MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Gyzzz als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Shinichi Atobe - Yes (2020)

poster
4,5
Begrijpelijke scores en redenaties waar ik het (gezien mijn eigen waardering) uiteraard niet mee eens ben. Shinichi Atobe behoort in mijn optiek tot een zeer select groepje house/techno producers dat het begrip 'groove' tot in de puntjes beheerst en daar als het ware zijn 'gesamtkunstwerk' van heeft gemaakt over platen heen. Maar weinig producers vinden zoveel balans in iets simpels als deze man - ik denk in dat opzicht aan Basic Channel (M-Series), Newworldaquarium (Dead Bears) en wellicht Pole (1), Ebi (Zen) of Deepchord (Seconds to Forever) als gelijken, en dan houdt het rijtje wel op.

Wellicht een platte vergelijking, maar zoals Japanse sushi-chefs hun leven kunnen besteden aan de perfecte sushi, besteedt Atobe voor mijn gevoel zijn leven aan de perfecte groove. Dat lukt in alle eerlijkheid op al zijn platen hoogstens in een track of twee - hier zijn het 'Lake 2' en 'Ocean 1' die de kroon spannen. De overige tracks zijn de wat 'saaiere' exemplaren of - in geval van de korte intermezzo's - de gember tussendoor.

Bovenstaande karakteriseert al zijn platen, waarbij ook 'Regret' en 'Butterfly Effect' voorbeelden van zulke perfecties zijn. Ik weet nog goed dat ik de Resident Advisor track top-100 van 2017 luisterde en het meeste wel aangenaam vond, maar Atobes 'Regret' direct als buitencategorie in die lijst ervoer. En dit is tot heden niet veranderd. Terwijl er ook in die track in een kleine 10 minuten welbeschouwd amper iets gebeurt.

Evengoed begrijpelijk om te zeggen dat het saai is en er niets gebeurt. Dat klopt feitelijk natuurlijk, en is wat mij betreft helemaal niet erg. Als analogie: ik houd erg van schilderijen van Mondriaan en Van Doesburg, maar kan het volgen als iemand zegt dat ze wel wat meer hadden mogen doen met die rode, gele en blauwe lijnen. Voor mij zouden ze daarmee juist aan kracht verliezen. Hetzelfde geldt voor de muziek van deze man.

Sigur Rós - ÁTTA (2023)

poster
3,0
Toen ik Sigur Ros rond 2004-2005 ontdekte, duurde het niet lang voordat ik de groep omarmde en doorlopend beluisterde. Het was precies de tijd dat ik musicmeter ontdekte, en volgens mij duurde het nog geen jaar voordat Ágætis Byrjun mijn top-10 opluisterde, later nog ingewisseld voor ( ). Ook Takk vond ik in eerste instantie heel mooi, maar die bleek een nadrukkelijk kortere houdbaarheidsdatum te hebben. En de platen daarna heb ik behoudens wat losse nummers nooit meer de moeite voor genomen. Vreemd eigenlijk, voor zo'n favoriet gezelschap, die bovendien een unieke sound hebben waarbij elementen vanuit mijn toch al geliefde ambient liggen ingebed in postrock-achtige avonturen.

Inmiddels luister ik zelden meer naar Sigur Ros, maar deze nieuwe plaat wekte toch weer mijn interesse - of het door de intrigerende hoes of de anticipatie alhier komt weet ik niet precies. Wat me in elk geval erg aanspreekt is de compromisloosheid van het minimale en tegelijk overvolle geluid. Een plaat om bij in slaap te vallen - zo zie ik deze ook, maar dat lijkt me zoals zo vaak juist een compliment. Want er zijn miljoenen albums waarbij ik helemaal niet in slaap zou willen vallen. De sound is heel zacht en consistent zalvend. Je hebt eigenlijk geen idee wat er allemaal gebeurt, maar zweeft makkelijk mee. Ik vind het wel knap hoe ze met zo'n eenduidig en zweverig geluid zo'n supertoegankelijke sound weten te smeden.

Dat gezegd hebbende, beweegt deze plaat op een flinterdun randje tussen kunst en kitsch. Het zijn zelfs de losse elementen die mijn oordeel hiertussen heen en weer doen bewegen. Er zijn minuten, zoals bijvoorbeeld de eerste helft van 'Skel', waarin ik me verwonder over de vloeiende, haast vloeibare logica waarlangs de track zich ontwikkelt. Maar die worden opgevolgd voor minuten, zoals de tweede helft van diezelfde track, waar ze er nogal overheen gaan en een beetje als een karikatuur van zichzelf klinken. En eigenlijk de hele plaat schuift en glijdt op die manier voorbij, naadloos overgaand van subtiliteit naar bombast en van subtiele bezinning naar sentimentele bespeling.

Ik vind het mooi hoe Sigur Ros vasthoudt aan zijn unieke en aparte sound, maar weet na afloop van deze plaat telkens amper wat ik er van vind. Het is een beetje effectbejag, maar wel van het soort waar ik me makkelijker dan doorgaans aan overgeef.

3.25* voor nu - maar dat kan zomaar nog alle kanten op.

Slowdive - Everything Is Alive (2023)

poster
4,5
Schitterend album vol zalvende en helende muziek. Ik heb het hier al verschillende keren gelezen, maar 'Alife' had ook van mij eindeloos door mogen gaan. Prachtig en stoer hoe dit gezelschap zich keer op neer niets lijkt aan te trekken van al datgene wat je op ze aan zou kunnen merken (weinig pit, makkelijke fade-outs, middle of the road sound) en steeds weer tot de kern komt van wat ze zo goed maakt. Zo'n track als 'Kisses' vond ik als vooruitgestreefde single wat aan de veilige of saaie kant, maar landt volledig binnen de albumcontext. Ik hoor hier veel terug van de kwetsbaarheid die Souvlaki en Pygmalion zo mooi maakt en die Slowdive tot zo'n uniek gezelschap maakt.

Snowgoons - Black Snow (2008)

poster
1,5
Hier is mijn recensie dan, binnenkort vast ook te lezen op hiphopleeft:





In het tijdperk waarin 50 Cent, Lil Wayne en consorten een niet aflatende populariteit genieten, probeert een groot deel van de meer ingewijde hiphopfans naarstig uitwegen te zoeken uit het commerciële bolwerk. Gaat het hier puur om het ontbreken van muzikale kwaliteit en kunst in de muziek, of is het vooral te doen om het imago dat om de acts van het grote geld heen hangt en dat hardcore hiphopfans niet met zich mee willen dragen?

Productieteams als Snowgoons geven op Black Snow sterk de indruk af dat dit tweede het geval is, waarbij de gastrappers verre van onschuldig zijn aan het afgeleverde product. Terwijl de attitude underground is, zijn de beats hapklare brokken, die niet zouden misstaan op G-Unit-albums, en hebben de rappers niet meer te melden dan hoe tough ze hun bizz handelen. Subtiliteit ontbreekt, waardoor de sfeer nooit macaber of neerslachtig is en bombast de boventoon voert. Nooit wordt er op Black Snow, het tweede album van de groep, gespeeld met contrasten: het album is ontzettend vol van geluid en krijgt het ondertussen toch voor elkaar om vreselijk vlak te klinken.

This is Where the Fun Stops is een voorbeeld van een nummer waarvan je denkt dat je de beat al oneindig vaak gehoord hebt op verschillende albums op Babygrande, een label dat variatie überhaupt al nooit hoog in het vaandel gehad heeft. Verschil met andere releases is dat de sound op Black Snow ook nog eens zwaar over de top is, waarbij vrijwel elke toon hevig geaccentueerd aangezet wordt. Vocale samples worden vakkundig in het begin van het nummer ingebouwd onder begeleiding van de nodige scratches, maar alles aan het album wekt de indruk dat dit gebeurt volgens een formule of een voorschrift, niet uit functionaliteit. Ook verder door het album blijft de formule met gerapte refreinen onnodig vaak voorkomen, en telkens volgens een standaardformule voor een moderne hiphoptrack. Allemaal strak, allemaal uit het boekje, precies binnen de lijntjes gekleurd en vooral nooit verrassend.

Starlight is de eerste en enige productie die diepte meegeeft aan de dienstdoende MC; de eerste track die enige vorm van subtiliteit tentoonspreidt. Waar tot hieraan beat en rap volledig los van elkaar stonden, versterken ze elkaar ditmaal. Complimenten aan rapper Viro the Virus, die zich niet laat verlagen tot het primitief overal tegenaan trappen om de afwezigheid van eigen verbale capaciteiten maar te verbergen, maar een bescheiden levensbeschouwing loslaat op de luisteraar. Een vorm van bescheidenheid die de zwakte van de eerdere nummers pijnlijk blootlegt.

Dat de Snowgoons geluidstechnisch geen groentjes zijn, is duidelijk, maar ze willen dat zo graag tonen dat er weinig ruimte voor rustpunten en contrasten overblijft. Hoewel talloze melodietjes de nummers insluipen, zijn de mooie op één hand te tellen.

Incite A Riot bevat bij uitzondering enkele goede ideeën, maar de titel is veelzeggend. De geluiden die worden gebruikt klinken geraffineerd, maar enige vorm van coherentie ontbreekt. Bijna een prettig nummer voor met het verstand op nul, met de nadruk op bijna: het nummer klikt niet als een klok en balanceert op een nogal dubieus randje tussen enerzijds standaard op een goede manier en anderzijds als een willekeurige keuze uit een pakket melodieën en ritmes. Ook Lost hinkelt tussen emotie en goedkope sentimenten, waarbij de rappers het andermaal verpesten.

Op Still Waters Run Deep (van Supastition) is de parallel met G-Unit niet enkel te trekken, hij ligt zelfs ontzettend voor de hand. Om nu nog een nummer te starten met een enorme explosie, getuigt van een problematisch gebrek aan enige vorm van esthetiek. Vooral wat beat betreft ligt het er in dit nummer allemaal zo huizenhoog bovenop dat het moeilijk is een lach te onderdrukken. Het kan bijna door voor een parodie op het hele gangsterrapgenre, inclusief het pakkende refreintje.

Ook tegen het einde van het album blijven talloze clichés van het veralgemeniseerde hedendaagse hiphopgeluid langskomen, van opgepitchte voicesamples in Rainin tot de toonhoogtewisselingen van de beat in Avalanche Warning. Het geeft je allemaal het idee dat je het met de juiste apparatuur en technische vaardigheid zelf ook het kunnen maken. Van een kunstvorm is hier geen enkele sprake meer.

Dat het album dan met 76 minuten veel te lang is gezien de eenzijdigheid valt niet meer op door de verbazing over de algehele sound. Heel prominent aanwezig en toch ontzettend identiteitsloos. Een album dat werkelijk niets toevoegt, op één enkele te koesteren track na. De Snowgoons weten met hun apparatuur om te gaan, maar lijken vooral zo tevreden met hun platencontract dat ze het zekere immer voor het onzekere nemen en altijd voor de toegankelijkste weg kiezen, daarbij voortdurend gehinderd door een schrijnende ideeënarmoede. Enkel Starlight overleeft de spoeling, en is een nummer om te bewaren, geproduceerd door een team met een diep verborgen, heel misschien nog op te hengelen potentie door het vermogen om een strakke, cleane sound neer te zetten.

Misschien ligt het negatieve oordeel aan het feit dat er al zo veel releases met dezelfde stijl van dit album zijn uitgebracht, maar het is zonder twijfel ook deels te wijten aan het grote gebrek aan subtiliteit. Voor het eerst roept een album bij mij werkelijk de vraag op waarom je rapper wordt als je letterlijk níets zinnigs of leuks te melden hebt. Dit is uiteraard het gevolg van een optelsom van vele zwakke albums, maar hier wordt hetzelfde probleem eindeloos lang op je afgevuurd, wat echt funest is. Het doet dít album volledig de das om, omdat het voor mij precies die ene druppel is die de hiphopemmer doet overlopen en ontzettend doet verlangen naar subtiliteit, oprechte emotie en minimalisme in muziek.

1,5*

Songs: Ohia - The Magnolia Electric Co. (2003)

poster
3,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #198

Jason Molina is een zanger die mij al zeker 15 jaar na aan het hart ligt. Ik ben dan ook blij om te zien dat hij een notering in de RYM-lijst heeft, echter is dat wat mij betreft wel met de ‘verkeerde’ plaat. En natuurlijk is The Magnolia Electric Co. helemaal geen verkeerde plaat, best een sterke zelfs, maar hij blijft in mijn herinnering wel lichtjaren achter op het waanzinnig sterke Didn’t It Rain en al helemaal op meesterwerk Ghost Tropic die hier op 5* staat. Dus nu ben ik een beetje verwonderd: op MuMe staat met ‘Lioness’ regelmatig een nummer in de Ladderfinale dat ik niet tot Molina’s 30 beste nummers reken en op RYM is zijn enige top-250 albumnotering een plaat die niet in mijn SO-top-5 zou staan (naast eerdergenoemde platen vind ik ook The Lioness, Axxess & Ace en Pyramid Electric Co beter, terwijl ik zijn vroegste werk nog niet eens ken).

Zoals meer kwetsbare muzikanten die met hun ziel onder hun arm lopen, is Molina op zijn best als hij op zijn breekbaarst en minimaalst is. Het is de ironie van gedeprimeerde en zwaarmoedige muzikanten: ze kunnen het beste connecten met de luisteraar omdat hun gemoed zo tastbaar is en ze de diepte van hun eigen gedachtenkronkels voelbaar kunnen maken. The Magnolia Electric Co. wordt daarentegen gedomineerd door een nogal traditionele en slepende instrumentatie, die de spanning van eerdere platen goeddeels ontbeert: zo’n ‘The Old Black Hen’ wordt enerzijds gedomineerd door een nogal traditionele landelijk Amerikaanse sound en anderzijds door een nogal oninteressante Lawrence Peters, die de vocalen opeist maar weinig impact heeft. Wat doet hij daar? En waar is onze hoofdpersoon zelf gebleven? Zelfde geldt voor de ‘Peoria Lunch Box Blues’, al is Scout Niblett een waardiger vervanger dan eerdergenoemde Lawrence. Los van die invallers klinkt ook Molina zelf langs die traditionele begeleiding bij vlagen een beetje als een Neil Young achtige rocker – niet iets wat mij ligt.

Vind ik dit dan een zwakke plaat? Nee, helemaal niet eigenlijk – zo zijn ‘Farewell Transmission’ en met name ‘Hold On Magnolia’ gewoon hele mooie liedjes, die de grote meerderheid van de eenzame liedjesschrijvers überhaupt niet in hun mars hebben. Zeker in laatstgenoemde neemt Molina ouderwets de tijd om je gestaag naar binnen te trekken in zijn gelaagde gemoed en benut hij de traditionele muzikale ondergrond volledig, alsof hij op de instrumentale onderlaag steunt om vocaal op verkenningstocht te kunnen gaan. En daarin zowel in datering als speelduur de tijdloosheid te bereiken van pure en grenzeloze muzikale verkenning. Schitterend nummer dat me doet afvragen of de rest van de plaat niet eigenlijk ook gewoon briljant is.

Een mindere doch bejubelde plaat van een favoriete artiest bespreken – altijd lastig. Ook bij nieuwe beluistering is dit verre van Songs:Ohia’s beste plaat, maar de pieken zijn ouderwets hoog. Toch zit het countryrock-dekentje hem wat mij betreft niet echt als gegoten en voegen de nogal dominante en centraal geplaatste gastoptredens weinig toe. Molina bereikt zijn potentiele diepte en grootse verwondering eigenlijk alleen op de opener en afsluiter – voor de rest vind ik dit een prima maar weinig spectaculaire en nogal traditionele plaat.

Nog steeds wel een ruime 3.5*

Steely Dan - Aja (1977)

poster
3,0
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #239

In mijn hoofd was Steely Dan, ook weer zo’n naam die ik talloze keren voorbij zag komen maar nooit erg actief beluisterde, de artiesten naam van ene Daniel. Blijkt de band vernoemd te zijn naar een ‘revolutionary steam-powered dildo’. Opmerkelijk, en op basis van Aja vermoedelijk ook meteen het meest rebelse dat dit gezelschap ooit gedaan heeft, want de muziek is zo salonfähig als het maar zijn kan.

Het is haast grappig hoe vlekkeloos deze plaat geproduceerd is. Nergens is ook maar het kleinste rauwe randje te bespeuren – we zijn hier getuige van pure smoothness en ‘vakmanschap’. Dat maakt de plaat ontzettend saai, maar tegelijkertijd ook wel lekker. Hoewel de opbouw bij vlagen best complex en uitdagend is en best wat uitwaaiert, zijn de instrumenten en productie heel erg luisteraar-gericht – de laatste drie minuten van het titelnummer zijn daar een mooi voorbeeld van. De saxofoon heeft de zoetsappigheid van Knuffelrock 17 maar contrasteert mooi met het wat spannendere drumwerk, zeker richting het einde van de track. Het is de drummer is de die ontzettend ‘pleasing’ muziek nog van enkele verrassende wendingen voorziet, maar evengoed ontgaat me volledig waarom er een meterslange wikipediapagina voor deze track geschreven is. De zanglijnen op een ‘Deacon Blues’ en de saxofoonsolo’s doen me afvragen of ik naar de aftitelingstune van een Amerikaanse soap zit te luisteren, en toch vind ik het wel lekker.

Op Aja valt geen onvertogen woord - de plaat is uitdrukkelijk anti-rebels. Ik ken evengoed geen enkel album dat zo makkelijk beluisterbaar als deze muziek voor nette mensen. De hypergepolijste sound glijdt gewoon je oren in zonder dat je er erg in hebt. Steely Dan klinkt als een groep van studiomuzikanten voor wie muziek een 9-tot-5 baan was: de - gezien hun talenten - meest logische manier om in het levensonderhoud te voorzien. Dat gevoel sluit een hoge score voor mij direct uit, maar op een bepaalde manier kan ik het toch wel waarderen. Gecombineerd met de overgedetailleerde sound is de plaat daarmee tegelijkertijd overgeproduceerd en heel doordeweeks. Klinkt niet als een aanbeveling, maar het stoort dus me totaal niet. Denk dat ik deze op een lange autoreis naar Italië nog wel eens zal aanslingeren – maar dan wel om de reis mee af te trappen, want al met al is hij meer gemaakt voor de Nederlandse A2 dan voor de Autobahn.

3.25*

Swans - The Seer (2012)

poster
4,5
Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #226

Ik denk dat ik geen bands ken met zo'n treffende naam als Swans. Sereniteit, donkere schoonheid en sluimerende agressie gaan hand in hand met de groep. En interessant genoeg wordt de naam alleen maar treffender, alsof ze album na album dichter bij hun ware identiteit komen. Een aantal maanden voordat The Seer zou uitkomen zag ik ze live, op dancefestival Melt 2011 of all places, waar ze een behoorlijk overdonderend optreden gaven. Hun platen van eind jaren '80, begin jaren '90 vind ik al jaren super. Maar afgeschrikt door de lange speelduur van hun moderne werk en tevreden met de reeds eindeloze diepte van hun eerdere werk was ik, buiten de comebackplaat, gemakshalve nooit aan het nieuwe werk begonnen. De RYM-lijst is een prachtige gelegenheid gebleken om dat wel te gaan doen.

Hoewel ik het jammer vind om het donkere stemgeluid van Michael Gira niet meer te horen (want als we hem al horen, is die kenmerkende diepte er niet), heeft het plaatsgemaakt voor een tribale gekte die op een heel andere manier ook metersdiep binnen komt. Hoe langer je je in The Seer onderdompelt, hoe beter je voelt dat deze muziek van een paar plateaus dieper in de menselijke psyche komt. Wel moet je er goed voor gaan zitten: dit is zo nadrukkelijk geen achtergrondmuziek dat hij tijdens bezigheden aan je voorbij kan glijden terwijl hij bij aandachtige beluistering een directe aansluiting op je diepst gelegen neuronen lijkt te triggeren. De productie klinkt een beetje oppervlakkig, maar waar dat normaal niet wenselijk is, geeft het de muziek hier iets heel engs mee. Alsof je de muziek zich in de verte ongecontroleerd ziet voltrekken. De vlakke sound klinkt functioneel - het maakt dat je de plaat goed hard kunt draaien zonder dat losse elementen er uit beginnen te tuimelen. Het geeft stabiliteit aan de plaat, een zwaartepunt waar de ongecontroleerde gekte die veel nummers kenmerkt naar toe kan graviteren.

Gedurende de eerste plaatkant wordt een zeldzame ongemakkelijkheid bereikt die ik eigenlijk alleen ken van donkere en absurdistische werken van The Hafler Trio en Nurse With Wound. Maar waar die artiesten meer in de musique concrete zitten en doorgaans geen liedjes maken, behoudt Swans doorlopend de link met de normale wereld, zonder daarvoor minder diep te graven. Geen wonder dat ze af en toe 32 minuten nodig hebben, zoals op het titelnummer. Deze monumentale track vreet zich gaandeweg je hoofd in, heeft in de verste verte geen haast maar begint je als luisteraar langzaam en geleidelijk in te palmen en te bezweren. Er is helemaal geen label meer te plakken op deze muziek. Er wordt sfeer overgebracht, en voor vertaling naar genres met de bijbehorende conventies is geen tijd en geen ruimte. Die moeite wordt helemaal niet meer gedaan. En in die zin blijft 'The Seer' heel dicht bij de eerder genoemde geluidskunstenaars.

Pas op The Daughter Brings the Water gaat het luik open en komen de eerste lichtstralen het album binnen. Wat voelt dat dan opeens als een verademing. Alsof je na een dag vol inspanningen zonder hydratatie opeens een glaasje water krijgt. Terwijl ik dit schrijf weet ik niet eens of die gedachte nu toeval is of dat de gezongen titel toch al dieper dan ik dacht in mijn hoofd was geplant. Sowieso lijkt kant 2 de (voor Swans-begrippen) lichte kant te zijn na de donkerte van kant 1, al klinkt dit banaal en simplistisch in verhouding tot wat we hier horen. Want expliciet wordt dat contrast nergens gemaakt. De donker-naar-licht transities doen denken aan Wolfgang Voigts Gas-project. Ook meer concreet doet 'A Piece of the Sky' me denken aan het bedwelmende, tijd-overstijgende grijsgebied tussen licht en donker dat diens beste werken zoals Zauberberg karakteriseert. Een soort tussenzone waar je nergens meer aan kunt vastklampen en daardoor zelf vederlicht voelt, op het hallucinante af. Daarbinnen slaat 'A Piece of the Sky' echt alles, omdat hier niet alleen de ziel binnenstebuiten wordt gekeerd, maar ook de schoonheid een centrale plaats krijgt.

'The Seer' is een waanzinnig pretentieus en filmisch werk waar je maar zin in moet hebben. Als dat je niet tegenstaat heb je een monument aan dit album, een plaat waar je in kunt gaan wonen, en die ook in jou gaat wonen. Gira en de zijnen hebben zich onttrokken aan de buitenwereld en hun psyche binnenstebuiten gekeerd, en uitgesmeerd over twee uur aan donkere kronkels. Nu vind ik ‘catharsis’ altijd een beetje een zware, beladen en dramatische term, maar als er dan toch muziek is die een gooi doet naar iets wat daarbij in de buurt komt, dan is het wel de muziek van Swans. In de jaren '80 en '90 was dat al zo in directe en concrete vorm, en in de afgelopen jaren heeft die vorm plaatgemaakt voor een grote golf aan conceptueel geluid. Als hier goed voor gaat zitten begint de plaat je hele lichaam te beroeren, tot je voeten aan toe. Ik vind het mooi hoe Swans zich als 'established' naam overgeeft aan die compromisloosheid. Gegokt, all-in gegaan, en glansrijk gewonnen, wat mij betreft.

Makkelijk 4.5*