge score had gegeven omdat hij me conceptueel aanspreekt, maar waar ik niettemin zelden zin heb om hem integraal te draaien.

Kleine 3.5* voor nu.

CunninLynguists - A Piece of Strange (2006)

poster
2,5
Het hoge gemiddelde voor dit album verbaast mij toch wel een beetje.
Geen enkel nummer vind ik echt slecht, maar ik vind het allemaal nogal overgeproduceerd. De beats vind ik wat te uitbundig, en dat effect wordt nog eens ontzettend versterkt door de vaak vervelende refreintjes die het geheel echt de das om doen(Nothing to Give of America Loves Gangsters bijvoorbeeld hebben echt een verschrikkelijk refrein).

Het kán ook goed uitpakken, zoals op Hourglass, maar meestal doet dat het niet, en ook Immortal Technique en Tonedeff vind ik hier weinig tot geen toegevoegde waarde hebben.
Laatste minpunt is dat het wel erg veel los zand is waar maar moeilijk een geheel in te herkennen is. Hellfire is daar een goed voorbeeld van. Ik vind dat nummer erg matig op het album passen (en dit geldt voor meer nummers).

De opzet van het album vind ik goed, en het is weer eens wat anders, maar al met al is de boel nogal platgeproduceerd en onsamenhangend en de refreintjes zijn vreselijk. Will Rap For Food vind ik een heel stuk beter.
Kleine 2,5*